← België

BELGISCHE STAAT, MIN FIN c. SIGNIFY BELGIUM NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.8 Rolnummer: F.21.0148.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MIN FIN c. SIGNIFY BELGIUM NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-06-20 Raadplegingen: 771 - laatst gezien 2026-06-18 13:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.8 Fiche De aangifte van inkomsten als vrijgestelde inkomsten, waarvan een rechtsvordering uitwijst dat de belastingplichtige onterecht een belastingvrijstelling heeft toegepast, impliceert dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de zin van artikel 358, § 1, 3°, WIB92; de belastbare inkomsten omvatten immers de bestanddelen die onterecht door de belastingplichtige als vrijgestelde inkomsten werden beschouwd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.21.0148.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering. De betwisting heeft betrekking op de aanslagen in de roerende voorheffing voor de aanslagjaren 2003, 2004 en
  2. Op 3 juni 2002 werd aan de naamloze vennootschap Massive Lighting Products een bedrag van 59.267.711 euro geleend door haar aandeelhouders. Die lening werd op 30 mei 2003 overgenomen door de Luxemburgse vennootschap The Massive Luxco. Op 30 juni 2003 werd een eerste jaarlijkse interest betaald door de nv The Massive Lighting Products aan de Luxemburgse vennootschap voor een bedrag van 6.044.037 euro. Daarop werd geen roerende voorheffing ingehouden wegens vrijstelling in toepassing artikel 11 dubbelbelastingverdrag met Luxemburg. Wel werd aangifte gedaan in de roerende voorheffing van een vrijgesteld inkomen, met vermelding van een aanslagvoet van 0 % en een bedrag van 0 euro als roerende voorheffing. De nv The Massive Lighting Products wijzigde haar naam in Partners In Lighting International. Deze vennootschap betaalde op 30 juni 2004 een tweede jaarlijkse interest van 6.241.329,62 euro en op 4 mei 2005 een derde jaarlijkse interest van 6.641.946,17 euro, eveneens zonder inhouding van roerende voorheffing. Ook voor die beide betalingen werd aangifte in de roerende voorheffing gedaan, met vermelding van een aanslagvoet van 0 % en een bedrag van 0 euro aan roerende voorheffing. Op 4 mei 2005 werd de nv Partners In Lighting International overgenomen door de naamloze vennootschap Lighting Group PLI Holding, die op 13 november 2006 werd verkocht aan de naamloze vennootschap Signify Belgium, huidige verweerster. Nadat de fiscale administratie inzage had genomen in een strafdossier lastens de nv Partners In Lighting International en de nv Lighting Group PLI Holding verzond zij op 23 augustus 2013 een bericht van wijziging waarbij werd meegedeeld dat de nv The Massive Luxco enkel zou zijn opgericht om de roerende voorheffing te vermijden en er sprake zou zijn van simulatie. Volgens de administratie had er roerende voorheffing moeten ingehouden worden op de interesten die zijn betaald in 2003, 2004 en
  3. Er zou toepassing worden gemaakt van artikel 358, § 1, 3°, WIB92 en er werd een belastingverhoging van 50 % aangekondigd. De gerechtelijke betwisting van de gevestigde aanslagen leidde tot een arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 27 april 2021 waarbij het vonnis van de eerste rechter, die de aanslagen had vernietigd omdat ten onrechte gebruik werd gemaakt van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 3°, WIB92, werd bevestigd. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  4. Bespreking van het enig middel. 2.
  5. Eiser voert de schending aan van de artikelen 312, 354, 358, § 1, 3°, en 359 WIB92, en van artikel 85 KB/WIB
  6. Volgens eiser hebben de appelrechters, door te oordelen dat artikel 358, § 1, 3°, WIB92 strikt moet geïnterpreteerd worden in die zin dat in de mate dat de inkomsten werden aangegeven, te begrijpen als zijnde integraal opgenomen in een aangifte, dat artikel principieel niet kan worden toegepast, die bepaling miskend aangezien het begrip “belastbare inkomsten” moet worden begrepen als de belastbare grondslag, minstens veronderstelt dat de belastbare inkomsten correct zijn aangegeven. De appelrechters zouden tevens de artikelen 312 WIB92 en 85, eerste lid, KB/WIB92 miskennen door aan te nemen dat de daadwerkelijke en integrale aangifte van de betaalde roerende inkomsten met toepassing van die artikelen, ertoe leidt dat geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 358, § 1, 3°, WIB
  7. Verder zet eiser uiteen dat de wettelijke bepalingen inzake de aanslagtermijnen geen andere invulling kennen naargelang van de aard van de belasting die wordt gevestigd, het weze in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting, in de rechtspersonenbelasting of in de roerende voorheffing, nu de artikelen betreffende de aanslagtermijnen, voor zover niet anders is bepaald, zonder onderscheid van toepassing zijn op alle aanslagen. Door te oordelen dat om te bepalen wat dient te worden begrepen onder “belastbare inkomsten” in de zin van artikel 358, § 1, 3°, WIB92, dient te worden uitgegaan van de aard van de belasting die wordt gevestigd, miskennen de appelrechters die bepaling omdat zij er een voorwaarde aan toevoegen die deze bepaling niet bevat; aldus eiser. Tot slot laat eiser nog gelden dat de appelrechters, door te oordelen dat in het voorliggende geval geen toepassing kon worden gemaakt van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 3°, WIB92 aangezien eiser eerder toepassing kon maken van artikel 354 WIB92, die beide bepalingen miskennen, aangezien zij autonoom naast elkaar bestaan en de toepassing van artikel 358, § 1, 3°, WIB92 niet wordt uitgesloten indien toepassing kon worden gemaakt van artikel 354 WIB
  8. 2.
  9. Artikel 358, § 1, WIB92 in zijn toepasselijke versie luidt: “De belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval: 1° een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelastingen ten name van een welbepaalde belastingplichtige uitwijst, dat die belastingplichtige de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten inzake roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing heeft overtreden, in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar van de vaststelling van de inbreuk; 2° een controle of een onderzoek door de bevoegde autoriteit van een land, waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, in verband met een belasting waarop die overeenkomst van toepassing is, uitwijst dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de resultaten van die controle of dat onderzoek ter kennis van de Belgische administratie werd gebracht; 3° een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld; 4° bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de Administratie kennis krijgt van die gegeven”. 2.
  10. In het bijzonder voor wat ten onrechte vrijgestelde inkomsten betreft, is de zinsnede bij de diverse onderdelen van dit wetsartikel ‘dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven’ m.i. voor interpretatie vatbaar, al naargelang men al dan niet de klemtoon op het woord ‘belastbare’ legt en al naargelang de specifieke invulling die men aan dat woord geeft: - Vrijgestelde inkomsten zijn principieel belastbaar, maar worden door een bijzondere wetsbepaling van belasting vrijgesteld. Geeft men belastbare inkomsten onterecht als vrijgesteld aan, dan neemt dat niet weg dat wel degelijk (principieel) belastbare inkomsten werden aangegeven. - Belastbare inkomsten kan ook worden geïnterpreteerd als het tegenovergestelde van vrijgestelde inkomsten. Belastbare inkomsten die onterecht als vrijgestelde inkomsten worden aangegeven, kunnen niet worden beschouwd als ‘belastbare inkomsten die werden aangegeven’. Aangezien de kwestieuze zinsnede voor interpretatie vatbaar is, kan m.i. geen toepassing worden gemaakt van het beginsel van strikte interpretatie van de fiscale wet. Het beginsel van strikte interpretatie van de fiscale wet is slechts van toepassing in een geval waar de fiscale wettekst duidelijk is. Aangezien de zinsnede in de geschetste zin onduidelijk is, kan worden teruggegrepen naar de wetsgeschiedenis van artikel 358 WIB92 teneinde te achterhalen of het artikel ook toepassing kan vinden wanneer inkomsten wel werden aangegeven, maar de belastingplichtige ten onrechte op een vrijstelling aanspraak heeft gemaakt. Daarbij komt het mij nuttig voor om artikel 358, § 1, 2°, 3° en 4° WIB92 bij de analyse te betrekken, nu eenzelfde zinsnede hierin wordt opgenomen en het logisch voorkomt dat de draagwijdte ervan gelijklopend is in de verschillende onderdelen van hetzelfde wetsartikel. 2.
  11. Artikel 358, § 1, 3°, WIB92, waar het in casu om gaat, vindt zijn oorsprong in artikel 74ter van de gecoördineerde wetten betreffende de inkomstenbelastingen, dat werd overgenomen in artikel 263 WIB
  12. Artikel 263 WIB64 luidde oorspronkelijk als volgt: “Wanneer een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven of werden bewimpeld in een der vijf jaren vóór dat van het instellen van de vordering, mag de administratie, zelfs na het verstrijken van de termijn voorzien in artikel 259, op grond van die inkomsten een nieuwe aanslag vestigen”. Artikel 74ter van de gecoördineerde wetten en het oorspronkelijke artikel 263 WIB64 hebben het dus zowel over belastbare inkomsten ‘die niet werden aangegeven’ als over inkomsten ‘die werden bewimpeld’. Belastbare inkomsten die werden bewimpeld, zijn belastbare inkomsten die verborgen werden gehouden. Belastbare inkomsten waarvoor onterecht, middels kunstgrepen, op een vrijstelling aanspraak wordt gemaakt, zijn m.i. bewimpeld, of beter, het belastbaar karakter van die inkomsten is bewimpeld. De parlementaire voorbereidingen van artikel 74ter van de gecoördineerde wetten lijken deze lezing (indirect) te bevestigen: “In geval van onteigening ten algemenen nutte of van vordering om schadevergoeding op grond van de burgerlijke verantwoordelijkheid, worden de vergoedingen, toegekend wegens verlies of vermindering van de winsten eener onderneming of van andere beroepsprofijten, gewoonlijk berekend in functie van de door belanghebbende gerechtvaardigde vroegere bedrijfsinkomsten. Het komt dikwijls voor dat deze inkomsten veel hoger zijn dan deze door den reclamant op zijn aangiften in de inkomstenbelastingen aangeduid. Er bestaat daar een ongezonde toestand die niet kan worden geduld. Wat waar is voor hem die onteigent en voor den derde, burgerlijk verantwoordelijk, dient eveneens als waar geacht voor de Administratie. Zoo één der pleitende partijen een gedeelte van haar winsten der vijf jaren vóór de instelling van de vordering aan de inkomstenbelastingen heeft onttrokken, zal de rechtelijke beslissing welke de fraude aan het licht brengt aan de Administratie een nieuwen termijn van twaalf maanden toekennen om de ontdoken belasting na te vorderen, met eventuele toepassing van de verhogingen. Deze navordering zal kunnen geschieden, zelfs indien de termijn van 3 of 5 jaar voorzien in artikel 74 der samen geschakelde wetten betreffende de inkomstenbelastingen verstreken zijn”
(1). De toelichting bij artikel 74ter van de gecoördineerde wetten beschouwt als niet aangegeven of bewimpelde inkomsten alle inkomsten die aan de inkomstenbelastingen werden onttrokken en ongetwijfeld vallen daaronder ook belastbare inkomsten waarvoor onterecht op een vrijstelling aanspraak werd gemaakt. Artikel 263 WIB64 werd gewijzigd bij artikel 57 van de wet van 5 januari 1976. Er werd voorzien in bijkomende omstandigheden waarin de administratie op de bijzondere aanslagtermijn van vijf jaar beroep kan doen (artikel 263, § 1, 1° en 2°, WIB64, het huidige artikel 358, § 1, 1° en 2°, WIB92); de op dat ogenblik bestaande tekst van artikel 263 WIB64 werd in artikel 263, § 1, 3°, WIB92 (het huidige artikel 358, § 1, 3°, WIB92) ingevoegd. Sindsdien spreekt artikel 263, § 1, 3°, WIB92 (dat in quasi ongewijzigde vorm werd overgenomen in het huidige artikel 358, § 1, 3°, WIB92) enkel nog over een ‘rechtsvordering die uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven’ en wordt niet meer gesproken over belastbare inkomsten die bewimpeld werden. Uit de parlementaire voorbereidingen van de wet van 5 januari 1976 blijkt echter dat de wetgever geenszins de bedoeling had om inhoudelijke wijzigingen aan te brengen in de bestaande regeling voor rechtsvorderingen; de wetgever wou met het 1° en 2° uitsluitend bijkomende mogelijkheden voor een beroep op de vijfjarige termijn creëren
(2). De wetgever wou m.a.w geen afbreuk doen aan het principe dat artikel 263, § 1, 3°, WIB64 (artikel 358, § 1, 3°, WIB92) ook van toepassing is op ‘belastbare inkomsten die werden bewimpeld’, doch ging er wellicht van uit dat deze notie reeds wordt ondervangen door de notie ‘belastbare inkomsten die niet werden aangegeven’, reden wellicht waarom hij eerstgenoemde notie liet vallen. Er kan met verwijzing naar de parlementaire voorbereidingen van artikel 358, § 1, 3°, WIB92 derhalve worden geargumenteerd dat inkomsten die door de belastingplichtige werden aangegeven, maar waarvoor hij een vrijstelling heeft geclaimd, worden beschouwd als belastbare inkomsten die niet werden aangegeven in de zin van de wetsbepaling. 2.
  1. Ook de wetsgeschiedenis van artikel 358, § 1, 2°, WIB92 pleit voor een ruime interpretatie van die bepaling. Artikel 358, § 1, 2°, WIB92 vindt zijn oorsprong in artikel 263 WIB
  2. Uit de parlementaire voorbereidingen van de relevante bepalingen van artikel 259 WIB64 blijkt dat het artikel erop is gericht belastingfraude en bepaalde gevallen van uitgesproken belastingontduiking te beteugelen. In dat kader wordt in de memorie van toelichting overwogen: “Tenslotte, wanneer een controle of een onderzoek door een bevoegde overheid van een land waarmee België een overeenkomst tot het voorkomen van dubbele belasting heeft gesloten, inkomsten aan het licht brengt waarvoor het recht van belastingheffing aan België is toegewezen, zou het abnormaal zijn dat die inkomsten niet meer zouden mogen worden belast omdat de aanslagtermijnen zouden verstreken zijn. Om die anomalie te vermijden, welke – aan de betrokken belastingplichtige of aan de Schatkist van het betrokken land – een onverantwoord en door de verdragsluitende Staten ongewild voordeel zou verschaffen, is het aangewezen de administratie in de mogelijkheid te stellen de haar ter kennis gekomen inlichtingen (die haar door de bevoegde buitenlandse overheid ter uitvoering van de overeenkomst of door de belastingplichtige zelf, enz., werden medegedeeld) nuttig te gebruiken en het aan België bij overeenkomst toegewezen recht van belastingheffing uit te oefenen”
(3). (eigen onderlijning) De parlementaire voorbereidingen hebben het derhalve niet louter over het niet aangeven van inkomsten door de belastingplichtige, maar hebben het veel ruimer over het aan het licht brengen van inkomsten waarvoor België heffingsbevoegd is en over het zich onrechtmatig verschaffen van een belastingvoordeel. Vanuit die optiek lijkt het mij dat de aangifte in België van inkomsten als vrijgestelde inkomsten, maar waarvan een controle of een onderzoek door de bevoegde autoriteit van een land waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, in verband met een belasting waarop die overeenkomst van toepassing is, uitwijst dat de belastingplichtige onterecht een belastingvrijstelling heeft toegepast, impliceert dat belastbare inkomsten niet in België werden aangegeven in de zin van artikel 358, § 1, 2°, WIB
  1. De ‘belastbare inkomsten’ in de zin van die bepaling omvatten m.i. dan ook de bestanddelen die onterecht door de belastingplichtige als vrijgestelde inkomsten werden beschouwd. Inhoudelijk lijkt de draagwijdte van artikel 358, § 1, 2° en 3° op dat vlak dan ook dezelfde te zijn. 2.
  2. Volledigheidshalve kan tenslotte ook nog gewezen worden op de Memorie van toelichting van de Wet 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978 waarbij het 4° werd toegevoegd aan de § 1 van art. 358, WIB92: “De artikelen 35, 36 en 37 behelzen de aanslagtermijnen bedoeld in de artikelen 258, 259 en 263 WIB. De voorgestelde wijzigingen strekken ertoe: 1° elke dubbelzinnigheid te vermijden met betrekking tot de uitdrukking ‘belastbare inkomsten en andere gegevens vermeld in een aangifte’, die in de artikelen 258 en 259 WIB voorkomt: het betreft hier, uiteraard, de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van het aangifteformulier en niet deze welke zouden kunnen voorkomen in de bijlage van de aangifte; 2° het artikel 259 WIB zodanig te vervolledigen dat elke betwisting met betrekking tot de bijzondere aanslagtermijn (3 jaar of 5 jaar) vermeden wordt bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging ervan; 3° artikel 263 WIB te vervolledigen door bepalingen die de gevallen beogen waarbij de Administratie op een of andere manier kennis krijgt van afdoende bewijzen dat de belastbare inkomsten niet werden aangegeven gedurende een of meer van de vijf voorbije jaren. In feite, betreft het hier nieuwe maatregelen die de belangen van de Schatkist beschermen, bij analogie met deze welke reeds bestonden voor het geval waarbij tijdens een rechtshandeling niet-aangegeven inkomsten aan het licht komen en in welk geval de Administratie over een bijzondere aanslagtermijn beschikt, die niet afhangt van het bestaan van een gekarakteriseerde fraude. De nieuwe bepalingen van artikel 263 WIB kunnen, weliswaar, slechts toegepast worden voor het geval waarin de niet-aangegeven inkomsten het gevolg zijn van bewijskrachtige gegevens, zoals bijvoorbeeld, een controle, een onderzoek, en schatting, een scheidsrechterlijke uitspraak, een minnelijke schikking, enz., waarmee de belastingplichtige in kwestie heeft ingestemd. Dit sluit -vanzelfsprekend- uit dat er beroep zou gedaan worden op de procedure van taxatie per vergelijking of taxatie op forfaitaire grondslagen, bedoeld in artikel 248 WIB”
(4). (eigen onderlijning) 2.
  1. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 358, § 1, 2°, 3° en 4° lijkt mij derhalve te volgen dat de zinsnede dat ‘belastbare inkomsten niet werden aangegeven’ een ruimere strekking heeft dan deze die er door de appelrechters in casu werd aan gegeven. 2.
  2. Deze opvatting vindt steun in de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 358, § 1, 4°, WIB
  3. Het Hof oordeelde in een arrest van 12 maart 2021 dat de vermindering in de aangifte van de belastingplichtige van de belastbare grondslag met niet-aftrekbare bestanddelen impliceert dat belastbare inkomsten in de zin van artikel 358, § 1, 4°, WIB92 niet werden aangegeven, aangezien die belastbare inkomsten immers de niet-aftrekbare bestanddelen ervan bevatten
(5). Hetzelfde geldt m.i. ook voor ten onrechte vrijgestelde inkomsten; de belastbare inkomsten omvatten ook de principieel belastbare maar ten onrechte vrijgestelde bestanddelen. De vereiste dat ‘belastbare inkomsten niet werden aangegeven’ opdat de bijzondere aanslagtermijnen van artikel 358 WIB92 van toepassing zouden kunnen zijn, heeft m.i. dan ook niet alleen betrekking niet-aangifte van inkomsten sensu stricto, maar veeleer op elke onjuistheid in de aangifte die ten onrechte de belastbare inkomsten vermindert. 2.9. Het voorgaande betekent daarom nog niet dat artikel 358, § 1, 3°, WIB92 (en bij uitbreiding artikel 358, § 1, 2° en 4°) toepassing kan vinden in alle gevallen waarin de belastingplichtige derwijze een aangifte heeft ingediend dat op basis van de gegevens daarvan niet de correcte belasting kan worden geheven. Die interpretatie lijkt immers moeilijk te verzoenen met de rechtspraak van het Hof in verband met artikel 81bis, § 1, derde lid, WBTW, die naar analogie toepasbaar zou kunnen worden geacht
(6). Evenwel lijkt deze rechtspraak van het Hof mij aan verfijning toe te zijn, wanneer eenzelfde redenering zou worden overwogen in casu in verband met artikel 358, § 1, 3°, WIB92, minstens in die zin dat dit artikel ook van toepassing is wanneer inkomsten wel worden aangegeven, maar de belastingplichtige onterecht op een vrijstelling aanspraak heeft gemaakt; hetgeen een specifiek geval van niet-correcte aangifte is. 2.
  1. In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 358, § 1, 3°, WIB92 doordat de appelrechters oordelen dat in casu geen toepassing kon worden gemaakt van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 3°, WIB92 gelet op de daadwerkelijke en integrale aangifte van de betaalde roerende inkomsten in toepassing van artikel 312 WIB92 juncto artikel 85, eerste lid, KB/WIB92, is het m.i. gegrond. 2.
  2. Uit de tekst van artikel 358, § 1, WIB92 blijkt m.i. dat een beroep op die bepaling niet is uitgesloten wanneer de administratie nog beschikt over de gewone en buitengewone aanslagtermijnen van artikel 354 WIB92 om een aanslag te vestigen. Beide bepalingen staan inderdaad autonoom naast elkaar. Aldus verantwoorden de appelrechters die vaststellen en oordelen dat eiser inzage kreeg in het strafdossier in mei 2009; dat eiser zich op dat ogenblik nog in de mogelijkheid bevond om in toepassing van de verlengde aanslagtermijn wegens fraude van artikel 354, tweede lid, WIB92 aanslagen in de roerende voorheffing te vestigen voor de aanslagjaren 2003, 2004 en 2005, doch pas op 23 augustus, na het verstrijken van de gewone en buitengewone aanslagtermijnen, een bericht van wijziging van aangifte werd verzonden, en mede op basis daarvan beslissen dat in casu geen toepassing kon worden gemaakt van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 3°, WIB92, hun beslissing m.i. niet naar recht. In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 354 en 358, § 1, 3°, WIB92, doordat de appelrechters oordelen dat geen toepassing kan worden gemaakt van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 3°, WIB92 aangezien eiser toepassing kon maken van artikel 354 WIB92, lijkt het mij eveneens gegrond.
  3. Besluit: Vernietiging. ______________________________
(1)Amendementen voorgesteld door de Regering van 30 april 1947 bij het Wetsontwerp waarbij wijzigingen worden gebracht:
  1. a)aan de wetten en besluiten betreffende de inkomstenbelastingen en de nationale crisisbelasting,
  2. b)aan de wetten en besluiten betreffende de met de directe belastingen gelijkgestelde speciale taxes, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1946-1947, nr. 294, p. 19.
(2)Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp van 28 oktober 1975 betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1975-1976, nr. 680/1, p. 20-22; Verslag van 26 november 1975 namens de Commissie voor de Begroting uitgebracht door de heer De Vidts bij het Wetsontwerp betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1975-1976, nr. 680/10, p. 33-34; 189.
(3)Zie Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 28 oktober 1975 betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1975-1976, 680 nr. 1, p. 21.
(4)Gedr.St., Kamer, zitting 1977-1978, nr. 113/1, blz. 17.
(5)Cass. 12 maart 2021, AR F.19.0059.N, AC 2021, nr. 183 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210312.1N.3.
(6)Cass. 12 juni 2015, AR F.13.0146.N, AC 2015, nr. 392, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.2; Cass. 18 januari 2013, AR F.11.0147.N, AC 2013, nr. 35, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130118.5, met andersluidende concl. van advocaat-generaal THIJS: De vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten verjaart slechts na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer een inlichting, onderzoek, controle of rechtsvordering aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast, of wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, zulks aantonen; (…) de loutere omstandigheid dat een inlichting, onderzoek, controle of rechtsvordering aantoont dat de aangifte van belastbare handelingen niet tot een correcte heffing van de wettelijk verschuldigde belasting heeft geleid of dat belastbare handelingen ten onrechte werden vrijgesteld in België, of dat bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, zulks aantonen, houdt niet in dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, of bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, zulks aantonen. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130118.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210312.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.