id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 31 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.3 Rolnummer: C.22.0278.N Zaak: FELVES bv contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2023-06-05 Raadplegingen: 761 - laatst gezien 2026-06-18 12:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.3 Fiches 1 - 2 De rechter kan slechts een andere peildatum hanteren dan de datum van eigendomsoverdracht, wanneer hij in concreto vaststelt dat de omstandigheden die geleid hebben tot de vordering tot overname van de aandelen of het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering, een invloed hebben gehad op de waarde van de aandelen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALGEMEEN. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 643, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Naamloze vennootschappen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 643, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Tekst van de conclusie C.22.0278.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Inleiding. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de tweede eiseres werd opgericht op 2 oktober 1985, met als maatschappelijk doel het beheer en bestuur van een roerend en onroerend vermogen. De verweerster is eigenaar van 32,28% van de aandelen; de overige aandelen zijn in handen van eerste eiseres. Tussen de aandeelhouders ontstond een wantrouwen en onenigheid, zoals omschreven in het bestreden arrest van 21 december 2021 van het hof van beroep te Brussel, op grond waarvan de appelrechters de vordering van de verweerster tot uittreding overeenkomstig artikel 642, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen (W.Venn.) gegrond verklaren en de eerste eiseres ertoe gehouden is de aandelen van de verweerster over te nemen. De appelrechters stellen de peildatum voor de waardering van de aandelen niet vast op de datum waarop ze de overdracht bevelen (datum arrest 21 december 2021) maar op 14 september 2013. De eisers voeren in hun verzoekschrift één middel tot cassatie aan. 2 Situering. De kernvraag in de voorziening betreft de peildatum van de waardering van de aandelen in geval van uittreding van een aandeelhouder. Het Hof heeft daarover reeds uitspraak gedaan bij arrest van 20 februari 2015, meer bepaald naar aanleiding van de uittreding van een vennoot van een besloten vennootschap (artikel 340 W.Venn.). Het Hof oordeelde toen als volgt
(1): “Artikel 340, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat iedere vennoot om gegronde redenen in rechte kan vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen door de vennoten op wie deze gegronde redenen betrekking hebben. Krachtens artikel 341, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen veroordeelt de rechter de gedaagde om, binnen de door hem gestelde termijn te rekenen van de betekening van het vonnis, de aandelen tegen betaling van de vastgestelde prijs over te nemen en de eiser om zijn effecten aan de gedaagde over te dragen. De waarde van de aandelen moet, in beginsel, worden geraamd op het tijdstip waarop de rechter de overdracht ervan beveelt, aangezien het recht op betaling van de prijs van de aandelen ontstaat op het tijdstip van de eigendomsoverdracht. Bij die raming moet de rechter abstractie maken van zowel de omstandigheden die geleid hebben tot de vordering tot overname van de aandelen als van het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering. Dit houdt in dat indien de rechter in concreto vaststelt dat deze omstandigheden of dit gedrag een invloed hebben gehad op de waarde van de aandelen zoals deze vastgesteld wordt op datum van overdracht, hij de invloed hiervan buiten beschouwing dient te laten. Te dien einde is het de rechter ook toegestaan om als peildatum voor de waardering van de prijs een ander tijdstip in aanmerking te nemen”. Deze rechtspraak werd door een meerderheid van de rechtsleer positief onthaald
(2). De vorige rechtspraak die de peildatum in beginsel vaststelde op het moment van de uitspraak van de overdracht maar waarbij de rechter “geen rekening [mag] houden met de invloed van het gedrag van de partijen op de toestand die tot het instellen van de vordering heeft geleid en op de daaropvolgende heropleving van de vennootschap”
(3), hetzij “abstractie [moet] maken van zowel de omstandigheden die geleid hebben tot de vordering tot overdracht van de aandelen als van het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering”
(4), gaf klaarblijkelijk aanleiding tot uiteenlopende interpretaties
(5). Door in het arrest van 20 februari 2015 daaraan toe voegen dat het de rechter “te dien einde” ook is toegestaan om als peildatum voor de waardering van de prijs een ander tijdstip in aanmerking te nemen, lijkt mij die twijfel opgehelderd
(6). De overwegingen van het arrest van 20 februari 2015 kunnen m.i. worden overgenomen ten aanzien van de (hier voorliggende) uittreding van een aandeelhouder van een naamloze vennootschap (artikel 642, eerste lid W. Venn.). Ook met betrekking tot deze aandeelhouder kan worden aangenomen dat het de rechter is toegelaten een afwijkende peildatum te hanteren om de invloed van de omstandigheden die hebben geleid tot de vordering tot uittreding of van het gedrag van de partijen ten gevolge van die vordering op de waardering van de aandelen, buiten beschouwing te laten. Uit deze rechtspraak van het Hof kan mijn inziens met betrekking tot de peildatum voor de waardering van de over te nemen aandelen het volgende redeneerproces worden gemaakt:
- in beginsel geldt als peildatum de datum van de uitspraak van de overdracht;
- tenzij de rechter vaststelt dat a. omstandigheden die geleid hebben tot de vordering tot overname van de aandelen hetzij het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering, b. in concreto een invloed hebben gehad op de waarde van de aandelen;
- dan moet de rechter abstractie maken van die omstandigheden;
- daarvoor is het de rechter toegestaan als peildatum voor de waardering van de prijs een ander tijdstip in aanmerking te nemen. Uit de geschetste evolutie van de rechtspraak blijkt m.i. dat dit 4de punt dient te worden begrepen als een verduidelijking en instrument om het doel te bereiken, namelijk een objectieve waardering die niet wordt beïnvloed door de voormelde omstandigheden of gedrag. De rechter moet de aandelen waarderen alsof de invloed (en dus de gegronde reden of het gedrag van de partijen) er niet zou zijn geweest, en mag een afwijkende peildatum hanteren als middel om de invloed van het conflict op de waardering terzijde te schuiven
(7). De formulering dat het de rechter “toegestaan” is een andere peildatum in aanmerking te nemen, doet geen afbreuk aan de (daaraan voorafgaande) formulering dat de rechter om abstractie “moet” maken van de bedoelde omstandigheden en gedrag. De opvatting van de verweerster dat de formulering “toegestaan” aan de rechter de keuze zou verlenen al dan niet rekening te houden met de bedoelde omstandigheden en gedrag (die prijs hebben beïnvloed), kan mijn inziens niet worden aangenomen. 3 Bespreking van het enig middel. De eisers voeren in hun enig cassatiemiddel de volgende schendingen aan, namelijk van: - artikel 642 W.Venn.; - het algemeen beginsel van het recht van verdediging; - artikel 149 van de Grondwet. De eisers voeren m.i. terecht aan dat in de motieven van de appelrechters geen enkele steun te vinden is voor de door hen gekozen peildatum. Hoewel de appelrechters uitvoerig feitelijke omstandigheden en gedragingen hebben vastgesteld op grond waarvan ze de vordering tot uittreding gegrond verklaren, hebben ze mijn inziens niet vastgesteld dat (die of andere) omstandigheden of gedragingen in concreto een invloed hebben gehad op de waarde van de aandelen en op grond waarvan als peildatum voor de waardering van de aandelen niet de datum van de overdracht (datum arrest) maar wel een andere datum (14 september 2013) in aanmerking kon worden genomen. Als peildatum voor de waardering van de aandelen wijken de appelrechters af van de datum van eigendomsoverdracht door een loutere verwijzing naar de vastgestelde ernstige en duurzame onenigheid die heeft geleid tot de gegrondverklaring van de vordering tot uittreding. Ze stellen niet in concreto vast dat deze onenigheid een invloed heeft gehad op de waarde van de aandelen zoals deze vastgesteld wordt op datum van overdracht. Door af te wijken van de datum van overdracht als peildatum voor de waardering van de aandelen, zonder in concreto vast te stellen dat zowel de omstandigheden die geleid hebben tot de vordering tot overname van de aandelen als van het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering, een invloed hebben gehad op de waarde van de aandelen zoals deze vastgesteld wordt op datum van overdracht, komt het mij voor dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht hebben verantwoord. 4 Besluit: cassatie. ________________________________
(1)Cass. 20 februari 2015, AR C.14.0219.N, AC 2015, nr. 135, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150220.3
(2)S. CNUDDE, “Het arrest van het Hof van Cassatie van 20 februari 2015 inzake de peildatum: eindelijk duidelijkheid of blijvende controverse?”, noot onder Cass. 20 februari 2015, RABG 2017, p. 634, nr. 2; S. CNUDDE, “Eindelijk houvast na een periode van verwarring inzake de peildatum voor de waardering van de aandelen in een geschillenregeling”, noot onder Cass. 20 februari 2015, RABG 2018, p. 691-692, nr. 4; R. TAS, “De peildatum en criteria voor de waardebepaling van de aandelen in de geschillenregeling: het Hof van Cassatie schept duidelijkheid”, noot onder Cass. 21 februari 2014 en Cass. 20 februari 2015, TRV 2015, p. 225, nr. 2 en p. 230, nr. 11-12.
(3)Cass. 9 december 2010, AR C.08.0441.F, AC 2010, nr. 723, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101209.9.
(4)Cass. 5 oktober 2012, AR C.11.0398.N, AC 2012, nr. 514, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121005.8.
(5)E. JANSSENS, De waardering van aandelen n.a.v. een uitsluiting of uittreding van aandeelhouders in een N.V., TRV 2001, nr. 5, 365; R. AYDOGDU, “Les critères et le moment de l'évaluation des titres dans les actions en exclusion et en retrait: le soleil s'est levé à l'ouest”, JLMB 2011, 1660-1664; B. VERKEMPINCK, “Prijsbepaling van aandelen in de geschillenregeling: na vijftien jaar nog steeds een hemeltergend raadsel voor de initiatiefnemende aandeelhouders”, DAOR 2011,
(338), 391-392; F. PARREIN, “Op zoek naar een objectieve peildatum in het kader van de geschillenregeling” (noot onder Cass. 5 oktober 2012), TRV 2013, 476; R. TAS, “De peildatum en criteria voor de waardebepaling van de aandelen in de geschillenregeling: het Hof van Cassatie schept duidelijkheid”, noot onder Cass. 21 februari 2014 en Cass. 20 februari 2015, TRV 2015, nr. 7, 228; over die dubbelzinnigheid rond het begrip ‘abstractie maken van’, zie ook S. CNUDDE, “Eindelijk houvast na een periode van verwarring inzake de peildatum voor de waardering van de aandelen in een geschillenregeling”, noot onder Cass. 20 februari 2015, RABG 2018/3, 690; R. AYDOGDU, “Les critères et le moment de l’évaluation des titres dans les actions en exclusion et en retrait: Socrate est-il mortel?”, JLMB 2014, nr. 4, 1422.
(6)Niet zonder reden laten bepaalde auteurs verstaan dat met deze waardering bijvoorbeeld een onwillige vennoot de (misschien beoogde) negatieve gevolgen van de gegronde redenen (die niet moeten neerkomen op een fout) in het kader van een vordering tot uittreding (voor zichzelf) kan teniet doen. Volgens bepaalde auteurs kan dit aanleiding geven tot een ‘schadevergoeding’ zonder fout. Hetzij zou de andere vennoot om een wangedrag te compenseren nog eens een afzonderlijke vordering tot schadevergoeding moeten instellen tegen zijn (ex-)vennoot. Vanuit proceseconomische overwegingen lijkt dit niet aan te bevelen; zie R. AYDOGDU, “Les critères et le moment de l’évaluation des titres dans les actions en exclusion et en retrait: une responsabilité sans faute pour une société sans risque?”, noot onder Cass. 20 februari 2015, JLMB 2016, 586-587; S. CNUDDE, “Het arrest van het Hof van Cassatie van 20 februari 2015 inzake de peildatum: eindelijk duidelijkheid of blijvende controverse?”, noot onder Cass. 20 februari 2015, RABG 2017, p. 635, nr. 3; CORBISIER, “Poursuite de la controverse concernant la détermination du prix de cession dans le cadre d’une procédure d’exclusion-retrait?”, noot onder Cass. 20 februari 2015, JDSC 2016, 244-245).
(7)R. TAS, “De peildatum en criteria voor de waardebepaling van de aandelen in de geschillenregeling: het Hof van Cassatie schept duidelijkheid”, TRV 2015, p. 230, nr. 12. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101209.9 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121005.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150220.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250627.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div