← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 april 2023 EC

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 6 De bewijsregels in strafzaken, met inbegrip van de uitzondering bepaald in artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zijn van toepassing zodra het te bewijzen feit een misdrijf uitmaakt en het speelt daarbij geen rol of de burgerlijke rechter dan wel de strafrechter oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van de ingevolge dat misdrijf ontstane schade; ook het bestaan en de omvang van de schade en het causaal verband tussen de schade en de fout, ongeacht of deze een als misdrijf omschreven feit uitmaakt, betreffen feitenkwesties die zowel voor de strafrechter als voor de burgerlijke rechter met alle middelen van recht kunnen worden bewezen en die onderworpen zijn aan een vrije bewijswaardering door deze rechter

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Fiche 7 Het tweede lid van artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bevat enkel een bijzondere toepassing van het eerste lid van die bepaling en valt bijgevolg onder dezelfde beperkingen als dat eerste lid: enkel wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een tegen de beklaagde ingebrachte overeenkomst waarvan deze het bestaan ontkent of de uitlegging betwist, zodat de strafrechter de bewijsregels van het burgerlijk recht moet toepassen, en het bewijs van die overeenkomst bovendien afhangt van een begin van geschreven bewijs of een geschrift dat de beklaagde ontkent, dient de strafrechter de behandeling van de strafvordering te schorsen in afwachting van de bindende uitspraak van de burgerlijke rechter over de echtheid van dat geschrift
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 8 - 9 Indien de uitzondering van artikel 16, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, niet aan de orde is, wordt de betwisting over de echtheid van het ingebrachte geschrift beoordeeld volgens de bewijsregeling en de rechtspleging inzake getuigenverklaringen die gelden voor de strafgerechten en die voor deze gerechten, behoudens de hoven van assisen, in het bijzonder is geregeld door de artikelen 153, 154, 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, in voorkomend geval samen te lezen met artikel 6.1 en 6.3.d EVRM zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; de aard van de te volgen rechtspleging wordt bepaald door de aard van het gerecht dat de zaak behandelt en niet door de burgerlijke of strafrechtelijke aard van de vordering waarover het gerecht beslist; op grond van de vermelde bepalingen kan de beklaagde in de regel alle getuigen voordragen waarvan hij het horen ter rechtszitting nodig acht tot staving van zijn verweer tegen een vervolging of een burgerlijke rechtsvordering die te zijnen laste voor de strafrechter is ingesteld en aldus kan de strafrechter in een dergelijk geval geen toepassing maken van artikel 16, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering maar dit belet de strafrechter echter niet om, zoals ook de rechter in burgerlijke zaken, het getuigenverhoor te bevelen dat hem dienstig voorkomt ter verduidelijking van de hem voorgelegde feiten of het vinden van de waarheid, indien daarover onzekerheid bestaat

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 153, 154, 190 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 153, 154, 190 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 10 - 14 De rechter kan, zonder schending van artikel 6 EVRM dan wel miskenning van het recht van verdediging, weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de procespartij haar verzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van haar vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 DESKUNDIGENONDERZOEK Fiche 15 Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen te overleggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt maar dit recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de vermelde beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Tekst van de conclusie P.22.1005.N Conclusie van advocaat-generaal D. Schoeters: (…) De middelen van eiser I. Eerste middel (eerste en tweede onderdeel).

  1. Eiser I voert de schending aan van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1324 Oud Burgerlijk Wetboek. In zijn memorie stelt eiser I dat het bestreden arrest ten onrechte zijn verzoek om, alvorens recht te doen, getuigen te horen, afwijst. Hij voert aan dat de hem ten laste gelegde feiten verband houden met een overeenkomst tussen eiser I (beklaagde) en verweerders I (burgerlijke partij) en hij hiervan ter zitting met betrekking tot 2 transacties een door eerste verweerder getekende onderhandse akte van 21 april 2009 voorbracht, waarvan het bestaan door de verweerders I werd ontkend. Die overeenkomst kaderde in eisers verweer tegen de telastleggingen inzake valsheid in geschriften, misbruik van vertrouwen en informaticabedrog ten nadele van de verweerders I. Gezien de ten laste gelegde misdrijven verband hielden met een overeenkomst hadden de appelrechters overeenkomstig artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zich moeten gedragen naar de regels van het burgerlijk recht bij hun beslissing over het bestaan van die overeenkomst of over de uitvoering ervan en conform artikel 1324 Oud Burgerlijk Wetboek een schriftonderzoek moeten bevelen naar de handtekening van de verweerders I op de bijgebrachte onderhandse akte van 21 april 2009, nu de appelrechters zelf geen zekerheid hadden omtrent het bestaan van de overeenkomst. Het afwijzen van een schriftonderzoek is bovendien disproportioneel gezien de uiteindelijke veroordeling van eiser I op straf- en burgerlijk gebied (eerste onderdeel). Het bestreden arrest wijst het door eiser I gevraagde getuigenverhoor af zonder een onderzoek naar de echtheid van de handtekening van de verweerders I op de overeenkomst van 21 april 20098 te bevelen voor de burgerlijke rechter. De toelaatbaarheid van het door eiser I gevraagde getuigenverhoor – dat er op gericht was om de verklaring van eiser I, die onder meer betrekking had op de overeenkomst opgenomen in de bijgebrachte onderhandse akte, te bevestigen – hangt minstens ten dele af van het bestaan van deze overeenkomst die door de verweerders wordt ontkend en die onzeker was, zodat overeenkomstig artikel 16, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, een onderzoek naar de echtheid ervan voor de bevoegde burgerlijke rechter had dienen bevolen te worden (tweede onderdeel).
  2. Het bestreden arrest wijst een schriftonderzoek naar de handtekening op een overeenkomst van 21 april 2009 niet af. In zoverre lijkt het eerste onderdeel van het eerste middel te berusten op een onjuiste lezing en feitelijke grondslag te missen.
  3. De problematiek die eiser I aankaart, heeft betrekking op de prejudiciële geschillen in strafzaken, geregeld door de artikelen 15 tot en met 19 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, inzonderheid de toepassing van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. De strafrechter kan, bij de behandeling van de strafvordering, geconfronteerd worden met een rechtsvraag of een geschilpunt dat tot een ander rechtsdomein behoort en beslissend is voor de beoordeling van de strafvordering. De vraag rijst dan of en op welke wijze de strafrechter zich over deze kwesties, die in se niet van strafrechtelijke aard zijn, mag uitspreken. Overeenkomstig artikel 15 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering beslist de strafrechter zelf over geschillen van burgerlijk recht

(1)die incidenteel voor hem worden opgeworpen naar aanleiding van de misdrijven die bij hem aanhangig zijn, en dit behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen
(2). Dit principe wordt in verband gebracht met de autonomie van het strafrecht, die berust op de idee dat het strafrecht niet aan zijn bijzondere functie zou kunnen beantwoorden indien de strafrechter teveel gebonden wordt door begrips- en besluitvorming uit andere rechtstakken
(3). De principiële verplichting om zelf uitspraak te doen geldt ook voor kwesties opgeworpen in het kader van de beoordeling van de burgerlijke vordering voor het strafgerecht
(4). 6. Wanneer de strafrechter uitspraak doet over zo’n niet strafrechtelijk geschil, past hij in principe de bewijsregels van het strafrecht toe. Dit betekent dat de bewijsmiddelen beheerst worden door de voor de strafprocedure kenmerkende vrije bewijslevering en -waardering. De strafrechter oordeelt over de schuld van een beklaagde volgens zijn innerlijke overtuiging. Die innerlijke overtuiging is slechts de resultante van feitelijke elementen en bewijzen waarop de rechter steunt om zijn beslissing te bepalen
(5). Voor zover de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft
(6), oordeelt de rechter op onaantastbare wijze op welke manier hij zich een overtuiging vormt. In beginsel komt dus elk rationeel bewijsmiddel in aanmerking, dit is elk middel dat zekerheid kan verschaffen. Het bewijs van een misdrijf hangt dus niet af van één of meer welbepaalde bewijsmiddelen
(7). Ook een eventueel tegenbewijs mag principieel door elk bewijsmiddel geleverd worden. De regel van de vrijheid van bewijsmiddelen wordt aangevuld door de regel van de vrije bewijswaardering: de rechter beoordeelt in beginsel onaantastbaar de bewijswaarde van het toelaatbare bewijs
(8). De rechter bepaalt in principe volledig vrij, doch op een rationele wijze, de waarde die aan een bepaald bewijselement wordt gehecht, d.i. de betekenis die aan dat gegeven toekomt in het licht van een beoordeling over de ten laste gelegde feiten
(9). Hij dient geen enkele richtlijn te volgen betreffende het geloof dat hij aan een bepaald bewijsmiddel dient te hechten. De bewijslast rust op de vervolgende (of eisende) partij. Dit vloeit voort uit het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd door artikel 6.2. van het EVRM en artikel 14, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
(10). De beklaagde hoeft zijn onschuld niet te bewijzen. Hij mag een louter passieve houding aannemen en kan niet verplicht worden mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Hij heeft het recht maar niet de plicht om zich te verdedigen. 7. Artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bevat een uitzondering op het principe dat de strafrechter zelf oordeelt over een geschil van burgerlijk recht en daarbij de bewijsregels van het strafrecht toepast. Artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of waarvan de uitlegging betwist wordt, gedraagt de strafrechter zich naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn beslissing over het bestaan van die overeenkomst of over de uitvoering ervan. R. DECLERCQ verwoordt dit als volgt: “als het vervolgde misdrijf verband houdt met – versta daardoor: als het misdrijf afhangt van (eigen onderlijning) – een overeenkomst waarvan het bestaan wordt ontkend of de uitlegging betwist wordt” houdt de strafrechter zich aan de bewijsregels van het burgerlijk recht
(11). Dit is relevant omdat het burgerlijk bewijsrecht gekarakteriseerd wordt door een striktere bewijsregeling dan het strafrecht. Het eerste lid van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bevat aldus een uitzondering op de vrijheid van bewijs. Deze uitzonderingsregel is van openbare orde en moet strikt worden geïnterpreteerd
(12). Artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is alleen van toepassing als het bewijs van het misdrijf of van een bestanddeel ervan afhangt van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of de uitlegging ervan betwist wordt
(13)
(14). Klassiek voorbeeld is een vervolging voor misbruik van vertrouwen: het bewijs van de overeenkomst krachtens dewelke een zaak werd toevertrouwd aan de beklaagde die hierdoor het precair bezit bekwam, zal moeten geleverd worden volgens de bewijsregels van het burgerlijk recht. Zo oordeelde het Hof dat als de overeenkomst betwist wordt door de beklaagde de strafrechter het bestaan ervan moet vaststellen met inachtneming van de artikelen 1341 en volgende Oud Burgerlijk Wetboek; hij moet eventueel de omstandigheden aanwijzen waardoor het de schuldeiser onmogelijk zou zijn geweest zich een schriftelijk bewijs van de bedoelde overeenkomst te verschaffen en die het bewijs van het bestaan ervan door getuigen of vermoedens zou toelaten
(15). Doet men dat wel dan wordt artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geschonden
(16)
(17). Artikel 16, tweede lid, Voorafgaande Titel, heeft betrekking op een prejudicieel geschil sensu stricto: “Indien de toelaatbaarheid van getuigenbewijs afhangt van een geschrift dat ontkend wordt door hem tegen wie het is aangevoerd, wordt een onderzoek naar de echtheid ervan vóór de bevoegde burgerlijke rechter bevolen”. Hoewel de tekst enkel verwijst naar de hypothese waarin “de toelaatbaarheid van het getuigenbewijs afhangt van een geschrift dat ontkend wordt” en dus gaat over een geschrift dat een begin van bewijs uitmaakt
(18), is deze bepaling ook toepasselijk wanneer het ontkende geschrift als volledig schriftelijk bewijs wordt aangevoerd
(19). Het verschil met de situatie beschreven in artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, bestaat er in dat er met betrekking tot de overeenkomst een geschrift bestaat waarvan de echtheid wordt betwist
(20). Wanneer het misdrijf verband houdt met het bestaan of de uitlegging van een overeenkomst die betwist wordt (en de strafrechter de bewijsregels van het burgerlijk recht moet toepassen) en het bewijs afhangt van een geschrift dat ontkend wordt door degene tegen wie het is aangevoerd, ontstaat er aldus een prejudicieel geschil en dient de strafrechter de behandeling van de strafvordering te schorsen in afwachting van de (bindende) uitspraak van de burgerlijke rechter over de echtheid van het geschrift
(21). Als voorbeeld hiervan wordt het geval aangehaald, als, in een vervolging voor misbruik van vertrouwen, een geschreven overeenkomst van bewaargeving door de benadeelde wordt voorgelegd en de beklaagde zijn handtekening op het contract betwist, wordt de strafvordering geschorst tot de uitspraak over de burgerlijke rechter. Artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering vindt echter geen toepassing als het ten laste gelegde misdrijf zelf bestaat in een overeenkomst die betwist wordt, zoals b.v. bij valsheid in geschrifte
(22), of wanneer de overeenkomst op zich zelf het voorwerp van het misdrijf uitmaakt en gebruikt wordt voor het plegen van een misdrijf, zoals bij oplichting
(23). 8. De bepalingen van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering moeten worden beschouwd als een waarborg voor de beklaagde. De ratio legis van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is gelegen in het feit dat de wetgever met dit artikel wil vermijden dat een burgerlijke partij voor de strafrechter méér zou kunnen bekomen dan voor de burgerlijke rechter, waar zij door het wettelijke bewijsstelsel wordt beperkt in de manier waarop zij haar aanspraken kan bewijzen. Bijgevolg is deze regel ook toepasselijk op het Openbaar Ministerie. In het tegenovergestelde geval zou de burgerlijke partij immers via een klacht bij het Openbaar Ministerie de strengere burgerlijke bewijsregels kunnen omzeilen
(24). Het is vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is wanneer een beklaagde ter zijner verdediging het bestaan of de interpretatie van een overeenkomst inroept. Zo oordeelde het Hof in meerdere arresten dat artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, niet tot gevolg heeft dat de strafrechter, wanneer een beklaagde, vervolgd hoofdens misbruik van vertrouwen, voor zijn verdediging het bestaan van een overeenkomst en de uitvoering ervan aanvoert, zich naar de regels van het burgerlijk recht moet gedragen; in dat geval moeten de regels van het bewijs in strafzaken worden toegepast
(25). Het Hof stelde expliciet dat in zulk geval de vrije bewijsvoering en- waardering door de rechter geldt
(26). Gezien het tweede lid van artikel 16, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering enkel een bijkomende omstandigheid aanduidt, nl als er met betrekking tot de overeenkomst bedoeld in artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, een geschrift wordt voorgelegd dat ontkend wordt, en gezien de ratio legis van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, lijkt mij deze rechtspraak volledig van toepassing te zijn op alle situaties voorzien in artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Dat de beperkingen van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering slechts aan het Openbaar Ministerie en de burgerlijke partij worden opgelegd, volgt volgens Ph. TRAEST rechtstreeks uit de tekst van de wet zelf
(27). Dit lijkt mij ook zo te zijn: in zulk geval is het mijns inziens immers niet het bewijs van het misdrijf dat afhangt van het bestaan van een overeenkomst, in de zin van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, doch wordt een overeenkomst aangevoerd ter verantwoording of rechtvaardiging voor een aan de beklaagde verweten gedraging. Dit valt niet onder het strikte toepassingsgebied van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Deze stellingname strookt volgens Ph. TRAEST overigens ook met het concept van het recht van verdediging dat eventuele beperkingen die aan de vrije keuze van de bewijsmiddelen worden gesteld, niet gelden ten aanzien van de beklaagde die zijn onschuld wenst te bewijzen of zich verweert tegen de beschuldigingen
(28). Een beklaagde mag en kan ter zijner verdediging alle bewijselementen aanvoeren zonder gebonden te zijn door het striktere bewijsstelsel uit het burgerlijk recht. Zo oordeelde het Hof dat de beklaagde niet mag veroordeeld worden voor misbruik van vertrouwen omdat hij er niet in slaagt volgens de regels van het burgerlijk recht, het bewijs te leveren dat hij de zaak teruggaf
(29). Dat zou het verleggen betekenen van de bewijslast
(30). Voor de volledigheid wijs ik er op dat, wat betreft het bewijs door getuigen (cfr. tweede onderdeel), volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht heeft getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen. Het recht van een beklaagde om getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen, noch de toelaatbaarheid van getuigen à décharge, hangen in strafzaken af van de echtheid van een geschrift dat door een beklaagde ter zijner verdediging wordt aangevoerd. De bepalingen van artikel 6.3.d EVRM kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt hierbij toe aan de beklaagde om aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Het staat aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij erover dient te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht. De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst
(31). In zoverre het middel in zijn beide onderdelen lijkt uit te gaan van andere rechtsopvattingen, lijkt mij dit te falen naar recht.
  1. Het bestreden arrest stelt vast dat eiser I ter zijner verdediging het verweer voerde dat de in de telastleggingen vermelde betalingen via overschrijvingen en kantoorcheques kaderden in de aankoop door verweerders I van kasbons om fiscale reden. Eiser I legt een eigenhandig getypte verklaring voor van 15 mei 2015 waarin hij beschrijft hoe hij in opdracht van de verweerders I kasbons die door klanten (vóór de vervaldag) werden aangeboden, zou hebben gekocht. Er wordt ter zake verwezen naar een overeenkomst van 21 april 2009 inzake de overname van kasbons tussen eiser I en de verweerders I. Het arrest stelt vast dat er slechts kopie van een “voorbeeldovereenkomst” van 21 april 2009 inzake overname van kasbons wordt overgelegd, waarvan het bestaan door de verweerders I op de terechtzitting formeel werd ontkend. Uit het bestreden arrest blijkt dat eiser I vraagt, indien de appelrechters zijn verklaring ongeloofwaardig achten, twee personen als getuige à décharge te horen. Uit de appelconclusie van eiser I noch uit de overige stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat eiser I een schriftonderzoek heeft gevraagd met betrekking tot de overeenkomst van 21 april
  2. Uit bovenstaande blijkt dat de door eiser I voorgebrachte overeenkomst geen verband houdt met de misdrijven waaraan hij schuldig werd verklaard, in de zin van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, maar een overeenkomst betreft die eiser I ter zijner verdediging aanvoert. Evenmin hangt de toelaatbaarheid van een eventueel getuigenverhoor à décharge af van de echtheid van dit geschrift. De appelrechters dienden geen toepassing te maken van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. In zoverre lijkt het middel in zijn twee onderdelen niet te kunnen worden aangenomen.
  3. Eiser I voert in zijn toelichting bij het eerste middel aan dat, indien het Hof van oordeel zou zijn dat artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering enkel geldt wanneer de beklaagde een door de burgerlijke partij ingeroepen overeenkomst ontkent en niet wanneer de burgerlijke partij een door de beklaagde ingeroepen overeenkomst ontkent, hierover een prejudiciële vraag zou dienen gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof. Er zou alsdan een verschil in behandeling bestaan tussen enerzijds de beklaagde die zich tegen de burgerlijke vordering dient te weren voor de strafrechter en gehouden is tot de regels van het strafrechtelijk bewijs, en anderzijds de beklaagde die zich tegen de burgerlijke vordering dient te verweren voor de burgerlijke rechter in welk geval de regels van de bewijsvoering in burgerlijke zaken van toepassing zouden zijn (toelichting bij het middel). De miskenning van het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, houdt in dat gelijke toestanden ongelijk worden behandeld of ongelijke toestanden gelijk worden behandeld. De strafrechter heeft krachtens de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid om uitspraak te doen over de burgerlijke vordering in zoverre de door de burgerlijke partij ingestelde rechtsvordering strekt tot vergoeding van de door een misdrijf veroorzaakte schade. De benadeelde kan in principe zijn vordering tot schadevergoeding van de door een misdrijf veroorzaakte schade, naar eigen keuze aanhangig maken hetzij bij de strafrechter, hetzij bij de burgerlijke rechter. Dergelijke rechtsvordering kan door een burgerlijke partij ook voor de burgerlijke rechter gebracht worden
(32). De bewijsregels in strafzaken (bewijslast, vrijheid van bewijslevering en vrijheid van bewijswaardering, met inbegrip van de uitzondering voorzien in artikel 16 Voorafgaande Titel van Strafvordering) zijn van toepassing zodra het te bewijzen feit een misdrijf is. Het speelt daarbij geen rol of men zich bevindt voor de strafrechter dan wel voor de burgerlijke rechter
(33). Zo oordeelde het Hof dat een vordering in rechte die voor de burgerlijke rechter gegrond is op een misdrijf, onder toepassing van de regels van de bewijsvoering in strafzaken valt
(34). Het lijkt mij dan ook dat het door eiser I voorgehouden verschil in behandeling wat betreft de toe te passen bewijsregels voor het bewijs van het misdrijf waarop een burgerlijke vordering is gebaseerd, tussen een beklaagde die zich tegen de burgerlijke vordering die gegrond is op een misdrijf dient te weren voor de strafrechter en een beklaagde die zich tegen dergelijke burgerlijke vordering dient te weren voor de burgerlijke rechter, uitgaat van een verkeerde premisse. Er lijkt mij dan ook geen reden tot het stellen van een prejudiciële vraag. Tweede middel.
  1. In zijn eerste onderdeel voert eiser de schending aan van artikel 190, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2 en 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek. Eiser verzocht, enerzijds middels verzoekschrift overeenkomstig artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, anderzijds middels syntheseconclusie, bijkomende onderzoeksmaatregelen, met name de overlegging van stukken en de aanstelling van een financieel forensisch deskundige. Deze maatregelen waren noodzakelijk met het oog op de ongegrondverklaring van de burgerlijke rechtsvordering van verweerders I tot teruggave van gelden. Het arrest wijst deze maatregelen ten onrechte af op grond van de redenen dat artikel 19, derde lid, Gerechtelijk wetboek niet toepasselijk is gelet op het bijzonder karakter van de strafrechtspleging. Het arrest oordeelt in dat verband dat de correctionele rechtbank niet bevoegd is om de overlegging van stukken overeenkomstig de artikelen 877 tot en met 882 Gerechtelijk Wetboek te bevelen en het oordeelt dat het verzoek tot aanstelling van een financieel forensisch deskundige slechts is ingegeven door loutere veronderstellingen, terwijl de eiser I verschillende elementen en stukken aanreikt die aannemelijk maken dat de verweerders I betrokken waren bij een systeem om de herkomst van hun gelden verborgen te houden voor de fiscus, wat de aanstelling van een financieel forensisch deskundige verantwoordt. Mocht het Hof van oordeel zijn dat de artikelen 877 tot en met 882 Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn in het kader van de burgerlijke vordering voor de strafrechter, verzoekt eiser I tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
  2. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel over de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten, lijkt het onderdeel niet ontvankelijk. Het Hof heeft hierover geen bevoegdheid.
  3. Artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt: Alvorens recht te doen, kan de rechter, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen. De meest gerede partij kan hiertoe de zaak in elke stand van het geding voor de rechter brengen bij eenvoudig schriftelijk verzoek neergelegd ter of toegezonden aan de griffie in zoveel exemplaren als er partijen in het geding zijn, vermeerderd met één; de griffier roept de partijen en, in voorkomend geval, hun advocaat op bij gewone brief of, ingeval de partij verstek heeft laten gaan op de inleidingszitting en geen advocaat heeft, bij gerechtsbrief.]13[Bij deze oproeping wordt een exemplaar van het verzoek gevoegd. Voor de behandeling van de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter zijn de procedureregels die van het strafproces van toepassing en in principe niet die van het burgerlijk procesrecht
(35). De bepaling van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek lijkt mij onverenigbaar met de strafrechtspleging. In zoverre lijkt het eerste onderdeel te falen naar recht.
  1. Het arrest oordeelt niet enkel zoals aangevoerd in het eerste onderdeel van dit middel, maar oordeelt ook dat: - de illegale herkomst van de kwestieuze tegoeden door de eiser I enkel wordt vermoed en geenszins aannemelijk wordt gemaakt; - uit de stukken waarop het hof van beroep acht kan slaan, niet blijkt dat de verweerders I worden vervolgd of werden veroordeeld wegens misdrijven waaruit (aanzienlijke) illegale vermogensvoordelen voortvloeien; - uit de stukken van het strafdossier evenmin blijkt dat de verweerders I het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een fiscaal onderzoek; - de verzoeken van de eiser I tot overlegging van de persoonlijke belastingaangiften van de verweerders I, van de aanslagen en van de boekhouding van hun vennootschappen en tot aanstelling van een financieel forensisch deskundige bijgevolg op niets is gesteund en is ingegeven door loutere veronderstellingen, zonder de minste concrete aanwijzingen; - het tijdsverloop een efficiënte uitvoering van (bepaalde van) de gevraagde onderzoeksmaatregelen hypothekeert en de eiser I nooit eerder om bijkomend onderzoek heeft verzocht over die aspecten die hij thans in zijn verzoekschrift en syntheseberoepsbesluiten als relevant opwerpt, zodat deze thans gerezen (eventuele) onmogelijkheid niet als een miskenning van zijn recht van verdediging kan worden beschouwd; - het hof van beroep zich voldoende ingelicht acht en voldoende elementen heeft om zijn overtuiging te vormen. Mij lijkt het dat deze zelfstandige, vergeefs bekritiseerde, redenen de beslissing tot afwijzing van de verzoeken van de eiser I tot overlegging van stukken en tot aanstelling van een financieel forensisch deskundige dragen en deze beslissing naar recht verantwoorden. Het eerste onderdeel lijkt dus in zoverre niet tot cassatie te kunnen leiden en lijkt bijgevolg niet ontvankelijk. Een voorgestelde prejudiciële vraag, die gericht is tegen overtollige redenen, hoeft niet gesteld te worden.
  2. Het tweede onderdeel voert de schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 780, lid 1, 3° Gerechtelijk Wetboek. Het arrest heeft op onvoldoende wijze aangegeven welke elementen tot afwijzing van de gevraagde bijkomende onderzoeksmaatregel tot aanstelling van een financieel forensisch deskundige hebben geleid. Op deze wijze is het niet mogelijk om na te gaan of het recht van verdediging en het recht op bewijslevering in rekening werd genomen. Het arrest beantwoordt het verweer van eiser I niet.
  3. Artikel 780, lid 1, 3° Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken. In zoverre lijkt het tweede onderdeel te falen naar recht.
  4. De rechter beslist onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en gepastheid van een deskundigenonderzoek. Aldus belet niets om, mits naleving van zijn motiveringsverplichting, de aanstelling van een deskundige te weigeren wanneer een partij haar verzoek tot deskundigenonderzoek niet grondt op een aannemelijk gegeven of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen
(36). Hieruit kan geen schending van artikel 6 EVRM dan wel een miskenning van het recht van verdediging worden afgeleid. Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen te overleggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt. Het recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de voormelde beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit
(37). In zoverre het tweede onderdeel zou uitgaan van andere rechtsopvattingen, lijkt mij dit te falen naar recht. 18. Met de onder randnummer 14 vermelde redenen, lijkt het mij dat de appelrechters hun weigering tot het bevelen van het door de eiser I gevraagde deskundigenonderzoek naar recht verantwoorden. Met deze redenen beantwoorden en verwerpen zij het verweer van eiser I. De beslissing lijkt mij regelmatig met redenen omkleed. In zoverre lijkt het tweede onderdeel niet te kunnen worden aangenomen. (…) Ik heb geen ambtshalve middelen. Conclusie: verwerping van de cassatieberoepen. _______________________________
(1)Aanvaard wordt dat de bewoordingen “geschillen van burgerlijk recht” niet strikt te interpreteren zijn. Het betreft alle vragen die niet van strafrechtelijke aard zijn: J. SEGERS, “Over prejudiciële geschillen”, RW 1950-51, 1497; Ph. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, MYS en BREESCH 1992, 420, nr. 826; S. VERELST, “Artikel 15 V.T.Sv.” in M. DE BUSSCHER, J. MEESE, D. VAN DER KELEN en J. VERBIST (eds.), Duiding strafprocesrecht, Gent, Larcier 2017, 56.
(2)Voorbeelden van dergelijke rechtsvragen of geschillen waarover de strafrechter zelf beslist: zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 50-51, nr. 96; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, 98, nr. 126; J. SEGERS, “Over prejudiciële geschillen”, RW 1950-51, 1497, nr. 2.
(3)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, 98, nr. 125; J. DU JARDIN, “De prejudiciële geschillen in strafzaken”, in X., Recht in beweging. Liber amicorum Prof. René Victor, Deurne, Kluwer 1973, 433 e.v.
(4)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, 98, nr. 126 met verwijzing naar Cass. 4 maart 1929, Pas. 1929, I, 117.
(5)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 867, nr. 2032; F. VAN VOLSEM, “Het bewijs in strafzaken door feitelijke vermoeden”, RABG 2017, afl. 1, 32; D. HOLSTERS, “Bewijsvoering in strafzaken” in P. ARNOU, A. VANDEPLAS, S. VANDROMME en S. VAN OVERBEKE (eds.), Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, bijgewerkt tot 1 januari 1995, 2-3.
(6)Uitzonderlijk bepaalt de wetgever dat een misdrijf of een bepaald aspect van een misdrijf slechts op een bepaalde wijze of m.a.w. slechts met een bepaald bewijsmiddel of bepaalde bewijsmiddelen kan worden bewezen.
(7)M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, 1331-1332.
(8)M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, 1365; F. VAN VOLSEM, “Het bewijs in strafzaken door feitelijke vermoeden”, RABG 2017, afl. 1, 33; Ph. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, MYS en BREESCH 1992, 414.
(9)Ph. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, MYS en BREESCH 1992, 403-404.
(10)M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, 1316-1317.
(11)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 51, nr. 97.
(12)Cass. 20 maart 1950, Pas. 1950, 508; J. SEGERS, “Over prejudiciële geschillen”, RW 1950-51, 1508, nr. 38; Ph. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, MYS en BREESCH 1992, 393, nr. 768 en 421, nr. 827; S. VERELST, “Art. 16 V.T.Sv.” in M. DE BUSSCHER, J. MEESE, D. VAN DER KELEN en J. VERBIST (eds.), Duiding strafprocesrecht, Gent, Larcier 2017, 58.
(13)Cass. 20 mei 2008, AR P.08.0180.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080520.2, AC 2008, nr. 305; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 872, nr. 2038.
(14)Volgens R. DECLERCQ rijst de vraag of de bepaling van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering beperkt blijft tot het daarin beschreven geval, waarin namelijk het misdrijf afhangt van een voorafbestaand contract. R. DECLERCQ haalt aan dat het Hof van Cassatie ooit beslist heeft dat die bepaling toepasselijk was als er niet een overeenkomst maar een juridisch feit, b.v. een betaling, moest worden bewezen (Cass. 12 februari 1940, Pas. 1940, I, 46 en noot R.H.). Sedertdien werd echter beslist dat de regelen van het burgerlijk recht niet van toepassing zijn als het misdrijf niet met de uitvoering van een overeenkomst verbonden is (Cass. 2 juni 1981, AC 1981, nr. 570): zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 871, nr. 2038. Ik merk op dat het Hof in haar arresten nu eens de terminologie “een voorafbestaand burgerlijk juridisch feit” hanteert (Cass. 20 mei 2008, AR P.08.0180.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080520.2, AC 2008, nr. 305; Cass. 27 september 1976, AC 1976, 106) dan weer zich houdt aan de terminologie van de wet en verwijst naar “het bestaan van een overeenkomst of de uitvoering ervan” (Cass. 29 juni 2016, AR P.15.0395.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160629.3, AC 2016, nr. 429, RW 2017-18, afl. 25, 983 met noot; Cass. 24 oktober 2007, AR P.07.0799.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071024.6, AC 2007, nr. 502; Cass. 24 september 1996, AR P.94.1072.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960924.5, AC 1996, nr. 326).
(15)V. VEREECKE, “Enkel de overeenkomst die verband houdt met het misdrijf, valt onder toepassing van artikel 16. V.T.Sv.”, noot onder Cass. 6 september 2016, AR P.16.0647.N, RABG 2017, afl. 1, 49; Cass. 19 februari 2013, AR P.12.0637.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130219.4, AC 2013, nr. 115 en de noot over de andersluidende concl. van advocaat-generaal DE SWAEF; Cass. 21 november 1989, AR 3334, AC 1989, nr. 184.
(16)Cass. 3 juni 2014, AR P.13.0283.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.1, AC 2014, nr. 397, T.Strafr. 2015, afl. 3, 129 met noot J. DECOCKER.
(17)De in voetnoot 15 en 16 geciteerde rechtspraak dateert van vóór de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek. Dienaangaande is het nuttig te verwijzen naar het arrest van het Hof van 4 februari 2021 in verband met de werking in de tijd van het nieuwe bewijsrecht, waarin het Hof oordeelde: “In de regel is de nieuwe wet, overeenkomstig artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk de wet enkel beschikt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft, en het algemeen rechtsbeginsel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet niet alleen van toepassing op de toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten; inzake overeenkomsten blijft evenwel de oude wet van toepassing, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing ervan op lopende overeenkomsten bepaalt. Artikel 3 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging van toepassing zijn op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald. Het bewijs van de overeenkomst houdt geen verband met de rechtspleging maar met het recht zelf. Hieruit volgt dat de toelaatbaarheid van het bewijsmiddel van een overeenkomst in de regel wordt bepaald door de wet die van toepassing is op de datum waarop die overeenkomst werd gesloten. Het onderdeel dat geheel uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.” (Cass. 4 februari 2021, AR C.20.0399.F, AC 2021, nr. 99, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2, NjW 2022, afl. 454, 31-32, met noot P. THIRIAR).
(18)Cfr. de artikelen 1341, eerste lid, en 1347 Oud BW: “Artikel
  1. Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 EUR. “Art.
  2. De hiervoor bepaalde regels lijden uitzondering, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is. Men noemt begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt”. Thans zijn dit artikelen 8.9, § 1, eerste lid, en 8.13 BW: Artikel 8.9, § 1, eerste lid, BW bepaalt het volgende: “De rechtshandeling met betrekking tot een som of een waarde die gelijk is aan of hoger is dan 3.500,00 euro, moet door de partijen worden bewezen door een ondertekend geschrift”. Artikel 8.13 BW bepaalt het volgende: “In afwijking van artikel 8.9,, kan het ondertekend geschrift worden vervangen door een bekentenis, een beslissende eed of een begin van bewijs door geschrift voor zover dit laatste wordt aangevuld met een ander bewijsmiddel”.
(19)X., Rép.prat.dr.belge, t. XI, Questions préjudicielles, Brussel, Bruylant 1940, 60, nr. 76; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 52, nr. 99; A. FONTIGNY, “Les questions préjudicielles” in Les Novelles, Procédure pénale, I/1, Questions préjudicielles, 257, nr. 34; Ph. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, MYS en BREESCH 1992, 422, nr. 829; S. VERELST, “Art. 16 V.T.Sv.” in M. DE BUSSCHEr, J. MEESE, D. VAN DER KELEN en J. VERBIST (eds.), Duiding strafprocesrecht, Gent, Larcier 2017, 58.
(20)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, 104, 135.
(21)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 52, nr. 99; A. FONTIGNY, “Les questions préjudicielles” in Les Novelles, Procédure pénale, I/1, Questions préjudicielles, 257, nr. 34; Ph. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, MYS en BREESCH 1992, 422, nrs. 829-830; S. VERELST, “Art. 16 V.T.Sv.” in M. DE BUSSCHER, J. MEESE, D. VAN DER KELEN en J. VERBIST (eds.), Duiding strafprocesrecht, Gent, Larcier 2017, 58.
(22)Cass. 14 december 1982, AC 1982, nr. 224.
(23)Cass. 27 mei 2014, AR P.12.1265.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140527.1, AC 2014, nr. 379.
(24)Cass. 3 juni 2014, AR P.13.0283.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.1, AC 2014, nr. 397, T.Strafr. 2015, afl. 3, 129 met noot J. DECOCKER; Cass. 20 mei 2008, AR P.08.0180.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080520.2, AC 2008, nr. 305; zie ook noot P.M. onder Cass. 4 mei 1953, Pas. 1953, 681; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, p. 1332; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, 99, nr. 127; J. DUJARDIN, “De prejudiciële geschillen in strafzaken” in X., Recht in beweging. Liber amicorum Prof. René Victor, Deurne, Kluwer 1973, 437; J. SEGERS, “Over prejudiciële geschillen”, RW 1950-51, 1508, nr. 38; S. VERELST, “Art. 16 V.T.Sv.” in M. DE BUSSCHER, J. MEESE, D. VAN DER KELEN en J. VERBIST (eds.), Duiding strafprocesrecht, Gent, Larcier 2017, 58.
(25)Cass. 29 juni 2016, AR P.15.0395.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160629.3, AC 2016, nr. 429 , RW 2017-18, afl. 25, 983 met noot; Cass. 6 september 2016, AR P.16.0647.N, RABG 2017, afl 1, 44, met noot V. VEREECKE; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, p. 1333; Cass. 20 mei 2008, AR P.08.0180.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080520.2, AC 2008, nr. 305; Cass. 24 oktober 2007, AR P.07.0799.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071024.6, AC 2007, nr. 502; Cass. 24 september 1996, AR P.94.1072.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960924.5, AC 1996, nr. 326; Cass. 27 september 1976, AC 1976, 106; Cass. 4 mei 1953, Pas. 1953, 681, met noot P.M.; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 53, nr. 100; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, nr. 128; D. HOLSTERS, “Bewijsvoering in strafzaken” in P. ARNOU, A. VANDEPLAS, S. VANDROMME en S. VAN OVERBEKE (eds.), Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, bijgewerkt tot 1 januari 1995, 7-8.
(26)Cass. 20 mei 2008, AR P.08.0180.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080520.2, AC 2008, nr. 305.
(27)Ph. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, MYS EN BREESCH 1992, 392, nr. 765.
(28)Ph. TRAEST, Het bewijs in strafzaken, Gent, MYS EN BREESCH 1992, 392, nr. 765.
(29)Cass. 27 september 1976, AC 1977, nr. 106.
(30)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 53, nr. 97.
(31)Cass. 27 april 2021, AR P.21.0185.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.15, AC 2021, nr. 303; Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1104.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5, AC 2021, nr. 166; Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15; Cass 26 februari 2019, AR P.18.1028 N, AC 2019, nr. 117? ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1.
(32)Art. 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; R. DECLERQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 1156, nr. 2919.
(33)M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, p. 1388.
(34)Cass. 2 januari 2003, AR C.01.0188.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030102.3, AC 2003, nr. 1; Cass. 14 december 2001, AR C.98.0469.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011214.4, AC 2001, nr. 705 met concl. van procureur-generaal J. DU JARDIN, op datum in Pas.; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, II, p. 1389; R. DECLERQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 1315, nr. 3343.
(35)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 1245, nr. 3170.
(36)Cass. 29 december 2020, AR P.20.0988.N, AC 2020, nr. 793, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.11, RW 2021-22, nr. 31, 1-2; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0573.N, AC 2020, nr. 733, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6; Cass. 11 september 2020, AR C.19.0448.N, AC 2020, nr. 525, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.1; Cass. 15 juni 2012, AR C.11.0721.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120615.3, AC 2012, nr. 390; Cass. 31 januari 2012, AR P.11.1227.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120131.4, AC 2012, nr. 76 en Cass. 9 mei 2005, AR S.04.0183.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23, AC 2005, nr. 108. Zie J. LAENENS, “Het bewijs en de onderzoeksmaatregelen”, in De rol van de accountant en belastingconsulent, Die Keure 2003, 37-40; B. ALLEMEERSCH, “Taakverdeling in het burgerlijk proces”, Intersentia 2007, 413; D. DE WOLF, “Handboek correctioneel procesrecht”, Intersentia 2013, 79-83; R. DECLERCQ, “Beginselen van strafrechtspleging”, Kluwer 2014, 905; B. DE SMET, “Deskundigen in het strafproces. Algemene beginselen”, Kluwer 2015, 47-50.
(37)Zie Cass. 1 december 2020, AR P.20.0573.N, AC 2020, nr. 733, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6; Cass. 9 december 2021, AR C.19.0644.N, AC 2021, nr. 783, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211209.1N.2. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.20 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960924.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011214.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030102.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071024.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080520.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120131.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120615.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130219.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140527.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160629.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.15 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211209.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.