id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 maart 2023 EC
Art. 26
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Bijzondere wet op het Arbitragehof
Art. 28
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiche 2 Uit de handhaving door het Grondwettelijk Hof van de gevolgen van artikel 851 Gerechtelijk Wetboek, zolang de wetgever de door dit artikel vastgestelde Grondwetschending niet verhelpt en uiterlijk tot 31 augustus 2019, volgt dat de rechter deze bepaling kan toepassen voor zover hij de exceptie beoordeelt vóór 31 augustus 2019, ongeacht het tijdstip waarop de exceptie is opgeworpen, maar hij, bij gebrek aan wetgevende tussenkomst, na 31 augustus 2019 gehouden is tot een grondwetsconforme toepassing van artikel 851 Gerechtelijk Wetboek die inhoudt dat de exceptie van de cautio iudicatum solvi kan worden opgeworpen tegen elke eiser, ongeacht zijn nationaliteit, die in het buitenland woont of verblijft en in België over onvoldoende vermogen beschikt om in te staan voor de financiële gevolgen van een eventuele veroordeling, tenzij een internationale overeenkomst tot vrijstelling van borg geldt
(1).
(1)Zie de andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: CAUTIO JUDICATUM SOLVI Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 851 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 852 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Bijzondere wet op het Arbitragehof
Art. 28
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2023, nr. 468, p.
- - VERHOEVEN, Marek; Noot'Cassatie interpreteert borgstelling eisende vreemdeling grondwetsconform' TBP-Tijdschrift voor bestuurswetenschappen en publiekrecht - 2024, n° 1, p. 29-
- - BOMBAY, Anne; Noot'(Invullen van) een wetgevende lacune of niet? That's the cautio(us) question' Tekst van de conclusie C.22.0126.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: (…) Het middel.
- Eiseres komt met haar middel op tegen de beslissing van de appelrechters om de door eiseres opgeworpen exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling ongegrond te verklaren, met als gevolg het ontvankelijk en gegrond verklaren van het hoger beroep van verweerster, het tenietdoen van het vonnis van de eerste rechter en het aanhouden van de zaak voor de behandeling ervan ten gronde. Eiseres voert een schending aan door de appelrechters van: - de artikelen 10, 11 en 159 Grondwet; - artikel 3, inzonderheid lid 2 en lid 3, van het Verdrag van Vriendschap, Vestiging en Scheepvaart tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika van 21 februari 1961 en van artikel 3 van het bijhorende Protocol, Verdrag en Protocol goedgekeurd bij wet van 30 juli 1963 (hierna kortweg “het Vriendschapsverdrag“); - de artikelen 26, § 2, inzonderheid tweede lid, 2°, en 28, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, waarvan het opschrift werd gewijzigd bij de bijzondere wet van 21 februari 2010; - de artikelen 851 en 852 Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten; - het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van het internationaal recht bij toepassing waarvan de internationale verdragsnorm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde voorrang moet krijgen op het interne recht.
- Op 11 oktober 2018 werd door het Grondwettelijk Hof een arrest gewezen (nr. 135/2018, rolnummer 6744), waarmee voor recht werd gezegd dat artikel 851 Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt en dat de gevolgen van die wetsbepaling worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een wet die aan de vastgestelde onwettigheid een einde maakt, en uiterlijk tot 31 augustus
- In deze stelt zich de rechtsvraag welke voor de rechter de rechtsgevolgen zijn van het arrest van 11 oktober 2018 van het Grondwettelijk Hof.
- Artikel 851 Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: “Behalve wanneer Staten bij verdrag hebben bedongen dat hun onderdanen ontslagen zijn van borgstelling ter voldoening aan het vonnis, zijn alle vreemdelingen als hoofdeiser of tussenkomende partij gehouden, indien de Belgische verweerder het vóór enige exceptie vordert, borg te stellen voor de betaling van de uit het geding voortvloeiende kosten en schadevergoedingen waarin zij kunnen worden verwezen. De verweerder kan borgstelling vorderen, zelfs voor het eerst in hoger beroep, indien hij aldaar gedaagd wordt”. Dit artikel dient in samenhang gelezen te worden met artikel 852 Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt: “Het vonnis waarbij borgstelling wordt bevolen, bepaalt tot welk beloop dit zal geschieden. Het kan de borg ook door enige andere zekerheid vervangen. De eiser wordt ontslagen van het stellen van de gevorderde zekerheid, indien hij de bepaalde som in consignatie geeft, indien hij aantoont dat zijn onroerende goederen in België voldoende zijn om die som daaraan te verhalen of indien hij een pand geeft overeenkomstig artikel 2041 van het Burgerlijk Wetboek. In de loop van het geding kan de rechtbank, op verzoek van een partij, het bedrag van de som of de aard van de verstrekte zekerheid wijzigen”. De parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek vermeldt: “De exceptie van de zekerheidstelling van de eisende vreemdeling (artt. 851 en 852) werd behouden, ten minste ten opzichte van de landen waarmee we geen verdrag hebben. Deze zekerheidstelling is overigens vereist in de meeste van onze onmiddellijke buurlanden en zelfs landen als Canada hebben ze instandgehouden. De voorgestelde tekst maakt een soepele toepassing mogelijk: artikel 852 stelt dat de eiser er kan van vrijgesteld worden een zekerheid te stellen wanneer hij laat blijken dat zijn onroerende goederen die hij in België bezit voldoende zijn om de kosten van het geding te dekken. De zekerheidstelling heeft tot doel de betaling te verzekeren van de gerechtskosten die de verweerder zal moeten maken om zijn verdediging te verzekeren. Zij kan niet worden gelast wanneer de rechtspleging geen kosten met zich brengt”
(1). 8. Bij vonnis gewezen op 6 oktober 2017 door de rechtbank van koophandel te Luik
(2)werd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt artikel 851 Gerechtelijk Wetboek de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre het tot gevolg heeft dat het een Belgische verweerder die tegenover een buitenlandse eiser staat en een Belgische verweerder die tegenover een in het buitenland gevestigde Belgische eiser staat die in België niet over enig goed noch vermogen beschikt, zodat de Belgische verweerder geen enkele waarborg heeft dat die eiser het hoofd zal bieden aan een tegen hem uitgesproken veroordeling, verschillend behandelt?” Het Grondwettelijk Hof oordeelde met zijn arrest van 11 oktober 2018: “Het criterium van de nationaliteit, waarop het bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde verschil in behandeling berust, is (…) niet relevant ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk de betaling van de gerechtskosten en van de schadevergoeding waartoe de eiser zou kunnen worden veroordeeld, waarborgen aan de verweerder. Niets maakt het mogelijk te verantwoorden dat dat doel van bescherming van de verweerder die wordt geconfronteerd met de geldelijke verliezen die een eiser die in België geen waarborgen biedt voor de betaling van de kosten en de schadevergoeding waartoe hij zou worden veroordeeld, hem door een ongegrond proces kan doen lijden, enkel wordt nagestreefd wanneer de eiser een vreemdeling is. Het is immers niet de nationaliteit van de eiser maar wel de omstandigheid dat hij in het buitenland verblijft en in België geen goed bezit dat als waarborg kan dienen, die de verweerder kan doen vrezen dat hij wordt geconfronteerd met de onmogelijkheid in de praktijk om de uitgegeven bedragen terug te vorderen. In zoverre het enkel de buitenlandse hoofdeisers of tussenkomende partijen ertoe verplicht een cautio iudicatum solvi te verlenen, indien de Belgische verweerder zulks vóór enige exceptie vordert, is artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”
(3). Het Grondwettelijk Hof achtte het, rekening houdend met de noodzaak om de juridische moeilijkheden ingevolge de vaststelling van de ongrondwettigheid van artikel 851 Gerechtelijk Wetboek voor de lopende procedures te voorkomen, nodig om de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling definitief te handhaven tot de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 augustus 2019
(4). Het Grondwettelijk Hof maakte daarmee gebruik van de mogelijkheid tot handhaving van de gevolgen van artikel 851 Ger.W. die artikel 28, tweede lid van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof biedt. Wanneer het Grondwettelijk Hof in een dergelijke handhavingstermijn voorziet, maakt het uitzondering op het declaratoir karakter van zijn arresten, volgens welk principe verondersteld wordt dat de betrokken wetsbepaling steeds ongrondwettig is geweest. Omwille van de rechtszekerheid kan het Grondwettelijk Hof dan ook beslissen de gevolgen van de ongrondwettige wetsbepaling voor een beperkte tijd te handhaven
(5). In casu brengt dit met zich mee dat artikel 851 Ger.W., hoewel ongrondwettig verklaard, toch in zijn huidige vorm toegepast kon blijven tot een bepaalde datum, met name tot de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 augustus 2019. Zoals gesteld, werd het betrokken arrest van het Grondwettelijk Hof uitgesproken naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de rechtbank van koophandel te Luik. Hoewel een prejudicieel arrest van het Grondwettelijk Hof niet erga omnes werkt (in tegenstelling tot een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof), gaat er van een prejudicieel arrest wel een versterkt relatief gezag van gewijsde uit. Krachtens artikel 26, § 2 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is een rechtscollege er immers niet toe gehouden een opgeworpen prejudiciële vraag opnieuw aan het Grondwettelijk Hof te stellen wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp
(6). Daaruit volgt dat dit rechtscollege ofwel zich moet voegen naar het eerdere arrest van het Grondwettelijk Hof, ofwel een nieuwe prejudiciële vraag met een ander onderwerp moet stellen
(7). In principe komt het aan de wetgever toe om te verhelpen aan de ongrondwettigheid van een wetsbepaling
(8). Een rechter kan zich mijns inziens dan ook niet in de plaats stellen van de wetgever door een ongrondwettig verklaarde wetsbepaling anders te gaan invullen. Dit vloeit voort uit het principe van scheiding der machten: de wetgevende macht, de rechterlijke macht en de uitvoerende macht hebben elk afzonderlijke taken, waarbinnen zij geen inmenging van de andere machten mogen dulden. Verwijzend naar rechtspraak van het Hof, meen ik dat een rechter die geconfronteerd wordt met een wetsbepaling die door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig is verklaard, – na het verloop van de eventuele handhavingstermijn – de toepassing van deze wetsbepaling in principe moet weigeren
(9). De rechter moet erop toe zien dat de rechtsonderhorige niet onderworpen wordt aan een wet die in strijd is met de Grondwet, ter bescherming van de hiërarchie der normen. Hij mag evenwel geen eigen beleidsoordeel in de plaats stellen, aangezien dat de taak is van de wetgever. Daarbij moet de rechter echter wel oog hebben voor de precieze omvang van de vastgestelde ongrondwettigheid. In het beschikkend gedeelte van sommige arresten waar een schending van het gelijkheidsbeginsel wordt aangenomen, stelt het Grondwettelijk Hof bijvoorbeeld dat er slechts een schending is “in zoverre” een bepaalde situatie of categorie van personen, goederen, enz. van het toepassingsgebied van de onderzochte wetsbepaling wordt uitgesloten. De betrokken wetsbepaling blijft dan overeind, omdat de ongrondwettigheid zich net situeert in een leemte van de wetsbepaling
(10). Wanneer de nieuwe rechtszaak betrekking heeft op situaties, personen, goederen, enz. die wel reeds onder het toepassingsgebied vielen, moet de rechter de wetsbepaling bijgevolg zonder twijfel nog steeds toepassen
(11). Of de rechter het toepassingsgebied ook kan uitbreiden tot de categorieën waarvan de uitsluiting ongrondwettig werd geacht, is een andere zaak (cfr. infra). Daarnaast is het ook mogelijk dat het Grondwettelijk Hof slechts een welbepaalde interpretatie van de betrokken wetsbepaling ongrondwettig verklaart. Dit impliceert dat de wetsbepaling voor meerdere interpretaties vatbaar is. De rechter die deze wetsbepaling vervolgens moet toepassen, kan dit dan nog steeds, maar kan daarbij niet kiezen voor de ongrondwettig bevonden interpretatie. Hij moet de wet grondwetsconform interpreteren
(12). De niet-toepassing van een ongrondwettig verklaarde wetsbepaling kan evenwel de belangen van de rechtsonderhorige schaden wanneer de wetgever niet onmiddellijk optreedt om de ongrondwettigheid weg te werken. Daarom aanvaardt men dat de rechter in bepaalde gevallen ook zelf leemtes in de wetgeving kan en moet opvullen
(13). Een leemte in de wetgeving kan twee vormen aannemen. Vooreerst kan het gaan om een bestaande leemte in de wet, die door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig werd verklaard op grond van het gelijkheidsbeginsel. Het kan daarbij zowel gaan om een intrinsieke leemte (dit is. het feit dat de betrokken wetsbepaling niet geldt voor een andere situatie of categorie van personen, goederen, enz.) als om een extrinsieke leemte (dit is het feit dat er geen gelijkaardige regeling geldt voor een andere situatie of categorie van personen, goederen, enz.)
(14). In het kader van een intrinsieke leemte die ongrondwettig is verklaard, heeft het Grondwettelijk Hof in 2008 gesteld dat de rechter de leemte kan opvullen, voor zover het Grondwettelijk Hof in voldoende precieze bewoordingen heeft uitgedrukt waarin de ongrondwettigheid ligt
(15). Wanneer in het beschikkend gedeelte van het prejudicieel arrest bijvoorbeeld wordt aangegeven dat de wetsbepaling ongrondwettig is “in zoverre” het een bepaalde situatie of categorie van personen, goederen, enz. uitsluit (cfr. supra), geeft het Grondwettelijk Hof voldoende precies weer hoe de wet moet worden aangevuld
(16). De rechter kan dan eenvoudigweg deze categorie in het toepassingsgebied van de wetsbepaling opnemen
(17). Het gaat dan om een zogenaamde “zelfherstellende” ongrondwettigheid
(18). Wanneer er evenwel meerdere opties zijn om de ongrondwettigheid weg te werken, kan de rechter niet anders doen dan de betrokken wetsbepaling buiten toepassing laten
(19). Voor extrinsieke leemten werd dan weer klassiek gesteld dat de ruimtevrijheid voor de rechter beperkt is, omdat er in zo’n geval in principe een beleidsoordeel door de wetgever vereist is
(20). Later sloot het Grondwettelijk Hof, met een arrest gewezen op 11 januari 2012 zich echter ook voor extrinsieke leemten aan bij de rechtspraak inzake intrinsieke leemten: de rechter kan de leemte invullen voor zover in voldoende precieze bewoordingen is aangegeven hoe de ongrondwettigheid kan worden opgelost
(21). Het Hof gaf in het betrokken arrest zelfs uitdrukkelijk weer hoe de rechter de vastgestelde ongrondwettige leemte moest remediëren in afwachting van een actie door de wetgever
(22). Een leemte in de wetgeving kan ook ontstaan precies doordat een wetsbepaling ongrondwettig wordt verklaard en niet meer kan worden toegepast. Ook hier neemt rechtsleer aan dat het Grondwettelijk Hof duidelijk moet hebben weergegeven waaruit de ongrondwettigheid bestaat en hoe aan deze ongrondwettigheid kan worden verholpen, opdat de rechter de leemte kan invullen. Wanneer daarvoor evenwel een belangenafweging nodig is en dus een beleidsbeslissing vereist is, komt de rechter echter in het vaarwater van de wetgever wanneer hij die leemte zelf zou opvullen en komt de scheiding der machten in het gedrang
(23). Op die manier werd geëvolueerd naar eenzelfde referentiekader voor alle soorten leemten in de wetgeving, ongeacht hun ontstaanswijze of vorm. Uw Hof heeft zich deze opvattingen eigen gemaakt en oordeelde in 2016 samenvattend als volgt: “De rechter moet elke leemte in de wet invullen waarvan het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid heeft vastgesteld, evenals elke leemte die hieruit voortvloeit dat een wetsbepaling als ongrondwettig wordt aangemerkt, wanneer hij die leemte in het kader van de bestaande wetsbepalingen kan verhelpen teneinde de wet in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 te brengen”
(24). Toegepast op de voorziening in cassatie van eiseres en gelet op de vaststelling door de appelrechters In het bestreden arrest dat
(1)de eerste rechter de debatten sloot en de zaak in beraad nam na 31 augustus 2019, dit is na afloop van de handhavingstermijn uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 11 oktober 2018, zodat de ongrondwettigheid van artikel 851 Ger.W. op dat ogenblik dus volle werking had
(25)en
(2)de partijen in deze zaak niet aanvoerden dat een nieuwe prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof diende gesteld te worden, meen ik dat het middel in zijn drie onderdelen dient beantwoord te worden zoals hierna volgt. Tweede onderdeel.
- Eiseres voert aan dat door te beslissen dat “ook in geval van toepassing van artikel 3 van het Protocol in de interpretatie voorgesteld door [eiseres], in combinatie met artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek, […] immers toepassing [wordt] gemaakt van het criterium van de nationaliteit”, het bijgevolg “enkel de wetgever [toekomt] om een einde te maken aan de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid van artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek” en dat “bij afwezigheid van een dergelijke oplossing door de wetgever, […] geen borgstelling meer [kan] worden opgelegd aan [verweerster] bij toepassing van artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek”, de appelrechters de verplichting schenden voor de rechter om elke leemte in de wet waarvan het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid heeft vastgesteld, in te vullen, evenals elke leemte die voortvloeit uit de omstandigheid dat een wetsbepaling als ongrondwettig wordt aangemerkt, wanneer hij die leemte in het kader van de bestaande wetsbepalingen kan verhelpen (schending van alle wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen aangehaald in het middel, cfr. randnummer 5 van deze conclusie).
- In het beschikkend gedeelte van arrest nr. 135/2018, zegt het Grondwettelijk Hof voor recht dat artikel 851 Ger.W. de artikelen 10 en 11 Gw. schendt. Hoewel in overweging B.
- gesteld wordt dat dit zo is “in zoverre” het enkel de buitenlandse hoofdeisers of tussenkomende partijen ertoe verplicht een cautio iudicatum solvi te verlenen, wordt dit niet herhaald in het beschikkend gedeelte. Ook al kaart het Grondwettelijk Hof dus wel een intrinsieke leemte in de wetgeving aan, het is het gehele artikel 851 Ger.?W.? dat ongrondwettig wordt verklaard, niet enkel de leemte zelf of een welbepaalde interpretatie van artikel 851 Ger.W. In principe kan de rechter dit artikel dan ook in zijn geheel niet meer toepassen in de Belgische rechtsorde. De vraag rijst echter of het Grondwettelijk Hof in voldoende precieze bewoordingen heeft vastgesteld waaruit de ongrondwettigheid van de leemte van artikel 851 Ger.W. bestaat, zodat de rechter die leemte zelf zou kunnen en moeten opvullen. Het Grondwettelijk Hof stelt in dat kader dat niet de nationaliteit van de eiser maar wel de omstandigheid dat hij in het buitenland verblijft en in België geen goed bezit dat als waarborg kan dienen, de verweerder kan doen vrezen dat hij wordt geconfronteerd met de onmogelijkheid in de praktijk om de uitgegeven bedragen terug te vorderen (zie overweging B.
- van het arrest nr. 135/2018). Bepaalde rechtspraak en rechtsleer leidt uit die overweging af dat de rechter het toepassingsgebied van de cautio iudicatum solvi moet aanpassen naar alle (Belgische en niet-Belgische) eisers die in het buitenland wonen of verblijven en in België over onvoldoende vermogen beschikken om de financiële gevolgen van een veroordeling te dragen. Het Grondwettelijk Hof zou immers voldoende precies hebben aangegeven dat het nationaliteitscriterium vervangen moet worden door een territorialiteitscriterium. Het is deze strekking die ook door de eiseres wordt gevolgd. Volgens een andere strekking moet de rechter het ongrondwettig verklaarde artikel 851 Ger.W. evenwel buiten toepassing laten, wil hij zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof
(26). Het belangrijkste argument daarvoor is dat er net meerdere mogelijkheden zijn om aan de ongrondwettigheid van artikel 851 Ger.W. te remediëren, aangezien de wetgever bijvoorbeeld ook kan beslissen om het artikel in zijn geheel af te schaffen
(27). De rechter zou dan ook in het vaarwater van de wetgever komen, indien hij die oefening zelf maakt. De borgstelling kan volgens deze strekking dan ook geen toepassing meer vinden, zelfs al gaat het om een buitenlandse eiser die in het buitenland woont of verblijft en in België over onvoldoende vermogen beschikt om de financiële gevolgen van een veroordeling te kunnen dragen, die zowel onder het oude nationaliteitscriterium als onder het voorgestelde territorialiteitscriterium gehouden zou zijn tot de borgstelling. De cautio iudicatum solvi alsnog toepassen op die categorie van eisers, gaat verder dan een loutere grondwetsconforme interpretatie van artikel 851 Ger.W. De betekenis van artikel 851 Ger.W., dat niet voor meerdere interpretaties vatbaar is, is immers duidelijk, en het is net die betekenis die in haar geheel ongrondwettig is verklaard
(28). Uit een nauwkeurige lezing van het arrest nr. 135/2018 van het Grondwettelijk Hof blijkt mijns inziens dat het Hof inderdaad meerdere mogelijkheden ziet om aan de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen, zodat het niet aan de rechter maar aan de wetgever is om dat beleidsoordeel te maken. Het komt mij voor dat er zijn onvoldoende precieze aanwijzingen zijn over hoe de ongrondwettigheid moet worden opgelost: ze is niet ‘zelfherstellend’. Dat volgt uit de volgende elementen: - Het Grondwettelijk Hof heeft bij de omschrijving van de ongrondwettigheid gekozen voor de bewoordingen “in zoverre het enkel de buitenlandse hoofdeisers of tussenkomende partijen ertoe verplicht een cautio iudicatum solvi te verlenen”. Het Hof had ook voor een negatieve formulering kunnen kiezen en de ongrondwettigheid kunnen koppelen aan het feit dat Belgische eisers die in het buitenland verblijven en in België geen goederen bezitten die als waarborg kunnen dienen, van het toepassingsgebied worden uitgesloten. Dat het Hof dat niet heeft gedaan, duidt er mijns inziens op dat er meerdere opties mogelijk zijn om de ongrondwettigheid weg te werken en het toepassingsgebied van de cautio iudicatum solvi aan te passen. De wetgever kan daarbij echter ook beslissen om de cautio iudicatum solvi in zijn geheel af te schaffen, wat een beleidsbeslissing betreft. - Het Grondwettelijk Hof heeft in het beschikkend gedeelte van het arrest de volledige wetsbepaling ongrondwettig verklaard en niet enkel “in zoverre” het de Belgische eisers uitsluit die in het buitenland verblijven en in België geen goederen bezitten die als waarborg kunnen dienen. Dat maakt opnieuw duidelijk dat, om aan de ongrondwettigheid te verhelpen, volgens het Hof een revisie van het volledige wetsartikel vereist is, zodat er een belangenafweging kan plaatsvinden. Een dergelijke belangenafweging kan enkel binnen het wetgevend proces plaatsvinden. Bovendien werden er in België reeds verschillende wetgevende initiatieven genomen om de cautio iudicatum solvi af te schaffen dan wel te wijzigen, ook reeds vóór het arrest nr. 135/2018 van het Grondwettelijk Hof. Deze initiatieven tonen opnieuw aan dat er niet slechts één weg is om de ongrondwettigheid van artikel 861 Ger.W. weg te werken en dat er een belangenafweging noodzakelijk is, zodat het initiatief daarvoor uitsluitend bij de wetgever kan liggen. Zo werd reeds in 2010, bij het wetsvoorstel van 22 april 2010 (nr. 52-2561)
(29), voorgesteld om de cautio iudicatum solvi af te schaffen in de Belgische rechtsorde. Vooruitlopend op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, stelde de memorie van toelichting dat het criterium van nationaliteit een onverantwoord verschil in behandeling tegenover een Belgische eiser die in het buitenland woont, creëert. Bovendien werd gewezen op het beperkte praktische belang van de figuur, gelet op de vrijstellingen in internationale verdragen en de beoordelingsvrijheid van de rechter
(30). Het wetsvoorstel van 10 mei 2012 (nr. 53-2184)
(31)hernam het voorstel tot afschaffing van de cautio iudicatum solvi. Daarvoor worden ditmaal drie redenen gegeven:
(1)het beperkte praktische belang door de vele vrijstellingen in internationale verdragen
(2)het beperkte praktische belang door de beoordelingsvrijheid van de rechter, die rekening houdt met de waarschijnlijkheid dat de eiser tot de kosten van het geding veroordeeld zal worden en
(3)het feit dat de cautio iudicatum solvi een belangrijke hinderpaal vormt in onze economische betrekking met belangrijke handelspartners
(32). Het wetsvoorstel van 24 januari 2019 (nr. 54-3488) tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de afschaffing van de exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling
(33)koos opnieuw voor een afschaffing van de cautio iudicatum solvi, aangezien het gebaseerd is op het eerdere wetsvoorstel nr. 53-2184. Het beperkte praktische belang, omwille van de uitsluiting bij internationale verdragen en de vereiste gelijke behandeling van EU-onderdanen, is daarvoor volgens de memorie van toelichting de belangrijkste drijfveer
(34). Bovendien vreest men dat een nieuw criterium dat het nationaliteitscriterium zou vervangen, eveneens de grondwettigheidstoets niet zou doorstaan
(35). Op 27 februari 2019 werd het wetsvoorstel nr. 54-3612 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de borgstelling door de buitenlandse eiser betreft ingediend bij de Kamer
(36). Dit wetsvoorstel koos voor een behoud van de cautio iudicatum solvi, volgens een territorialiteitscriterium. Daartoe zouden de woorden “vreemdelingen als hoofdeiser of tussenkomende partij” in artikel 851 Ger.W. worden vervangen door de woorden “in het buitenland gevestigde hoofdeisers of tussenkomende partijen”. De ontworpen wettekst verduidelijkt niet wat daaronder precies moet worden verstaan, maar in de memorie van toelichting wordt gepreciseerd dat het gaat om de hoofdverblijfplaats (domicilie) van een natuurlijk persoon en de maatschappelijke zetel van een rechtspersoon
(37). Het nog hangende wetsvoorstel van 27 augustus 2019 (nr. 55-0246) tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de borgstelling door de buitenlandse eiser betreft
(38)neemt de tekst van wetsvoorstel 54-3612 over. Opnieuw geldt er dus een territorialiteitscriterium in de voorgestelde tekst, door “in het buitenland gevestigde hoofdeisers en tussenkomende partijen” aan de verplichting te onderwerpen. In 2020 werd dan weer geijverd voor de piste van afschaffing van de cautio iudicatum solvi in het nog hangende wetsvoorstel van 28 januari 2020 (nr. 55-0970) tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de afschaffing van de exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling
(39). Het gaat om een herneming van het wetsvoorstel nr. 54-3488. Tot slot werd in artikel 34 van het wetsvoorstel van 27 mei 2020 (nr. 55-1295) houdende diverse bepalingen inzake justitie, onder meer in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus
(40), dat tot de wet van 31 juli 2020 heeft geleid
(41), oorspronkelijk voorgesteld dat de artikelen 851 en 852 Ger.W. afgeschaft zouden worden
(42). Bij amendement nr. 6 werd dit artikel evenwel weggelaten “om de impact van de voorgestelde opheffing van de exceptio iudicatum solvi diepgaander te kunnen analyseren”
(43). Daaruit blijkt dat een diepgaandere belangenafweging inderdaad noodzakelijk is. Dat er meerdere mogelijkheden zijn om het ongrondwettige criterium van nationaliteit uit artikel 851 Ger.W. te verhelpen, blijkt ten slotte ook uit het recht in de ons omringende landen. Nadat het tot dan toe gehanteerde nationaliteitscriterium strijdig werd bevonden met het Europese recht
(44), heeft de Duitse wetgever in § 110 van de Zivilprozessordnung bijvoorbeeld gekozen voor een territorialiteitscriterium, door de borgstelling te laten afhangen van de ‘gewöhnlichen Aufenthalt’ (gewoonlijke verblijfplaats) buiten een lidstaat van de Europese Unie of verdragsstaat van de EER
(45). De borgstelling moet echter niet gesteld worden wanneer de eiser in Duitsland een onroerend goed of zakelijke vordering bezit die voldoende toereikend is om de proceskosten te dekken. In Frankrijk heeft de wetgever de cautio iudicatum solvi, vervat in artikel 16 van de Code Civil, dan weer afgeschaft bij de wet nr. 75-596 van 9 juli 1975 “portant diverses dispositions relatives à la réforme de la procédure civile”
(46). In het Luxemburgse recht wordt de cautio iudicatum solvi in het eerste lid van artikel 257 Code procédure opgelegd aan “demandeurs principaux ou intervenants étrangers” (buitenlandse hoofdeisers of tussenkomende partijen), maar volgt in het tweede lid een vrijstelling voor vreemdelingen die hun “domicile ou résidence” (woonplaats of verblijfplaats) hebben in een lidstaat van de EU, in een lidstaat van de Raad van Europa of in een staat waarmee Luxemburg een internationaal verdrag heeft gesloten waarin de cautio iudicatum solvi is uitgesloten. Bijgevolg geldt er een combinatie van een nationaliteits- en territorialiteitscriterium, aangezien in het Luxemburgse recht enkel eisers van het vierde type uit onderstaand schema onderworpen zijn aan de cautio iudicatum solvi
(47)Op die; manier blijven onderdanen die in het buitenland gevestigd zijn, uitgesloten van de verplichting tot het stellen van een cautio iudicatum solvi en blijft er een prerogatief verbonden aan de nationaliteit. Een dergelijk combinatiecriterium zou mijns inziens door het Belgische Grondwettelijk Hof nog steeds ongrondwettig kunnen worden geacht, aangezien de verweerder ook bij een nationale eiser die in het buitenland woont of verblijft nog steeds met een probleem van niet-uitvoering kan worden geconfronteerd. Desalniettemin toont dit rechtsvergelijkende voorbeeld wel aan dat ook tussenvormen mogelijk zijn: Woon- of verblijfplaats in EU / lidstaat Europese Raad / staat met verdrag Woon- of verblijfplaats in andere staat Luxemburger 1 3 Buitenlander 2 4 Daarnaast is er in Luxemburg, zoals in Duitsland, een uitzondering wanneer de eiser over onroerende goederen (maar niet: zakelijke vorderingen) beschikt in Luxemburg, die voldoende zijn om de betaling van de kosten en schadevergoedingen die uit het proces voortvloeien, te betalen. De Nederlandse wetgever koos net zoals de Duitse voor een territorialiteitscriterium
(48). Bepalend is daarbij de woonplaats of gewone verblijfplaats buiten Nederland
(49). Evenwel kan nog steeds aan het stellen van de borgstelling ontsnapt worden wanneer redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor de proceskosten en schadevergoeding in Nederland mogelijk zou zijn, zonder dat daarbij wordt gepreciseerd dat het om onroerende goederen in Nederland zou moeten gaan. Hoewel klassiek gesteld wordt dat de wetgever over slechts twee opties beschikt om de ongrondwettigheid van artikel 851 Ger.W. weg te werken, namelijk een afschaffing van de cautio iudicatum solvi dan wel het behoud ervan met een territorialiteitscriterium in plaats van een nationaliteitscriterium
(50), maken deze rechtsvergelijkende voorbeelden duidelijk dat meerdere mogelijkheden zijn. Zo toont het Luxemburgse voorbeeld aan dat ook gekozen kan worden voor een combinatie van meerdere criteria. Bovendien is gebleken dat de concrete uitwerking van het territorialiteitscriterium kan verschillen (woonplaats en/of verblijfplaats?), net zoals de uitzondering op de verplichte borgstelling indien de eiser voldoende waarborgen kan bieden in de betrokken staat om de kosten van een eventuele veroordeling te kunnen dragen (moet de waarborg bestaan uit onroerende goederen?; zakelijke vorderingen?; voldoende vermogen in het algemeen?). Deze keuzes vereisen een belangenafweging en dienen door de wetgever te worden gemaakt, gelet op de scheiding der machten. Mijns inziens blijkt uit dit alles dat de rechter die geconfronteerd wordt met een exceptie tot borgstelling door de buitenlandse eiser (cautio iudicatum solvi), deze vordering moet afwijzen gelet op de ongrondwettigverklaring van artikel 851 Ger.W. (conform de tweede strekking). Vooreerst heeft het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 135/2018 reeds impliciet aangegeven dat een wijziging van artikel 851 Ger.W. een belangenafweging vereist die door de wetgever moet gebeuren. Bovendien illustreren de in België ingediende wetsvoorstellen en de buitenlandse voorbeelden dat er verschillende mogelijkheden zijn om de ongrondwettigheid weg te werken, gaande van een algehele afschaffing van de cautio iudicatum solvi tot een vervanging van het nationaliteitscriterium, in verschillende vormen. Daartoe is bijgevolg een belangenafweging vereist die enkel door de wetgever gemaakt kan worden. Bovendien verdient ook de oplossing die het recht op toegang tot de rechter het minst beperkt, de voorkeur. Een bijkomende beperking op dit grondrecht door het toepassingsgebied van de cautio iudicatum solvi uit te breiden tot Belgische eisers die in het buitenland wonen of verblijven, kan dan ook enkel door de wetgever tot stand worden gebracht, na een voldoende belangenafweging in het democratische wetgevingsproces. Aangezien de appelrechters uitgaan van de verdedigde tweede strekking, verantwoorden zij mijns inziens hun beslissing naar recht. Dat in het Vriendschapsverdrag melding wordt gemaakt van het al dan niet bezitten van een vestiging/bijhuis of van onroerende goederen op het Belgisch grondgebied als criterium voor een vrijstelling van de cautio iudicatum solvi, verandert niets aan het uitgangspunt van artikel 851 Ger.W., dat op de nationaliteit van de eiser is gebaseerd. De appelrechters hebben naar ik meen terecht in die zin geoordeeld. Het komt dan ook voor dat in zoverre het middel niet kan worden aangenomen. Eerste onderdeel.
- De grief van eiseres luidt dat, door aan te nemen dat in het arrest van het Grondwettelijk Hof van 11 oktober 2018 uitdrukkelijk is beslist dat het de wetgever toekomt om aan de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen, terwijl het Grondwettelijk Hof enkel besliste dat “de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling definitief [dienen] te worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 augustus 2019”, de appelrechters het “versterkte relatief” of “verruimde” gezag van gewijsde van dat arrest schenden (schending van 26, § 2, inzonderheid tweede lid, 2°, en 28, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof).
- Aangezien de appelrechters hun beslissing om artikel 851 Gerechtelijk Wetboek buiten toepassing te laten, steunen op de vermelde tweede strekking, beslissing die een zelfstandige reden uitmaakt, komt dit eerste onderdeel mijns inziens op tegen een overtollige reden. Het komt mij voor dat in zoverre het onderdeel onontvankelijk is, bij gebrek aan belang. Bovendien ligt er hoe dan ook geen schending van artikel 26, § 2, inzonderheid tweede lid, 2° en 28, eerste en tweede lid van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof voor. In overweging B.
- van het arrest nr. 135/20118 oordeelt het Grondwettelijk Hof immers als volgt: “Rekening houdend met de noodzaak om de juridische moeilijkheden ingevolge die vaststelling van ongrondwettigheid voor de lopende gerechtelijke procedures te voorkomen, dienen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling definitief te worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 augustus 2019”. Ik meen dat daaruit volgt dat het Grondwettelijk Hof wel degelijk de opdracht heeft gegeven aan de wetgever om op te treden, teneinde de vastgestelde ongrondwettigheid te remediëren. (…) Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. _______________________________________
(1)Memorie van toelichting bij het ontwerp van wet houdende het Gerechtelijk Wetboek, Parl. St., Senaat, 1963-1964, nr. 60, p. 206 (verslag Van Reepinghen).
(2)Kh. Luik 6 oktober 2017, GJ en MB t./ vof Groupinvest-Liège in vereffening e.a.
(3)GwH 11 oktober 2018, nr. 135/2018, overweging B.11.
(4)GwH 11 oktober 2018, nr. 135/2018, B.13, RABG 2018, 1652, noot N. CLIJMANS.
(5)GwH 7 juli 2011, nr. 125/2011, RW 2011-12, 1242, noot S. VERSTRAELEN; H. BORTELS, “De handhavingsbevoegdheid van het Grondwettelijk Hof in het prejudicieel contentieux dan toch door de bijzondere wetgever erkend”, TBP 2017,
(166)167, nr. 2.
(6)Cass. 20 november 2014, AR C.13.0435.F, AC 2014, nr. 711, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141120.1; P. POPELIER, Procederen voor het Grondwettelijk Hof, Antwerpen, Intersentia 2008, 379-380, nr. 819; J. SMETS, “Commentaar bij art. 28 Bijz. Wet 6 januari 1989” in Publiek procesrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2019, afl. 46, 10, nr. 5; S. VERSTRAELEN, “Commentaar bij art. 26 Bijz.W. 6 januari 1989” in Publiek procesrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2015, afl. 38, 47-48, nr. 76.
(7)Cass. 26 februari 2018, AR C.17.0487.N, AC 2018, nr. 123, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180226.2; J. SMETS, “Commentaar bij art. 28 Bijz. Wet 6 januari 1989”, supra vn. 3, 10, nr. 5; S. VERSTRAELEN, “Commentaar bij art. 26 Bijz. W. 6 januari 1989”, supra vn. 3, 47, nr. 75.
(8)M. MELCHIOR en C. COURTOY, “Het verzuim van de wetgever of de lacune in de grondwettelijke rechtspraak”, TBP 2008,
(587)599, nr. 31; P. POPELIER, “De rechtspraak van het Arbitragehof over lacunes in de wetgeving”, TBP 2005,
(284)293, nr. 37.
(9)Cass. 26 februari 2018, AR C.17.0487.N, AC 2018, nr. 123, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180226.2 ;Cass. 14 januari 2013, AR C.12.0059.N, AC 2013, nr. 28, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130114.7; J. SMETS, “Commentaar bij art. 28 Bijz. Wet 6 januari 1989”, supra vn. 3, 12-13, nr. 12.
(10)P. POPELIER, “De rechtspraak van het Arbitragehof over lacunes in de wetgeving”, TBP 2005,
(284)287, nr. 13.
(11)P. POPELIER, Procederen voor het Grondwettelijk Hof, Antwerpen, Intersentia 2008, 380, nr. 820.
(12)Zie in dat verband o.m. Cass. 27 november 2018, AR P.18.0007.N, AC 2018, nr. 667, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.2.
(13)Cass. 5 februari 2016, AR C.15.0011.F, AC 2016, nr. 82, met concl. van advocaat-generaal Th. WERQUIN, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160205.1; Cass. 3 november 2008, AR S.07.0013.N, AC 2008, nr. 604, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.4; Q. PIRONNET, “Lacunes extrinsèques et maintien des effets au contentieux préjudiciel: lorsque la Cour de cassation fait d’une pierre deux coups” (noot onder Cass. 5 februari 2016), JLMB 2016,
(1652)1654.
(14)M. MELCHIOR en C. COURTOY, “Het verzuim van de wetgever of de lacune in de grondwettelijke rechtspraak”, TBP 2008,
(587)588, nr. 3.
(15)GwH 31 juli 2008, nr. 111/2008, RW 2008-09, 44.
(16)M. MELCHIOR en C. COURTOY, “Het verzuim van de wetgever of de lacune in de grondwettelijke rechtspraak”, TBP 2008,
(587)599, nr. 33; P. POPELIER, “De rechtspraak van het Arbitragehof over lacunes in de wetgeving”, TBP 2005,
(284)287, nr. 13.
(17)A. ALEN en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch staatsrecht, Mechelen, Kluwer 2011, 515, nr. 460; Q. PIRONNET, “Lacunes extrinsèques et maintien des effets au contentieux préjudiciel: lorsque la Cour de cassation fait d’une pierre deux coups” (noot onder Cass. 5 februari 2016), JLMB 2016,
(1652)1653; J. SMETS, “Commentaar bij art. 28 Bijz. Wet 6 januari 1989”, supra vn. 3, 15, nr. 18. Ook impliciet erkend in: Cass. 3 december 2007, AR C.06.0421.F, AC 2007, nr. 602, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071203.7.
(18)M. MELCHIOR en C. COURTOY, “Het verzuim van de wetgever of de lacune in de grondwettelijke rechtspraak”, TBP 2008,
(587)599, nr. 33.
(19)J. SMETS, “Commentaar bij art. 28 Bijz. Wet 6 januari 1989”, supra vn. 3, 15, nr. 18.
(20)A. ALEN en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch staatsrecht, Mechelen, Kluwer 2011, 513-514, nr. 460; M. MELCHIOR en C. COURTOY, “Het verzuim van de wetgever of de lacune in de grondwettelijke rechtspraak”, TBP 2008,
(587)599, nr. 32; P. POPELIER, “Het Hof van Cassatie over lacunes in de wetgeving: toenadering tot het Grondwettelijk Hof” (noot onder Cass. 17 januari 2008), RW 2008-09,
(1186)1189, nr. 14; J. SMETS, “Commentaar bij art. 28 Bijz. Wet 6 januari 1989”, supra vn. 3, 34-38, nrs. 46-47.
(21)GwH 11 januari 2012, nr. 1/2012, JLMB 2012, 552, noot P. MARTENS; Q. PIRONNET, “Lacunes extrinsèques et maintien des effets au contentieux préjudiciel: lorsque la Cour de cassation fait d’une pierre deux coups” (noot onder Cass. 5 februari 2016), JLMB 2016,
(1652)1653.
(22)GwH 11 januari 2012, nr. 1/2012, JLMB 2012, 552, noot P. MARTENS: “In afwachting van dat wetgevend optreden dat betrekking heeft op de wet van 15 december 1980, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de gevolgen, wat de in het geding zijnde bepaling betreft, van de ongrondwettigheid die in B.11 is vastgesteld, aangezien die vaststelling in voldoende precieze en volledige bewoordingen is uitgedrukt. Bijgevolg komt het de arbeidsgerechten waarbij een weigering om gewaarborgde gezinsbijslag toe te kennen ten behoeve van een kind dat ten laste van een erkende staatloze is van wie zij vaststellen dat hij buiten zijn wil zijn nationaliteit heeft verloren en dat hij aantoont dat hij geen wettige en duurzame verblijfstitel kan verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben, aanhangig is gemaakt, toe dat kind het in het geding zijnde recht op gewaarborgde gezinsbijslag toe te kennen, niettegenstaande het feit dat de staatloze persoon ten laste van wie het is, nog niet is toegelaten of gemachtigd op het Belgische grondgebied te verblijven”.
(23)J. SMETS, “Commentaar bij art. 28 Bijz. Wet 6 januari 1989”, supra vn. 3, 39-40, nr. 49.
(24)Cass. 5 februari 2016, AR C.15.0011.F, AC 2016, nr. 82, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160205.
- Zie ook reeds eerder voor de andere kamers van het Hof: Cass. 3 november 2008, AR S.07.0013.N, AC 2008, nr. 604, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.4; Cass. 14 oktober 2008, AR P.08.1329.N, AC 2008, nr. 547, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1; Cass. 2 september 2008, AR P.08.1317.N, AC 2008, nr. 441, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080902.
- Voor verdere toepassingen, zie o.m.: Cass. 10 september 2021, AR C.20.0138.F, AC 2021, nr. 542, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210910.1F.5; Cass. 16 november 2017, AR F.15.0034.N, AC 2017, nr. 648, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.1; Cass. 17 mei 2017, AR P.16.0288.F, AC 2017, nr. 337, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170517.1; Cass. 29 september 2011, AR C.09.0570.N, AC 2011, nr. 512, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.5; Cass. 22 december 2009, AR P.09.1256.N, AC 2009, nr. 779, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.4; Cass. 12 december 2008, AR C.07.0642.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 12 augustus 2008, AR P.08.1065.N, AC 2008, nr. 430, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.1.
(25)Het tijdstip van de beoordeling van de exceptie is van belang om te bepalen of men al dan niet binnen die handhavingsperiode valt: S. MOSSELMANS, “Actueel toepassingsgebied van de cautio iudicatum solvi” (noot onder Orb. Antwerpen 12 november 2019), RW 2019-2020,
(1187)1190, nr. 9; A. REYGAERT, “De borgstelling vreemdeling-eiser: een casus van tijdsmodulering door het Grondwettelijk Hof” (noot onder Brussel 28 juni 2021), RW 2021-22,
(1240)1244, nr. 7.
(26)In dezelfde zin: Brussel 2 april 2021, JT 2022, 224; Brussel 28 juni 2021, IR 2021, 240 (d.i. het bestreden arrest); Orb. Brussel (Nl.) 17 mei 2021, P&B 2021, 135; A. GILLET, “La cautio judicatum solvi, cette morte vivante” (noot onder Brussel 2 april 2021), JT 2022,
(225)226; A. REYGAERT, “De borgstelling vreemdeling-eiser: een casus van tijdsmodulering door het Grondwettelijk Hof” (noot onder Brussel 28 juni 2021), RW 2021-22,
(1240)1244-1245, nr. 9.
(27)A. REYGAERT, “De borgstelling vreemdeling-eiser: een casus van tijdsmodulering door het Grondwettelijk Hof” (noot onder Brussel 28 juni 2021), RW 2021-22,
(1240)1245, nr. 9. Zie ook het overzicht van deze verschillende opties in: A. GILLET, “La caution judicatum solvi, une institution en sursis (?)”, JT 2019,
(349)353-354, nrs. 16-19.
(28)A. GILLET, “La cautio judicatum solvi, cette morte vivante” (noot onder Brussel 2 april 2021), JT 2022,
(225)226.
(29)Wetsvoorstel van 22 april 2010 tot opheffing van de artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek houdende exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling, Parl.St. Kamer 2009-10, nr. 2561 (zie De Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (dekamer.be)).
(30)MvT Wetsvoorstel van 22 april 2010 tot opheffing van de artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek houdende exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling, Parl.St. Kamer 2009-10, nr. 2561/001, 3-4.
(31)Wetsvoorstel van 10 mei 2012 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de cautio judicatum solvi betreft, Parl.St. Kamer 2011-12, nr. 2184 (zie De Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (dekamer.be)).
(32)MvT Wetsvoorstel van 10 mei 2012 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de cautio judicatum solvi betreft, Parl.St. Kamer 2011-12, nr. 2184/001, 4.
(33)Wetvoorstel 24 januari 2019 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de borgstelling door de buitenlandse eiser betreft, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3488 (zie De Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (dekamer.be)).
(34)MvT Wetvoorstel 24 januari 2019 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de borgstelling door de buitenlandse eiser betreft, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3488/001, 4-5.
(35)MvT Wetvoorstel 24 januari 2019 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de borgstelling door de buitenlandse eiser betreft, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3488/001, 5.
(36)Wetvoorstel 27 februari 2019 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de borgstelling door de buitenlandse eiser betreft, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3612 (zie De Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (dekamer.be)).
(37)MvT Wetvoorstel 27 februari 2019 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de borgstelling door de buitenlandse eiser betreft, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3612/001, 5.
(38)Wetvoorstel 27 augustus 2019 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de borgstelling door de buitenlandse eiser betreft, Parl.St. Kamer 2019, nr. 246 (zie De Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (dekamer.be)).
(39)Wetsvoorstel van 28 januari 2020 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de afschaffing van de exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling, Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 0970 (De Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (dekamer.be)).
(40)Wetsvoorstel van 27 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie, onder meer in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus, Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 1295 (De Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (dekamer.be)).
(41)Wet van 31 juli 2020 houdende diverse dringende bepalingen inzake justitie, BS 7 augustus 2020, 58048.
(42)Zie daarover ook: A. GILLET, “La cautio judicatum solvi, cette morte vivante” (noot onder Brussel 2 april 2021), JT 2022,
(225)225, vn. 4.
(43)Amendementen Wetsvoorstel van 27 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie, onder meer in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus, Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 1295/003, 9.
(44)HvJ 1 juli 1993, Hubbard / Hamburger, resource.html (europa.eu).
(45)A. SCHÜTZE, “Zur Neuregelung der cautio iudicatum solvi in Deutschland”, RIW 1999,
(10)10.
(46)JORF 10 juli 1975, 7076.
(47)Het initiële wetsvoorstel waarmee de artikelen 257-258 Code de procédure civile werden ingevoerd, voorzag uitsluitend in een territorialiteitscriterium (zie de verantwoording op p. 9 van de memorie van toelichting: “La Conférence nationale de Justice a recommandé de supprimer le critère lié à la nationalité qui, en plus de son caractère discriminatoire, serait injuste dans l’hypothèse où un ressortissant luxembourgeois, qui ne dispose d’aucune attache au Luxembourg, n’est pas astreint au versement d’une caution, tandis qu’une caution peut être exigée d’un étranger résidant au Luxembourg et y possédant des attaches.” (5837-0.indd (chd.lu)). Bij een later amendement, na het advies van de Raad van State, werd evenwel het nationaliteitscriterium alsnog behouden door de toevoeging van het woord “étranger” (zie 5837-2.indd (chd.lu), p. 5). Zie voor het volledige wetgevingsdossier: Dossiers législatifs | Chambre des députés du grand-duché de Luxembourg (chd.lu).
(48)Het Parket van de Hoge Raad heeft recent evenwel gesteld dat, net zoals het nationaliteitscriterium, ook het territorialiteitscriterium discriminatoir zou zijn, aangezien er een niet-verantwoord verschil ontstaat tussen ingezetenen in het buitenland die de vrijstelling uit een internationaal verdrag kunnen genieten en ingezetenen in het buitenland voor wie geen dergelijke vrijstelling geldt. Daarom past volgens het parket een restrictieve interpretatie van artikel 224 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zie Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:530, nrs. 4.5-4.7.
(49)Voor een bespreking van eerdere wetsvoorstellen ter aanpassing van het nationaliteitscriterium, zie: J.W. SNOEK, “Recent developments in the field of cautio judicatum solvi cost free access and free legal assistance”, Netherlands International Law Review 1981, 284-317.
(50)Zie o.m. N. CLIJMANS, “De exceptio cautio iudicatum solvi: requiem of wedergeboorte?” (noot onder GwH 11 oktober 2018), RABG 2018,
(1662)1664, nr. 5. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071203.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080902.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130114.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141120.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160205.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160205.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170517.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180226.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210910.1F.5 ECLI:NL:PHR:2022:530 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div