id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.3 Rolnummer: S.22.0013.N Zaak: H. contra RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-10-28 Raadplegingen: 394 - laatst gezien 2026-06-18 17:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.3 Fiche 1 De schade die de RSZ lijdt door de niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen bestaat onder meer uit het bedrag van die bijdragen, dat door de RSZ kan worden geraamd met toepassing van de artikelen 22 en 22bis RSZ-wet en waarvan de juistheid onaantastbaar door de rechter wordt beoordeeld; deze niet-betaling vormt een persoonlijke schade van de RSZ die onder meer met die bijdragen zijn opdracht moet vervullen tot financiering van de verschillende sectoren van de sociale zekerheid; de omstandigheid dat de RSZ ter uitvoering van die opdracht de ontvangen bijdragen moet verdelen en doorbetalen aan de socialezekerheidsinstellingen die instaan voor de uitbetaling van de uitkeringen van sociale zekerheid, belet niet dat de niet-betaling een persoonlijke schade vormt voor de RSZ; die schade staat in causaal verband met de fout en de voormelde verplichting tot doorbetaling doorbreekt dat oorzakelijk verband niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 22 en 22bis - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Fiches 2 - 3 Noch artikel 236, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, noch de mogelijkheid voor de verweerder om een vordering in te stellen anders dan op grond van een misdrijf, belet dat een rechtsvordering wordt ingesteld voor de arbeidsgerechten op grond van een misdrijf als onrechtmatige daad, met toepassing van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 236, eerste lid - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 236, eerste lid - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Fiches 4 - 5 De omstandigheid dat voor de toepassing van de ambtshalve veroordeling overeenkomstig artikel 236 Sociaal Strafwetboek de vordering van de RSZ op de werkgever tot betaling van de achterstallige bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinterest nog niet verjaard mag zijn, belet de rechtsvordering niet tot het verkrijgen van een schadevergoeding op grond van een misdrijf, als onrechtmatige daad, waarbij toepassing moet worden gemaakt niet van de verjaringsregeling van artikel 42 RSZ-wet maar van de verjaringsregel bepaald in artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS VERJARING - STRAFZAKEN - Algemeen Tekst van de conclusie S.22.0013.N Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 15 november
- Door eiser worden er twee middelen aangevoerd.
- Situering. Huidig geschil betreft de burgerlijke vordering tot herstel van de schade voortvloeiend uit een misdrijf. Meer in het bijzonder betreft het de niet-naleving van bepalingen van de RSZ-wet die strafrechtelijk worden gehandhaafd. Bij de beoordeling van de grieven dient rekening gehouden te worden met het feit dat de problematiek die wordt aangekaart zich situeert onder het toepassingsgebied van het Sociaal Strafwetboek. Specifiek, voor wat betreft het schadeherstel dient de aandacht gevestigd te worden op de bepalingen die aan te treffen zijn in artikel 236 Sociaal Strafwetboek. Deze heeft een bijzondere invalshoek gegeven aan het aspect schadeherstel doordat de ambtshalve veroordeling gekoppeld wordt aan de voorwaarde dat er geen burgerlijke partijstelling is. Ook van belang is om er op te wijzen dat zo het Sociaal Strafwetboek, in de regel, betreffende de toepassing van de bepalingen die haar eigen zijn grotendeels teruggrijpt naar wat van gelding was onder het “oude sociaal strafrecht” is dit niet zo voor alle aspecten van deze laatste. Dus de doctrine en rechtspraak die een inzicht gaf in de werking van dit oude model van normhandhaving kan niet, voor alles, eenvoudigweg getransponeerd worden.
- Het eerste middel. a) Eerste onderdeel. 1° Is de RSZ een schadelijdende partij? Eiser weerhoudt dat voor de toepassing van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande titel Wetboek Strafvordering en de hiermee samenhangende bepalingen van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek verweerder niet kan beschouwd worden als een schadelijdende partij omwille van het feit dat het geen werkelijk geleden persoonlijke schade betreft. Ook zou de doorstortingsverplichting het causaal verband tussen fout en schade doorbreken. Dit standpunt kan niet worden bijgetreden. De invordering van sociale zekerheidsbijdragen is een exclusief recht van verweerder. Een werknemer kan gebeurlijk, voor de arbeidsgerechten, een eis stellen dat de verschuldigde bijdragen betaald zouden worden aan verweerder
(1)maar deze werknemer kan niet vorderen dat deze sommen in zijn handen worden uitbetaald. De RSZ, voor het vervullen van zijn wettelijke opdrachten in het kader van het Globaal Financieel Beheer zijnde de financiering van de diverse takken van de sociale zekerheid in functie van hun thesauriebehoeftes
(2), heeft diverse bronnen van inkomsten. Benevens de werknemers en werkgevers RSZ-bijdragen is er, onder andere, sprake van een forfaitaire som die komt van de federale overheid en zijn er tevens alternatieve financieringsbronnen zoals de voorafneming op de BTW en de roerende voorheffing. Ook kan de RSZ, ten behoeve van het Globaal Beheer leningen aangaan
(3). Deze geglobaliseerde middelen zijn bovendien niet exclusief bedoeld voor de financiering van de diverse takken van de sociale zekerheid. Ingevolge artikel 24 Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid maken een deel van deze middelen het voorwerp uit van een voorafneming door verweerder voor de bestuurskosten, dit met inbegrip van de leninglasten. Gelet op de wijze waarop het Globaal Financieel Beheer wordt geconcipieerd en gefinancierd, is er dus geen één op één verhouding inzake de inningen van de sociale zekerheidsbijdragen en de doorstortingen. De financiering van de diverse stelsels van de sociale zekerheid heeft immers plaats op basis van de kasbehoeftes van deze stelsels. Daar een tekort ingevolge niet-betaling van de bijdragen dient gecompenseerd te worden met andere middelen ontstaat er schade in hoofde van de verweerder. Een schade waarvoor deze zich burgerlijke partij kan stellen. In zoverre het onderdeel weerhoudt dat er geen sprake is van persoonlijke schade kan het niet worden aangenomen. Daar er geen sprake is van een rechtstreekse doorstorting van de geïnde bijdragen is er ook geen doorbreking van het oorzakelijk verband tussen de geleden schade en de fout. Immers, om te bepalen of er al dan niet sprake is van het doorbreken van het oorzakelijk verband vertrekt men van het schadebegrip. Gelet op de globalisering en de wijze waarop de bedragen worden aangewend, heeft het geen betrekking op prestaties die definitief ten laste zijn van verweerder, noch die de verweerder op grond van de wet moet verrichten
(4). In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 2° Bepaling van de schade. Eiser tot cassatie voert aan dat de werkelijk geleden schade niet kan bestaan in de op grond van de artikelen 22 en 22bis RSZ-wet vastgestelde bedragen. Deze visie kan niet onderschreven worden. Het komt de rechter soeverein en in feite toe te oordelen over het bestaan en de omvang van de schade
(5). Hij beoordeelt de elementen die door de partijen worden aangebracht betreffende deze omvang. De RSZ-wet bepaalt hoe, bij een onvolledige of onjuiste aangifte, het bedrag van de verschuldigde bijdragen moet worden vastgesteld. De bepalingen van de artikelen 22 en 22bis RSZ-wet geven de parameters aan die dienen te worden gehanteerd. Er is geen enkel wettelijk beletsel opdat verweerder zich op de desbetreffende bepalingen zou steunen om de omvang van zijn schade te begroten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 3° Wat betreft de bijdrageopslagen en de intresten. Eiser stelt dat de bijdrageopslagen en de verwijlintresten van 7%, zoals bepaald in artikel 28 RSZ-wet geen schade vormen die verweerder geleden heeft ingevolge het niet voldoende of niet-tijdig betalen van de verschuldigde RSZ-bijdragen. Dit standpunt kan niet worden gedeeld. Inderdaad, ter zake moet gewezen worden op het arrest van het toenmalig Arbritragehof van 22 januari 2003, 2003/9, en meer in het bijzonder de overweging B
- Het Arbitragehof oordeelde dat, de bijdrageopslagen en de intresten, betrekking hebben op het niet-renderend geld en de door de wanbetalers veroorzaakte administratiekosten en de maatregel ingegeven is door de zorg van de wetgever om de forfaitair geraamde schade te vergoeden. De bijdrageopslagen en de intresten dekken derhalve een schade die veroorzaakt wordt door het misdrijf van de niet-betaling van de bijdragen. Het gegeven dat artikel 28 RSZ-wet in deze wet opgenomen is onder de titel “Burgerlijke sancties” doet hieraan geen afbreuk. Ook staat er niets aan in de weg dat verweerder zich op de desbetreffende bepalingen steunt om zijn schade te ramen. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. De bepalingen van de artikelen 28 RSZ-wet en 54 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet hebben ook niet tot gevolg dat er sprake is van een doorbreken van het oorzakelijk verband. Immers uit deze bepalingen volgt niet dat het prestaties betreft die definitief ten laste zijn van verweerder of die de verweerder op grond van de wet moet verrichten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. b) Tweede onderdeel. (...)
- Tweede middel. 1° Kan er een burgerlijke vordering tot schadeherstel ingesteld worden voor de burgerlijke rechter? Het middel stelt voorop dat gezien artikel 236 Sociaal Strafwetboek door de ambtshalve veroordeling in een bijzondere herstelwijze voorziet dit verhindert dat er een burgerlijke vordering tot schadeherstel kan worden ingesteld op grond van de artikelen 1382 en 1384 Oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Het standpunt van eiser kan niet weerhouden worden. Dit blijkt uit de bewoordingen van het voormelde artikel
- Hetgeen tevens voortvloeit uit de rechtspraak van Uw Hof, inzonderheid het arrest van 19 november 2019
(6). Inderdaad het feit dat zich een burgerlijke partij heeft gesteld, verhindert dat de rechter alsnog een ambtshalve veroordeling uitspreekt. Dus, bij een burgerlijke partijstelling is er geen sprake meer van een mogelijke bijzondere herstelwijze ingevolge een ambtshalve veroordeling
(7). In zoverre faalt het middel naar recht. Ook kan het standpunt van eiser niet worden bijgetreden dat het gegeven dat verweerder, op grond van de bepalingen van de RSZ-wet zich tot de arbeidsgerechten, kan richten tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen en de intresten uitsluit dat verweerder voor dezelfde gerechten een burgerlijke vordering zou stellen tot herstel van de schade
(8). Noch een bepaling van de RSZ-wet, noch enige andere wettelijk bepaling staat er aan in de weg dat de verweerder zich voor zijn vordering ex delicto tot vergoeding van de schade zou richten tot de arbeidsgerechten. Wel in tegendeel, het gegeven dat men zich voor de strafrechter burgerlijke partij kan stellen, houdt- gelet op de bepalingen van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering- in dat men zich voor de recuperatie van het geleden nadeel zich tevens kan richten tot de burgerlijke rechter. In zoverre faalt het middel naar recht. 2° Wie is de benadeelde partij die een vordering tot schadeherstel kan instellen? Het middel voert aan dat, in artikel 236 Sociaal Strafwetboek, met benadeelde derde (enkel) de werknemer wordt bedoeld. Dit standpunt kan niet worden gedeeld. Vooreerst is er het gegeven dat, zoals hoger aangehaald in de beantwoording van het eerste onderdeel van het eerste middel dat verweerder, door de inbreuk op de bepalingen van het artikel 218 Sociaal Strafwetboek, een schadelijdende partij is die zijn schade op grond van een vordering ex delicto kan recupereren. Verder is het zo dat de schade in hoofde van de werknemer niet bestaat in de niet- betaling van de bijdragen. Hij heeft als zodanig geen vorderingsrecht betreffende deze bijdragen; dit is immers een uitsluitend recht van verweerder. De individuele werknemer kan inderdaad niet vorderen dat deze bijdragen, an sich, in zijn handen worden gestort
(9). De gebeurlijke schade van de werknemer bestaat in een mogelijks tekort in sociale rechten dat wordt opgebouwd. Dit is evenwel een schade die zich onderscheidt van de niet-betaling van de bijdragen. Ook, gelet op de wijze dat de sociale zekerheid gefinancierd wordt, zoals hoger aangehaald, is de vordering van de individuele werknemer voor een inbreuk op 218 Sociaal Strafwetboek, geen vordering zijn van persoonlijke schade, maar wel de vordering van een schade van een derde. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 3° Tegen wie kan de benadeelde zich richten. Het middel voert aan dat ingevolge artikel 236 Sociaal Strafwetboek bij een ambtshalve veroordeling enkel de werkgever tot betaling gehouden is zodat dit er aan in de weg staat dat een vordering tot schadevergoeding bedoeld in de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering gesteld wordt tegen de aangestelde of lasthebber van de werkgever. De visie van eiser kan niet gedeeld worden. Inzake de ambtshalve veroordeling van artikel 236 Sociaal Strafwetboek is het inderdaad zo dat de bepaling speekt van “de schuldenaar”. De bepalingen van de RSZ-wet beschouwen de werkgever als de schuldenaar van de bijdragen. Dus bij het uitspreken van de ambtshalve veroordeling zal de strafrechter gebonden zijn door de bepalingen van de RSZ-wet en dient hij de werkgever te veroordelen tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen en de intresten. Echter wanneer het gaat om een burgerlijke partijstelling dan richt de vordering van de benadeelde partij zich niet tegen de initiële schuldenaar van de verplichting, maar wel tegen de daders die als zodanig kunnen worden geïdentificeerd en aan wie de strafrechtelijke tekortkoming kan worden aangerekend. In het systeem van de wettelijke toerekening, die eigen is aan het sociaal strafrecht, zijn dit de “werkgever, aangestelde of lasthebber”
(10). Derhalve in het kader van een burgerlijke vordering die gegrond is op een misdrijf kan verweerder zich keren tegen degene die als dader voor de strafrechtelijke tekortkoming wordt in aanmerking genomen. Met de niet-bekritiseerde overwegingen van de appelrechters die aan te treffen zijn op de bladzijden 20 tot 22 van de bestreden beslissing waar ze de rol van eiser beschrijven, komen zij tot het oordeel dat eiser “feitelijk zaakvoerder” is en dat de niet-betaling van de RSZ-bijdragen aan hem kan worden toegerekend. Met deze vaststellingen en overwegingen verantwoorden de appelrechters naar recht hun oordeel dat de vordering tot schadeherstel van verweerder kan worden ingesteld lastens eiser. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 4° Wat betreft de verjaring. Het standpunt van eiser dat de toepassing van artikel 236, eerste lid Sociaal Strafwetboek impliceert dat de bijdragen nog wettelijk verschuldigd zijn, dus niet verjaard zijn krachtens artikel 42 RSZ-wet, kan maar deels worden onderschreven. Wanneer het gaat om de ambtshalve veroordeling die door de strafrechter wordt uitgesproken dan dient deze, zoals reeds vermeld, zich te richten naar de bepalingen van de RSZ-wet. Derhalve, bij de ambtshalve veroordeling ex artikel 236 Sociaal Strafwetboek zal de strafrechter dienen na te gaan of de bijdragen al dan niet verjaard zijn op grond van artikel 42 RSZ-wet. Echter, indien het gaat om een burgerlijke partijstelling, of een vordering ex delicto voor de burgerlijke rechter op grond van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek en bepalingen van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek Strafvordering dan is de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek en dus ook artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering van toepassing. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht. Conclusie: Verwerping. __________________________________
(1)Cass. 4 mei 2020, AR S.19.0075.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200504.3F.11, AC 2020, nr. 265, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal J.M. GENICOT en Cass. 22 januari 2007, AR S.04.0088.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.2-S.04.0169.N, AC 2007, nr. 36.
(2)Voor 1995 werden de RSZ-bijdragen afzonderlijk vastgelegd voor iedere tak van de sociale zekerheid en verweerder betaalde aan de verschillende takken het percentage uit dat bestemd was voor hun.
(3)Artikel 39bis Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid.
(4)Cass. 18 februari 2019, AR C.18.0325.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190218.1, AC 2019, nr. 98; Cass. 27 november 2007, AR P.07.1181.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.7, AC 2007, nr. 586; Cass. 19 februari 2001, AR C.99.0014.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010219.6, AC 2001, nr. 97; Cass. 20 februari 2001, AR P.98.1629.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.3, AC 2001, nr. 101. en H. BOCKEN en I. BOONE, “Inleiding tot het schadevergoedingsrecht”, Brugge, Die Keure 2011, p. 90.
(5)H. BOCKEN en I. BOONE, o.c., p. 221.
(6)Cass. 19 november 2019, AR P.19.0538.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.1, AC 2019, nr. 605.
(7)De principes die voortvloeien uit uw vroegere rechtspraak (Cass. 19 oktober 2010, AR P.09.0963.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101019.2, AC 2010, nr. 611 en Cass. 8 september 1999, AR P.99.0360.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990908.9, AC 1999, nr. 441) kunnen niet meer in aanmerking worden genomen. Onder de gelding van artikel 35 RSZ wet was het inderdaad niet mogelijk voor de RSZ om zich burgerlijke partij te stellen. Immers de wet legde een bijzondere wijze van herstel op die afweek van de gemeenrechtelijke gesteund op de artikelen 1382 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek, alsook de hiermee samenhangende artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. De libellering van het artikel 236 Sociaal Strafwetboek voorziet in deze mogelijkheid thans expresis verbis. Dit heeft, zoals blijkt uit uw arrest van 19 november 2019 (AR P.19.0538.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.1, AC 2019, nr. 605) zelfs een omgekeerd effect. Indien er een burgerlijke partijstelling is dan kan er geen ambtshalve veroordeling worden uitgesproken. Dienvolgens kan er dan ook, in de huidige stand van de regelgeving, voor de burgerlijke rechter een vordering ex delicto gesteld worden.
(8)Hier kan een vergelijking worden gemaakt met de Arbeidsovereenkomstenwet en de Loonbeschermingswet. Het gegeven dat een werknemer voor zijn loonvorderingen een vordering ex contracto kan stellen voor de arbeidsgerechten sluit niet uit dat hij dit doet ex delicto voor dezelfde gerechten.
(9)Er moet bovendien op gewezen worden dat de door de RSZ geïnde bijdragen werknemers- en werkgeversbijdragen betreffen.
(10)Er kunnen eventueel nog andere personen worden vervolgd, namelijk zij die de hoedanigheid hebben van mededader in de zin van de artikelen 66 e.v. Strafwetboek, doch dit binnen de grenzen die vastgelegd zijn in Uw arrest van 20 januari 2009 (AR P.08.0650.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090120.5, AC 2009, nr. 46). PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990908.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010219.6 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090120.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101019.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190218.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200504.3F.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div