← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230418.2N.6 Rolnummer: P.22.1772.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht Invoerdatum: 2023-06-23 Raadplegingen: 651 - laatst gezien 2026-06-16 15:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.6 Fiches 1 - 3 Uit de samenhang van de artikelen 7.1.
  2. e)en 12, eerste lid, Richtlijn Rijbewijs en artikel 3, § 1, 1° KB Rijbewijs volgt dat een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie die in België in het bevolkingsregister is ingeschreven en er zijn gewone verblijfplaats heeft in de betekenis hieraan gegeven door deze bepalingen, zijn rijbewijs alleen in België kan en moet aanvragen; deze uitlegging impliceert geen rechtstreekse werking van die richtlijn ten aanzien van een particulier

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 21 Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.1, e), en 12, eerste lid Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 21 en 30, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 3, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.1, e), en 12, eerste lid Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 21 en 30, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 3, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.1, e), en 12, eerste lid Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 21 en 30, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 3, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Tekst van de conclusie P.22.1772.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De geldigheid van een Europees rijbewijs dat in een andere lidstaat is uitgereikt nadat de bestuurder is ingeschreven in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente”. 1. Inhoud bestreden vonnis. 1. Eiser, van Roemeense nationaliteit, wordt vervolgd wegens, op 19 februari 2020, A) het besturen van een motorvoertuig op de openbare weg zonder houder te zijn van een geldig rijbewijs (art. 3 KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en art. 21 en 30, § 1, 1° Wegverkeerswet), B) het rijden zonder geldig verzekeringsbewijs (art. 23 Wet 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en art. 29, § 2 Wegverkeerswet) en C) het parkeren van een voertuig op een plaats waar het duidelijk een gevaar betekent voor fietsers (art. 24, tweede lid Wegverkeersreglement en art. 29, § 1 Wegverkeerswet). 2. Het bestreden vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen, afd. Mechelen, van 25 november 2022 stelt de verjaring vast van feit B (rijden zonder verzekering) en veroordeelt eiser wegens feit A tot een geldboete van 1.600 euro met uitstel voor de helft gedurende drie jaar en een rijverbod voor 15 dagen en wegens feit C tot een geldboete van 160 euro. In zoverre eiser opkomt tegen de uitspraak over feit B, is zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang. 3. De appelrechters stellen voor feit A vast dat eiser houder is van een Europees rijbewijs, uitgereikt in Roemenië op 10 oktober 2019, terwijl eiser al sinds 3 maart 2019 is ingeschreven in België, in de gemeente Hamme. Het bestreden vonnis acht feit A bewezen omdat eiser 1°in België woont samen met zijn echtgenote en dochter en dus zijn persoonlijke bindingen heeft met België en 2°niet aantoont dat hij, minstens ook, in Roemenië zijn gewone verblijfplaats had in 2019 en daar ten minste 185 verbleef. Aangezien eiser zijn gewone verblijfplaats niet had op het grondgebied van Roemenië in de zin van artikel 12 EG-Richtlijn 2006/126, kon hij er overeenkomstig artikel 7.1.e van die Richtlijn geen rijbewijs aanvragen. Verder volgt uit artikel 3 KB Rijbewijs dat personen die in het Belgisch bevolkingsregister zijn ingeschreven alleen met een Europees rijbewijs een motorvoertuig mogen besturen als dit rijbewijs is verstrekt in overeenstemming met de EG-Richtlijn 2006/126. Om deze redenen werd het feit A bewezen verklaard, omdat eiser niet beschikte over een geldig Europees rijbewijs. 2. Middel. 4. Eiser voert aan dat (onderdeel
  1. a)artikel 3 KB 23 maart 1998 alleen de voorwaarden bepaalt waaronder een Belgisch rijbewijs kan verkregen worden, (onderdeel
  2. b)de EG-Richtlijn 2006/126 alleen verbindend is ten opzichte van de EU-lidstaten, niet ten opzichte van de burgers en (onderdeel
  3. c)een Europees rijbewijs een rijbewijs is dat wordt uitgereikt in een lidstaat van de EU, zodat het oordeel dat eiser niet beschikte over een geldig Europees rijbewijs in strijd is met de artikelen 21 en 30, § 1, 1° Wegverkeerswet, artikel 3 KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, artikel 7.1, eerste lid,
  4. e)van de Richtlijn 2006/126/EG en artikel 288 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie. 3. Toepasselijk recht. 3.1. Wegverkeerswet. 5. Artikel 21 Wegverkeerswet (KB 16 maart 1968) bepaalt: “Niemand mag op de openbare weg een motorvoertuig besturen, tenzij hij houder is van, en tevens bij zich heeft, een rijbewijs in België regelmatig afgegeven, of een buitenlands nationaal of internationaal rijbewijs onder de voorwaarden vastgesteld door de bepalingen die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn. Het rijbewijs moet geldig zijn voor de categorie waartoe het voertuig behoort. De Koning kan, onder de algemene voorwaarden die Hij stelt, vrijstelling verlenen van deze verplichting inzonderheid voor het besturen met het oog op de scholing”. Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en/of met geldboete van 200 euro tot 2000 euro wordt gestraft hij die een motorvoertuig bestuurt zonder houder te zijn van het rijbewijs vereist voor het besturen van dit voertuig, of van het als zodanig geldend bewijs (art. 30, 1° Wegverkeerswet). 3.2. EG-Richtlijn 2006/126. 6. Gesteund op het beginsel van vrij verkeer van personen in de Europese Unie, gelden er gemeenschappelijke (minimale) normen over de opleiding, de categorieën van voertuigen en de rijgeschiktheid van bestuurders om in een lidstaat een Europees rijbewijs te bekomen, dat hen toelaat om zonder een bijkomende erkenning een motorvoertuig te besturen in de ganse Europese Unie. 7. De kern van de EG-Richtlijn 2006/126 van 20 december 2006 (dat de vorige EG-Richtlijn 91/439 over het rijbewijs vervangt) is de wederzijdse erkenning van rijbewijzen, aangevuld met de eenheid van het rijbewijs. De door de lidstaten afgegeven rijbewijzen worden onderling erkend (art. 2.1). Op het rijbewijs wordt vermeld onder welke voorwaarden de houder een motorvoertuig mag besturen (art. 5.1). Er kan slechts één Europees rijbewijs worden uitgereikt aan een bestuurder (art. 7.5.a). 8. De afgifte van het Europees rijbewijs is aan een aantal voorwaarden onderworpen (art. 7.1), waaronder de vereiste e): “de aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven”
(1). De lidstaten verlenen elkaar bijstand en wisselen via het EU-rijbewijzennetwerk informatie uit over de rijbewijzen die zij hebben afgegeven, ingewisseld, vervangen, verlengd of ingetrokken (art. 15)
(2). 9. Bij wijziging van de gewone verblijfplaats naar een andere lidstaat kan de houder in de lidstaat van de nieuwe verblijfplaats een nieuw Europees rijbewijs bekomen (art. 11.1)
(3). Voor de toepassing van de EG-Richtlijn 2006/126 wordt onder “gewone verblijfplaats” verstaan: “de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont” (art. 12.1 EG-Richtlijn 2006/126)
  1. KB Rijbewijs.
  2. De bepalingen van de EG-Richtlijn 2006/126 zijn naar Belgisch recht omgezet en ingelast in KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, ingevolge het KB van 28 april 2011 (BS 4 mei 2011) (art. 1, aanhef, KB). Art. 3, § 1, 1° KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, laatst gewijzigd door art. 3, § 1 KB 11 januari 2019 (BS 5 maart 2019) bepaalt dat volgende personen een “Belgisch rijbewijs” kunnen verkrijgen: “de personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en die in België hun gewone verblijfplaats hebben”. Deze personen mogen slechts een motorvoertuig besturen op basis van een Belgisch rijbewijs of op basis van een afgegeven Europees rijbewijs, geldig voor de categorie of de subcategorie waartoe het voertuig behoort (art. 3, § 2 KB Rijbewijs)
(4). 11. Onder “gewone verblijfplaats" wordt verstaan (conform art. 12.1 EG-Richtlijn 2006/126): “de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont” (art. 1, 11° KB Rijbewijs)
(5). Uit artikel 1 KB Rijbewijs volgt dat een Europees rijbewijs dat in een lidstaat werd uitgereikt conform het model van EG-Richtlijn 2006/126 te beschouwen is als een ‘nationaal rijbewijs’
(6). 4.
  1. Bepalingen inzake het bevolkingsregister.
  2. De verplichte inschrijving in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente is geregeld in de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, zoals aangevuld door art. 26 Wet van 25 november 2018 (BS 13 december 2018). Artikel 5, § 1 bepaalt dat de verandering van hoofdverblijf van de vreemdeling in België wordt vastgesteld door een aangifte die is gedaan in de vorm en binnen de termijnen voorgeschreven door de Koning, en overeenkomstig de gemeentelijke verordeningen die ter zake zijn vastgesteld.
  3. Artikel 7 § 1 KB van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, genomen ter uitvoering van vermeld artikel 5 (laatst gewijzigd door het KB van 9 maart 2017, BS 28 april 2017), bepaalt dat de persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister en zijn hoofdverblijfplaats overbrengt naar het buitenland, daarvan aangifte moet doen bij het bestuur van de gemeente van inschrijving. De verandering van hoofdverblijfplaats wordt dan meegedeeld aan de gemeente van de nieuwe verblijfplaats in de Europese Unie (art. 7 § 2 KB 16 juli 1992). De aangifte van verandering van hoofdverblijfplaats naar het buitenland moet gebeuren binnen acht werkdagen voor het vertrek bij overbrenging van de hoofdverblijfplaats naar een ander land (art. 7, § 4 KB 16 juli 1992). Vervolgens controleert de lokale overheid of de persoon die aangifte deed effectief naar het buitenland is vertrokken (art. 7, § 5 KB 16 juli 1992).
  4. De inschrijving in het Belgisch bevolkingsregister blijft geldig bij een kortstondig verblijf in het buitenland. Artikel 17 KB 16 juli 1992 bepaalt dat de hoofdverblijfplaats niet wordt gewijzigd door een tijdelijke afwezigheid. Met deze ‘tijdelijke afwezigheid’ wordt volgens artikel 18, § 1 KB 16 juli 1992 bedoeld: het feit van niet effectief te verblijven op zijn hoofdverblijfplaats tijdens een bepaalde periode, waarbij er voldoende belangen behouden worden die aantonen dat de reïntegratie in de hoofdverblijfplaats op elk moment mogelijk is. Onder "voldoende belangen" wordt verstaan het feit van over een huisvesting te kunnen beschikken, hetzij onbewoond, hetzij die bewoond blijft door minstens één gezinslid (art. 18, § 1 KB 16 juli 1992). Een tijdelijke afwezigheid mag niet langer dan één jaar duren, te rekenen vanaf de datum van het begin van de afwezigheid, behoudens een verlenging onder bepaalde voorwaarden of bepaalde situaties van tijdelijke afwezigheid mits aangifte aan het gemeentebestuur (art. 18, § 2 en 3 KB 16 juli 1992).
  5. Rechtspraak van het Hof van Justitie.
  6. In zijn onderdeel c) stelt eiser dat de appelrechters onterecht oordelen dat hij, hoewel in het bezit van een Roemeens rijbewijs, niet beschikte over een geldig Europees rijbewijs. De vraag rijst bijgevolg of het loutere bezit van een Roemeens rijbewijs volstaat om aan te nemen dat de houder ervan voldeed aan de voorwaarden van verblijf in Roemenië om er afgifte van het rijbewijs te bekomen.
  7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) oordeelde in de zaak VAS
(2015)over de wederzijdse erkenning van rijbewijzen: “Richtlijn 2006/126 voorziet in een regeling voor het volledige grondgebied van de lidstaten van de Unie, met het oog op de vaststelling van één enkele procedure en van uniforme criteria voor de afgifte van het rijbewijs, teneinde te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om in een andere staat gemakkelijker een rijbewijs te behalen indien het om een of andere reden onmogelijk is om het in de staat van verblijf te behalen” (§ 25)
(7)… Bovendien is de opgave van de verblijfplaats niet louter een formaliteit, aangezien de naleving van dit criterium ook van essentieel belang is om andere verwante kwesties te beslechten (§ 26) en draagt de voorwaarde van de “gewone verblijfplaats” in de lidstaat van afgifte bij “tot de bestrijding van het rijbewijstoerisme”, bij gebrek aan een volledige harmonisatie van de regelingen van de lidstaten inzake de afgifte van rijbewijzen (§ 37). Controle op de voorwaarde van de gewone verblijfplaats is ook “absoluut noodzakelijk voor de controle op de naleving van de voorwaarde inzake rijgeschiktheid” (§ 37). In bepaalde gevallen kan de niet-naleving van de voorwaarde van de gewone verblijfplaats voor een lidstaat op zich reeds grond opleveren om het rijbewijs afgegeven door een andere lidstaat niet te erkennen (§ 38). 17. De regeling van het Europees rijbewijs berust op een onderling vertrouwen tussen de EU-lidstaten. Artikel 2.1 Richtlijn 2006/16 houdt volgens het Hof van Justitie een onderlinge erkenning in, zonder formaliteiten, van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen
(8). Het is aan de lidstaat van uitgifte (afgiftelidstaat) om te controleren of de aanvrager aan de minimale vereisten voldoet van de Richtlijn 2006/16 om het rijbewijs te bekomen, waaronder vereisten van rijgeschiktheid en de gewone verblijfplaats van de aanvrager in de afgiftestaat
(9). Uitgangspunt is dat het bezit van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs te beschouwen is als het bewijs dat de houder van dit rijbewijs op de dag van de afgifte ervan aan deze voorwaarden voldeed
(10). 18. De ontvangende lidstaat of gastlidstaat kan onder bepaalde voorwaarden een Europees rijbewijs weigeren te erkennen als geldig document van het besturen van een motorvoertuig op zijn grondgebied, als blijkt dat aan de voorwaarde van gewoon verblijf in de afgiftestaat niet in is voldaan. Het Hof van Justitie neemt aan dat de Rijbewijsrichtlijn 2006/126 de ontvangende lidstaat toelaat de geldigheid van een rijbewijs afgegeven in een andere lidstaat niet te erkennen “wanneer vaststaat, niet op basis van informatie afkomstig van de ontvangende staat, maar op basis van vermeldingen op het rijbewijs zelf of andere onbetwistbare inlichtingen afkomstig van de staat van afgifte”, dat de voorwaarde van de gewone verblijfplaats in de afgiftelidstaat niet is nageleefd
(11). De ontvangende lidstaat mag om redenen van verkeersveiligheid deze uitzondering op het beginsel van wederzijdse erkenning van rijbewijzen niet te ruim interpreteren
(12). 19. Verder stelde het Hof van Justitie in de zaak Akyüz
(2012)dat de rechter, bij de beoordeling van inlichtingen, afkomstig van de afgiftelidstaat, waarover hij beschikt, kan “rekening houden met alle omstandigheden van het bij hem aanhangige geding. In het bijzonder kan hij de eventuele omstandigheid in de beschouwing betrekken dat inlichtingen afkomstig van de staat van afgifte een aanwijzing vormen dat de houder van het rijbewijs slechts gedurende een heel korte periode op het grondgebied van deze staat heeft verbleven en daar een louter fictieve verblijfplaats heeft gevestigd met het uitsluitende doel zich te onttrekken aan de toepassing van strengere voorwaarden voor de afgifte van een rijbewijs in de lidstaat van zijn werkelijke verblijfplaats”
(13). 20. Het Hof van Justitie benadrukt in de zaak Akyüz wel dat “het feit dat de houder van een rijbewijs zijn verblijfplaats heeft gevestigd in een bepaalde lidstaat, wat inherent is aan de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten dat de Unieburgers aan artikel 21, lid 1, VWEU ontlenen en dat erkend is door richtlijnen 91/439 en 2006/126, met de bedoeling te profiteren van een minder strenge wetgeving inzake de voorwaarden voor de afgifte van een rijbewijs (zie naar analogie arrest van 9 maart 1999, Centros, C 212/97, Jurispr. blz. I 1459, punt 27), op zich niet volstaat om vast te stellen dat de bij artikel 7, lid 1, sub b, en 7, lid 1, sub e van deze richtlijnen voorziene voorwaarde van de gewone verblijfplaats niet is nageleefd, wat grond oplevert voor de weigering van een lidstaat om het door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen”
(14).
  1. Beoordeling.
  2. Anders dan eiser aanvoert in zijn onderdeel a) oordeelt het vonnis over art. 3 KB Rijbewijs niet alleen dat “de personen die ingeschreven zijn in het Belgisch bevolkingsregister in België alleen een motorvoertuig mogen besturen met een Belgisch of met een Europees rijbewijs”, maar ook dat: “het Europees rijbewijs dient evenwel in overeenstemming met de Richtlijn van 20 december 2016 te zijn verstrekt”. In zoverre mist het middel over de beperkte draagwijdte van artikel 3 KB Rijbewijs feitelijke grondslag.
  3. Gezien de EG-Richtlijn 2006/126 is geïncorporeerd in de Belgische rechtsorde (art. 1 KB Rijbewijs), mag de Belgische rechter interne bepalingen, meer bepaald artikelen 21 en 30 Wegverkeerswet en artikelen 1 en 3 KB Rijbewijs interpreteren aan de hand van corresponderende bepalingen van de EU-Richtlijn 2006/126, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over deze Richtlijn
(15). In zoverre het middel in zijn onderdeel
  1. b)uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. 23. Mij komt voor dat eiser in zijn onderdeel
  2. c)uitgaat van een onweerlegbaar vermoeden dat de houder van een Europees rijbewijs uitgereikt in Roemenië op moment van de afgifte voldeed aan de voorwaarde van verblijf van minstens 185 dagen in Roemenië, wegens persoonlijke of beroepsmatige bindingen. De Belgische strafrechter zou dan de artikelen 21 en 30 Wegverkeerswet en art. 3 KB Rijbewijs niet kunnen toepassen op de houder van een Europees rijbewijs uitgereikt in Roemenië, zelfs als die houder al enige tijd in België verbleef op moment van de afgifte, wat blijkt uit het bevolkingsregister en andere gegevens vatbaar voor tegenspraak, zoals het gewoon verblijf van de gezinsleden van de betrokkene in België. 24. De opvatting van eiser dat het voorleggen van een Europees rijbewijs volstaat voor het besturen van een motorvoertuig in België, en een veroordeling op basis van de artikelen 21 en 30 Wegverkeerswet uitsluit, is moeilijk verenigbaar met de interpretatie van het ingeroepen artikel 7.1.e EG-Richtlijn 2006/126. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie kan naar mijn mening alleen een weerlegbaar vermoeden worden afgeleid dat de houder van het Europees rijbewijs voldeed aan de minimale vereisten voor het bekomen ervan, zoals het verblijf van minstens 185 dagen per kalenderjaar, voorafgaand aan de afgifte, wegens persoonlijke en/of beroepsmatige bindingen. 25. Mij lijkt dat de appelrechters de geldigheid van het Europees rijbewijs moeten beoordelen aan de hand van de vermeldingen op het rijbewijs zelf (zoals de datum van afgifte) en informatie afkomstig uit Roemenië, maar deze gegevens mogen of zelfs moeten toetsen aan de inschrijving van eiser in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente en regelmatig bekomen informatie over zijn gezinssituatie en verblijf in België, vatbaar voor tegenspraak. Deze controle is nodig om redenen van verkeersveiligheid, om te vermijden dat een bestuurder die zijn Europees rijbewijs in België had moeten aanvragen, conform art. 3 KB Rijbewijs, uitwijkt naar een EU-lidstaat waar minder strenge eisen zouden gelden inzake examens of rijvaardigheid. 26. In deze zaak is er een tijdspanne van meer dan 185 dagen tussen de inschrijving van eiser in de gemeente Hamme en de afgifte van het rijbewijs in Roemenië. Ik ben van mening dat de strafrechter dit gegeven, aangevuld met het feit dat de echtgenote en het kind van eiser in België wonen, zo mocht interpreteren dat eiser vermoed wordt een duurzame band of persoonlijke bindingen te hebben met België en dat hij meer dan 185 dagen in België verbleef voorafgaand aan de afgifte van het rijbewijs in Roemenië, tenzij hij het tegendeel bewijst. Daarbij komt dat als een vreemdeling in België is ingeschreven in het bevolkingsregister en niet hoofdzakelijk in het buitenland verblijft, de Belgische rechter ervan mag uitgaan dat de gewone verblijfplaats niet naar het buitenland is verplaatst, gelet op vermelde voorschriften inzake de inschrijving in het bevolkingsregister (artt. 7 en 17 KB van 16 juli 1992). 27. Het bestreden vonnis vermeldt dat eiser het verweer voerde dat de politierechtbank hem ten onrechte schuldig heeft verklaard aan feit A van rijden zonder geldig rijbewijs, ‘omdat een Roemeens rijbewijs in België erkend wordt’. Uit de stukken waarmee het Hof mag rekening houden blijkt niet dat eiser gegevens aanbracht waaruit blijkt dat hij op moment van afgifte van het Europees rijbewijs meer dan 185 in Roemenië verbleef wegens beroepsmatige of persoonlijke bindingen of dat hij ten minste zes maanden was ingeschreven in een Roemeense onderwijsinstelling
(16). Er blijkt ook geen verweer te zijn gevoerd over de gegevens of documenten waarmee de correctionele rechtbank mocht rekening houden om de geldigheid te erkennen van het Europees rijbewijs of niet.
  1. Het bestreden vonnis stelt m.i. correct dat eiser “uitgaat van de verkeerde premisse dat hij in 2019 zijn normale verblijfplaats in Roemenië had”. De appelrechters stelden vast dat eiser vanaf 3 maart 2019 was ingeschreven in België (gemeente Hamme) en niet aantoont dat “hij, minstens ook, in Roemenië zijn gewone verblijfplaats had in 2019 en daar ten minste 185 verbleef”. Verder namen zij aan dat eiser op 10 oktober 2019 een rijbewijs bekwam in Roemenië terwijl hij in België woont samen met zijn echtgenote en dochter, en dus persoonlijke bindingen heeft met België.
  2. Verder kan men uit de samenhang van art. 7.1.e EG-Richtlijn 2006/126 en de artikelen 1 en 3 KB Rijbewijs afleiden dat als een onderdaan van een EU-lidstaat in België in het bevolkingsregister is ingeschreven en in België minstens 185 dagen per kalenderjaar verblijft, wegens persoonlijke of beroepsmatige bindingen, die onderdaan zijn Europees rijbewijs alleen in België kan en moet bekomen of verlengen. Hij kan deze verplichting niet omzeilen door een Europees rijbewijs in een andere lidstaat te bekomen en daarvan erkenning in België te eisen. In zoverre eiser ervan uitgaat dat het uitreiken van een rijbewijs in Roemenië volstaat om in België een motorvoertuig te besturen, zonder dat de Belgische strafrechter de geldigheid van dat rijbewijs mag beoordelen, faalt het middel naar recht.
  3. Het bestreden vonnis neemt op basis van vermelde gegevens aan dat personen die zijn ingeschreven in het Belgisch bevolkingsregister een motorvoertuig mogen besturen met een Europees rijbewijs, voor zover dit is verstrekt in overeenstemming met de EG-Richtlijn 2006/
  4. De beslissing dat eiser op moment van de verkeerscontrole in 2020 niet beschikte over een geldig Europees rijbewijs, dat voldoet aan de EG Richtlijn 2006/126, lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. __________________________________
(1)P. HOET, “Verval van het recht tot sturen versus de erkenning van een rijbewijs uit een andere EU-lidstaat”, Actua leges 2018 (Stradalex), nr. 72, al. 2; A.-L. SNOY, “La reconnaissance des permis de conduire dans l’Union européenne”, in La circulation des automobilistes en Europe, Bruylant 2018, 85-87.
(2)Over het EU-Rijbewijzennetwerk HvJ 6 oktober 2022, HV, zaak C-266/21, § 33; HvJ 22 maart 2017, Europese Commissie t/Portugese Republiek, Zaak C-665/15, www.curia.europa.eu.
(3)HvJ 29 april 2021, AR t/Stadt Pforzheim, zaak C-56/20, § 38; HvJ 28 februari 2019, Detlef Meyn t/Generalanwaltschaft Karlsruhe, zaak C-9/18, § 18-33; HvJ 23 april 2015, Sevda Aykul t/Land Baden-Württemberg, zaak C-260/13, § 61-68, www.curia.europa.eu.
(4)W. BRUGGEMAN, “Verplichting om houder te zijn van een rijbewijs en het bij zich hebben”, in Postal Memorialis-Wegverkeer, Kluwer, R96, 2022, 5-6.
(5)In de federale versie van art. 1, 11° KB Rijbewijs is de term ‘kalenderjaar’ wel vervangen door ‘jaar’ ingevolge art. 2.a KB van 11 januari 2019, BS 5 maart 2019 en is een artikel 1, 11°/1 toegevoegd: “persoonlijke bindingen”, ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente” (art. 2.b KB 11 januari 2019).
(6)Cass. 2 mei 2017, AR P.15.0485.N, AC 2017, nr. 300, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.1.
(7)HvJ 25 juni 2015, VAS “Celu satiksmes drosibas direkcija”, Latvijas Republikas Satiksmes ministrija t/Kaspars Nimanis, Zaak C-664/13, www.curia.europa.eu.
(8)HvJ 29 april 2021, F t/Stadt Karlsruhe, zaak C-47/20, § 27-28; HvJ 21 mei 2015, Wittman, zaak C-339, § 29; HvJ 23 april 2015, Aykul t/Land Baden-Württemberg, zaak C-260/13, § 45; HvJ 26 juni 2008, Arthur Wiedemann t/Land Baden-Württemberg, zaak C-329/06, § 50, www.curia.europa.eu; E. DUBOUT, “La condition de l’automobiliste en droit européen: entre droits et devoirs”, in La circulation des automobilistes en Europe, Bruylant 2018, 49.
(9)HvJ 23 april 2015, Aykul t/Land Baden-Württemberg, zaak C-260/13, § 46; HvJ 26 juni 2008, HvJ 1 maart 2012, Baris Akyüz, zaak C-467/10, § 41; Arthur Wiedemann t/Land Baden-Württemberg, zaak C-329/06, § 52, www.curia.europa.eu.
(10)HvJ 29 april 2021, F. t/Stadt Karlsruhe, zaak C-47/20, § 28; HvJ 28 februari 2019, Meyn t/Generalstaatsanwaltschaft Karlsruhe, § 30; HvJ 26 oktober 2017, I. t/Staatsanwaltschaft Offenburg, zaak C-195/16, § 47; HvJ 23 april 2015, Aykul, zaak C 260/13, § 47; HvJ 26 april 2012, Wolfgang Hofmann t/Freistaat Bayern, zaak C-419/10, § 46; HvJ 1 maart 2012, Baris Akyüz, zaak C-467/10, § 42; HvJ 19 mei 2011, Grasser, zaak C-184/10, § 21; HvJ 26 juni 2008, Arthur Wiedemann t/Land Baden-Württemberg, zaak C-329/06, § 53, www.curia.europa.eu; P. HOET, “Verval van het recht tot sturen versus de erkenning van een rijbewijs uit een andere EU-lidstaat”, Actua leges 2018 (Stradalex), nr. 72, al. 3; A.-L. SNOY, “La reconnaissance des permis de conduire dans l’Union européenne”, in La circulation des automobilistes en Europe, Bruylant 2018, 90-91.
(11)HvJ 26 april 2012, Wolfgang Hofmann t/Freistaat Bayern, zaak C-419/10, § 48 en 90; HvJ 1 maart 2012, Baris Akyüz, zaak C-467/10, § 62-64 en § 67; HvJ 19 mei 2011, Grasser, zaak C-184/10, § 33 en § 77; HvJ 26 juni 2008, Wiedemann en Funk, zaken C-329/06 en C-343/06, § 72; P. HOET, “Verval van het recht tot sturen versus de erkenning van een rijbewijs uit een andere EU-lidstaat”, Actua leges 2018 (Stradalex), nr. 72, al. 3; Conclusie van advocaat-generaal Marc TIMPERMAN in de zaak Cass. 11 september 2018, AR P.17.0839.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.1, AC 2018, nr. 455, en L. BREWAEYS, “Nood aan een betere Europese samenwerking bij het uitreiken van rijbewijzen”, Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering (VAV) 2018, 72-76.
(12)HvJ 1 maart 2012, Baris Akyüz, zaak C-467/10, § 65.
(13)HvJ 1 maart 2012, Baris Akyüz, zaak C-467/10, § 75. Zie hierover A.-L. SNOY, “La reconnaissance des permis de conduire dans l’Union européenne”, in La circulation des automobilistes en Europe, Bruylant 2018, 91-93.
(14)HvJ 1 maart 2012, Baris Akyüz, zaak C-467/10, § 76.
(15)Voor toepassing van bepalingen van de EG-Richtlijn 2006/126 in de Belgische rechtsorde zie vb. Cass. 11 september 2018, AR P.17.0839.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.1, AC 2018, nr. 455, met concl. van advocaat-generaal. M. TIMPERMAN (de artikelen 2 .1 en 11.4); Cass. 2 mei 2017, AR P.15.0485.N, AC 2017, nr. 300, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.1.
(16)Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt alleen dat eiser telastlegging A betwistte ‘omdat hij wel over een geldig rijbewijs beschikt’. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230418.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.