← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230418.2N.10 Rolnummer: P.23.0132.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht Invoerdatum: 2023-06-23 Raadplegingen: 488 - laatst gezien 2026-06-15 08:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.10 Fiches 1 - 3 Uit de artikelen 7.3, eerste lid, b), en 12, eerste lid EG-Richtlijn Rijbewijs en art. 1, 11° KB Rijbewijs volgt dat een persoon, met het oog op de verlenging van zijn rijbewijs overeenkomstig artikel 7.3, eerste lid, b), Richtlijn Rijbewijs, zijn gewone verblijfplaats heeft in een lidstaat van de Europese Unie wanneer hij tijdens het jaar dat de verlenging voorafgaat, gedurende ten minste 185 dagen in die lidstaat heeft verbleven wegens persoonlijke of beroepsmatige bindingen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 21 Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.3, eerste lid, b), en 12, eerste lid KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 11° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.3, eerste lid, b), en 12, eerste lid KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 11° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.3, eerste lid, b), en 12, eerste lid KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 11° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Tekst van de conclusie P.23.0132.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De geldigheid van een Europees rijbewijs dat in een andere lidstaat is verlengd op moment dat de bestuurder was ingeschreven in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente”.
  1. Inhoud bestreden vonnis.
  2. Eiser is geboren in Antwerpen en van Spaanse nationaliteit. Hij wordt vervolgd wegens, op 2 maart 2021, A) als bestuurder van een voertuig gebruik te hebben gemaakt van een draagbare telefoon die hij in de hand hield, terwijl zijn voertuig niet stilstond of geparkeerd was (art. 8.4 Wegverkeersreglement en art. 29, § 1, lid 3, en 31, § 1.3 Wegverkeerswet) en B) het besturen van een motorvoertuig op de openbare weg zonder houder te zijn van een geldig rijbewijs (art. 3 KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en artt. 21 en 30 § 1, 1° Wegverkeerswet).
  3. De politierechtbank van Antwerpen achtte bij vonnis van 31 maart 2022 de feiten van telastlegging A bewezen en sprak eiser vrij voor telastlegging B om reden dat eiser “over een geldig Spaans rijbewijs beschikt”. Het beroepen vonnis vermeldt dat eiser woont op een adres in Antwerpen.
  4. Op enkel hoger beroep van de procureur des Konings, beperkt tot de vrijspraak, oordeelde de correctionele rechtbank te Antwerpen, op 23 december 2022 als volgt (rubriek ‘Schuld): ”Het rijbewijs werd voor het eerst afgeleverd op 18 februari
  5. Het werd vernieuwd op 20 juli 2020
(4a)met een gelding tot 20 juli
  1. Het openbaar ministerie argumenteert dat dit rijbewijs in strijd met de Europese Rijbewijsrichtlijn 2006/126/EG van 20 december 2006 werd bekomen omdat beklaagde sinds zijn geboorte onafgebroken in België zou gewoond hebben. Ter zitting betwist beklaagde dit en brengt een uittreksel uit het rijksregister voor waaruit blijkt dat hij tussen 2003 en 2014 in Spanje heeft gewoond. Vanaf 12 juni 2014 was hij doorlopend ingeschreven in België. Beklaagde houdt voor dat hij zijn rijbewijs in Spanje kon en mocht behalen. Uit het uittreksel uit het rijksregister blijkt dat beklaagde het Spaans rijbewijs op 18 februari 2010 geldig heeft bekomen. Zolang de administratieve einddatum niet verlopen was, kon beklaagde met dit Spaans rijbewijs in België rijden. Op het moment van de hernieuwing/verlenging op 20 juli 2020, leefde beklaagde evenwel onbetwist al meer dan zes maanden in België en kon Spanje dit niet meer rechtsgeldig verlengen overeenkomstig artikel 7.3.b van de Europese Rijbewijsrichtlijn 2006/126/EG. Beklaagde had voor de vervaldatum in België een administratieve verlenging dan wel een omzetting moeten vragen naar een Belgisch rijbewijs. De hernieuwing/verlenging op 20 juli 2020 gebeurde evenwel onbetwist op het moment dat beklaagde overeenkomstig artikelen 7.1.e van de Europese Rijbewijsrichtlijn 2006/126/EG en 1, 11° van het Koninklijk Besluit betreffende het rijbewijs zijn gewone verblijfplaats had in België. Van zodra beklaagde vanaf 12 juni 2014 zijn gewone verblijfplaats had in België, was enkel België het bevoegde land om nog rijbewijzen uit te reiken of administratieve verlengingen toe te staan. Beklaagde liet uit eigen onachtzaamheid na om zijn Spaans rijbewijs tijdig om te zetten, te weten vóór het verval ervan op 20 juli
  2. Beklaagde reed op datum van de feiten zonder houder te zijn van een Belgisch rijbewijs. De inbreuk op de tenlastelegging B is bewezen”.
  3. Het bestreden vonnis vermeldt bij de adresgegevens van eiser ‘niet ingeschreven’ en stelt in rubriek ‘Feiten’ dat uit verder onderzoek bleek dat eiser geen houder was van een Belgisch rijbewijs. De correctionele rechtbank heeft, met de vereiste eenparigheid van stemmen, eiser voor feit B veroordeeld tot een geldboete van 1.600 euro, met uitstel voor het gedeelte van 800 euro voor een termijn van drie jaar, en bijkomend het verval van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van 15 dagen.
  4. Middel.
  5. Eiser voert in een eerste middel een schending aan van de artikelen 7.1.e EG-Richtlijn 2006/126 en 1, 11° KB Rijbewijs, om reden dat de appelrechters foutief de voorwaarde van zes maanden verblijf verbinden aan het criterium van de gewone verblijfplaats op moment van de verlenging van het rijbewijs, terwijl die termijn van zes maanden alleen geldt voor de inschrijving in een onderwijsinstelling in de lidstaat van afgifte van het rijbewijs. Wat volgens eiser eveneens een schending inhoudt van vermelde bepalingen, is dat de appelrechters alleen op basis van een uittreksel van het rijksregister aannamen dat hij zijn rijbewijs in België had moeten verlengen in 2020, zonder in rekening te brengen dat eiser de Spaanse nationaliteit heeft en nauwe banden heeft met Spanje. De appelrechters hadden volgens eiser moeten nagaan of hij minstens 185 dagen per jaar in Spanje verbleef. Bovendien is de wetgeving over het verblijf in de lidstaat van verlenging van het rijbewijs niet duidelijk, zodat eiser in de veronderstelling was dat hij over een geldig rijbewijs beschikte.
  6. Toepasselijke wetgeving.
  7. Artikel 21 Wegverkeerswet (KB 16 maart 1968) bepaalt: “Niemand mag op de openbare weg een motorvoertuig besturen, tenzij hij houder is van, en tevens bij zich heeft, een rijbewijs in België regelmatig afgegeven, of een buitenlands nationaal of internationaal rijbewijs onder de voorwaarden vastgesteld door de bepalingen die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn. Het rijbewijs moet geldig zijn voor de categorie waartoe het voertuig behoort. De Koning kan, onder de algemene voorwaarden die Hij stelt, vrijstelling verlenen van deze verplichting inzonderheid voor het besturen met het oog op de scholing”. Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en/of met geldboete van 200 euro tot 2000 euro wordt gestraft hij die een motorvoertuig bestuurt zonder houder te zijn van het rijbewijs vereist voor het besturen van dit voertuig, of van het als zodanig geldend bewijs (art. 30, 1° Wegverkeerswet).
  8. Gesteund op het beginsel van vrij verkeer van personen in de Europese Unie, gelden er gemeenschappelijke (minimale) normen over de opleiding, de categorieën van voertuigen en de rijgeschiktheid van bestuurders om in een lidstaat een Europees rijbewijs te bekomen, dat hen toelaat om zonder een bijkomende erkenning een motorvoertuig te besturen in de ganse Europese Unie.
  9. De kern van de EG-Richtlijn 2006/126 (dat de vorige EG-Richtlijn 91/439 over het rijbewijs vervangt) is de wederzijdse erkenning van rijbewijzen, aangevuld met de eenheid van het rijbewijs
(1). De door de lidstaten afgegeven rijbewijzen worden onderling erkend (art. 2.1). Op het rijbewijs wordt vermeld onder welke voorwaarden de houder een motorvoertuig mag besturen (art. 5.1). Er kan slechts één Europees rijbewijs worden uitgereikt aan een bestuurder (art. 7.5.a). 9. De afgifte van het Europees rijbewijs is aan een aantal voorwaarden onderworpen (art. 7.1), waaronder de vereiste e): “de aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven”
(2).
  1. De lidstaat van verlenging van het Europees rijbewijs controleert de minimale vereisten van rijvaardigheid voor het besturen van motorvoertuigen van een specifiek type en ziet toe op volgende voorwaarde: “het feit dat de betrokkene zijn gewone verblijfplaats heeft, of aantoont dat hij voor ten minste zes maanden in een onderwijsinstelling is ingeschreven, op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft” (art. 7.3.b EG-Richtlijn 2006/126).
  2. Voor de toepassing van de EG-Richtlijn 2006/126 wordt onder “gewone verblijfplaats” verstaan: “de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont” (art. 12.1 EG-Richtlijn 2006/126).
  3. De bepalingen van de EG-Richtlijn 2006/126 zijn naar Belgisch recht omgezet en ingelast in KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, ingevolge het KB van 28 april 2011 (BS 4 mei 2011) (art. 1, aanhef, KB). Art. 3 § 1, 1° KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, laatst gewijzigd door art. 3 KB 11 januari 2019 (BS 5 maart 2019) bepaalt dat volgende personen een “Belgisch rijbewijs” kunnen verkrijgen: ”de personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en die in België hun gewone verblijfplaats hebben” … Deze personen mogen slechts een motorvoertuig besturen op basis van een Belgisch rijbewijs of op basis van een afgegeven Europees rijbewijs, geldig voor de categorie of de subcategorie waartoe het voertuig behoort (art. 3, § 2 KB Rijbewijs)
(3). 13. Onder “gewone verblijfplaats" wordt verstaan: “de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont” (art. 1, 11° KB Rijbewijs)
(4). Uit art. 1 KB Rijbewijs volgt dat een Europees rijbewijs dat in een lidstaat werd uitgereikt conform het model van EG-Richtlijn 2006/126 te beschouwen is als een ‘nationaal rijbewijs’
(5).
  1. Onder bepaalde voorwaarden kan een Europees rijbewijs afgeleverd in een lidstaat worden omgewisseld naar een Europees rijbewijs uitgereikt door het bestuur van een Belgische gemeente (art. 17 KB Rijbewijs). Wanneer de administratieve geldigheidsduur verstrijkt van het Europees rijbewijs, wordt het rijbewijs volgens art. 20bis KB Rijbewijs hernieuwd overeenkomstig de procedure van artikel 49, eerste lid KB Rijbewijs (over de vervanging van het rijbewijs), op voorwaarde dat is voldaan aan de bepalingen van het KB Rijbewijs.
  2. Beoordeling.
  3. Uit vermelde bepalingen van de EG-Richtlijn 2006/126 en het KB Rijbewijs volgt dat een onderdaan van een EU-lidstaat die in België zijn ‘gewone verblijfplaats’ heeft, de verlenging van zijn Europees rijbewijs moet aanvragen in België. Daarbij is niet de inschrijving van de houder van het rijbewijs in het Belgisch bevolkingsregister van belang, maar wel het effectief verblijf in België, wegens persoonlijke of beroepsmatige bindingen, gedurende minstens 185 dagen in het kalenderjaar dat de verlenging van het Europees Rijbewijs voorafgaat.
  4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) oordeelde in de zaak VAS
(2015)over de wederzijdse erkenning van rijbewijzen: “Richtlijn 2006/126 voorziet in een regeling voor het volledige grondgebied van de lidstaten van de Unie, met het oog op de vaststelling van één enkele procedure en van uniforme criteria voor de afgifte van het rijbewijs, teneinde te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om in een andere staat gemakkelijker een rijbewijs te behalen indien het om een of andere reden onmogelijk is om het in de staat van verblijf te behalen” (§ 25)
(6)… Bovendien is de opgave van de verblijfplaats niet louter een formaliteit, aangezien de naleving van dit criterium ook van essentieel belang is om andere verwante kwesties te beslechten (§ 26) en draagt de voorwaarde van de “gewone verblijfplaats” in de lidstaat van afgifte bij “tot de bestrijding van het rijbewijstoerisme”, bij gebrek aan een volledige harmonisatie van de regelingen van de lidstaten inzake de afgifte van rijbewijzen (§ 37). Controle op de voorwaarde van de gewone verblijfplaats is ook “absoluut noodzakelijk voor de controle op de naleving van de voorwaarde inzake rijgeschiktheid” (§ 37). In bepaalde gevallen kan de niet-naleving van de voorwaarde van de gewone verblijfplaats voor een lidstaat op zich reeds grond opleveren om het rijbewijs afgegeven door een andere lidstaat niet te erkennen (§ 38). Om te bepalen of de houder van het Europees rijbewijs zijn gewone verblijfplaats heeft in de EU-lidstaat die het rijbewijs verlengt, mag de inschrijving in de bevolkingsregisters niet het enige criterium zijn (§ 36-51). Het is immers mogelijk dat een aanvrager beantwoordt aan de criteria van art. 7 en 12 EG-Richtlijn 2006/126 om te stellen dat de aanvrager zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een bepaalde lidstaat, zonder dat hij echter een ‘opgegeven woonplaats’ in die lidstaat heeft (§ 48).
  1. In deze zaak werd geen betwisting gevoerd over het feit dat eiser in een Belgische gemeente is ingeschreven meer dan 185 kalenderdagen voorafgaand aan de verlenging van het Europees rijbewijs in Spanje, op 20 juli
  2. Het bestreden vonnis vermeldt dat eiser zelf een uittreksel uit het rijksregister heeft voorgelegd, waaruit blijkt dat hij sinds 2014 onafgebroken is ingeschreven in België. Wat ter discussie staat, is de voorwaarde van gewoon verblijf van 185 dagen, wegens persoonlijke of beroepsmatige bindingen, gedurende het kalenderjaar dat voorafging aan de verlenging van het rijbewijs in Spanje, dit is een periode die ruimer is dan “zes maanden”.
  3. De appelrechters namen aan dat eiser onbetwist al meer dan “zes maanden” in België leefde op het moment van verlenging van zijn Europees rijbewijs uitgereikt in Spanje, terwijl die termijn voor de geldigheid van het rijbewijs alleen verband houdt met de inschrijving in een “onderwijsinstelling” in de afgiftelidstaat (art. 7.3.b. en 12.1 EG-Richtlijn 2006/126).
  4. Het bestreden sluit niet uit dat eiser, hoewel ingeschreven in België, wegens persoonlijke of beroepsmatige bindingen in Spanje verbleef gedurende ten minste 185 dagen in het kalenderjaar dat voorafging aan de verlenging van zijn Europees rijbewijs. Het middel is in zoverre gegrond.
  5. Het tweede middel over de motiveringsplicht (art. 149 Grondwet) kan niet leiden tot cassatie van de zaak zonder verwijzing en behoeft geen antwoord. Mijn advies is cassatie met verwijzing van de zaak. __________________________________
(1)Conclusie van advocaat-generaal Marc TIMPERMAN in de zaak Cass. 11 september 2018, AR P.17.0839.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.1, AC 2018, nr. 455, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180911.1.
(2)P. Hoet, “Verval van het recht tot sturen versus de erkenning van een rijbewijs uit een andere EU-lidstaat”, Actua leges 2018 (Stradalex), nr. 72, al. 2.; A.-L. SNOY, “La reconnaissance des permis de conduire dans l’Union européenne”, in La circulation des automobilistes en Europe, Bruylant 2018, 85-87.
(3)W. BRUGGEMAN, “Verplichting om houder te zijn van een rijbewijs en het bij zich hebben”, in Postal Memorialis-Wegverkeer, Kluwer, R96, 2022, 5-6.
(4)In de federale versie van art. 1, 11° KB Rijbewijs is de term ‘kalenderjaar’ wel vervangen door ‘jaar’ ingevolge art. 2.a KB van 11 januari 2019, BS 5 maart 2019 en is een artikel 1, 11°/1 toegevoegd: "persoonlijke bindingen", ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente” (art. 2.b KB 11 januari 2019).
(5)Cass. 2 mei 2017, AR P.15.0485.N, AC 2017, nr. 300, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.1.
(6)HvJ 25 juni 2015, VAS “Celu satiksmes drosibas direkcija”, Latvijas Republikas Satiksmes ministrija t/Kaspars Nimanis, Zaak C-664/13, www.curia.europa.eu. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230418.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180911.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.