← België

BELGISCHE STAAT contra Autobussen De Reys

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 31 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.1 Rolnummer: F.22.0026.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra Autobussen De Reys Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2023-06-05 Raadplegingen: 558 - laatst gezien 2026-06-15 08:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Vertaling samenvatting(
  2. en)FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.1 Fiches 1 - 6 Het Hof stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 275/5, § 2, 1° WIB92, in de versie zoals van toepassing voor aanslagjaar 2012, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet, doordat ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak kunnen worden beschouwd als “ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht” in de zin van voormeld artikel en bijgevolg kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, terwijl ondernemingen waarvan de ploegen vergelijkbaar werk qua omvang doen en voor het overige voldoen aan dezelfde voorwaarden [ofwel: ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen qua inhoud maar vergelijkbaar werk qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak,] niet kunnen worden beschouwd als “ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht” in de zin van dat artikel en bijgevolg niet kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?”

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 2, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 7 De wetgever heeft de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing willen voorbehouden aan ondernemingen die werken met ploegen die hetzelfde werk doen qua inhoud en qua omvang waarbij het voor de toepassing van deze fiscale gunstmaatregel is vereist dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen en het bijgevolg niet volstaat dat deze omvang vergelijkbaar is
(1).
(1)Cass. 29 november 2024, AR F.21.0100.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.
  1. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Vrije woorden: Vrijstelling - Ploegenarbeid - Hetzelfde werk qua omvang - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275/5, § 1 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.22.0026.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Situering.
  2. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de verweerder autobussen en autocars exploiteert voor het openbaar vervoer en leerlingenvervoer van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn. De vennootschap maakte gebruik van de vrijstelling van de verplichting tot doorstorting van een deel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid voorzien in artikel 275/5 WIB
  3. Het geschil betreft aanslagen in de bedrijfsvoorheffing voor het aanslagjaar 2012 die werden gevestigd omdat de verweerder volgens de administratie niet kan genieten van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. De kern van het geschil betreft de invulling van het fiscale begrip “ploegenarbeid” (hier met betrekking tot externe buschauffeurs van De Lijn) dat volgens artikel 275/5, § 1, WIB92 als volgt wordt omschreven: “ondernemingen begrepen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen, zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen, zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak en waarbij alle werknemers die ploegenarbeid verrichten een ploegenpremie ontvangen”. De eerste rechter oordeelde dat de verweerder niet voldoet aan de definitie van ploegenarbeid omdat de chauffeurs elkaar aflossen op verschillende tijdstippen voor elke verschillende lijn, en ook op verschillende plaatsen, mede afhankelijk van de dienstregeling. De eerste rechter stelde vast dat voor het geheel van chauffeurs met een vroege dienst geen eenheid bestond qua plaats en tijdstip waar ze afgewisseld werden met een late dienst, en het werk van elk van de chauffeurs ook verschilt qua concrete duur van de shift die ze werkten en in functie van de specifieke route die ze reden. Daarom kon het geheel van de chauffeurs die 's ochtends dan wel 's middags of later hun dienst aanvatten, niet worden beschouwd als telkens één enkele ploeg. Om te kunnen spreken van één ploeg moeten volgens de rechtbank alle leden van een zelfde ploeg op dezelfde plaats en op hetzelfde ogenblik worden vervangen. In de beroepsprocedure werd bij tussenarrest van 15 oktober 2019 vooreerst vastgesteld dat enkel beroep werd gedaan op de toepassing van de regeling van artikel 275/5 WIB92 voor wat betreft die chauffeurs die de dienst op vaste lijnen verzekerden, waarbij de bus 's ochtends uitreed van de stelplaats en in de avond terugkeerde naar de stelplaats en waarbij de chauffeur in de loop van de dag werd afgelost. De betrokken chauffeurs, belast met de ochtendrit werden als een ploeg beschouwd en die van de namiddag als een opvolgende ploeg. De verweerder vroeg niet de toepassing van artikel 275/5 WIB92 voor de chauffeurs die gebroken diensten reden, zijnde meestal op de spitsuren 's ochtends en de spitsuren ’s avonds, evenmin voor de chauffeurs die instonden voor het leerlingenvervoer van en naar de scholen. De appelrechters oordelen dat het begrip ploegenarbeid van artikel 275/5 W1892 vrij ruim dient te worden geïnterpreteerd en dat het begrip ploeg niet impliceert dat het werk wordt uitgevoerd op dezelfde werkplek, evenmin dat de aflossing moet gebeuren op een vaste werkplaats. De appelrechters hechten veel belang aan de idee dat bij ploegenarbeid de continuïteit van het werk wordt verzekerd. Ze aanvaarden dat niet noodzakelijk alle ploegen en buslijnen aan de voorwaarden van ploegenarbeid dienen te voldoen en het aldus mogelijk is dat enkel welbepaalde ploegen en werkzaamheden (buslijnen verzekerd door twee of meer ploegen) in aanmerking komen voor de bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. De wetsbepaling vereist dat de twee ploegen hetzelfde werk doen, zowel qua inhoud als qua omvang. Volgens de appelrechters moet deze voorwaarde op ploegniveau worden beoordeeld. Ze stellen concreet vast dat de ploegen inhoudelijk hetzelfde werk doen, namelijk de dienst verzorgen van de lijnbussen van de Lijn. Wat betreft de voorwaarde van ‘dezelfde omvang’ van het werk stellen de appelrechters vast dat het niet duidelijk was welke ploegen welke lijnen verzorgen en in welke mate er overlappingen waren, waarvoor de wet een beperking voorziet. Om die reden werd bij tussenarrest van 15 oktober 2019 het debat heropend. In het eindarrest overwegen de appelrechters dat de wet niet verduidelijkt aan de hand van welke criteria ‘hetzelfde werk qua omvang’ moet worden vastgesteld. Volgens de appelrechters zal dit noodzakelijkerwijze afhangen van de aard van het werk dat wordt verricht, waarbij het verzekeren van de continuïteit van het werk cruciaal is. Ze volgen de verweerder die voorstelde om de omvang van het werk in het geval van de busdiensten van De Lijn te meten aan de hand van de totale duur die door een ploeg dagelijks wordt gewerkt. De appelrechters oordelen dat een verschil in omvang van 3 werkuren (6 blokjes van een half uur) tussen de ochtendploeg en de middag/avondploeg niet dezelfde (omvang) of niet vergelijkbaar is, terwijl ze (voor andere buslijnen) een verschil van één werkuur qua omvang wel “vergelijkbaar” werk achten. Het cassatieberoep van eisers tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen tot cassatie aan. Het enig middel.
  4. In het eerste onderdeel voert de eiser aan dat de appelrechters, door te beslissen om delen van het werk van de onderneming of delen van de opeenvolgende ploegen met een verschil in omvang van het werk, een niet toegelaten onderbreking of een niet toegelaten overlapping buiten beschouwing te laten, om vervolgens te besluiten dat de overblijvende delen van de ploegen voldoen aan de definitie van ploegenarbeid, de voorwaarden van artikel 275/5, § 1, WIB92 schenden. Het bestreden arrest bevat volgens de eiser bovendien een inconsequentie door enerzijds de chauffeurs van de 8 vaste lijnen die belast zijn met de ochtendrit als één ploeg te beschouwen en anderzijds niet op het niveau van de ploegen maar op het (sub)niveau van de lijndiensten (“zijnde delen van de ploegen, zijnde een individuele werknemer”) na te gaan of, en in welke mate, er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 275/5, § 2, WIB92 inzake de omvang van het werk en de overlapping.
  5. In een tweede onderdeel acht de eiser de beslissing van de appelrechter dat de inhoud van het werk van de ploegen “hetzelfde” moet zijn, terwijl de omvang van het werk “vergelijkbaar” moet zijn, strijdig met de tekst van artikel 275/5, § 1, WIB92 die bepaalt dat de ploegen hetzelfde werk moeten doen, zowel qua inhoud als qua omvang. Bespreking van het enig middel. Eerste onderdeel.
  6. Het past hier om de tekst van artikel 275/5, § 1, WIB92 weer herhalen: “ondernemingen begrepen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen, zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen, zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak en waarbij alle werknemers die ploegenarbeid verrichten een ploegenpremie ontvangen”.
  7. Men zou kunnen oordelen dat de toepassing van de vrijstellingsregeling hoofdzakelijk een feitelijke appreciatie inhoudt die toekomt aan de feitenrechter. Ook dan blijft de vraag of de woorden in de wettekst “hetzelfde werk doen, zowel qua inhoud als qua omvang” al dan niet en in welke mate een feitelijke interpretatiemarge toelaten aan de rechter. Door het woord “hetzelfde” als “identiek” te (moeten?) begrijpen, lijkt de vraag een negatief antwoord te hebben (zie verder). GOEMARE en VANDEBOSSCHE merken niet zonder reden op dat de wettekst schijnbaar een eenvoudige maar in realiteit een oneindig interpreteerbare definitie van ploegenarbeid is. De bijdragen van deze auteurs geven een goed overzicht van de origine en de doelstellingen van deze maatregel
(1). De wetgever heeft sinds de invoering van de maatregel in 2003 bewust en met erkenning van de Europese Commissie het toepassingsgebied niet beperkt tot (de klassieke) industriële sectoren maar toegankelijk gemaakt voor alle ondernemingen
(2). Hoewel gebaseerd op de arbeidsrechtelijke omschrijving omvat artikel 275/5, WIB92 een eigen fiscale omschrijving van ploegenarbeid
(3). De gunstmaatregel kent inmiddels meerdere varianten (in de bouwsector en scheepvaart, om bijvoorbeeld het concurrentievermogen van de ondernemingen te verbeteren, de strijd tegen zwartwerk aan te binden, het wetenschappelijk onderzoek in België te ondersteunen…). De toepassing van de gunstmaatregel is enorm toegenomen en heeft een (zeer) grote budgettaire impact
(4).
  1. De appelrechters stellen vast dat meerdere ploegen, namelijk ochtend- en middag/avondploegen, in aanmerking komen als ploegen in de zin van artikel 275/5 WIB
  2. Voor bepaalde ploegen die bepaalde buslijnen verzorgen, stellen de appelrechters vast dat het werk van die ploegen niet hetzelfde is of voldoende vergelijkbaar omdat er drie werkuren verschil is tussen de ochtendploeg en de middag/avondploeg. Voor andere buslijnen die ook verzorgd worden door ochtendploegen en middag/avondploegen stelden de appelrechters vast dat een verschil van één uur tussen die ploegen wel qua omvang wel hetzelfde/vergelijkbaar werk is.
  3. Uit de wettekst volgt m.i. niet dat indien er meerdere ploegen zijn in een onderneming, noodzakelijk al “het werk” van de onderneming en alle ploegen aan de voorwaarden moeten voldoen van artikel 275//5 WIB92, alvorens aanspraak kan worden gemaakt op de gunstmaatregel. De ploegen waarvan door de appelrechters enerzijds is vastgesteld dat ze voldoen aan overige voorwaarden van de gunstmaatregel, is anderzijds ook vastgesteld dat het twee opeenvolgende ploegen zijn die samen bestaan uit meer dan twee personen. Artikel 275/5, § 2, 1° WIB92 verbiedt m.i. niet dat de appelrechters enkel rekening houden, zoals gevraagd door de verweerster, met die ploegen die voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de (gedeeltelijke) vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing en dat zij andere ploegen buiten beschouwing laten. Zo worden onder meer de zogenaamde "dagploeg", zijnde de werknemers die volgens een vast uurrooster werken en die de ochtend- en namiddagploeg komen versterken, alsook de ochtend- en middag/avondploegen die niet aansluiten of teveel overlappen, hetzij niet vergelijkbaar zijn, buiten beschouwing gelaten bij de toetsing van de criteria van artikel 275/5, § 2, WIB92
(5). Artikel 275/5 WIB92 sluit m.i. niet uit dat de ploegen waarvoor de toepassing van de gunstmaatregel wordt gevraagd, daarvoor in aanmerking kunnen worden genomen zonder dat noodzakelijk “al het werk” van de onderneming uit ploegenarbeid moet bestaan of alle “ploegen” aan de vrijstellingsvoorwaarden moeten voldoen. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat van het tegendeel om voor de gunstmaatregel in aanmerking te kunnen komen, lijkt het mij te falen naar recht en berust het op een onjuiste rechtsopvatting.
  1. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 149 Gw. wegens een tegenstrijdige motivering, mist het m.i. feitelijke grondslag. Het bestreden arrest van 19 januari 2021 beoordeelt de voorwaarden van omvang van het werk en overlapping (wel degelijk) op ploegniveau, namelijk als volgt: "dat ook de diensten V81 en V96 niet in aanmerking kunnen komen voor het stelsel van de ploegenarbeid. Niet alleen verschilt de omvang van het werk van de ochtendploeg daardoor teveel van het werk van de namiddag/avondploeg, doch door slechts twee onderdelen van deze lijn in aanmerking te nemen wordt de continuïteit van de lijn 280-282 aldus niet verzekerd. Voor wat de andere diensten betreft die voor ploegenarbeid in aanmerking worden genomen blijkt uit stuk 11 dat de continuïteit van de betrokken lijnen aldus wel wordt verzekerd. Bovendien is de omvang van het werk, met name 51 tijdsblokjes van een half uur voor de ochtendploeg en 53 blokjes voor de namiddag/avondploeg wel vergelijkbaar" (bestreden arrest, p. 8) en dat “[e]iseres in hoger beroep stelt met het hof vast dat er inderdaad een overlapping is van meer dan één vierde van de dagtaak, wanneer met alle diensten, opgenomen op stuk 11 rekening gehouden wordt. Houdt men evenwel geen rekening met de diensten V90 en V01, die eenzelfde lijn verzorgen dan blijkt dat de overlapping teruggebracht wordt tot minder dan twee uur. In dat geval eindigt de laatst toekomende dienst van de ochtendploeg immers om 13u56 en vertrekt de vroegste dienst van de namiddag/avondploeg om 12u12”. Het komt mij voor dat de verweerster terecht opmerkt dat in het tussenarrest van 15 oktober 2019 niet de eindbeslissing werd genomen dat zowel voor de bepaling van hetzelfde werk qua inhoud en omvang als voor de beoordeling van de overlapping, alle ploegen in aanmerking dienen te worden genomen. De appelrechters hebben daarover het debat heropend. In het tussenarrest van 15 oktober 2019 vermeldt daarover het volgende: "De vennootschap verzoekt zelf in besluiten om haar desbetreffend de mogelijkheid te laten om de ploegen te kunnen bepalen waarbij de 25% overlapping in acht wordt genomen. Het past om partijen ook hierover standpunt te laten innemen.". Bij gebrek aan feitelijke grondslag komt dit onderdeel mij onontvankelijk voor. Tweede onderdeel.
  2. Samengevat voert de eiser in het tweede onderdeel aan dat door te oordelen dat de omvang van het werk vergelijkbaar moet zijn, en niet is vereist is dat de omvang identiek moet zijn, de appelrechters artikel 275/5, § 2, 1° WIB92 schenden.
  3. In zoverre het tweede onderdeel een motiveringsgebrek aanvoert, kan het m.i. niet worden aangenomen. De appelrechters motiveren dat de wet niet verduidelijkt aan de hand van welke criteria ‘de omvang’ van het werk moet worden vastgesteld. Ze overwegen dat de appreciatie van het criterium van ‘omvang’ zal afhangen van de concrete aard van het werk. De appelrechters stellen vast dat de verweerster voorstelt om in deze concrete zaak de omvang van het werk te meten aan de hand van de totale duur die door een ploeg dagelijks gewerkt wordt. Ze stellen vast dat de eiser geen alternatief criterium heeft voorgesteld. Op grond daarvan oordelen ze dat door bepaalde in aanmerking genomen ploegen de continuïteit van de betrokken lijnen wordt verzekerd en dat de omvang van het werk van de ochtendploeg en van de namiddag/avondploeg wel vergelijkbaar zijn. Het komt mij voor dat met deze vaststellingen en beoordelingen de appelrechters motiveren waarom zij de omvang van het werk vergelijkbaar beoordelen.
  4. In zoverre de eiser aanvoert dat uit artikel 275/5, § 1, tweede lid, WIB92, volgt dat de omvang van het werk hetzelfde, dit wil zeggen identiek moet zijn, stelt zich m.i. de vraag of die interpretatie van een identieke omvang van het werk een redelijk verantwoord en pertinent criterium is in het licht van de doelstelling van de wetgever, in het bijzonder om met de gunstmaatregel tegemoet te komen aan de extra kosten waarmee de werkgever wordt geconfronteerd ten aanzien van zijn werknemers die in een ploegenstelsel werken. Waar het criterium verantwoord voorkomt in de idee en het opzet van het verzekeren van de continuïteit van het werk middels een ploegenstelsel en het ook verantwoord voorkomt om eventuele misbruiken te voorkomen, lijkt een strikte interpretatie van een identieke omvang van het werk van de opeenvolgende ploegen, onvoldoende rekening te houden met enige flexibiliteit, variaties en een economische realiteit. Een strikte interpretatie van dezelfde omvang lijkt de toepassing van de maatregel te beperkten tot specifieke rigide en routinematige werkprocessen. Die (echter hier niet aangevoerde) vaststelling kan ook worden gemaakt ten aanzien van het criterium van “hetzelfde werk qua inhoud”. Het toepassingsgebied van de maatregel lijkt daardoor enorm te vernauwen waardoor zich m.i. terecht de vraag opdringt of die interpretatie van dit criterium te verantwoorden is met het oog op het bereiken van de voorgenomen doelstellingen van de wetgever. Om die reden, komt het mij gepast voor daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, die als volgt zou kunnen luiden: “Schendt artikel 275/5, § 2, 1° WIB92, in de versie zoals van toepassing voor aanslagjaar 2012, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet, doordat ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak kunnen worden beschouwd als "ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht" in de zin van voormeld artikel en bijgevolg kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, terwijl ondernemingen waarvan de ploegen vergelijkbaar werk qua omvang doen en voor het overige voldoen aan dezelfde voorwaarden [ofwel: ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen qua inhoud maar vergelijkbaar werk qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak] niet kunnen worden beschouwd als "ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht" in de zin van dat artikel en bijgevolg niet kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing”. Advies: prejudiciële vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof. ______________________________
(1)T. GOEMARE en G. VANDENBOSSCHE, “Ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht: Modern Times in fiscalibus? Over de evolutie van een theoretisch ruim, maar strikt geïnterpreteerd toepassingsgebied naar een meer economische invulling van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor nacht- en ploegenarbeid”, AFT 2021, 39, nr. 11; GOEMARE T. en VANDENBOSSCHE G., “De toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid in distributiecentra: zonder ‘ploegen’ en ‘ploegenpremie’ geen ploegenarbeid”, TFR 2022, nr. 624, 592, noot onder Rb. West-Vlaanderen, afdeling Brugge, 23 november 2020; Samengevat wordt met de fiscale maatregel voor ploegenarbeid beoogd de kosten verbonden aan specifieke vormen van arbeidsorganisatie te verminderen om zo de concurrentiekracht te versterken.
(2)Weliswaar aanvankelijk beperkt tot de profit sector, na een wetswijziging in 2011 uitgebreid naar de non-profit sector.
(3)Parl.St. Kamer 2003-04, nr. 51K0474/001, 153.
(4)Rekenhof, “Vrijstellingen van storting van bedrijfsvoorheffing – Een complexe regeling ter ondersteuning van werkgevers”, 27 maart 2019, 1 en 17-18, www.ccrek.be.
(5)Circ. 2019/C/42 over de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegen- en nachtarbeid, 27 mei 2019, nr. 11.4; T. GOEMARE en G. VANDENBOSSCHE, “Ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht: Modern Times in fiscalibus? Over de evolutie van een theoretisch ruim, maar strikt geïnterpreteerd toepassingsgebied naar een meer economische invulling van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor nachten ploegenarbeid”, AFT 2021, 44-45, nr. 22 en 48, nr. 28. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.1 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.