← België

A. contra BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 maart 2023 EC

Art. 2.1.

- 31 Link Justel databank 19480626-31 Fiche 5 Het feit dat een auteur een werk in het kader van zijn beroepsactiviteiten produceert, en daarbij wordt verondersteld de nodige professionele deskundigheid aan de dag te leggen, verhindert als dusdanig niet dat het werk als oorspronkelijk in aanmerking kan komen

(1).
(1)Zie concl. OM. Op dezelfde datum werd ook in dezelfde zin arrest uitgesproken in de zaak F.21.0054.N. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Wettelijke bepalingen: Wet 22 maart 1886 (Nederlandse tekst bij wet van 26 juni 1981) - 22-03-1886 - Artt. 1 en 8 - 30 ELI link Pub nr 1886032250 Conventie van Bern voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken (herzien te Brussel op 26 juni 1948) -

Art. 2.1.

- 31 Link Justel databank 19480626-31 Fiche 6 Wanneer voor de creatie van een werk technische overwegingen, regels of andere beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, heeft dat werk niet de oorspronkelijkheid die vereist is om een auteursrechtelijk beschermd werk te kunnen vormen; een werk kan daarentegen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, ook al wordt de verwezenlijking ervan door technische overwegingen, regels of andere beperkingen bepaald, op voorwaarde dat een dergelijke bepaling de auteur niet heeft belet zijn persoonlijkheid in het werk door vrije en creatieve keuzes tot uiting te brengen

(1).
(1)Zie concl. OM. Op dezelfde datum werd ook in dezelfde zin arrest uitgesproken in de zaak F.21.0054.N. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Wettelijke bepalingen: Wet 22 maart 1886 (Nederlandse tekst bij wet van 26 juni 1981) - 22-03-1886 - Artt. 1 en 8 - 30 ELI link Pub nr 1886032250 Conventie van Bern voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken (herzien te Brussel op 26 juni 1948) -

Art. 2.1.

- 31 Link Justel databank 19480626-31 Annotaties Publicaties: JT-Journal des tribunaux - 2022, n° 31, p. 554-

  1. - BOULARBAH, Hakim; Note'Le juge doit d'office soulever la nullité de la signification de l'acte de procédure qui n'a pas atteint son destinataire et ordonner qu'il soit remédié à l'irrégularité' Tekst van de conclusie F.21.0052.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  2. Situering. De betwisting betreft een aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar
  3. Eerste eiser is als advocaat werkzaam bij een advocatenassociatie. Hij sloot met de advocatenassociatie een overeenkomst op basis waarvan hij de rechten op zijn ‘werken in de zin van de Auteurswet’ (brieven, ingebrekestellingen, adviezen, conclusies, herstructureringshandleidingen, etc.) aan de advocatenassociatie overdraagt. De advocatenassociatie betaalde hem daarvoor een periodieke vergoeding. Eiser deed aangifte van de ontvangen inkomsten in de personenbelasting en kwalificeerde die inkomsten als roerende inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten en naburige rechten in de zin van artikel 17, § 1, 5°, WIB
  4. Dergelijke inkomsten worden, in zover zij het (te indexeren) bedrag van 37.500 EUR niet overschrijden (artikel 37 WIB92), afzonderlijk belast aan een tarief van 15%, na aftrek van het bijzonder kostenforfait voorzien in artikel 4 KB/WIB
  5. De fiscale administratie verwierp de kwalificatie van de ontvangen inkomsten als roerende inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten en naburige rechten in de zin van artikel 17, § 1, 5°, WIB92 en herkwalificeerde deze als baten in de zin van artikel 27, 1°, WIB92, waarop het progressief belastingtarief van toepassing is. De gerechtelijke betwisting van de in die zin gevestigde aanvullende aanslag leidde tot een vonnis dd. 22 november 2016 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, waarin de vordering van eisers als ongegrond werd afgewezen. Het hof van beroep te Gent bevestigde het vonnis van de eerste rechter bij arrest van 12 maart
  6. Eisers komen op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  7. Inzake de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. 2.
  8. Verweerder werpt op dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is. De onregelmatige betekening door eisers aan verweerder van het verzoekschrift tot cassatie op 16 maart 2021 heeft de belangen van verweerder geschaad en de belangen van verweerder zouden, niettegenstaande de regelmatige betekening door eisers aan verweerder van het verzoekschrift tot cassatie op 15 juli 2022, geschaad blijven. De voorziening alsnog ontvankelijk verklaren op grond van de eerste op 15 juli 2022 rechtsgeldige betekening van het cassatieverzoekschrift, zou volgens verweerder immers afbreuk doen aan diens rechtmatige verwachtingen (dat bij gebreke van rechtsgeldige betekening van enig cassatieberoep uiterlijk op 18 mei 2021, het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 maart 2019 definitief was geworden) en indruisen tegen de normale procesgang. 2.
  9. De aangevoerde gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen m.i. niet worden aangenomen. Het bestreden arrest werd door verweerder aan eisers betekend op 18 februari
  10. Eisers legden op 19 maart 2021 ter griffie van het Hof een verzoekschrift tot cassatie neer dat onregelmatig werd betekend op 16 maart 2021 aan de adviseur-generaal te Centrum KMO Gent. Het Hof verleende bij arrest van 23 juni 2022, met toepassing van artikel 861, tweede lid, Ger. W., aan eisers de mogelijkheid om binnen een termijn van 1 maand ingaand op 29 juni 2022 tot rechtsgeldige betekening over te gaan; wat gebeurde op 15 juli
  11. Verweerder kon derhalve van het verzoekschrift tot cassatie kennis nemen en kon zich verweren tegen het daarin voorgedragen middel. Verder lijkt het mij dat verweerder er zich aan kon verwachten dat in geval van een tijdige maar onregelmatige betekening van het verzoekschrift tot cassatie, het Hof het betekeningsexploot slechts nietig zou verklaren indien de belangenschade (niet de mogelijkheid te hebben gehad een memorie van antwoord in te dienen), met toepassing van artikel 861, tweede lid Gerechtelijk Wetboek, niet zou kunnen worden hersteld. Ik meen dan ook dat verweerder er niet mocht van uitgaan dat, bij gebreke van rechtsgeldige betekening van het verzoekschrift in cassatie uiterlijk op 18 mei 2021, het bestreden arrest definitief is geworden. 2.
  12. Aangezien eisers het verzoekschrift tot cassatie rechtsgeldig hebben betekend aan verweerder op 15 juli 2022 en aldus de door het Hof opgelegde maatregelen om de belangenschade te herstellen tijdig hebben uitgevoerd, kan de aanvankelijke, op 16 maart 2021 verrichte betekening van het verzoekschrift tot cassatie m.i. niet nietig worden verklaard en blijft deze rechtsgevolgen sorteren. Het cassatieberoep is derhalve tijdig.
  13. Bespreking van het enig middel. EERSTE ONDERDEEL. 3.
  14. In het eerste onderdeel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 1, § 1, eerste lid, en 8, § 1 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, zoals gewijzigd door de wet van 22 mei 2005, en die golden tot vóór hun opheffing door de wet van 19 april 2014 met uitwerking vanaf 1 januari 2015; van de artikelen XI.165 en XI.172, § 2 van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd door de wet van 19 april 2014 met inwerkingtreding op 1 januari 2015; artikel 2.1 van de Conventie van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971 goedgekeurd bij wet van 26 juni 1951, hierna kortweg “de Conventie van Bern” en van artikel 444, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Eisers voeren aan dat een advocaat die beroepshalve stukken opstelt, normaal en over het algemeen een intellectuele inspanning doet om zijn ideeën, zoals standpunten en stellingen, (die op zich geen auteursrechtelijke bescherming genieten) op een creatieve wijze en in een creatieve vorm te formuleren, waarbij hij bepaalde keuzes moet maken wat betreft het gebruik van woorden, het taalgebruik, de stijl, de structuur, de manier van uitdrukken enz. (welke wijze van vormgeving van zijn ideeën vatbaar is voor auteursrechtelijke bescherming). Volgens eisers zal een advocaat in al zijn geschriften de feiten op zulke wijze en vorm voorstellen dat dit het meest in het voordeel van zijn cliënt uitkomt en de toepasselijke rechtsregels op een bepaalde wijze en in een bepaalde vorm en structuur verwoorden en vervolgens op de door hem zo goed mogelijk voorgestelde feiten in een bepaalde vorm en stijl toepassen, dit alles om zijn cliënt zo goed mogelijk te verdedigen. De geschriften van een advocaat getuigen aldus normaal van creativiteit en keuzes wat betreft de wijze en vorm waarin hij zijn ideeën verwoordt en zijn een uitdrukking van diens persoonlijkheid. De appelrechter zou niet wettig geoordeeld hebben dat aangenomen moet worden dat “normaal” de advocaat bij zijn beroepsuitoefening geen intellectuele scheppingen tot stand brengt die het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes doch dit eerder uitzonderlijk is. De appelrechter beoordeelt de originaliteitsvereiste zuiver vanuit de feiten van een welbepaalde zaak, het toepasselijk recht en de toepassing van het recht op die feiten, alsmede vanuit de regels van het beroep van advocaat, terwijl de originaliteitsvereiste slaat op de wijze en de vorm waarin de feiten, het recht en de toepassing van het recht op de feiten tot uiting worden gebracht, door het gebruik van bepaalde woorden, een bepaald taalgebruik, een bepaalde stijl, een bepaalde structuur, een bepaalde manier van uitdrukken etc., aldus eisers. 3.
  15. Krachtens artikel 17, § 1, 5°, WIB92, in de versie zoals hier van toepassing, zijn inkomsten uit roerende goederen en kapitalen alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk: de inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties, bedoeld in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten of in overeenkomstige bepalingen in het buitenlands recht. Krachtens artikel 37, eerste en tweede lid, WIB92 worden, onverminderd de toepassing van de voorheffingen, inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten. In afwijking daarvan behouden de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, hun hoedanigheid van roerende inkomsten, behalve indien en in zover zij hoger liggen dan 37.500 EUR (te indexeren). Uit de samenhang van artikel 17, § 1, 5°, WIB92 en artikel 37, eerste en tweede lid, WIB92 volgt dus dat inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten als roerende inkomsten en niet als baten in de zin van artikel 27, 1°, WIB92 belastbaar zijn, indien en in zover zij lager liggen dan of gelijk zijn aan 37.500 EUR (te indexeren). 3.
  16. Voor een omschrijving van het begrip ‘auteursrechten en naburige rechten’ verwijst artikel 17, § 1, 5°, WIB92 uitdrukkelijk naar de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (hierna: de Auteurswet). Derhalve zijn de auteursrechten en naburige rechten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB92 dezelfde als de auteursrechten en naburige rechten bedoeld in de Auteurswet. Krachtens artikel 1, § 1, lid 1, Auteurswet heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren. Krachtens artikel 8, § 1, van diezelfde wet wordt onder werken van letterkunde verstaan de geschriften van welke aard ook, alsmede lessen, voordrachten, redevoeringen, preken of andere mondelinge uitingen van de gedachte. Redevoeringen uitgesproken in vergaderingen van vertegenwoordigde lichamen, in openbare terechtzittingen van rechtscolleges of in politieke bijeenkomst mogen evenwel vrijelijk worden gereproduceerd en aan het publiek meegedeeld; alleen de auteur heeft echter het recht om ze afzonderlijk uit te geven. Artikel 8, § 1, Auteurswet dient te worden gelezen in samenhang met artikel 2.1 van de Conventie van Bern, krachtens hetwelk de term ‘werken van letterkunde en kunst’ alle voortbrengselen omvat op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes; muzikale compositie met of zonder woorden; cinematografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithografeerkunst; fotografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van toegepaste kunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topografie, de bouwkunde of de wetenschappen. 3.
  17. Het Hof leidde uit de voormelde wetsbepalingen twee cumulatieve voorwaarden af waaraan moet zijn voldaan opdat een werk als een auteursrechtelijk beschermd werk in aanmerking zou komen: * Concrete vormgeving: Uitsluitend een werk van letterkunde of kunst dat uitdrukking vindt in een welbepaalde concrete vormgeving, kan het voorwerp van een auteursrecht uitmaken. De bescherming van het auteursrecht strekt zich noch uit tot een idee of concept dat in geen enkele vorm is uitgedrukt, noch tot een stijl, modetrend of genre, die slechts uitdrukking zijn van een algemene vormgeving

(1). * Originaliteit of oorspronkelijkheid: Het is nodig maar voldoende dat het werk de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker ervan
(2), welke voorwaarde onontbeerlijk is om aan het werk het vereiste individuele karakter te geven waardoor een schepping ontstaat
(3). Deze voorwaarde impliceert dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter dient te hebben dat het persoonlijk stempel van de maker draagt
(4), of, anders geformuleerd dat het werk een eigen schepping van de auteur is die de uitdrukking vormt van diens persoonlijkheid
(5). Een werk draagt de persoonlijkheid van de auteur wanneer de auteur bij het maken van het werk zijn creatieve bekwaamheden tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzen
(6). De loutere weergave van bestaande thema’s zonder de keuze van een welbepaalde vorm die van persoonlijkheid getuigt, is onvoldoende om de auteursrechtelijke bescherming te verantwoorden. Loutere ‘banaliteiten’, waaronder moet worden verstaan elementen die niet creatief zijn, genieten geen bescherming
(7), maar een originele combinatie van banaliteiten wel
(8). Uit het arrest van 17 februari 2017 blijkt dus dat het Hof een tweestappentoets vooropstelt wat de vorm betreft: eerst rijst de vraag naar de aanwezigheid van een concrete vorm, en daarna pas de vraag naar de eventuele originaliteit van die vorm. De vraag of de verschijningsvorm van een voorwerp een concrete vormgeving dan wel slechts een stijl betreft (eerste stap in de tweestappentoets) is feitelijk van aard. De bodemrechter moet die soeverein beoordelen
(9). De rechter moet zich bij die beoordeling niet noodzakelijk stellen op het ogenblik waarop het voorwerp werd ontworpen. Hij mag rekening houden met factoren die zich sindsdien hebben voorgedaan. Bij de vraag of een concrete vormgeving oorspronkelijk is (tweede stap in de tweestappentoets), moet de rechter zich bij die beoordeling – die opnieuw feitelijk van aard is – daarentegen wel plaatsen op het ogenblik van de creatie van het werk. De vraag of de auteur eigen, vrije en creatieve keuzes heeft gemaakt bij het ontwerpen van de vormgeving, moet immers logischerwijze beoordeeld worden in het licht van alle elementen die op het ogenblik van die schepping voorhanden waren
(10). 3.5. De voormelde twee voorwaarden om te kunnen spreken van een auteursrechtelijk beschermd werk, kunnen ook in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden teruggevonden
(11). In zijn meest recente rechtspraak liet het Hof zich in de keuze van de gebruikte bewoordingen duidelijk door deze rechtspraak van het Hof van Justitie inspireren. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijken ook een aantal aanknopingspunten die toelaten de vereiste van oorspronkelijkheid of originaliteit meer concreet in te vullen: 3.5.1 Het auteursrecht beschermt eigen intellectuele scheppingen, hetgeen betrekking heeft op de structuur en niet op inhoud van de gegevens. Verzamelingen van gegevens die vanwege de keuze of de rangschikking van hun inhoud een schepping van de geest vormen, worden als zodanig auteursrechtelijk beschermd
(12). Het auteursrecht beschermt met andere woorden originele uitdrukkingsvormen, hetgeen niets te maken heeft met de inhoudelijke nieuwheid van een werk, de kwaliteit of de artistieke of esthetische waarde van het werk
(13). Zowel artistieke werken, als meer functionele en feitelijke werken kunnen aldus voor bescherming in aanmerking komen, zolang hun vorm origineel is
(14). Aldus oordeelde het Hof van Justitie met betrekking tot: o persartikelen, dat de eigen intellectuele schepping van de auteur ervan in de regel schuilt in de vorm, de presentatie van het onderwerp en het taalgebruik
(15); o militaire verslagen, dat de nationale rechter dient na te gaan of de auteur bij het opstellen van die verslagen vrije en creatieve keuzen heeft kunnen maken die de oorspronkelijkheid van het betrokken materiaal aan de lezer kunnen overdragen, die voortvloeit uit de keuze, de schikking en de combinatie van de woorden waarmee de auteur op een oorspronkelijke wijze uitdrukking heeft gegeven aan zijn creatieve geest en tot een resultaat is gekomen dat een intellectuele schepping vormt; indien militaire verslagen zuiver informatieve documenten zijn, waarvan de inhoud volledig wordt bepaald door de hierin vervatte informatie, waardoor die informatie en de uitdrukking ervan in die verslagen samenvallen en die verslagen dus een louter technische functie hebben en iedere vorm van oorspronkelijkheid wordt uitgesloten, moet worden geoordeeld dat de auteur tijdens de redactie van die verslagen zijn creatieve geest niet op oorspronkelijke wijze tot uitdrukking heeft kunnen brengen en niet tot een resultaat heeft kunnen komen dat een eigen intellectuele schepping vormt
(16). 3.5.2 Louter het voorhanden zijn van al dan niet aanzienlijke intellectuele inspanningen en deskundigheid bij het creëren van gegevens volstaat niet om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen
(17). 3.5.3 Aan het oorspronkelijkheidcriterium is voldaan wanneer de maker zijn creatieve vaardigheden op een originele manier tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzes, hetgeen niet het geval is wanneer de samenstelling van bestaande gegevens wordt gedicteerd door technische overwegingen, regels of beperkingen die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid
(18), aangezien de verschillende manieren om een idee uit te voeren dan zodanig beperkt zijn dat het idee samenvalt met de uitdrukking ervan
(19). Daaruit volgt dat een voorwerp voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kan komen, ook al wordt de verwezenlijking ervan door technische overwegingen bepaald, op voorwaarde dat een dergelijke bepaling de auteur niet heeft belet zijn persoonlijkheid in dat voorwerp tot uitdrukking te brengen door vrije en creatieve keuzen tot uiting te brengen
(20). In dergelijk geval zal het voorwerp in de mate dat het slechts de uiting is van die technische overwegingen niet voor auteursrechtelijke bescherming vatbaar zijn; in de mate dat het die technische overwegingen overstijgt en uitdrukking geeft aan creativiteit, is het wel voor auteursrechtelijke bescherming vatbaar
(21). Een minimum aan persoonlijkheid zou derhalve volstaan opdat een werk auteursrechtelijke bescherming kan genieten
(22). 3.5.4 Het Hof van Justitie oordeelt verder in vaste rechtspraak dat “wanneer een voorwerp de beschreven kenmerken [van oorspronkelijkheid en van een voldoende nauwkeurige en objectieve vormgeving] heeft en derhalve een werk is, het in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming moet genieten overeenkomstig richtlijn 2001/29, waarbij moet worden opgemerkt dat de omvang van die bescherming niet afhangt van de mate van creatieve vrijheid waarover de auteur ervan beschikt en derhalve niet geringer is dan de bescherming die elk werk dat onder die richtlijn valt, geniet”
(23). Hieruit volgt dat, eens de drempel van de oorspronkelijkheid is bereikt (eens het voorwerp als een auteursrechtelijk beschermd oorspronkelijk werk wordt gekwalificeerd), de beschermingsomvang voor alle soorten werken in principe gelijk is. Er wordt met andere woorden geen onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke werken. Er is geen gradatie in oorspronkelijkheid: er is oorspronkelijkheid of er is geen oorspronkelijkheid
(24). In het stadium daarvóór, namelijk bij de beoordeling of het voorwerp, of bepaalde elementen ervan, een oorspronkelijk werk vormen, is de mate van creatieve vrijheid waarover de auteur beschikt vanzelfsprekend wel relevant. Dit criterium vormt immers precies de maatstaf voor het bestaan van oorspronkelijkheid. Eens de drempel van de oorspronkelijkheid is bereikt, kent zij dus geen gradatie, maar de omvang van de oorspronkelijkheid – namelijk het aantal elementen dat als oorspronkelijk wordt aangemerkt – kan wel variëren in functie van de mate van creatieve vrijheid die de auteur heeft
(25). Zo zullen voorwerpen die geen of slechts weinig ruimte laten voor creatieve vrijheid – bijvoorbeeld omdat hun vormgeving uitsluitend of grotendeels bepaald wordt door technische vereisten – niet origineel zijn of minder originele elementen bevatten die auteursrechtelijk beschermd worden. Eens de oorspronkelijkheid vaststaat, kunnen de aard van het voorwerp en de mate van creatieve vrijheid dus niet de gradatie van oorspronkelijkheid en de beschermingsomvang beïnvloeden, bij de beoordeling van het bestaan van een verboden reproductie. Bij de beoordeling zelf of de drempel van de oorspronkelijkheid wordt bereikt, kunnen zij daarentegen wel de omvang van de oorspronkelijkheid beïnvloeden: zij bepalen het aantal oorspronkelijke elementen dat auteursrechtelijk beschermd wordt. In die zin zal de omvang van de bescherming afhangen van de omvang van de oorspronkelijkheid
(26). Aan de als oorspronkelijk aangemerkte elementen wordt vervolgens evenwel een volwaardige bescherming, in de zin van een verbod op reproductie, toegekend. 3.6 Voor wat het voorliggend geschil betreft, impliceert de voormelde rechtspraak dat geschriften van een advocaat auteursrechtelijke bescherming kunnen genieten, voor zover aan de voorwaarden daartoe is voldaan (in casu de originaliteitsvoorwaarde). De aard van de geschriften en de mate van creatieve vrijheid die de auteur heeft, bepalen de (omvang van de) oorspronkelijkheid ervan. Een standaard ingebrekestelling of een typebrief waarin een tussenkomst in een procedure wordt gemeld zal bijvb. wellicht minder oorspronkelijke elementen bevatten dan een advies op maat. Zoals hoger aangehaald, is het de bodemrechter die, in geval van betwisting, de originaliteit van het geheel of een deel van de geschriften dient te beoordelen en dit geschrift per geschrift, met dien verstande dat desgevallend enkel een deel van het geschrift aan de criteria voor auteursrechtelijke bescherming zal voldoen. In het kader van deze beoordeling zal toepassing gemaakt worden van de bepalingen van het bewijsrecht. In het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie en hetgeen voorafgaat, laten de door de appelrechter aangehaalde argumenten m.i. niet toe om te besluiten dat ‘normaal’ een advocaat bij zijn beroepsuitoefening geen intellectuele scheppingen tot stand brengt die auteursrechtelijke bescherming genieten. 3.6.1 Er gelden inderdaad verschillende regels die de vrijheid en creativiteit van de advocaat aan banden leggen, zoals zijn deontologische regels en artikel 744 Gerechtelijk Wetboek wat betreft de structuur van een conclusie, maar men kan m.i. moeilijk voorhouden dat die regels zo ver gaan dat zij de advocaat elke creativiteit en keuzevrijheid ontnemen en het hem onmogelijk maken om in zijn werken zijn persoonlijkheid tot uitdrukking te brengen. De advocaat kan nog steeds zelf kiezen welke argumenten hij aanwendt, hoe hij deze argumenten formuleert, vorm geeft en structureert, etc. Zijn werk is derhalve niet per definitie banaal
(27). De vergelijking kan gemaakt worden met een architect: ook een architect is door tal van technische regels en deontologische regels gebonden, maar dat verhindert niet dat hij auteursrechten kan genieten op de plannen die hij opstelt, in de mate dat zij vorm geven aan creatieve inzichten van de architect en niet louter de vertaling zijn van technische normering
(28), of met andere woorden indien zij aan de voorwaarde van originaliteit voldoen. 3.6.2 Het oordeel van de appelrechter dat de advocaat louter het recht toepast op de hem voorliggende feiten, die niet het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes en dat de werken van een advocaat elk een variatie zijn op een registratie van de werkelijkheid, met name de feitelijke situatie, de toepasselijke wetgeving, standpunten van rechtspraak en rechtsleer, waarin de erin vervatte ideeën vrij kunnen zijn en moeten worden toegepast door eenieder, lijkt mij te falen naar recht. Een advocaat doet immers meer dan louter het recht op de feiten toe te passen
(29). Bovendien impliceert dit oordeel dat de appelrechter de vereiste van oorspronkelijkheid of originaliteit vorm geeft op basis van een idee van inhoudelijke originaliteit
(30). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt evenwel dat verzamelingen van gegevens die vanwege de keuze of de rangschikking van hun inhoud, de presentatie, het gehanteerde taalgebruik, etc. een schepping van de geest vormen, als zodanig auteursrechtelijk beschermd worden, ook al zijn zij niet inhoudelijk origineel. 3.6.3 Bovendien past het te wijzen op de tekst van artikel 8, § 1, Auteurswet: “Wordt onder werken van letterkunde verstaan de geschriften van welke aard ook, alsmede lessen, voordrachten, redevoeringen, preken of andere mondelinge uitingen van de gedachte. Redevoeringen uitgesproken in vergaderingen van vertegenwoordigde lichamen, in openbare terechtzittingen van rechtscolleges of in politieke bijeenkomst mogen evenwel vrijelijk worden gereproduceerd en aan het publiek meegedeeld; alleen de auteur heeft echter het recht om ze afzonderlijk uit te geven.” (eigen onderlijning) Aldus lijkt de Auteurswet zelf te erkennen dat pleidooien (en aldus ook onvermijdelijk de schriftelijke neerslag van die pleidooien in een conclusie) principieel voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, zij het dat zij vrijelijk aan het publiek mogen worden meegedeeld. 3.7 Op basis van voorgaande elementen dient te worden besloten dat de appelrechter die oordeelt dat het (als algemene regel of als bekend feit) moet worden aangenomen dat ‘normaal’ de advocaat bij zijn beroepsuitoefening geen intellectuele scheppingen tot stand brengt die het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes waardoor er geen sprake kan zijn van auteursrechten en van de overdracht ervan, en dat de administratie de kwestieuze inkomsten derhalve terecht als baten en niet als roerende inkomsten kwalificeerde, en die op basis van daarvan oordeelt dat het de eiser toekomt het concrete tegenbewijs te leveren, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt. 3.8 De overige grieven kunnen m.i. niet tot een ruimere cassatie leiden. 4. Besluit: Vernietiging. ____________________________________
(1)Cass. 17 februari 2017, AR C.15.0144.N, AC 2017, nr. 115, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170217.1.
(2)Cass. 17 februari 2017, AR C.15.0144.N, AC 2017, nr. 115, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170217.1.
(3)Cass. 11 maart 2005, AR C.03.0591.N, AC 2005, nr. 153, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.5; Cass. 2 maart 1993, AR 6583, AC 1993, nr. 123, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930302.9.
(4)Cass. 24 februari 1995, AR C.92.8360.N, AC 95, nr. 108, ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950224.7.
(5)Cass. 31 oktober 2013, AR C.12.0263.N, AC 2013, nr. 569, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.1; Cass. 14 december 2015, AR C.14.0262.F, AC 2015, nr. 745, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151214.3.
(6)Cass. 31 oktober 2013, AR C.12.0263.N, AC 2013, nr. 569, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.1; Cass. 14 december 2015, AR C.14.0262.F, AC 2015, nr. 745, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151214.3.
(7)Cass. 14 december 2015, AR C.14.0262.F, AC 2015, nr. 745, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151214.3.
(8)S. WATELET, La fiscalité du droit d’auteur et des droits voisins, Luik, Anthemis 2021, 34.
(9)Zie Cass. 17 februari 2017, AR C.15.0144.N, AC 2017, nr. 115, r.o. 4).
(10)F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant 2000, 16, nr. 18 in fine.
(11)De Europese Unie heeft niet alle aspecten van het auteursrecht geharmoniseerd, maar slechts welbepaalde onderdelen ervan, aan de hand van een hele reeks richtlijnen en verordeningen. Voor de omschrijving van het begrip auteursrechten richt het Hof van Justitie zich, niettegenstaande de Unie geen partij is bij de Berner Conventie, wel tot de omschrijving van het begrip zoals die blijkt uit de artikelen 1 tot en met 21 Berner Conventie. Zie HvJ 12 september 2019, C-683/17, Cofomel; HvJ 13 november 2018, C-310/17, Levola Hengelo, r.o. 38; HvJ 9 februari 2012, C-277/10, Luksan, r.o. 59; HvJ 26 april 2012, C-510/10, DR en TV2 Danmark, r.o. 29; HvJ 16 juli 2009, C-5/08, Infopaq International A/S, r.o. 34. Zie ook HvJ 1 maart 2012, C-604/10, Football Dataco.
(12)HvJ 1 maart 2012, C-604/10, Football Dataco, r.o. 30 en 31; HvJ 22 december 2010, C-393/09, Bezpecnostni softwarova asociace, r.o. 45.
(13)J. DEENE en M. ZAGHEDEN, “Naar een afwijkende interpretatie van het auteursrechtelijke originaliteitsbegrip in fiscale zaken”, TFR 2019, 568; H. VANHEES, Handboek intellectuele rechten, Antwerpen, Intersentia 2020, 26; S. WATELET, La fiscalité du droit d’auteur et des droits voisins, Luik, Anthemis 2021, 21.
(14)S. WATELET, La fiscalité du droit d’auteur et des droits voisins, Luik, Anthemis 2021, 25.
(15)HvJ 16 juli 2009, C-5/08, Infopaq International A/S, r.o. 44 en 45: Met betrekking tot de beschermde bestanddelen van dergelijke werken zij opgemerkt dat deze bestaan uit woorden die, afzonderlijk beschouwd, als dusdanig geen intellectuele schepping van de auteur die ze gebruikt, vormen. Enkel via de keuze, de schikking en de combinatie van deze woorden op een oorspronkelijke wijze kan de auteur uitdrukking aan zijn creatieve geest geven en tot een resultaat komen dat een intellectuele schepping vormt”.
(16)HvJ 29 juli 2019, C-469/17, Funke Medien, r.o. 23-24.
(17)HvJ 29 juli 2019, C-469/17, Funke Medien, r.o. 23; HvJ 1 maart 2012, C-604/10, Football Dataco, r.o. 33 en 42.
(18)HvJ 11 juni 2020, Brompton Bicycle, r.o. 24; HvJ 1 maart 2012, C-604/10, Football Dataco, r.o. 38 en 39; HvJ 22 december 2010, C-393/09, Bezpecnostni softwarova asociace, r.o. 48.
(19)HvJ 22 december 2010, C-393/09, Bezpecnostni softwarova asociace, r.o. 48.
(20)HvJ 11 juni 2020, Brompton Bicycle, r.o. 26.
(21)S. WATELET, La fiscalité du droit d’auteur et des droits voisins, Luik, Anthemis 2021, 26.
(22)S. WATELET, La fiscalité du droit d’auteur et des droits voisins, Luik, Anthemis 2021, 21.
(23)HvJ 1 december 2011, C-145/10, Painer, ECLI:EU:C:2011:798, r.o. 97-99: een portretfoto die als oorspronkelijk werk in de zin van de Richtlijn wordt beschouwd, geniet, wat het verbod van volledige of gedeeltelijke reproductie betreft, dezelfde volwaardige bescherming als andere werken, met name andere fotografische werken; HvJ 12 september 2019, C-683/17, Cofemel, r.o. 35.
(24)Dit is anders dan in het merkenrecht, waar een overeenstemming van een teken met een merk dat sterk is, omdat het een groot onderscheidend vermogen bezit, sneller zal worden aangenomen dan bij een zwak merk (F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant 2000, 18, nrs. 19 en 20; F. GOTZEN, “Art. XI.165 WER” in F. BRISON en H. VANHEES (eds.), Huldeboek Jan Corbet. Het Belgische auteursrecht, Artikelsgewijze commentaar, Brussel, Larcier 2018, 50; A. HALLEMANS en N. VANHEER, “Het bewijs van de oorspronkelijkheid en van het bestaan van een inbreuk in het auteursrecht”, P&B 2020, 34, nr. 3).
(25)F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant 2000, 18, nr. 20.
(26)F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant 2000, 18-19, nr. 20 en 65, nr. 83.
(27)J. DEENE en M. ZAGHEDEN, “Naar een afwijkende interpretatie van het auteursrechtelijke originaliteitsbegrip in fiscale zaken”, TFR 2019, 569.
(28)S. WATELET, La fiscalité du droit d’auteur et des droits voisins, Luik, Anthemis 2021, 26.
(29)V. CASSIERS, “Certains avocats sont des artistes, tous sont des auteurs”, Tijdschrift intellectuele rechten 2018, 753; S. WATELET, La fiscalité du droit d’auteur et des droits voisins, Luik, Anthemis 2021, 28.
(30)V. CASSIERS, “Certains avocats sont des artistes, tous sont des auteurs”, Tijdschrift intellectuele rechten 2018, 753 e.v.; S. WATELET, La fiscalité du droit d’auteur et des droits voisins, Luik, Anthemis 2021, 29. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.5 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220623.1N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930302.9 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950224.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151214.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170217.1 ECLI:EU:C:2011:798 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.