← België

THIBELO contra STÖLZLE-OBERGLAS GmbH

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 april 2023 EC

Art. 3.1 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 9.1 Verordening (EG) nr.

593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 9

.2 Fiches 5 - 7 De Belgische rechter die wordt gevat van een betwisting over de beëindiging van een concessie van alleenverkoop waarop de Rome I-verordening van toepassing is, kan, in weerwil van het bepaalde in artikel X.39 WER, het door de partijen gekozen vreemd recht niet terzijde schuiven om toepassing te maken van de Belgische bepalingen vervat in de artikelen X.35 tot en met X.40 WER en de Belgische rechter kan de arbitreerbaarheid van een geschil inzake de beëindiging van een concessie van alleenverkoop waarop de Rome I-verordening van toepassing is, niet laten afhangen van de voorwaarde dat de arbiters toepassing zullen maken van de voormelde Belgische bepalingen of van een vreemd recht dat een gelijkwaardige bescherming biedt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.35 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.36 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.37 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.38 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.39 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.40 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.35 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.36 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.37 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.38 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.39 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.40 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: VREEMDE WET Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.35 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.36 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.37 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.38 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.39 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.40 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2024, nr. 8/9, p. 557-
  1. - ULRIX, Eline; VAN DEN BROECK, Koen; Noot'Het Hof van Cassatie hakt de knoop door: geschillen betreffende de eenzijdige beëindiging van een voor onbepaalde tijd verleende verkoopconcessie...' Tekst van de conclusie C.21.0325.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: (…) Het middel
  2. Eiseres voert een schending aan door de appelrechter van de artikelen X.39 WER en 1676, § 1 en § 4 Gerechtelijk Wetboek. Door vast te stellen dat op de overeenkomst tussen partijen het Oostenrijks recht van toepassing is, doch nergens in zijn arrest te beslissen dat het Oostenrijks recht aan eiseres, als concessiehouder, een gelijkaardige bescherming biedt als de bescherming geboden door de Belgische wet, kon de appelrechter volgens eiseres niet wettig beslissen dat de exceptie van arbitrage dient te worden aangenomen. (…) Bespreking
  3. Krachtens artikel I.1 van het Europees Verdrag inzake de internationale handelsarbitrage ondertekend te Genève op 21 april 1961, hierna “Verdrag van Genève”, is het verdrag van toepassing op de overeenkomsten tot arbitrage aangegaan ter beslechting van geschillen die zijn gerezen of zullen rijden uit internationale handelsverrichtingen, tussen natuurlijke of rechtspersonen die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt aangegaan, hun gewone verblijfplaats of hun zetel hebben in verschillende verdragsluitende staten. België en Oostenrijk zijn partij bij het Verdrag van Genève. Artikel VI.2, laatste lid, Verdrag van Genève, bepaalt dat de rechter voor wie de zaak is aangebracht, de overeenkomst tot arbitrage niet kan erkennen indien, volgens de wet van de bevoegde rechter, het geschil niet voor beslechting door arbitrage vatbaar is. Uit deze bepaling volgt dat de rechter die kennis neemt van een exceptie van rechtsmacht, de arbitrage moet uitsluiten wanneer het geschil krachtens alle relevante rechtsregels van de lex fori niet aan de rechtsmacht van de nationale rechter mag worden onttrokken
(1). Artikel 1676, § 1, Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 24 juni 2013 betreffende de arbitrage, bepaalt dat ieder geschil van vermogensrechtelijke aard het voorwerp van een arbitrage kan uitmaken. Een geschil betreffende de beëindiging van een concessie van alleenverkoop is een geschil van vermogensrechtelijke aard. Het merendeel van de rechtsleer neemt aan dat de bepalingen van Titel 3 van Boek X WER, hetzij de artikelen X.35 tot en met X.40 WER, van dwingend recht zijn, ondanks het gegeven dat artikel 6 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, niet in het WER werd opgenomen
(2). Krachtens artikel X.39 WER kan de benadeelde concessiehouder, bij de beëindiging van een verkoopconcessie met uitwerking voor het gehele Belgische grondgebied of een deel ervan, in elk geval de concessiehouder in België dagvaarden. Ingeval het geschil voor een Belgische rechtbank wordt gebracht zal deze uitsluitend de Belgische wet toepassen. Artikel 3.1 van Verordening 593/2008/EG van 17 juni 2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, hierna “Rome I-verordening”, bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen
(3). De overwegingen 6, 7, 16 en 37 van de Rome I-verordening luiden als volgt: “
(6)De goede werking van de interne markt vereist, om de voorspelbaarheid van de uitslag van rechtsgedingen, de rechtszekerheid en de wederzijdse erkenning van beslissingen te bevorderen, dat de in de lidstaten geldende collisieregels hetzelfde nationale recht aanwijzen, ongeacht bij welke rechter het geding aanhangig is gemaakt.
(7)Het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van deze verordening moeten stroken met verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [PB 2001, L 12, blz. 1] (‚Brussel I’) en verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen [PB 2007, L 199, blz. 40] (‚Rome II’). (...)
(16)Teneinde bij te dragen aan de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk zorgen voor rechtszekerheid in de Europese rechtsruimte, moeten de collisieregels in hoge mate voorspelbaar zijn. De rechter moet echter over een beoordelingsmarge beschikken om vast te stellen welk recht het nauwst verbonden is met het betrokken geval. (...)
(37)Overwegingen van algemeen belang rechtvaardigen dat de rechters van de lidstaten zich in uitzonderlijke omstandigheden kunnen beroepen op rechtsfiguren zoals de exceptie van openbare orde en op bepalingen van bijzonder dwingend recht. Het begrip ‚bepalingen van bijzonder dwingend recht’ moet worden onderscheiden van de uitdrukking ‚bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken’, en dient met meer terughouding te worden gebezigd.” Artikel 9 van de Rome I-verordening, met als opschrift „Bepalingen van bijzonder dwingend recht”, bepaalt: “
  1. Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst.
  2. Niets in deze verordening beperkt de toepassing van de bepalingen van bijzonder dwingend recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is. (…)” Het Hof van Justitie oordeelde in zijn arrest Unamar van 17 oktober 2013 inzake C-184/12: “Evenwel laat de mogelijkheid om zich krachtens artikel 7, lid 2, EVO te beroepen op bepalingen van bijzonder dwingend recht de verplichting voor de lidstaten om erop toe te zien dat deze regels verenigbaar zijn met het recht van de Unie onverlet. Volgens de rechtspraak van het Hof betekent het feit dat nationale bepalingen als wetten van politie en veiligheid worden aangemerkt, immers niet dat zij niet in overeenstemming met de Verdragsbepalingen hoeven te zijn; anders zou afbreuk worden gedaan aan de voorrang en de eenvormige toepassing van het Unierecht. Het recht van de Unie kan de aan dergelijke nationale wettelijke regelingen ten grondslag liggende overwegingen slechts aanvaarden voor zover het gaat om uitzonderingen op de communautaire vrijheden die uitdrukkelijk in het Verdrag zijn vastgesteld en, in voorkomend geval, voor zover het gaat om dwingende redenen van algemeen belang (arrest van 23 november 1999, Arblade e.a., C 369/96 en C 376/96, Jurispr. blz. I 8453, punt 31)
(4). (…) Om volle werking te geven aan het beginsel van wilsautonomie van contractspartijen, dat de hoeksteen is van het EVO en dat in de Rome I-verordening is overgenomen, moet er dus voor gezorgd worden dat de vrije keuze van deze partijen ter zake van het in het kader van hun contractuele relatie toepasselijke recht wordt geëerbiedigd overeenkomstig artikel 3, lid 1, EVO, zodat de uitzondering die wordt gevormd door „bepalingen van bijzonder dwingend recht” in de zin van de wettelijke regeling van de betrokken lidstaat, zoals bedoeld in artikel 7, lid 2, van dit verdrag, strikt moet worden uitgelegd
(5). (…) Het staat dus aan de nationale rechter om in het kader van zijn beoordeling of de bepalingen van het nationaal recht, die hij in de plaats wil stellen van het uitdrukkelijk door de contractspartijen gekozen recht, „bepalingen van bijzonder dwingend recht” zijn, niet alleen rekening te houden met de precieze bewoordingen van deze bepalingen, maar ook met de algemene opzet en alle omstandigheden waarin deze bepalingen zijn vastgesteld, om daaruit te kunnen afleiden dat zij bepalingen van dwingend recht zijn, voor zover blijkt dat de nationale wetgever deze bepalingen heeft vastgesteld om een belang te beschermen dat voor de betrokken lidstaat fundamenteel is. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kan dit het geval zijn wanneer de wet ter uitvoering van een richtlijn in het land van de rechter een ruimere bescherming aan handelsagenten biedt op grond van het bijzondere belang dat deze lidstaat aan deze groep burgers hecht, doordat de werkingssfeer van de richtlijn wordt uitgebreid of doordat voor een breder gebruik van de door de richtlijn gelaten beoordelingsruimte wordt gekozen
(6).” Ik meen dat de artikelen X.35 tot en met X.40 WER in verband met de eenzijdige beëindiging van voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, in hoofdzaak particuliere belangen beschermen en dan ook geen bepalingen zijn van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 9.1 Rome I-verordening. In dat verband en wat inzonderheid artikel X.39 WER betreft (het vroegere artikel 4 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, hierna “Alleenverkoopwet”), verwijs ik naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2013, inzake Corman-Collins, C-9/12, waarmee het Hof oordeelde: Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van de verordening zich ertegen verzetten dat indien een concessiegever die in een geding optreedt als verweerder woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van de aangezochte rechter, een nationale bevoegdheidsregel zoals die van artikel 4 van de Belgische wet van 27 juli 1961 wordt toegepast, op grond waarvan de nationale rechter kennis mag nemen van een geding over de opzegging van een verkoopconcessie wanneer de concessiehouder op het nationale grondgebied is gevestigd
(7). Wat in de eerste plaats het toepassingsgebied van de verordening betreft, blijkt uit punt 2 van de considerans daarvan dat die verordening ertoe strekt de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken eenvormig te maken, waarbij moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de toepassing van die regels vereist dat het geding een aanknopingspunt met het buitenland heeft (zie met name arrest van 17 november 2011, Hypotení banka, C 327/10, Jurispr. blz. I 11543, punt 29)
(8). Krachtens punt 8 van de considerans van de verordening moeten de daarin opgenomen gemeenschappelijke regels in beginsel van toepassing zijn wanneer de verweerder woonplaats in een lidstaat heeft
(9). Wat in de tweede plaats de in de verordening neergelegde bevoegdheidsregels betreft, bepaalt de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 dat wanneer de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, de gerechten van die lidstaat bevoegd zijn
(10). Artikel 3, lid 1, van de verordening preciseert dat van die basisregel enkel kan worden afgeweken in de gevallen zoals bepaald in de bevoegdheidsregels van de afdelingen 2 tot en met 7 van hoofdstuk II van die verordening. Dat artikel 3, lid 1, sluit dus impliciet maar noodzakelijkerwijs de toepassing van nationale bevoegdheidsregels uit. Die uitsluiting wordt bevestigd door lid 2 van datzelfde artikel, waarin wordt verwezen naar een niet-limitatieve lijst van nationale bevoegdheidsregels die niet kunnen worden ingeroepen
(11). Daaruit volgt dat zodra een geding met een buitenlands aanknopingspunt onder het materiële toepassingsgebied van de verordening valt –wat in casu niet wordt betwist– en de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat –wat het geval is in het hoofdgeding– de bevoegdheidsregels van de verordening in beginsel moeten worden toegepast en voorrang hebben op nationale bevoegdheidsregels
(12). Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2 van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale bevoegdheidsregel zoals die van artikel 4 van de Belgische wet van 27 juli 1961 wordt toegepast wanneer de verweerder woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van de aangezochte rechter
(13). In zijn conclusie van 25 april 2013 inzake CORMAN-COLLINS schreef advocaat-generaal N. JÄASKINEN: Behalve Corman Collins zijn alle partijen die opmerkingen hebben gemaakt het erover eens dat het Hof zou moeten antwoorden dat de toepassing van een dergelijke, aan de lex fori ontleende bevoegdheidsregel onder dit soort omstandigheden is uitgesloten, aangezien deze ratione loci binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 vallen
(14). Ik ben het met dat standpunt eens. Verordening nr. 44/2001 heeft namelijk in het bijzonder (…) tot doel de eenvormige bepaling van de gerechtelijke bevoegdheid in alle geschillen met een grensoverschrijdend aspect, waarvan het onderwerp ligt op het gebied dat deze verordening omvat.(…) Uit punt 8 van de considerans van de verordening komt duidelijk naar voren dat wanneer de verweerder woonplaats heeft in een van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, de gemeenschappelijke bevoegdheidsregels die hierin staan vermeld in beginsel van toepassing zijn en voorrang hebben op de bevoegdheidsregels die in deze verschillende staten van kracht zijn
(15). Krachtens deze geünificeerde regels moet de eiser, indien de verweerder tegen wie hij de vordering wil instellen woonplaats heeft in een lidstaat, zoals het geval is in het hoofdgeding, de zaak volgens de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 in beginsel aanhangig maken bij de gerechten van die lidstaat
(16). Uit artikel 3, lid 1, van verordening nr. 44/2001 blijkt dat de enige uitzonderingen die op dit beginsel zijn toegestaan, zijn bepaald in de afdelingen 2 tot en met 7 van hoofdstuk II van die verordening, inzake de bevoegdheid. Zo is bij een verbintenis uit overeenkomst zoals in het hoofdgeding aan de orde is, vooral de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 5, punt 1, van deze verordening toepasselijk als alternatief voor de regel in artikel 2 ervan
(10), en niet de bevoegdheidsregels van het recht van de lidstaten
(17). Artikel 3, lid 2, versterkt de gedachte dat de wetgever van de Unie de bedoeling had de toepassing van nationale bevoegdheidsregels uit te sluiten in situaties die binnen de werkingssfeer van de verordening vallen, aangezien hij uitdrukkelijk vermeldt dat geen beroep kan worden gedaan op dergelijke regels tegen verweerders die woonplaats hebben in een andere lidstaat
(18). Dientengevolge moet mijns inziens op de eerste vraag worden geantwoord dat de bepalingen van verordening nr. 44/2001 een nationale bevoegdheidsregel als die in artikel 4 van de Belgische wet van 27 juli 1961 verdringen wanneer de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van de aangezochte rechter
(19). Hoewel dit niet expliciet werd gesteld door het Hof van Justitie in het arrest Corman-Collins, meen ik dat uit dit arrest kan afgeleid worden dat het Hof van Justitie ervan uitging dat artikel 4 van de Alleenverkoopwet, thans artikel X.39, eerste zin, WER, indien van (Belgisch) intern dwingend recht, dan evenwel niet van “bijzonder dwingend recht” is
(20), in de zin van artikel 9 Rome I-Verordening en van het Unamar arrest. Uw Hof oordeelde in een arrest van 23 juni 2016, AR C.14.0092.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.2
(21)als volgt: “Artikel 23.1 EEX-Verordening
(22)bepaalt dat wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht of de gerechten van die lidstaat bevoegd zijn. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Artikel 4, eerste lid, Alleenverkoopwet bepaalt dat de benadeelde concessiehouder, bij de beëindiging van een verkoopconcessie met uitwerking voor het gehele Belgische grondgebied of een deel ervan, in elk geval de concessiegever in België kan dagvaarden, hetzij voor de rechter van zijn eigen woonplaats, hetzij voor de rechter van de woonplaats of de zetel van de concessiegever. Een internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde heeft voorrang op een internrechtelijke norm die daarmee in strijd is
(23). Gelet op dit algemeen beginsel, primeert de toepassing van artikel 23.1 EEX-Verordening op de toepassing van artikel 4, eerste lid, Alleenverkoopwet, ook al is die bepaling van dwingend recht
(24). De Belgische rechter voor wie de concessiegever wordt gedagvaard op grond van artikel 4, eerste lid, Alleenverkoopwet, moet zich dus onbevoegd verklaren wanneer de concessieovereenkomst een geldig beding bevat in de zin van artikel 23.1 EEX-Verordening, dat het gerecht of de gerechten van een andere lidstaat aanwijst voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van de concessieovereenkomst zijn ontstaan
(25).” Zoals door uw Hof werd geoordeeld in zijn arrest van 23 juni 2016, heeft een internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde voorrang op een internrechtelijke norm die daarmee in strijd is. De Belgische rechter die gevat wordt van een betwisting over de beëindiging van een concessie van alleenverkoop waarop de Rome I-verordening van toepassing is, kan, gelet op hetgeen hiervoor werd uiteengezet en op het beginsel van de voorrang van het Unierecht op het nationaal recht, mijns inziens het door partijen gekozen vreemd recht niet terzijde schuiven om toepassing te maken van de bepalingen van de artikelen X.35 tot en met X.40 WER. Hieruit volgt mijns inziens dat de Belgische rechter de arbitreerbaarheid van een geschil inzake de beëindiging van een concessie van alleenverkoop waarop de Rome I-verordening van toepassing is, niet kan laten afhangen van de voorwaarde dat de arbiters toepassing zullen maken van de voormelde Belgische bepalingen of van een vreemd recht dat een gelijkaardige bescherming biedt. Ik meen dan ook dat het middel, in zoverre het ervan uitgaat dat wanneer een arbitragebeding in een overeenkomst gesloten tussen partijen houdende een internationale concessie van alleenverkoop met uitwerking op het Belgische grondgebied of een deel ervan, de concessiehouder de bescherming van de Belgische wet ontneemt, dit beding ongeldig is, op een onjuiste rechtsopvatting steunt en faalt naar recht. (…) Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. ____________________________
(1)Zie Cass. 14 januari 2010, AR C.08.0503.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.6, AC 2010, nr. 33; Cass. 16 november 2006, AR C.02.0445.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.7, AC 2006, nr. 567; Cass. 15 oktober 2004, AR C.02.0216.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041015.2, AC 2004, nr. 485. De overweging in de voormelde arresten, gewezen in zaken waarin het Verdrag betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken gesloten te New York op 10 juni 1958 van toepassing was, dat de rechter arbitrage moet uitsluiten wanneer het geschil “krachtens alle relevante rechtsregels van de lex fori” niet aan de rechtsmacht van de nationale rechter mag worden onttrokken, lijkt mij transponeerbaar naar de huidige, onder het Verdrag van Genève, vallende zaak.
(2)Bijv. K. ONGENAE, “Arbitreerbaarheid van ceoncessiegeschillen onder de nieuwe arbitragewet en Boek X van het Wetboek van economisch recht: als de wetgever van huis is, danst de rechtbank op tafel?”, TBH 2017,
(1008)1011; I. MEEUSSEN, “De verkoopconcessie” in X., Bestendig Handboek Distributierecht, Mechelen, Kluwer, losbl., 2015, V.3-18-V-30).
(3)Deze verordening is van toepassing op overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn gesloten.
(4)Unamar, r.o. 46.
(5)Unamar, r.o.49.
(6)Unamar, r.o. 50.
(7)CORMAN-COLLINS, r.o. 17.
(8)CORMAN-COLLINS, r.o. 18.
(9)CORMAN-COLLINS, r.o. 19.
(10)CORMAN-COLLINS, r.o. 20,
(11)CORMAN-COLLINS, r.o. 21.
(12)CORMAN-COLLINS, r.o. 22.
(13)CORMAN-COLLINS, r.o. 23.
(14)Concl. van advocaat-generaal N. JÄASKINEN van 25 april 2013 in C-9/12 r.o.26
(15)Concl. van advocaat-generaal N. JÄASKINEN van 25 april 2013 in C-9/12, r.o. 27.
(16)Concl. van advocaat-generaal N. JÄASKINEN van 25 april 2013 in C-9/12, r.o. 28.
(17)Concl. van advocaat-generaal N. JÄASKINEN van 25 april 2013 in C-9/12, r.o. 29.
(18)Concl. van advocaat-generaal N. JÄASKINEN van 25 april 2013 in C-9/12, r.o. 30.
(19)Concl. van advocaat-generaal N. JÄASKINEN van 25 april 2013 in C-9/12, r.o. 31.
(20)Unamar, r.o. 50: “Het staat aan de nationale rechter om in het kader van zijn beoordeling of de bepalingen van het nationaal recht, die hij in de plaats wil stellen van het uitdrukkelijk door de contractspartijen gekozen recht, ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ zijn”.
(21)Cass. 23 juni 2016, AR C.14.0092.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.2, AC 2016, nr. 418.
(22)Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
(23)Cass. 27 mei 1971, AC 1971, 967: “overwegende dat wanneer het conflict bestaat tussen een internrechtelijke norm en een internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde, de door het verdrag bepaalde regel moet voorgaan; dat deze voorrang volgt uit de aard zelf van het bij verdrag bepaald internationaal recht. (…) Overwegende dat uit de voorgaande overwegingen volgt dat de rechter verplicht was de bepalingen van intern recht die strijdig zijn met deze bepaling van het Verdrag, buiten toepassing te laten.”
(24)Zie P. KILESTE, P. HOLLANDER en C. STAUDT, La résiliation des concessions de vente, Limal, Anthémis, 2011, 190-191, nr. 343; C. VERBRAEKEN, “La loi applicable aux contrats de concession de vente exclusive comportant un ou plusieurs éléments d’extranéité” in Hommage à Jacques Heenen, Brussel, Bruylant, 1994, 562, nr. 8; I. VEROUGSTRAETE, “Quelques aspects du contrat de concession exclusive de vente et du franchisage” in Les intermédiaires commerciaux, Brussel, Editions du Jeune Barreau, 1990, 158.
(25)Zie J.-P. FIERENS, A. MOTTET-HAUGAARD, T. FAELLI en S. GRIESS, “La loi du 27 juillet 1961 relative à la résiliation des concessions de vente exclusive à durée indéterminée”, Chronique de jurisprudence (1997-2007), Dossiers du Journal des tribunaux, Brussel, Larcier, 2008, 113-114, nr. 125; I. VEROUGSTRAETE, o.c., 159-160. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230407.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230407.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041015.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.