← België

RESISTEC NV c. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.2 Rolnummer: S.19.0029.N Zaak: RESISTEC NV c. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2023-06-05 Raadplegingen: 526 - laatst gezien 2026-06-18 16:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.2 Fiches 1 - 2 De vordering van de RSZ tegen de aannemer tot betaling van de sociale schulden van de onderaannemer, ontstaat op het ogenblik dat de aannemer hoofdelijk aansprakelijk wordt voor de sociale schulden van de onderaannemer; in het geval van een geregistreerde onderaannemer is dat het ogenblik waarop de aannemer nalaat de in artikel 30bis, § 4, tweede lid, bedoelde storting te verrichten; de verjaringstermijn begint eerst vanaf dat ogenblik te lopen, met dien verstande dat de hoofdelijk aansprakelijke aannemer zich met toepassing van artikel 1208 Oud Burgerlijk Wetboek desgevallend kan beroepen op de exceptie van verjaring van de vordering van de RSZ tegen de onderaannemer

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 30bis, § 3, tweede en vierde lid, § 4, tweede lid, § 5, vierde lid, en 42, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 30bis, § 3, tweede en vierde lid, § 4, tweede lid, § 5, vierde lid, en 42, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Fiches 3 - 4 Een partij mag slechts afstand doen van een geding dat nog hangende is; dit is een geding waarin nog geen definitieve uitspraak is gedaan over de vorderingen van de partijen; bijgevolg kan een afstand van geding in hoger beroep geen betrekking hebben op het geding in eerste aanleg waarin reeds een eindvonnis is gewezen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN GEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 820 en 826, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 820 en 826, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie S.19.0029.N Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, gewezen op 24 oktober
  2. Door eiseres worden er twee middelen aangevoerd.
  3. Wat betreft het eerste middel. A. Eerste onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is in het eerste onderdeel betreft de verjaringstermijn van de vordering van de RSZ ten aanzien van de aannemer die op grond van artikel 30bis, § 5, vierde lid van deze wet hoofdelijk gehouden is daar hij bij een betaling in de zin van artikel 30bis, § 4, RSZ-wet geen inhouding deed van 35% van het verschuldigde bedrag, exclusief BTW, en dit overmaakte aan verweerder
(1). b. Bespreking. De verjaringstermijn die loopt ten aanzien van de hoofdelijke gehouden aannemer heeft een ander startpunt dan de verjaringstermijn ten aanzien van de oorspronkelijke schuldenaar van de RSZ-schuld. Het aspect verjaring is een verweer tegen een ingestelde vordering. Dit betekent derhalve dat er geen sprake is van het aanvatten van een verjaringstermijn voordat het vorderingsrecht ontstaat
(2). Voor de initiële schuldenaar van de RSZ-bijdragen, zijnde de werkgever, bepaalt artikel 34, eerste lid, uitvoeringsbesluit RSZ-wet het ogenblik waarop de betrokkene zijn verplichtingen dient te vervullen. Ten aanzien van de werkgever ontstaat het vorderingsrecht, en dus het aanvatten van de verjaring, bij het verstrijken van deze door de wet bepaalde termijnen
(3). Voor zij die hoofdelijk gehouden zijn op grond van artikel 30bis, § 5, vierde lid RSZ-wet ligt dit anders. Er is immers slechts een hoofdelijke gehoudenheid indien er tekortgeschoten is aan de inhoudingsplicht. Inderdaad de kwestie van al dan niet hoofdelijke aansprakelijkheid komt maar effectief te berde bij de betaling van de facturen van de medecontractant
(4). In concreto wil dit zeggen dat zo er geen sprake is van een betaling, en ook geen inhoudingsplicht, er ook geen hoofdelijke aansprakelijkheid is van de aannemer voor de sociale schulden van de geregistreerde onderaannemer. Het vorderingsrecht van verweerder ontstaat dus slechts op het ogenblik dat er een betaling geschiedt en er geen inhouding, met doorstorting, heeft plaatsgehad van 35%. Dit is het aanvangspunt van de verjaring
(5). In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. De appelrechters stellen vast en oordelen dat
(6): - de verjaringstermijn van 5 jaar aanvat op het tijdstip waarop de aannemer het factuurbedrag dat hij aan de onderaannemer verschuldigd is, betaalt zonder dat hij de vereiste inhouding en doorstorting doet; - de vordering van verweerder tegen eiseres gebaseerd is op de betalingen die deze partij, in de periode van 21 november 2005 tot 18 augustus 2007 verrichte aan haar onderaannemer zonder de 35% inhoudingen; - de verjaring, van de op artikel 30bis RSZ-wet gestelde vordering gestuit werd door de aangetekende ingebrekestelling van 18 november 2010. Met deze overwegingen verantwoorden de appelrechters naar recht hun oordeel dat de vordering van verweerder, op grond van artikel 30bis RSZ-wet niet verjaard is. B. Tweede onderdeel. Eerste subonderdeel. Het standpunt van eiseres is dat een afstand van geding, zoals bepaald in de artikelen 820 en 826 Gerechtelijk Wetboek betrekking heeft op het gehele geding, inclusief de procedure in eerste aanleg, en derhalve ook betrekking heeft op de gedinginleidende akte waardoor de stuiting van de verjaring ongedaan wordt gemaakt. Tenzij zou blijken dat de afstand alleen slaat op de procedure in hoger beroep. De visie van eiseres kan niet worden gedeeld. De effecten van een afstand van geding worden bepaald in functie van de stand van het geding. Meer in het bijzonder of het geschil nog dient beoordeeld te worden in eerste aanleg dan wel dat een beroepsinstantie reeds gevat is. Een afstand van geding is immers niet meer mogelijk indien het geding beëindigd is door een eindvonnis
(7). Er is inderdaad maar enkel afstand mogelijk voor zover er tussen de partijen nog een geding hangende is. In eerste aanleg zal de afstand van geding dus enkel mogelijk zijn voordat de rechter zijn eindvonnis heeft geveld. Zo de procedure zich in graad van beroep bevindt, kan de afstand van geding enkel nog betrekking hebben op de beroepsprocedure daar in eerste aanleg een eindvonnis is geveld en deze laatste niet meer het voorwerp kan zijn van een afstand van geding
(8). Er wordt afstand gedaan van een begonnen rechtspleging, dit betreft het ingestelde hoger beroep. Het effect van een afstand van geding in graad van beroep, indien het is aangenomen door de tegenpartij, is dat de partijen terug worden geplaatst in de toestand dat zij zich bevonden vóór het instellen van het hoger beroep
(9). In zoverre het subonderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. In de bestreden beslissing, op de bladzijden 12 tot 15, stellen de appelrechters het verloop vast betreffende de procedure van verweerder tegen de onderaannemer/werkgever inzake de door hem verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen. Op grond hiervan verantwoorden zij naar recht hun oordeel dat de afstand van geding van verweerder in dat geschil enkel betrekking heeft op de procedure in hoger beroep tegen het vonnis van 13 oktober 2005 van de arbeidsrechtbank Turnhout dat tussen de verweerder en de onderaannemer/werkgever werd gewezen waardoor de gedinginleidende vorderingen met hun verjaringsstuitende werking en het vonnis van deze arbeidsrechtbank onverkort blijven gelden Dit verantwoordt ook naar recht hun oordeel dat de vordering van verweerder tegen de onderaannemer/werkgever niet als verjaard kan worden beschouwd. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen. De overige grieven komen op tegen overwegingen ten overvloede en kunnen dus niet tot cassatie leiden. In zoverre is het subonderdeel niet-ontvankelijk. Tweede subonderdeel. (…) Derde en vierde subonderdeel. (…) C. Derde onderdeel. (…) 3. Wat betreft het tweede middel. (…) 4. Conclusie: Cassatie, zonder verwijzing, op het tweede middel en verwerping voor het overige. __________________________________
(1)Het artikel 30bis RSZ-wet vóór de wijziging door de Programmawet van 27 april 2007.
(2)Cass. 15 oktober 1975, AC 1976, p. 212 en M. MARCHANDISE, “La prescription”, in reeks De Page, Brussel Bruylant 2014, p. 109.
(3)W. VAN EECKHOUTTE, “Verjaring van de vordering met betrekking tot het personeel toepassingsgebied en de bijdrage regeling van de sociale zekerheid voor werknemers”, in Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht - Verjaring en sociale zekerheid, Die Keure, Brugge 2011, p. 140 en A. LINDEMANS, “Verjaring in het sociale zekerheidsrecht”, Kluwer, Deurne, 1994, p. 61 en 62.
(4)Memorie van Toelichting, Ontwerp van programmawet, Kamer, 2006-07, 3058/001, p. 20.
(5)W. VAN EECKHOUTTE, o.c., p. 146.
(6)De bestreden beslissing pagina 24.
(7)Cass 22 december 1986, AR 5391, AC 1986-87, nr. 250 en S. CNUDDE, “Tussengeschillen in verband met de beëindiging van de procedure”, in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Wolters Kluwer, losbl., p. VII.7-12, randnummer 29700.
(8)In het kader van de tussengeschillen zou in dat geval enkel een afstand van rechtsvordering tot effect hebben dat het eindvonnis in eerste aanleg zou verdwijnen uit het rechtsverkeer. De afstand van rechtsvordering is evenwel niet toegestaan in materies van openbare orde zoals huidig geschil inzake RSZ-bijdragen.
(9)Uit uw vaste rechtspraak komt naar voor dat een partij die afstand van geding doet in hoger beroep het recht om hoger beroep in te stellen niet prijsgeeft (Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0130.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1, AC 2019, nr. 146; Cass. 23 juni 2016, AR C.13.0573.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1, AC 2016, nr. 417 met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL; Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0347.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.8, AC 2010, nr. 173). PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.