← België

O. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230421.1N.2 Rolnummer: C.22.0199.N Zaak: O. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-08-14 Raadplegingen: 981 - laatst gezien 2026-06-19 03:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230421.1N.2 Fiche Afstand van geding in hoger beroep laat de in eerste aanleg gevoerde procedure onaangetast zodat de stuitende werking van de verjaring door de initiële dagvaarding blijft bestaan

(1)
(2).
(1)Zie Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0130.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1, AC 2019, nr. 146, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER; Cass. 23 juni 2016, AR C.1300573.N, AC 2016, nr. 417, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL; Cass. 24 april 2014, AR C.13.0271.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140424.8, AC 2014, nr. 297 en Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0347.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.8, AC 2010, nr. 173.
(2)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN GEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 820 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2247 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.22.0199.N Conclusies van advocaat-generaal DECONYNCK:
  1. Verloop rechtspleging. De discussie die aan uw Hof wordt voorgelegd, betreft een meerpartijenovereenkomst gesloten door de leden van eenzelfde gezin waarbij in het kader van de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen de volgende afspraken werden gemaakt: - De vader van het gezin, ondertussen overleden, had er zich toe verbonden een onroerend goed te Ibiza te verkopen en de opbrengst hiervan te gebruiken voor de terugbetaling van de lening voor de woning van de moeder van het gezin, de eiseres in deze procedure; - De moeder van het gezin (eiseres) verbond er zich toe haar zonen binnen de 9 maanden na het verlijden van de overeenkomst de blote eigendom te schenken van een woning te Knokke; - De zonen van het gezin, waarvan één thans verweerder is in deze procedure, verbonden zich ertoe afstand te doen van alle door hen aangevatte procedures en met het oog hierop hun advocaten opdracht te zullen geven tot afstand van rechtsvordering in de 2 toen hangende procedures. Aangezien de vader van het gezin zich niet aan de overeenkomst hield, weigerde de eiseres vervolgens tot schenking van de blote eigendom van de woning te Knokke aan haar zonen over te gaan, waarop deze haar in 2005 hebben gedagvaard. In graad van beroep deed de verweerder evenwel afstand van geding. In 2015 ging de verweerder opnieuw over tot dagvaarding van de eiseres met het oog op de overdracht van diens aandeel in de blote eigendom van de woning te Knokke. Bij vonnis van 28 juni 2016 werd de eiseres veroordeeld tot de overdracht van de blote eigendom, tegen welk vonnis zij hoger beroep aantekende. Het hof van beroep te Gent verklaarde het hoger beroep van de eiseres bij tussenarrest van 14 juni 2018 ontvankelijk doch ongegrond, waarop de eiseres tegen dit arrest cassatieberoep aantekende. Het tussenarrest van het hof van beroep te Gent van 14 juni 2018 werd door uw Hof verbroken, waarop de zaak verwezen werd naar het hof van beroep te Brussel, dat het hoger beroep van de eiseres bij arrest van 18 januari 2022 vervolgens ontvankelijk maar slechts deels gegrond verklaarde. De eiseres voert 2 middelen aan tegen dit arrest.
  2. Bespreking. EERSTE MIDDEL.
  3. Afstand van geding overeenkomstig artikel 820 van het Gerechtelijk Wetboek houdt in dat een partij afstand doet van de rechtspleging die deze is gestart met een hoofd- of tussenvordering. Het recht zelf van de betrokken partij blijft evenwel intact. Een aangenomen afstand van geding houdt overeenkomstig artikel 826, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek voorts van rechtswege in dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weer in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was.
  4. Overeenkomstig de rechtspraak van uw Hof houdt afstand van geding in principe ook afstand van eis in overeenkomstig artikel 2247 van het Oud Burgerlijk Wetboek
(1), nu de afstand van de aangevatte rechtspleging tot gevolg heeft dat de dagvaarding uit de rechtsorde verdwijnt en dus ook geen stuitende werking meer kan hebben. Dit principe dient evenwel te worden genuanceerd en dit afhankelijk van de graad waarin het proces zich bevindt op het ogenblik waarop overgegaan wordt tot afstand van geding. In eerste aanleg geldt dat de afstand van geding gelet op artikel 826, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek de stuiting van de verjaring niet ongedaan maakt wanneer de afstand van geding gegrond is op de bevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is en dezelfde akte dagvaarding voor de bevoegde rechter inhoudt. In hoger beroep verliest de betrokkene volgens de rechtspraak van uw Hof door de afstand van geding dan weer niet het recht zelf om opnieuw hoger beroep in te stellen zodat hieruit niet mag afgeleid worden dat de betrokken partij instemt met de uitspraak in eerste aanleg
(2). Een nieuw hoger beroep blijft mogelijk tenzij het recht om hoger beroep aan te tekenen, zou uitgedoofd zijn. Zo houdt de afstand van geding berusting in indien deze plaatsvindt na het verstrijken van de beroepstermijn
(3). Uit die rechtspraak volgt noodzakelijkerwijze dat afstand van geding in hoger beroep louter met zich meebrengt dat van de rechtspleging in hoger beroep afstand wordt gedaan en deze derhalve de procedure in eerste aanleg en dus ook de dagvaarding onverlet laat
(4). Nu de afstand van geding in hoger beroep niet tot gevolg heeft dat de dagvaarding uit de rechtsorde verdwijnt, vindt artikel 2247 van het Oud Burgerlijk Wetboek in die omstandigheden geen toepassing. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. TWEEDE MIDDEL. 1. De exceptie van niet-uitvoering of “exceptio non adimpleti contractus” verleent de schuldeiser van een tegenprestatie die op schuldige wijze niet werd uitgevoerd het recht om de uitvoering van diens eigen verbintenissen op te schorten totdat de wederpartij haar verbintenissen nakomt
(5). Bij gebrek aan algemene wettelijke basis
(6)wordt de exceptie van niet-uitvoering door uw Hof traditioneel beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel, waarbij ervan wordt uitgegaan dat deze inherent is aan wederkerige overeenkomsten. Het is de ondeelbaarheid van de respectievelijke verplichtingen binnen een wederkerige overeenkomst die wordt aanzien als de juridische grondslag van de exceptie van niet-uitvoering
(7). 2. De zaak die aan uw Hof wordt voorgelegd, betreft een overeenkomst met meer dan 2 partijen (hierna “meerpartijenovereenkomst”). Zoals het merendeel van de rechtsregels in het verbintenissenrecht is de figuur van de exceptie van niet-uitvoering echter geconstrueerd met een klassieke tweepartijenovereenkomst in gedachten. In het kader van meerpartijenovereenkomsten kunnen echter juridische vragen rijzen die zich uit de aard der zaken nooit voordoen in het kader van een tweepartijenovereenkomst. In casu stelt zich de vraag naar de gevolgen van de wanprestatie van één van de partijen binnen een meerpartijenovereenkomst op de rechten en verplichtingen van de overige partijen onderling. Uw Hof aanvaardde in het arrest van 30 oktober 2020 reeds dat een partij binnen een meerpartijenovereenkomst zich op de exceptie van niet-uitvoering kan beroepen ten aanzien van een andere partij binnen die overeenkomst wanneer die in gebreke is een verbintenis tegenover haar of tegenover een andere partij binnen die overeenkomst uit te voeren, op voorwaarde dat er sprake is van verknochtheid tussen die respectievelijke verplichtingen
(8). Uw Hof aanvaardde ook eerder reeds in een arrest van 8 september 1995 dat in de hypothese van meerdere overeenkomsten die ondeelbaar met elkaar verbonden zijn een partij zich in de ene overeenkomst op de exceptie van niet-uitvoering kan beroepen wanneer de andere partij in gebreke blijft diens verbintenissen in de andere overeenkomst na te komen
(9). Het essentiële criterium om zich op de exceptie van niet-uitvoering te kunnen beroepen, was overeenkomstig beide arresten dus de ondeelbaarheid van de respectievelijke verbintenissen en dit ongeacht de concrete juridische vorm waarin deze werden gegoten. In de hypothese die in het arrest van 30 oktober 2020 door uw Hof werd behandeld, werd de exceptie van niet-uitvoering in een meerpartijenovereenkomst ingeroepen tegenover de partij die in gebreke bleef diens verbintenissen na te komen. Wat verruimd werd, was wie zich hier op kon beroepen: niet enkel het “rechtstreekse” slachtoffer van de wanprestatie maar ook alle andere partijen binnen een meerpartijenovereenkomst voor zover de hierin vervatte verbintenissen ondeelbaar zijn. De juridische vraag die zich hier stelt, gaat echter verder: kan de exceptie van niet-uitvoering ook ingeroepen worden ten aanzien van een partij die zich zelf niet aan enige wanprestatie heeft schuldig gemaakt gelet op de wanprestatie van een derde partij binnen de meerpartijenovereenkomst? 2. In geval van samenhang van verbintenissen is er geen reden om een partij het recht op ontbinding dan wel het inroepen van de exceptie van niet-uitvoering te weigeren: indien de prestatie van één van de partijen samenhangt met die van één of meerdere andere partijen kan zij in geval van wanprestatie de ontbinding van de overeenkomst vorderen of a fortiori, de uitvoering van de eigen verbintenissen opschorten
(10). Uw Hof oordeelde in een arrest van 17 oktober 2008 reeds dat een meerpartijenovereenkomst waarin elke partij een eigen rechtspositie inneemt en waarin de rechten en de verplichtingen van de partijen dusdanig ondeelbaar met elkaar zijn verbonden dat de overeenkomst niet kan worden gesplitst in deelovereenkomsten, niet gedeeltelijk kan ontbonden worden
(11). Een essentiële vereiste om in een meerpartijenovereenkomst tegenover alle partijen en dus ook ten aanzien van die partijen die zelf niet in de fout zijn gegaan de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, is dus de ondeelbaarheid van de respectievelijke verbintenissen. Het is aan de bodemrechter om te oordelen of die ondeelbaarheid al dan niet voorhanden is. Is die er niet, dan moet a contrario geconcludeerd worden dat een gedeeltelijke ontbinding wél mogelijk is
(12). Als een partij het recht heeft de ontbinding te vorderen van een overeenkomst op basis van de tekortkoming van één van de andere partijen aan een op haar rustende verbintenis die met de eigen verbintenis van deze partij samenhangt en er minstens deels de tegenprestatie van uitmaakt, moet a fortiori aanvaard worden dat ook de minder ver strekkende exceptie van niet-uitvoering in dergelijke omstandigheden eveneens kan ingeroepen worden en dit dus ook ten aanzien van die partijen die zelf niet in gebreke zijn gebleven. Die conclusie ligt ook in het logische verlengde van de rechtspraak van uw Hof inzake de exceptie van niet-uitvoering die supra reeds aangehaald werd. De appelrechters stellen op de pagina’s 14 e.v. van de bestreden beslissing vast dat er sprake is van een overeenkomst sui generis waarbij de verschillende partijen elk verplichtingen op zich hebben genomen en oordelen dat de eerste rechter terecht oordeelde dat de exceptie van niet-uitvoering hier niet kon worden toegepast bij gebrek aan niet-nakoming van de verbintenis in hoofde van de verweerder. Door vast te stellen dat er sprake is van een meerpartijenovereenkomst maar niet na te gaan of de respectievelijke verplichtingen al dan niet ondeelbaar met elkaar waren verbonden bij de beoordeling van de mogelijkheid voor een partij om de exceptie van niet-uitvoering in te roepen tegenover een partij die zelf geen wanprestatie beging gelet op de tekortkomingen van een derde partij, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Conclusie: vernietiging. ___________________________________
(1)Cass. 24 april 2014, AR C.13.0271.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140424.8, AC 2014, nr. 297.
(2)Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0130.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1, AC 2019, nr. 146, met gelijkluidende concl. van eerste advocaat-generaal Ria MORTIER; Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0347.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.8, AC 2010, nr. 173.
(3)Cass. 23 juni 2016, AR C.13.0573.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1, AC 2016, nr. 417, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal A. VANDEWAL.
(4)De auteurs BOULARBAH en GRELLA nuanceren op dit vlak en zijn van oordeel dat een onderscheid moet gemaakt worden tussen de hypothese waarin de betrokkene louter de bedoeling heeft om afstand te doen van het rechtsmiddel van hoger beroep dan wel of het de bedoeling is afstand te doen van de oorspronkelijke vordering en dus de procedure in haar geheel, in welk geval die vordering retroactief zou verdwijnen en het uitgesproken vonnis zonder voorwerp zou worden, wat dan zou moeten vastgesteld worden door het betrokken hof van beroep. Zie H. BOULARBAH en V. GRELLA, “Les incidents de l’instance” in Procédure civile, vol. 1, Brussel, Larcier 2022, 848, nr. 7.57.
(5)Zie Th. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, 2019, Intersentia, pg. 441 en P. WERY, Droit des obligations. Volume 1. Théorie générale du contrat, Larcier 2021, pg. 795.
(6)Zie Th. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, 2019, Intersentia, pg. 443 en P. WERY, Droit des obligations. Volume
  1. Théorie générale du contrat, Larcier 2021, pg.
  2. Hierin is verandering gekomen met het nieuwe artikel 5.239 Burgerlijk Wetboek dat thans wel een algemene wettelijke grondslag biedt voor de exceptie van niet-uitvoering maar voor de aan uw Hof voorgelegde zaak evenwel niet relevant is. Zie ook de artikelen 5.83, 5° en 5.98 van het Burgerlijk Wetboek.
(7)Zie Th. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, 2019, Intersentia, pg. 443 en P. WERY, Droit des obligations. Volume 1. Théorie générale du contrat, Larcier 2021, pg. 797.
(8)Cass. 30 oktober 2020, AR C.20.0061.N, AC 2020, nr. 672, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201030.1N.4.
(9)Cass. 8 september 1995, AR C.94.0340.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950908.3, AC 1995, nr. 372. Zie ook B. WYLLEMAN, “Het verband van wederkerigheid tussen verbintenissen als toepassingsvoorwaarde voor de exceptio non adimpleti contractus. Het arrest van het Hof van Cassatie van 8 september 1995”, R.Cass. 1996, pg. 86 waar deze opmerkt dat men zich slechts op de exceptie van niet-uitvoering kan beroepen wanneer de verbintenis die niet werd nagekomen de tegenprestatie is van de opgeschorte verbintenis of minstens daarmee voldoende samenhangend is. Zie eveneens J. DE CONINCK, “De voor de toepassing van de exceptio non adimpleti contractus vereiste samenhang tussen verbintenissen en de toetsing van een op een uitdrukkelijk ontbindend beding gegrond ontbindingsbeslissing aan de goede trouw” (noot bij Antwerpen 29 juni 2007), RW 2009-10, pg. 109 waar zij opmerkt dat ook tussen niet onmiddellijk als elkaars tegenprestatie aangegane verbintenissen in wederkerige overeenkomsten een voldoende samenhang kan bestaan om de toepassing van de exceptie te rechtvaardigen.
(10)E. DIRIX, “De meerpartijenovereenkomst”, TPR 1983, 788.
(11)Cass. 17 oktober 2008, AR C.06.0672.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.2, AC 2008, nr. 556.
(12)Zie I. SAMOY, “De ontbinding van meerpartijenovereenkomsten na het cassatie-arrest van 17 oktober 2008, RGCB 2011, pg’s. 197 e.v. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230421.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230421.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950908.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140424.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201030.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.