← België

BELGSICHE STAAT fod Financiën c. V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 maart 2023 EC

nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; het toetsingsrecht moet

aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; de rechter mag hierbij

acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen

(1).
(1)Zie concl. OM. Het Hof specificeert voor het eerst dat de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen wanneer het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 70 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.21.0056.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering. De betwisting betreft een dwangbevel uitgevaardigd op 20 november 2013, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 november 2013, waarin een bedrag van 17.486,32 EUR aan verschuldigde BTW werd gevorderd van verweerster, alsmede een geldboete van 34.972,64 EUR (200%). Het dwangbevel had betrekking op BTW die verweerster verschuldigd was op aankopen van dranken verricht bij Creve Drinks NV die zij niet in haar boekhouding had opgenomen en waardoor er minder omzet werd aangegeven. Met een verzoekschrift van 10 februari 2014, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, vorderde verweerster de nietigverklaring van het dwangbevel. Bij vonnis van 29 december 2015 werd de vordering van verweerster gegrond verklaard. Eiser tekende hoger beroep aan tegen deze beslissing bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 12 februari
  2. Bij tussenarrest van 23 mei 2017 werden de debatten ambtshalve heropend. Bij arrest van 15 mei 2018 vernietigde het hof van beroep te Gent het vonnis van de eerste rechter, verklaarde de vordering van verweerster gedeeltelijk gegrond en zegde voor recht dat het litigieuze dwangbevel ongegrond is en geen enkele uitwerking mag hebben voor wat betreft het gedeelte van de boete en de daarop verschuldigde wettelijke intrest dat 50%, zijnde 8.725 EUR overtreft. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  3. Bespreking van het enig middel. EERSTE ONDERDEEL. 2.1 Eiser voert aan dat de appelrechter, door zich de bevoegdheid toe te eigenen om te onderzoeken of de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van 200%, terwijl er sprake was van belastingfraude en niet blijkt dat verweerster een verzoek tot kwijtschelding had ingediend op grond van artikel 9 van het organiek Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831, zodoende geen rekening heeft gehouden met de gebonden bevoegdheid van de administratie bij het opleggen van de geldboete van 200%, mitsdien niet wettig, zonder schending van voormeld artikel en van het algemeen beginsel inzake de scheiding der machten, het genaderecht van de minister heeft uitgeoefend en niet wettig de boete heeft verminderd tot 50%, op grond dat, na toetsing aan het evenredigheidsbeginsel "gelet op de verhouding en het nominaal bedrag (...) het opleggen van een boete van 50% van de verschuldigde BTW een gepaste manier (is) om met de vermelde (concrete) omstandigheden rekening te houden" (Schending van de artikelen 3 en 6,

§ 1

, EVRM, het evenredigheidsbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten, de artikelen 70,

§ 1, 72, 84, derde lid, WBTW, 1, eerste en laatste lid, van de bijlage bij het K.B.

nr. 41 van 30 januari 1987, 9 van het organiek Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831). 2.2 In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 9 van het organiek Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831, is het m.i. niet ontvankelijk. Uw Hof oordeelde in een arrest van 16 februari 2007 immers inzake artikel 84, tweede lid, WBTW en artikel 9 van het organiek Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 dat “de genoemde bepalingen die verband houden met het genaderecht van de uitvoerende macht, vreemd zijn aan de opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van de rechter waarover de appelrechters uitspraak hebben gedaan”

(1). Dit geldt ook in voorliggend geval. 2.3 De volheid van bevoegdheid waarmee de rechter op grond van artikel 6 EVRM kan overgaan tot de toetsing van een strafrechtelijke sanctie in de zin van die bepaling lijkt mij niet afhankelijk van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboete heeft ingediend
(2). De rechter ontleent zijn toetsingsbevoegdheid immers rechtstreeks aan artikel 6 EVRM. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de toetsingsbevoegdheid wordt ingeperkt indien de belastingplichtige niet eerst een genadeverzoek heeft ingediend, faalt het m.i. naar recht. TWEEDE ONDERDEEL. 2.4 Eiser voert aan dat de appelrechter, door op grond van een subjectieve beoordeling van de gegevens van de zaak te oordelen dat een geldboete van 200% niet in redelijkheid kan worden opgelegd en niet in overeenstemming is met het beginsel van evenredigheid zodat slechts een administratieve geldboete van 50% kan worden opgelegd, deze beslissing niet naar recht heeft verantwoord, nu deze beslissing enkel wordt gemotiveerd vanuit de vaststelling dat verweerster slechts beperkte inkomsten haalde uit haar beroepsactiviteit en ook in de personenbelasting reeds een geldboete was opgelegd, zonder dat de zwaarwichtigheid van de feiten, zijnde haar deelname aan de massale bierfraude bij drankenhandelaar Creve Drinks, in rekening werd gebracht. De onevenredigheid van de sanctie was aldus door de appelrechter niet getoetst aan de objectieve verhouding met de ernst van de begane inbreuken waardoor de evenredigheidstoets neerkwam op een loutere subjectieve opportuniteitsbeoordeling, zonder dat hierbij

rekening was gehouden met de mate waarin eiser gebonden was om een geldboete van 200% op te leggen (Schending van de artikelen 3 en 6,

§ 1

, EVRM, het evenredigheidsbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten, de artikelen 70,

§ 1, 72, 84, derde lid, WBTW, 1, eerste en laatste lid, van de bijlage bij het K.B.

nr. 41 van 30 januari 1987, 9 van het organiek Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831). 2.5 Uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie moet onderzoeken en

mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet

aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij

acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen

(3). 2.6 Om uit te maken of er sprake is van een schending van het evenredigheidsbeginsel mag de rechter m.i. nagaan of de opgelegde sanctie gerechtvaardigd is gelet op alle relevante factoren
(4)waaronder de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, en dient hij in voorkomend geval expliciet aan te duiden waaruit de vastgestelde onevenredigheid bestaat. De weerslag van de opgelegde sanctie op de financiële toestand van de betrokkene lijkt mij eveneens een factor waarmee rekening mag worden gehouden. Dit valt af te leiden uit een arrest van het Hof van 12 november 2010
(5). Ook DEBELVA en MOTTE vermelden, met verwijzing naar Nederlandse rechtsleer, de financiële omstandigheden van de overtreder onder meer als criterium voor het matigen/kwijtschelden van een fiscale sanctie
(6). Bij het onderzoek van de impact van de administratieve boete op de financiële toestand van de betrokkene dient m.i. echter wel in concreto nagegaan of deze over de mogelijkheid beschikt om de opgelegde boete van 200% te dragen
(7)en of er redenen zijn om aan te nemen, gelet op zijn vermogenstoestand, dat de boete een buitensporige last uitmaakt. 2.7 De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: * eiser een administratieve geldboete van 200 procent heeft opgelegd, zijnde een bedrag van 34.900 euro; * uit het proces-verbaal van 29 oktober 2013 blijkt dat verweerster hoe dan ook slechts beperkte inkomsten haalde uit haar beroepsactiviteit, wat haar slechts een beperkte financiële armslag geeft; * verweerster bewijst dat door de eiser op grond van dezelfde feiten voor de personenbelasting supplementaire aanslagen werden gevestigd voor de aanslagjaren 2007 tot 2011 waarvoor telkens een administratieve sanctie in de vorm van een belastingverhoging van 50 procent werd opgelegd; * waar de Belgische wettelijke regels weliswaar inhouden dat de twee sancties naast elkaar mogelijk zijn, bij de beoordeling toch rekening moet gehouden worden met het feit dat in wezen tweemaal voor dezelfde feiten een sanctie werd opgelegd. Door op die gronden de boete te verminderen tot 50 pct., zonder na te gaan of de wettelijk voorgeschreven geldboete van 200%, objectief gezien, kennelijk onredelijk is in verhouding tot de ernst van de gepleegde inbreuken, zonder na te gaan in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie en zonder na te gaan of er redenen zijn om aan te nemen, gelet op de vermogenstoestand van verweerster
(8), dat de boete een buitensporige last uitmaakt, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing m.i. niet naar recht. Het onderdeel komt mij gegrond voor. 3. Besluit: Vernietiging. __________________________________
(1)Cass. 16 februari 2007, AR C.04.0390.N, AC 2007, nr. 99, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2.
(2)In andere zin: Cass. 17 januari 2019, AR F.16.0130.F, AC 2019, nr. 30, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190117.1. Ik treed echter de kritiek bij van F. KONING, “Le pouvoir d’appréciation du juge fiscal sur la sanction administrative infligée au contribuable et le moment du recours auprès du ministre des finances”, JT 2019, afl. 6793, p. 813.
(3)Zie onder meer Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N, AC 2017, nr. 492, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6; Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0096.N, AC 2010, nr. 174, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1, met concl. van advocaat-generaal THIJS; Cass. 21 januari 2005, AR C.02.0572.N, AC 2005, nr. 43, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31.
(4)Vgl. Cass. 18 april 2013, AR F.11.0142.F, AC 2013, nr. 244, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130418.6, met concl. van advocaat-generaal HENKES, op datum in Pas. In dit arrest van de Franstalige afdeling van het Hof wordt geoordeeld dat het controlerecht van de rechter de mogelijkheid biedt om “alle omstandigheden van de zaak” in aanmerking te nemen bij het onderzoek van de evenredigheid tussen de straf en de inbreuk. Dit arrest sluit aan bij Cass. 16 februari 2007, AR C.04.0390.N, AC 2007, nr. 99, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2: “Hieruit volgt dat de rechter, die in feite en in rechte alle pertinente omstandigheden moet kunnen onderzoeken om de rechtmatigheid van de straf te beoordelen, en al wat onder de beoordeling van het bestuur valt moet kunnen controleren, hieruit niet de bevoegdheid put om een sanctie louter op grond van opportuniteit en tegen wettelijke regels in te verminderen of kwijt te schelden”.
(5)Cass. 12 november 2010, AR F.09.0146.N, AC 2010, nr. 673, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.7. In die zaak oordeelde de appelrechter dat: - De verweerster duidelijk wetens en willens meewerkte aan een BTW-carrouselfraude en haar medewerking verleende bij tal van onregelmatigheden op het vlak van de BTW; - De verweerster enerzijds factureerde voor voertuigen die zij nooit zag en de BTW hierop aftrok, en anderzijds voertuigen verkocht aan D. en V., maar de factuur opstelde op naam van een buitenlandse firma; - Het te dezen ontegensprekelijk overtredingen betreft begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken zodat de verminderingen van de proportionele geldboeten bepaald in de tabellen A tot J van het voornoemd KB nr. 41 van 30 januari 1987 niet van toepassing zijn; - Dit tot gevolg heeft dat de administratie louter binnen het raam van de toepassing van de Belgische wetgeving geen enkele appreciatievrijheid had en verplicht was een boete gelijk aan 200 pct. van de belasting op te leggen; - er niet kan aan voorbij gegaan worden dat wanneer de boete van 200 procent wordt opgelegd in geval van inbreuken die betrekking hebben op een groot bedrag aan BTW, zoals hier het geval, dit leidt tot een enorme administratieve geldboete, in die mate dat dergelijke boete zelfs voor een groot bedrijf een buitensporige last uitmaakt; - een dergelijke aanslag op de financiële toestand van het bedrijf tot gevolg heeft dat dit het verder bestaan van de meeste bedrijven in het gedrang kan brengen; - een dergelijke boete dan niet meer evenredig is met de inbreuk en met het doel van een dergelijke administratieve boete. Uw Hof oordeelde in deze zaak dat "uit die gegevens de appelrechter wettig [kon] afleiden dat de opgelegde boete onevenredig was en moest verminderd worden tot 100 pct. van de ontdoken rechten".
(6)DEBELVA, F. en MOTTE, J., “De proportionaliteit van fiscale sancties: theoretisch kader, grondslagen en verhouding tot de mensenrechten”, TFR 2015/492, 968-981.
(7)Vgl. weergave mondelinge conclusie van advocaat-generaal THIJS bij Cass. 12 november 2010, AR F.09.0146.N, AC 2010, nr. 673.
(8)Zie ook Cass. 21 september 2018, AR F.17.0086.N, AC 2018, nr. 491, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.5. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.7 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130418.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190117.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.