← België

BELGISCHE STAAT contra APOTHEEK VANDERSTEEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 31 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.9 Rolnummer: F.21.0122.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra APOTHEEK VANDERSTEEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-06-05 Raadplegingen: 791 - laatst gezien 2026-06-18 23:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.9 Fiche 1 Artikel 333, derde lid, WIB92, vereist niet dat het fiscaal bestuur over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van fraude aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving; het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever het bestuur op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 333, derde lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Het vereiste dat er aanwijzingen van belastingontduiking moeten bestaan “voor het bedoelde tijdperk” houdt niet in dat die aanwijzingen moeten steunen op of mede moeten steunen op feiten of vaststellingen die zich binnen het bedoelde tijdperk situeren; feiten betreffende latere aanslagjaren kunnen bijgevolg op zich aanwijzingen van belastingontduiking vormen voor eerdere aanslagjaren
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 333, derde lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.21.0122.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Inleiding.
  1. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat de verweerster een apotheek uitbaat. Naar aanleiding van een fiscale controle stelt de administratie op 10 januari 2012 vast dat de verweerster tijdens de inkomstenjaren 2009 en 2010 gebruik maakte van het softwareprogramma Officinal waarmee de omzet via "diverse" handelingen werd verminderd. De vaststellingen van fraude voor de inkomstenjaren 2009 en 2010 vormen volgens de administratie aanwijzingen van fraude voor de voorafgaande jaren. Om die reden verstuurt de administratie naar de verweerster een verplichte voorafgaande kennisgeving van de uitbreiding van de onderzoekstermijn naar de aanslagjaren 2006 tot en met 2009 wegens aanwijzingen van fraude (art. 333, derde lid, WIB92).
  2. In het besteden arrest van 12 januari 2021 oordeelt het hof van beroep te Brussel dat artikel 333, derde lid WIB92 vereist dat er aanwijzingen van belastingontduiking bestaan voor het bedoelde tijdperk, namelijk het tijdperk waarvoor de administratie de onderzoekstermijn wil uitbreiden (aanslagjaren 2006 t.e.m. 2009). De verplichte voorafgaande kennisgeving dient volgens de appelrechter aan de belastingplichtige op nauwkeurige wijze de aanwijzingen te vermelden van fraude met betrekking tot die (nog te onderzoeken of voor onderzoek vatbare) jaren. De appelrechter beschouwt de vaststellingen als aanwijzingen van fraude voor de inkomstenjaren 2009 en 2010 waaruit “niet zonder meer [kan] worden afgeleid dat er dan ook aanwijzingen van belastingontduiking voorhanden zijn voor wat betreft de aanslagjaren 2006 tot en met
  3. In de kennisgeving is immers enkel sprake van gegevens over de jaren 2009 en 2010.”. Louter een vermoeden van zelfde praktijken (in de inkomstenjaren 2005-2008 als deze van in de inkomstenjaren 2009-2010) volstaan volgens de appelrechter niet. Resultaten met betrekking tot de inkomstenjaren 2009-2010 kunnen volgens de appelrechter ook niet zomaar geëxtrapoleerd worden naar de inkomstenjaren 2005-
  4. Aangezien de kennisgeving aldus geen aanwijzingen vermeldt met betrekking tot de te onderzoeken aanslagjarenjaren 2006-2008, bevestigt de appelrechter de beslissing van de eerste rechter tot vernietiging van de aanslagen met betrekking tot de aanslagjaren 2006-
  5. De eiser voert in zijn verzoekschrift één middel tot cassatie aan. Bespreking van het enig middel.
  6. Als enig middel voert de eiser de schending aan van de artikelen 333, 3de lid WIB92 in samenlezing met artikel 354, 4de lid WIB92, beiden zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2006 t.e.m.
  7. Overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, kan de administratie, binnen de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende aanslagtermijn van vier jaar, nieuwe onderzoeksdaden stellen, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.
  8. De verplichte voorafgaande kennisgeving dient volgens de appelrechter aan de belastingplichtige op nauwkeurige wijze de aanwijzingen te vermelden van fraude met betrekking tot die nog te onderzoeken of voor onderzoek vatbare jaren.
  9. Uw Hof oordeelde meermaals, recent nog op 17 februari 2022, dat het vereiste dat er aanwijzingen van belastingontduiking moeten bestaan “voor het bedoeld tijdperk" niet inhoudt dat die aanwijzingen moeten steunen op of mede moeten steunen op feiten of vaststellingen die zich binnen het bedoelde tijdperk situeren. Feiten betreffende latere aanslagjaren kunnen bij gevolg op zich aanwijzingen van belastingontduiking vormen voor eerdere aanslagjaren
(1). 8. Door te oordelen dat de kennisgeving zoals bedoeld in het hier toepasselijk (oude) artikel 333, vierde lid, WIB92 aanwijzingen van fraude moet vermelden met betrekking tot het bedoelde tijdperk, namelijk de nog te onderzoeken aanslagjaren, verantwoorde m.i. de rechter zijn beslissing niet naar recht. Besluit: cassatie. ________________
(1)Cass. 17 februari 2022, AR F.20.0147.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 23 november 2018, AR F.17.0115.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 17 mei 2018, AR F.16.0116.N, AC 2018, nr. 312, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180517.8. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180517.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.