id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.2 Rolnummer: F.21.0100.N Zaak: VAB nv c. BELGISCHE STAAT, MINISTER VAN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2023-05-31 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-06-18 14:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.2 Fiches 1 - 6 Het hof stelt alvorens uitspraak te doen aan het Grondwettelijk Hof de hiernavolgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 275/5 WIB92, zoals van toepassing op het geding, wanneer het aldus wordt uitgelegd dat voor de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist is dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen, en niet van de individuele werknemers, het door de gecoördineerde Grondwet in de artikelen 10 en 11 gewaarborgde gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, doordat een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen ondernemingen waarin de verschillende ploegen volgens bandwerk steeds dezelfde omvang van werk verrichten, die wel van de vrijstelling genieten, en ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren, die uitgesloten worden van de vrijstelling, in het licht van het door de maatregel nagestreefde doel om tegemoet te komen aan de extra kosten voor de werkgever die met een ploegenstelsel werkt en van het antwoord van de Europese Commissie dat de vrijstellingsmaatregel geen verboden staatssteun uitmaakt in de mate dat zij zich uitstrekt tot vrijwel alle economische sectoren?”
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 7 De wetgever heeft de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing willen voorbehouden aan ondernemingen die werken met ploegen die hetzelfde werk doen qua inhoud en qua omvang; voor de toepassing van deze fiscale gunstmaatregel is vereist dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen, niet op het niveau van de individuele werknemers. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Tekst van de conclusie F.21.0100.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. De betwisting betreft aanslagen in de bedrijfsvoorheffing voor het aanslagjaar 2012 en meer bepaald de vraag of eiseres kan genieten van de vrijstelling van de verplichting tot doorstorting van een deel van de bedrijfsvoorheffing overeenkomstig artikel 275/5 WIB
- Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eiseres een dienstverlenend bedrijf is dat 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 interventies uitvoert, waarbij leden van eiseres geholpen worden met pech onderweg, thuis of op reis. Als iemand met pech contact opneemt, komt die bij de dienst "intake" terecht op de alarmcentrale in Zwijndrecht. Na het noteren van het probleem en de locatie van de hulpzoekende, worden deze gegevens doorgestuurd naar de dienst "dispatch", eveneens gevestigd in Zwijndrecht. Deze dienst contacteert een chauffeur (wegenwachter), waaraan de opdracht wordt gegeven om zich naar een bepaalde plaats te begeven om de pech te verhelpen. Eiseres maakte gebruik van de vrijstelling van de verplichting tot doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid, voorzien in artikel 275/5 WIB
- De fiscale administratie, die evenwel van mening is dat eiseres voor haar wegenwachters onterecht een beroep op voornoemde vrijstelling heeft gedaan, heeft op 10 maart 2015 de litigieuze aanslagen in de bedrijfsvoorheffing gevestigd. De betwisting van de gevestigde aanslagen leidde tot een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 27 oktober 2017 waarin werd geoordeeld dat eiseres geen recht had op een vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid, nu deze vrijstelling slechts geldt wanneer hetzelfde werk qua inhoud en qua omvang wordt verricht op het niveau van de ploeg en eiseres slechts aantoont dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de individuele werknemers. Het hof van beroep te Antwerpen heeft dit vonnis bevestigd bij arresten dd. 15 oktober 2019 en 19 januari
- Eiseres komt op tegen deze arresten met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. 2.1 Eiseres voert aan dat de appelrechters de artikelen 275/5 WIB92 en de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schenden door te oordelen dat voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing inzake ploegenarbeid, bedoeld in artikel 275/5 WIB92, niet vereist is dat de omvang van de ploegen dezelfde is, maar wel dat de omvang van het werk hetzelfde is, beoordeeld op het niveau van de ploegen. 2.2 Krachtens artikel 275/5, § 1, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, worden de ondernemingen waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 15,6 pct. van de belastbare bezoldigingen waarin die ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden. Krachtens § 2, 1°, van deze bepaling wordt voor de toepassing van § 1 verstaan onder ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht: “de ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak”. 2.3 De vraag rijst in deze zaak of het om te bepalen of “ploegenarbeid” voorhanden is, de vereiste dat de omvang van het werk hetzelfde moet zijn, geldt op het niveau van de opeenvolgende ploegen, of op het niveau van de individuele werknemers van de verschillende ploegen. Indien de omvang van het werk hetzelfde moet zijn op het niveau van de ploegen, zouden slechts die ondernemingen waarin bandwerk wordt verricht, en waarin de omvang van het werk van de opeenvolgende ploegen dus constant is (met name in de industriële sector), van de vrijstellingsmaatregel genieten. Indien de omvang van het werk hetzelfde moet zijn op het niveau van de individuele werknemers, wordt daarentegen rekening gehouden met schommelingen in de omvang van het werk van de verschillende ploegen. Ook de ondernemingen die piek- en daluren kennen en die in de daluren normalerwijze minder ploegen of minder werknemers per ploeg zullen inzetten (zoals in de dienstensector, bv. transport en telecommunicatie, horeca, gas en water, e-commerce, groot- en kleinhandel., enz.) kunnen dan van de vrijstellingsmaatregel genieten, voor zover de individuele werknemers dezelfde, of een vergelijkbare, omvang van werk verrichten. De meest voor de hand liggende interpretatie van artikel 275/5 WIB92 is dat het vereiste van dezelfde omvang van werk op ploegniveau moet worden beoordeeld. Daartoe zijn er verschillende argumenten. 2.3.1 Ten eerste blijkt deze interpretatie uit een letterlijke lezing van de wetsbepaling, met name uit de Franstalige versie: “par entreprises où s’effectue un travail en équipe, on entend les entreprises où le travail est effectué en au moins deux équipes comprenant deux travailleurs au moins, lesquelles font le même travail tant en ce qui concerne son objet qu'en ce qui concerne son ampleur et qui se succèdent dans le courant de la journée sans qu'il n'y ait d'interruption entre les équipes successives et sans que le chevauchement excède un quart de leurs tâches journalières.” Het vrouwelijke meervoud “lesquelles” verwijst hier naar “équipes” en niet naar “travailleurs” (dan zou de wetgever het mannelijke meervoud “lesquels” hebben gebruikt). 2.3.2 Verder vindt deze interpretatie ook steun in de parlementaire voorbereiding bij de Programmawet van 22 december 2003, waarbij deze regeling werd ingevoerd, aangezien daarin wordt vermeld dat “deze opeenvolgende ploegen hetzelfde werk dienen te doen zowel qua inhoud als qua omvang”
(1). 2.3.3 Ten slotte beschrijft de Europese Commissie in haar brief van 20 april 2004, C
(2004)1357fin, als antwoord op de aanmelding van de vrijstellingsregel door de Belgische regering en ter beoordeling of die maatregel al dan niet verboden staatssteun uitmaakt, onder de titel “begunstigden” (nr. 5), dat “deze opeenvolgende ploegen hetzelfde werk dienen te doen zowel qua inhoud als qua omvang”. 2.4 De vraag rijst evenwel of deze – volgens de letterlijke lezing van de wetsbepaling meest voor de hand liggende – interpretatie van het vereiste van dezelfde omvang van werk op het niveau van de ploegen, de toets aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou doorstaan. Hierdoor wordt immers een onderscheid gecreëerd tussen ondernemingen met een constante omvang van werk (met name in de industriële sector), die wel van de vrijstelling genieten, en ondernemingen waarin het werk piek- en daluren kent (zoals met name het geval kan zijn in bepaalde andere economische sectoren), die van die vrijstelling worden uitgesloten. Zoals het middel opwerpt, rijst de vraag of dit onderscheid redelijk en objectief gerechtvaardigd is in het licht van de doelstelling van de maatregel en de regels inzake verboden staatssteun vervat in artikel 107, lid 1, VWEU. 2.4.1 Voor wat betreft de doelstelling van de vrijstellingsmaatregel kan worden verwezen naar de parlementaire voorbereiding: “Ploegenarbeid komt zowat in alle sectoren en types van ondernemingen voor. Het is trouwens vaak het enige antwoord dat een onderneming kan bieden op de steeds verdergaande globalisering van de economie en de daaraan gekoppelde flexibilisering. Ploegenarbeid confronteert werkgevers echter vaak met extra kosten ten opzichte van zijn werknemers in vergelijking met andere werknemers. Voorzieningen zoals bijvoorbeeld openbaar vervoer of kinderopvang zijn op atypische werkuren immers veel minder voorhanden of zelfs onbestaande. Dit verplicht de werkgever tot het maken van extra kosten. Deze maatregel poogt hieraan tegemoet te komen. Ondernemingen worden er immers van vrijgesteld een op forfaitaire basis geraamd gedeelte van de bedrijfsvoorheffing die is ingehouden op de ploegenpremies aan de Schatkist door te storten”
(2). Hieruit volgt dat de doelstelling van de vrijstellingsmaatregel is om de extra kosten voor de werkgever, verbonden aan de ploegenarbeid, te compenseren. Auteur VAN DYCK haalt evenwel aan dat deze subsidiemaatregel in werkelijkheid was uitgedacht met de situatie van grote ondernemingen, zoals auto-assemblagebedrijven (in de industriële sector), in het achterhoofd. De ware bedoeling van de maatregel zou zijn geweest om ervoor te zorgen dat de loonkost in die bedrijven de concurrentie met omringende landen zou kunnen doorstaan (om zo te vermijden dat zulke bedrijven naar het buitenland zouden verhuizen). De maatregel zou dus gericht zijn geweest op grote ondernemingen waarin bandwerk wordt verricht via opeenvolgende ploegen. Aangezien de productie (de band) tijdens de productie-uren niet mocht stilvallen, moest het werk van de verschillende ploegen hetzelfde zijn qua omvang. Om te vermijden dat de maatregel op EU-niveau als verboden staatssteun zou worden aangemerkt, werd in de memorie van toelichting echter benadrukt dat zij een algemene gelding had, met de compensatie van de extra kosten als verantwoording
(3). Voornoemde auteur meent dat de verantwoording in de memorie van toelichting inzake de compensatie van de extra kosten onvoldoende houvast biedt voor de wettelijke voorwaarde dat de omvang van het werk op ploegniveau hetzelfde moet zijn. De verantwoording zou volgens hem niet “pertinent” zijn om een werkgever A, waarin ploegen een constante omvang van werk verrichten, wél tot het fiscale voordeel toe te laten, maar een werkgever B, waarin de omvang van het ploegenwerk varieert volgens pieken en dalen, niet. Hij suggereert dan ook dat bij gelegenheid een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Ook auteur JACOBS bepleit dat het criterium van dezelfde omvang van werk op ploegniveau van weinig werkelijkheidsbesef getuigt. Het is volgens die auteur nu eenmaal de realiteit dat er, omwille van technische of economische redenen of zelfs op vraag van de markt, op sommige momenten meer werknemers nodig zijn dan op andere momenten. Dit sluit niet uit dat het gaat om ploegenarbeid. Deze redenering suggereert volgens de auteur dan ook dat de voorwaarde “hetzelfde werk qua omvang” eigenlijk wél op het niveau van de werknemer zou moeten worden geanalyseerd
(4). In het licht van het bovenstaande moet de vraag dus worden gesteld of het onderscheid dat het criterium inzake “dezelfde omvang van werk op ploegniveau” creëert tussen ondernemingen waarin ploegen continu dezelfde omvang van werk verrichten (die wel van de vrijstelling genieten) en ondernemingen waarin ploegen met piek- en daluren werken (die niet van de vrijstelling genieten) redelijk en objectief gerechtvaardigd is, in het licht van de doelstelling van de maatregel de extra kosten voor de werkgever wegens ploegenarbeid te compenseren. Het middel voert aan dat de extra kost waarmee de werkgever wordt geconfronteerd ten aanzien van de werknemers die in een ploegenstelsel werken, niet beïnvloed wordt door de omvang van het werk dat zij in ploeg leveren, zodat dit criterium niet pertinent is in het licht van de doelstelling. De bestreden arresten bevatten hierover echter geen vaststellingen, zodat het Hof dit niet zelf kan nagaan. 2.4.2 De Europese Commissie heeft in haar antwoord dat de betrokken vrijstellingsmaatregel geen verboden staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 107, lid 1, VWEU) uitmaakt, onder de titel 2.4 “betrokken sectoren” benadrukt dat ploegenarbeid volgens de Belgische autoriteiten in steeds meer sectoren wordt toegepast, niet enkel in de industriële sector maar ook in de dienstensector (nr. 8); dat de penetratiegraad weliswaar het grootst is in de industriële sector maar ploegenarbeid ook wijd verspreid is in de volgende sectoren: delfstoffenwinning, gezondheidszorg, transport en telecommunicatie, horeca, gas en water, groot- en kleinhandel, huishoudelijke diensten en onroerend goed; en dat uit de door de Belgische autoriteiten verstrekte statistische gegevens blijkt dat in vrijwel elke economische sector ploegenarbeid wordt verricht (nr. 9). Bij de beoordeling van de wettigheid van de steun (in titel 3) oordeelt de Europese Commissie dat de vrijstellingsmaatregel een onmiskenbaar voordeel inhoudt, waarmee uitdrukkelijk wordt beoogd de kosten verbonden aan bepaalde vormen van arbeidsorganisatie (ploegenarbeid en nachtarbeid) te verminderen (nr. 14). Nochtans is dit voordeel volgens de Europese Commissie niet selectief (en dus geen verboden staatssteun) omdat het begrip “ploegenarbeid” volgens een objectieve begripsomschrijving wordt gedefinieerd en niet ad hoc wordt ingevuld met de bedoeling een bepaalde onderneming of economische sector te bevoordelen. Daarnaast lijkt deze maatregel volgens de Europese Commissie evenmin sectorgebonden te zijn, nu juridisch gezien alle sectoren ervan kunnen profiteren (nu in bijna alle economische sectoren ploegenarbeid wordt verricht). Het feit dat een maatregel meer geschikt zou zijn voor bepaalde economische sectoren dan voor andere, betekent daarom bovendien nog niet dat die maatregel noodzakelijk sectoraal selectief zou zijn. Om te verhinderen dat de maatregel een selectief voordeel inhoudt en dus als een verboden steunmaatregel wordt gekwalificeerd, is het bijgevolg essentieel dat zij voldoende ruim wordt uitgelegd. De vraag rijst in dit licht of het criterium dat dezelfde omvang van werk op ploegniveau moet worden verricht, opdat de vrijstellingsmaatregel van toepassing is wegens ploegenarbeid, er niet toe leidt dat de facto enkel bepaalde sectoren onder de juridische begripsomschrijving van “ploegenarbeid” kunnen vallen, met name de industriële sector waarin veelal bandwerk wordt verricht. Omgekeerd rijst de vraag of andere sectoren, waarin ploegen vaak volgens piek- en daluren werken, niet stelselmatig uitgesloten zouden worden van deze objectieve begripsomschrijving (met name de dienstensector, bv. transport- en telecommunicatie, horeca, gas en water, groot- en kleinhandel, e-commerce). 2.5 In casu hebben de appelrechters het criterium van “hetzelfde werk qua omvang”, in zijn interpretatie dat dit op ploegniveau moet worden beoordeeld, niet getoetst aan de artikelen 10 en 11 Grondwet. Nu het bestreden arrest zelf geen vaststellingen bevat op grond waarvan kan worden besloten tot een al dan niet objectieve en redelijke verantwoording voor de verschillende behandeling van de hierboven geschetste verschillende categorieën van ondernemingen, staat het niet aan het Hof die toets zelf uit te voeren. Krachtens artikel 26, § 2, lid 1, Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof lijkt het Hof mij verplicht om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 3. Besluit: Het lijkt mij aangewezen dat het Hof zou overwegen, alvorens nader uitspraak te doen, de door eiseres gesuggereerde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. ______________________________
(1)Voorontwerp van wet, Parl.St. Kamer 2003-2004, doc. 51, nr. 0473/001 en 0474/001, p. 371.
(2)Zie MvT, Parl.St. Kamer 2003-2004, doc. 51, nr. 0473/001 en 0474/001, p. 152-153.
(3)VAN DYCK J., “Geen vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing voor ploegen van wegenwachters” (noot onder Antwerpen 19 januari 2021), Fiscoloog 2021, afl. 1687, p. 3.
(4)JACOBS A., “Wat moet worden verstaan onder de notie ‘ploegenarbeid’ zoals bedoeld in artikel 275/5, § 2, 1° WIB92? Verrichten de personeelsleden van het busbedrijf resp. de pechhulpdienst ‘hetzelfde werk zowel qua inhoud als qua omvang’?”, Fisc.Koer. 2021, afl. 7, 167. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.2 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div