id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.1 Rolnummer: S.21.0015.N Zaak: D. contra ZIMMER BIOMET bv Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2023-06-05 Raadplegingen: 535 - laatst gezien 2026-06-15 08:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.1 Fiches 1 - 2 Het in artikel 18 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bedoelde begrip “dringende reden” beoogt enkel het in artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde feit dat elke verdere samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Wet 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden - 19-03-1991 - Art. 18 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Ontslag om dringende reden Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Wet 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden - 19-03-1991 - Art. 18 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Fiche 3 Een gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer wegens ernstige tekortkoming in hoofde van de werkgever maakt niet steeds een beëindiging door de werknemer uit wegens feiten die een dringende reden uitmaken in hoofde van de werkgever in de zin van artikel 18 Wet Ontslagregeling Personeelafgevaardigden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden - 19-03-1991 - Art. 18 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Tekst van de conclusie S.21.0015.N Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden: 1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Gent, afdeling Gent, gewezen op 13 november 2020. Door eiser wordt er één middel aangevoerd. 2. Het middel. a) Problematiek. Uw Hof oordeelde in het arrest van 8 oktober 2018
(1)dat het een personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde, op grond van artikel 2, § 1, tweede lid, 2° Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden toegestaan, is om de gerechtelijke ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst na te streven niettegenstaande dat de werkgever niet een zulkdanige vordering kan stellen. Het principe desbetreffend is vastgesteld. Stelt zich thans de vraag inzake de vergoedingen waarop de personeelsafgevaardigde, op grond van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, aanspraak kan maken zo hij met succes de gerechtelijke ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst heeft bekomen. Inzonderheid betreft dit de vraag naar de gerechtigdheid op de variabele schadevergoeding die voorzien is in deze wet. b) Beoordeling. De gerechtelijke ontbinding die door de werknemer wordt nagestreefd, heeft betrekking op een contractuele wanprestatie door de werkgever. Deze dient voldoende ernstig te zijn opdat de rechter tot ontbinding van de overeenkomst zal besluiten
(2). Wat evenwel niet vereist is, is dat de wanprestatie van dien aard is dat ze een dringende reden uitmaakt. Anders geformuleerd, een dringende reden zal altijd een contractuele wanprestatie zijn die de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst verrechtvaardigt. Doch niet iedere contractuele wanprestatie, die grond kan zijn voor een gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, is een dringende reden. Eiser stelt dat het begrip “dringende reden” van artikel 18 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden niet enkel het in artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde feit viseert maar tevens elke ernstige tekortkoming waarbij, op grond van een vordering van de werknemer, een gerechtelijke ontbinding kan worden uitgesproken. Hij neemt dus het standpunt in dat, voor de toepassing van artikel 18 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en dus de gerechtigdheid op de variabele vergoeding zonder dat er re-integratie moet worden gevraagd, de weerhouden gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op vordering van de werknemer tevens volstaat. Deze stelling kan niet onderschreven worden. Het begrip “dringende reden” van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden kent geen andere invulling dan deze die bedoeld is in artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet
(3). Het is natuurlijk zo dat de traditionele invulling van dringende reden zijnde “definitief en onmiddellijk” in het kader van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden een iets andere invulling krijgt voor het begrip “onmiddellijk”, doch dit is enkel te wijten aan het gegeven dat deze wet een voorafgaande erkenning vereist van de dringende reden. Het blijft evenwel een tekortkoming die de samenwerking definitief en onmiddellijk onmogelijk maakt zij het dat, het in het kader van deze wet, dit is vanaf het ogenblik dat de arbeidsgerechten de feiten juist en voldoende zwaarwichtig hebben gevonden
(4). In zoverre in het middel eiser het standpunt inneemt dat het begrip “dringende reden” in artikel 18 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden een andere invulling kent dan deze van artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet gaat het van een verkeerde rechtsopvatting uit en faalt het naar recht. Zoals hoger aangehaald vereenzelvigen de gronden die een gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen zich niet altijd met deze die zwaarwichtig genoeg zijn voor een ontslag om dringende reden. Derhalve, in zoverre eiser ervan uitgaat dat een gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, op vordering van de werknemer, steeds een beëindiging om dringende reden in hoofde van de werkgever uitmaakt, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt het naar recht. Daar de contractuele tekortkomingen, die grond zijn voor de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, in voorkomend geval, tevens een grond van beëindigen om dringende reden in hoofde van de werkgever kunnen zijn, gaan de voorgestelde vragen van een verkeerde rechtsopvatting uit en dienen zij niet aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld. De appelrechters oordelen in randnummer 13, pagina 12 van de bestreden beslissing dat de ernstige contractuele tekortkoming die aan verweerster wordt verweten minder zwaar is dan de dringende reden vervat in artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet waardoor zij beslissen dat de in aanmerking genomen tekortkomingen geen dringende reden vormen in de zin van artikel 18 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Verder oordelen zij, niet bekritiseerd, dat het verzoek tot re-integratie die eiser stelde laattijdig was. De appelrechters verantwoorden dan ook naar recht dat er geen gerechtigdheid was op de vergoeding van artikel 17 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Conclusie: Verwerping. ___________________________________
(1)Cass. 8 oktober 2018, AR S.14.0044.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181008.4, AC 2018, nr. 532.
(2)Cass. 8 oktober 2018, AR S.14.0044.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181008.4, AC 2018, nr. 532.
(3)Memorie van Toelichting, Parl. St., Senaat, Zitting 1990-91, nr. 1105/1, p. 4 en 10.
(4)L. ELIAERTS, “Beschermde werknemers – Ondernemingsraad en comité voor preventie en bescherming op het werk”, Brussel, Larcier, 2002, p. 210-211 en T. BALTHAZAR, “Nieuwe wet op de ontslagbescherming van personeelsafgevaardigden”, Leuven, Garant Uitgevers, 1991, p. 16. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181008.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div