id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230421.1N.1 Rolnummer: C.22.0226.N Zaak: ASCO nv contra Hommema nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2023-08-14 Raadplegingen: 469 - laatst gezien 2026-06-18 14:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230421.1N.1 Fiche De aangifteplicht ontstaat wanneer de verzekerde weet of moet weten dat hij aansprakelijk kan gesteld worden voor schade veroorzaakt aan de benadeelde
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel - 11-06-1874 - Art. 74, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1874061150 Tekst van de conclusie C.22.0226.N Conclusie van advocaat-generaal DECONYNCK:
- Situering. Het hof van beroep te Antwerpen weerhield bij arrest van 17 januari 2022 de aansprakelijkheid van de verweerster voor het schadegeval met betrekking tot de perforaties en beschadigingen in de vulleiding van de derde benadeelde die de verweerster had veroorzaakt en veroordeelde de eiseressen er toe de verweerster als diens verzekeraars hiervoor te vrijwaren. De eiseressen betwisten tot vrijwaring te zijn gehouden nu de verweerster hen niet tijdig op de hoogte zou hebben gebracht van het schadegeval.
- Bespreking. De eiseressen voeren 1 middel aan dat onderverdeeld is in 2 onderdelen. Aangezien het antwoord op het tweede onderdeel wat het rechtsbegrip “schadegeval” betreft naar het oordeel van mijn ambt noodzakelijk is om op het eerste onderdeel te antwoorden, wordt hierna eerst op het tweede onderdeel ingegaan. TWEEDE ONDERDEEL.
- In essentie betreft het tweede onderdeel de vraag wat onder “schadegeval” dient te worden verstaan, welk begrip als dusdanig niet gedefinieerd wordt in de wet. In de rechtsleer omschrijft men een “schadegeval”/“schade” doorgaans als de negatieve uitkomst van de vergelijking tussen 2 toestanden: de actuele toestand waarin het slachtoffer zich bevindt na het schadegeval en de toestand waarin het slachtoffer zich zou bevonden hebben indien de schade er niet was geweest. Is de toestand van het slachtoffer minder gunstig, dan is er sprake van schade
(1). Uw Hof kan zich niet uitspreken over de feiten maar kan wel nagaan of de appelrechter uit de door hem vastgestelde feiten de juiste juridische gevolgtrekkingen heeft afgeleid. De appelrechter oordeelt op pg. 8 van de bestreden beslissing dat de verweerster er “in 2015 niet vanuit (kon) gaan dat de graafwerken, zelfs met de wetenschap dat zij hierbij een leiding had geraakt, aanleiding zouden geven tot schade. Het was mogelijk dat er slechts een oppervlakkige perforatie van de buitenste (secundaire) leiding was, zonder verder gevolg. In een aansprakelijkheidsverzekering is er slechts sprake van een schadegeval indien en van zodra er schade is voor de derde benadeelde en deze de verzekerde hiervoor aanspreekt”. De appelrechter kan wat de definiëring van het begrip “schade”/”schadegeval” niet in diens redenering gevolgd worden. Op het ogenblik dat een leiding wordt geperforeerd, wordt de integriteit van die leiding in het gedrang gebracht en bevindt deze zich dus niet meer in dezelfde toestand als voorheen. De leiding is dan aangetast in de betekenis dat deze niet of minder geschikt is voor het gebruik dat hiervan gemaakt wordt zodat de eigenaar/gebruiker hiervan reeds door dat feit op zich noodzakelijkerwijze schade lijdt en het recht heeft dergelijke schade hersteld of vergoed te zien
(2). Of de schade al dan niet oppervlakkig is, heeft vervolgens een impact qua omvang en mogelijke verdere gevolgen van die schade maar heeft dus geen betrekking op de vraag naar het bestaan van schade op zich. De aanwezigheid van schade staat voorts ook los van het feit of er al dan niet reeds een vraag tot vergoeding van die schade is gekomen vanwege de benadeelde. Het is immers niet die vraag die de schade/het schadegeval doet ontstaan maar wel de fout of nalatigheid van de aansprakelijke: de vraag tot vergoeding volgt noodzakelijkerwijze op het ontstaan van de schade. Die vraag kan wel een invloed hebben op de aangifteplicht van de verzekerde (zie infra). De appelrechter oordeelt derhalve ten onrechte dat de verweerster er in 2015 niet kon van uitgaan dat de graafwerken aanleiding zouden geven tot schade hoewel zij wist dat zij hierbij een leiding had geraakt. Het perforeren van die leiding veroorzaakte op zich immers reeds schade en de verweerster was zich duidelijk bewust van die perforatie gelet op het feit dat zij de leiding met plastic omwikkelde. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechter het rechtsbegrip “schadegeval” heeft miskend, is het gegrond.
- Artikel 74, § 1 van de Wet Verzekeringen bepaalt dat de verzekerde zodra mogelijk en in elk geval binnen de termijn bepaald in de overeenkomst het schadegeval aan de verzekeraar moet melden. Indien het schadegeval zo spoedig als redelijkerwijze mogelijk werd gemeld, kan de verzekeraar er zich evenwel niet op beroepen dat de termijn niet in acht werd genomen. Artikel 15 van de algemene voorwaarden van de door de verweerster afgesloten verzekeringspolis voorziet ten slotte in de verplichting de verzekeraar onmiddellijk van elk schadegeval op de hoogte te brengen. Aangezien artikel 74, § 1 van de Wet Verzekeringen voorziet dat de verzekerde aangifte moet doen van het schadegeval zodra dit mogelijk is, volstaat het niet dat er sprake is van schade opdat er ook een aangifteplicht zou zijn. Het is immers perfect mogelijk dat iemand schade aanricht zonder zich daar onmiddellijk van bewust te zijn. De aangifteplicht ontstaat derhalve maar wanneer de verzekerde weet of moet weten dat hij voor schade veroorzaakt aan de benadeelde aansprakelijk kan gesteld worden. Hiervoor is niet vereist dat de verzekerde reeds werd aangesproken door de derde benadeelde. Wel is de verzekerde natuurlijk ten laatste op dat moment zeker dat hij aansprakelijk kan gesteld worden en volgt daar logischerwijze uit dat de aangifte ten allerlaatste dan zal moeten gebeuren. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de aangifteplicht zonder meer geldt zodra het schadegeval zich voordoet, kan het niet worden aangenomen. EERSTE ONDERDEEL.
- De appelrechter sluit zich in punt 7 op pagina 5 van het bestreden arrest aan bij de motivering van het vonnis in eerste aanleg. In dit vonnis werd op pagina 8 onder meer geoordeeld dat “de beschadigde leidingen waren omwikkeld/ingepakt door een plastiek waarmee de dader kennelijk de perforaties heeft willen bedekken”. Het bestreden arrest vermeldt voorts in punt 8 op pagina 5 dat de eerste rechter terecht oordeelde dat de beschadigingen werden aangebracht tijdens de werken van de verweerster in 2015 en herhaalt op pagina 6 dat uit de feitelijke omstandigheden met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat de beschadigingen werden aangebracht door de verweerster bij haar werken in
- In punt 12 op pagina 8 wordt dan echter vermeld dat de verweerster er in 2015 niet kon van uitgaan dat de graafwerken, zelfs met de wetenschap dat zij hierbij een leiding had geraakt, aanleiding zouden geven tot schade nu het mogelijk was dat er hier slechts sprake was van een oppervlakkige perforatie van de buitenste (secundaire) leiding, zonder verder gevolg. De appelrechter voegt hier aan toe dat er maar sprake is van een schadegeval in een aansprakelijkheidsverzekering indien en van zodra er schade is voor de derde benadeelde en deze de verzekerde hiervoor aanspreekt.
- Er is sprake van een tegenstrijdigheid in de motivering en dus van een schending van artikel 149 van de Grondwet nu de appelrechter enerzijds oordeelt dat de schade ontstond in 2015 gelet op de perforatie van de secundaire vulleiding alsook dat de verweerster hiervan op de hoogte was gelet op het afdekken van de perforaties met plastic en anderzijds eveneens oordeelt dat de verweerster er in 2015 niet kon van uitgaan dat de graafwerken tot schade zouden aanleiding geven. Het onderdeel is gegrond. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _____________________________
(1)Th. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Intersentia 2009, pg. 633 alsook E. DIRIX, Het begrip schade, Kluwer 1984, pg.’s 15 en 16.
(2)Zie Cass. 23 oktober 1986, AR 7538, AC 1986, nr. 118: de aansprakelijke heeft de plicht de herstellingskosten van de beschadigde zaak op zich te nemen met als maximum de vervangingswaarde van de zaak. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230421.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230421.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div