id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 31 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.2 Rolnummer: F.22.0007.N Zaak: BELGISCHE STAAT FOD Financiën contra VAN DER WAL nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-06-05 Raadplegingen: 491 - laatst gezien 2026-06-17 07:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.2 Fiche Op grond van de vaststelling dat “de Felt-prijslijst vanaf 15 juli 2009 vermeldt dat FELT GmbH geen enkele verantwoordelijkheid neemt m.b.t. de juistheid en geldigheid van de certificaten van oorsprong formulier A, die op verzoek van de koper via de fabrikanten in Cambodja kunnen worden afgegeven”, mocht de importeur, die geen contractuele band had met de Cambodjaanse leveranciers van Felt GmbH, daar terecht uit afleiden dat vóór 15 juli 2009 FELT GmbH instond voor de juistheid en regelmatigheid van de certificaten van oorsprong formulier A en heeft hij te goeder trouw gehandeld en de vergissing van de Cambodjaanse douane-autoriteiten redelijkerwijs niet kunnen ontdekken
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 220, tweede lid,
- b)- 32 Link Justel databank 19921012-32 Tekst van de conclusie F.22.0007.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Situering. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de verweerster distributeur is in België en Nederland van fietsen van het Duitse merk Felt. In de jaren 2008 en 2009 deed een logistieke dienstverlener voor rekening van de verweerster vijf aangiftes voor het in het vrije verkeer brengen van fietsen, met oorsprong Cambodja. De verweerster had de fietsen besteld bij Felt Gmbh. Aangezien Cambodja als land van oorsprong was vermeld en aan de Belgische douaneautoriteiten certificaten van oorsprong (formulier A) werden voorgelegd, werden de goederen ingevoerd aan een preferentieel tarief van invoerrechten, meer bepaald een nultarief. Een missierapport van OLAF van 27 november 2009 wees uit dat de werkelijke oorsprong van de fietsen vermoedelijk China of Vietnam was zodat geen toepassing kon worden gemaakt van het Algemeen Preferentiesysteem. De afgeleverde certificaten van oorsprong formulier A dienden ongelding te worden beschouwd vermits zij zijn afgeleverd op basis van onjuiste en misleidende informatie. Op 19 januari 2011 verzocht de administratie de verweerster om de invoerrechten en btw (€ 15.419,27 + € 3.238,05) te betalen wegens de onterechte toepassing van het preferentieel tarief van invoerrechten. Het administratief beroep van de verweerster werd afgewezen. De eerste rechter achtte de ongeldigheid van de certificaten niet bewezen wegens tegenstrijdigheden. Terwijl in de beschikking van de administratie impliciet wordt uitgegaan van doelbewuste fraude door de exporteurs, wordt in de beslissing van 1 april 2014 en het OLAF-rapport verwezen naar een fout van de Cambodjaanse overheden. Wegens deze tekortkoming, samen met de vaststelling dat de administratie nooit kennisgeving heeft gedaan van het rapport van de OLAF-missie, oordeelde de eerste rechter dat de kennisgeving van de douaneschuld nietig is, waaruit volgt dat de Belgische Staat het bewijs niet leverde van de gegrondheid van de navordering. In het bestreden arrest van 26 mei 2021 oordeelde het hof van beroep te Brussel dat de verweerster uit de vermelding op de Felt-prijslijst terecht mocht afleiden dat wat betreft de periode vóór 15 juli 2009 FELT GmbH instond voor de juistheid en regelmatigheid van de certificaten van oorsprong. De appelrechters oordeelden dat de verweerster, die geen contractuele band had met de Cambodjaanse leveranciers van FELT GmbH, in de gegeven omstandigheden te goeder trouw heeft gehandeld en de vergissing van de Cambodjaanse douaneautoriteiten redelijkerwijs niet heeft kunnen ontdekken. Het vonnis werd op die gronden bevestigd. De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen tot cassatie aan van dit arrest. Bespreking van de middelen. Eerste middel. 2.1 In het eerste middel voert de eiser aan dat de appelrechters, door te beslissen dat de verweerster te goeder trouw heeft gehandeld en de vergissing van de Cambodjaanse autoriteiten redelijkerwijs niet heeft kunnen ontdekken, artikel 220.3.
- b)CDW schendt en aldus niet naar recht is verantwoord zodat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat de vordering van de verweerster gegrond is en dat de bestreden beslissing van de Adviseur-generaal - Auditeur-generaal van Financiën van 18 april 2014 en de beschikking van 19 januari 2011 vernietigd dienen te worden. 2.2 De eiser beroept zich voor de navordering van de invoerrechten op artikel 220.1 van Verordening 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (CDW). Deze bepaling voorziet in de regeling van de situatie waarin de administratie (achteraf) vaststelt dat een lager dan wettelijk verschuldigde douaneschuld werd geboekt en deze situatie regulariseert door de juiste douaneschuld te boeken en de schuldenaar aan te wijzen. De verweerster heeft zich voor het hof van beroep met succes beroepen op artikel 220.2.b), CDW. Dit artikel bepaalt dat niet tot boeking (achteraf) dient te worden overgegaan in de volgende situatie: “wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. Wanneer de preferentiële status van de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, wordt de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat aangemerkt als een vergissing die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt. De afgifte van een onjuist certificaat wordt echter niet als een vergissing aangemerkt, wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. De goede trouw van de belastingschuldige kan worden ingeroepen wanneer deze kan aantonen dat hij er zich gedurende de periode van de betrokken handelstransacties zorgvuldig van heeft vergewist dat alle voorwaarden voor preferentiële behandeling geëerbiedigd werden. De belastingschuldige kan evenwel geen goede trouw inroepen wanneer de Commissie een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen heeft bekendgemaakt volgens hetwelk er gegronde twijfel bestaat ten aanzien van de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde land”. 2.3 Bij arrest van 10 december 2010 heeft het Hof geoordeeld dat de toepassing van artikel 220.2.b), eerste lid, CDW, vereist dat is voldaan aan drie voorwaarden, waaronder deze dat de belastingschuldige te goeder trouw heeft gehandeld en met name, ondanks zijn beroepservaring en de door hem te betrachten zorgvuldigheid, de vergissing redelijkerwijze niet heeft kunnen ontdekken, mede gelet op de aard van de vergissing
(1). Een belastingschuldige kan slechts te goeder trouw zijn wanneer hij in het kader van zijn contractuele relaties de nodige voorzorgen heeft genomen om zich tegen de risico's van een procedure tot navordering te beschermen. Het hof van Justitie heeft inmiddels meermaals toegelicht wat moet worden verstaan onder de vereiste nodige voorzorgen en zorgvuldigheid vanwege de belastingplichtige: - “met name het door de belastingplichtige van de andere contractpartij, bij of na het sluiten van de overeenkomst, verkrijgen van alle bewijzen die bevestigen dat de goederen van oorsprong waren uit een door het stelsel van algemene tariefpreferenties begunstigd land, met inbegrip van de documenten die deze oorsprong vaststellen, kan de belastingplichtige beschermen tegen de risico's van een procedure tot navordering”
(2); - “Er zij evenwel aan herinnerd dat een voorzichtig marktdeelnemer die op de hoogte is van de regeling, bij zijn evaluatie van de voordelen die de handel in voor preferentiële tarieven in aanmerking komende goederen hem kan opleveren, rekening moet houden met de risico’s die inherent zijn aan de door hem verkende markt en deze als een van de normale schaduwzijden van de handel moet aanvaarden (zie arrest van 11 december 1980, Acampora, 827/79, Jurispr. blz. 3731, punt 8; reeds aangehaald arrest Pascoal & F ilhos, punt 59, en reeds aangehaalde beschikking CPL Imperial 2 en Unifrigo/Commissie, punt 37)”
(3); - “dat een dergelijk preventief optreden met name erin kan bestaan dat de belastingschuldige bij of na het sluiten van de overeenkomst van de andere contractpartij alle bewijzen verkrijgt die bevestigen dat de goederen afkomstig zijn uit een door het stelsel van algemene tariefpreferenties begunstigd land, met inbegrip van de documenten die deze oorsprong vaststellen dat de goederen afkomstig zijn uit een door het stelsel van algemene tariefpreferenties begunstigd land, met inbegrip van de documenten die deze oorsprong vaststellen”
(4). 2.4 In zijn arrest van 26 oktober 2017 oordeelde het Hof van Justitie meermaals dat de situatie dat de importeur al dan niet een rechtstreekse (contractuele) band heeft met importeur of de goederen onrechtstreeks invoert via een distributieovereenkomst, niet relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden om zich krachtens deze bepaling op een gewettigd vertrouwen te beroepen. De voormelde beginselen inzake voorzorg en zorgvuldigheid gelden evenzeer indien, zoals in deze zaak, de importeur geen rechtstreekse contractuele band heeft met de exporteur van de betrokken goederen omdat hij deze goederen invoert op grond van een distributieovereenkomst met een derde
(5). Een importeur die heeft nagelaten om bij de contractant met wie hij de distributieovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan de betrokken goederen zijn ingevoerd, inlichtingen in te winnen teneinde de juistheid na te gaan van het voor die goederen afgegeven certificaat van oorsprong “formulier A”, kan zich volgens deze rechtspraak van het Hof van Justitie niet beroepen op een gewettigd vertrouwen in de zin van artikel 220, lid 2, onder b), CDW
(6). 2.5 De appelrechters stellen vast en oordelen dat de verweerster geen contractuele band had met de Cambodjaanse leveranciers van FELT GmbH en zij op basis een vermelding op de Felt-prijslijst ervan mocht uitgaan dat FELT GmbH deze instond voor de juistheid en regelmatigheid van de certificaten van oorsprong formulier A. Zij hebben niet nagegaan of de verweerster zelf actief de nodige voorzorgen heeft genomen teneinde de juistheid na te gaan van het voor die goederen afgegeven certificaat van oorsprong „formulier A”. Het komt mij voor dat de appelrechters, door enkel op de voormelde gronden te beslissen dat de verweerster te goeder trouw heeft gehandeld en de vergissing van de Cambodjaanse douaneautoriteiten redelijkerwijs niet heeft kunnen ontdekken, hun beslissing niet naar recht verantwoorden en om die reden het eerste middel gegrond voorkomt. Vermits het tweede middel niet tot een ruimere cassatie kan leiden, dient het m.i. niet te worden onderzocht. Besluit: cassatie. ____________________________________
(1)Cass. 10 december 2010, AR F.09.0027.N, AC 2010, nr. 727, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.2, met eensluidende concl. van advocaat-generaal D. THIJS; zie ook Cass. 20 maart 2018, AR P.17.1017.N, AC 2018, nr. 193, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3, r.o. 4 e.v.
(2)HvJ, 8 november 2012, C-438/11, inzake Lagura, ECLI:EU:C:2012:703, r.o.30.
(3)HvJ, 8 november 2012, C-438/11, inzake Lagura, ECLI:EU:C:2012:703, r.o.40.
(4)HvJ 26 oktober 2017, C-407/16, inzake AquaPro, ECLI:EU:C:2017:817, r.o. 82.
(5)HvJ 26 oktober 2017, C-407/16, inzake AquaPro, ECLI:EU:C:2017:817, r.o. 77 en 85.
(6)HvJ 26 oktober 2017, C-407/16, inzake AquaPro, ECLI:EU:C:2017:817, r.o. 86. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3 ECLI:EU:C:2012:703 ECLI:EU:C:2017:817 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div