← België

BELGISCHE STAAT fod FINANCIEN contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 april 2023 EC

Art. 2terVerordening (EU) nr.

509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië - 15-06-2012 - Art. 1 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Besluit van de Vlaamse Regering 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand - 14-03-2014 - Artt. 3 tot en met 7 - 21 ELI link Pub nr 2014035413 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 281 en 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: ECONOMIE Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik - 05-05-2009 - Artt. 3, 6, 9 en 11 Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/

Art. 2terVerordening (EU) nr.

509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië - 15-06-2012 - Art. 1 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Besluit van de Vlaamse Regering 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand - 14-03-2014 - Artt. 3 tot en met 7 - 21 ELI link Pub nr 2014035413 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 281 en 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik - 05-05-2009 - Artt. 3, 6, 9 en 11 Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/

Art. 2terVerordening (EU) nr.

509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië - 15-06-2012 - Art. 1 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Besluit van de Vlaamse Regering 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand - 14-03-2014 - Artt. 3 tot en met 7 - 21 ELI link Pub nr 2014035413 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 281 en 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik - 05-05-2009 - Artt. 3, 6, 9 en 11 Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/

Art. 2terVerordening (EU) nr.

509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië - 15-06-2012 - Art. 1 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Besluit van de Vlaamse Regering 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand - 14-03-2014 - Artt. 3 tot en met 7 - 21 ELI link Pub nr 2014035413 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 281 en 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Tekst van de conclusie P.22.1396.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 september 2022, gewezen op verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van 10 november 2020

(1). I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN. 1. Via de Centrale Administratie van Douane en Accijzen vernam de Administratie Onderzoek en Opsporing dat de Nederlandse bevoegde diensten een onderzoek voerden naar de zusterfirma van AAE CHEMIE TRADING NV, m.b.t. mogelijke overtredingen op de Verordening (EU) 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië. Verder onderzoek bracht uiteindelijk aan het licht dat in de periode van 22 mei 2014 tot 19 december 2016, de producten aceton (219.340
  1. kg)en methanol (76.980 kg), alsook de producten isopropanol (167.960
  2. kg)en dichloormetaan (21.600
  3. kg)door AAE CHEMIE TRADING NV werden uitgevoerd naar Syrië en Libanon, zonder dat een uitvoervergunning was voorgelegd en zonder vermelding in de uitvoerdocumenten dat hiervoor een vergunning nodig was. De douanedocumenten voor de betreffende 24 zendingen van chemische producten waren in opdracht van AAE CHEMIE TRADING NV, waarvan de heer R.R. de afgevaardigd bestuurder was (eerste verweerder) en de heer H.V. de zaakvoerder (derde verweerder), opgesteld door twee douane-expediteurs, waaronder DANMAR LOGISTICS BVBA (tweede verweerster). 2. Bij dagvaarding betekend op 10 en 16 april 2018 op vervolging en benaarstiging van de adviseur-generaal van de administratie Geschillen, Administratie der Douane en Accijzen, werden de twee douane-expediteurs waaronder DANMAR LOGISTICS BVBA, de heer H.V. (zaakvoerder) en de heer R.R. (afgevaardigd bestuurder) voor de correctionele rechtbank te Antwerpen vervolgd op grond van de volgende telastlegging: “In de periode van 22 mei 2014 tot en met 19 december 2016: Het niet voorleggen van de vereiste uitvoervergunningen bij uitvoer van 219.340 kg aceton, 167.960 kg isopropanol, 76.980 kg methanol en 21.600 kg dichloormethaan naar Syrië en Libanon, vastgesteld naar aanleiding van een onderzoek a posteriori.” 3. De correctionele rechtbank te Antwerpen herkwalificeerde bij vonnis van 7 februari 2019 de feiten naar het “niet vermelden van het vereiste om een uitvoervergunning voor te leggen” en verklaarde vervolgens deze feiten in hoofde van alle verweerders bewezen. Aldus steunde het de vervolging en bestraffing ervan op artikel 231 AWDA, waarbij de vervolgingsbevoegdheid behoort tot de Algemene Administratie Douane en Accijnzen (AADA). De verweerders werden veroordeeld tot gevangenisstraffen met uitstel, met name 4 maanden voor de eerste verweerder en 12 maanden voor de derde verweerder en alle drie tot geldboete, bijdragen en de kosten. 4. Tegen deze beslissing werd door alle partijen hoger beroep aangetekend. Het hof van beroep te Antwerpen was van oordeel dat er geen reden was tot herkwalificatie en greep in het arrest van 19 juni 2020 terug naar de oorspronkelijke kwalificatie waarbij het oordeelde dat de feiten vervolgbaar en strafbaar waren op basis van de Wet Uitvoer (zie infra) en artikel 1, § 3, KB Uitvoer (zie infra), dit ingevolge de publicatie in het Belgisch Staatsblad van 2 april 2012 van een bericht “Specifieke beperkende maatregelen tegen Syrië. Bericht van verbod. Toepassing van de Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van de Verordening (EU) nr. 442/2011” (zie infra). Overtredingen op krachtens de Wet Uitvoer uitgevaardigde bepalingen worden vervolgd door de AADA op basis van de artikelen van de AWDA. Alle beklaagden werden opnieuw veroordeeld tot gevangenisstraffen met uitstel, geldboeten, kosten en bijdragen
(2).
  1. Tegen dit arrest tekenden de verweerders op 2 juli 2020 cassatieberoep aan en bij arrest van 10 november 2020 vernietigde Uw Hof (P.20.0759.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.6) het betreffende arrest van 19 juni
  2. Het Hof stelde met name dat het oordeel van het hof van beroep te Antwerpen volgens hetwelk het sanctiestelsel van de Wet Uitvoer van toepassing was op de overtredingen van de Verordening (EU) 36/2012 omdat daarover in het Belgisch Staatsblad een bericht was gepubliceerd, zodat België daardoor uitvoering had gegeven aan haar verplichtingen vervat in artikel 33 van de Verordening, niet naar recht was verantwoord. Het Hof oordeelde inderdaad dat uit de wetsgeschiedenis van het KB Uitvoer alsook uit de rechtstreekse werking van Verordening (EU) nr. 36/2012 en de wijzigingsverordeningen volgt dat het vermelde bericht enkel een informatieve waarde heeft, dat dit bericht niet vereist is voor de inwerkingtreding van de vergunningsplicht bepaald in de vermelde verordeningen en dat het evenmin een uitvoeringsbesluit is waarvan de overtreding strafbaar is gesteld door artikel 9, §,1, KB Uitvoer. Daarenboven oordeelde het Hof dat een overtreding van Verordening (EU) nr. 36/2012 en de wijzigende verordeningen ook geen overtreding van een krachtens de Wet Uitvoer uitgevaardigde bepaling is, zodat een dergelijke overtreding niet als dusdanig wordt strafbaar gesteld door artikel 10 van die wet. De zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen anders samengesteld.
  3. Het thans bestreden arrest van 22 september 2022 van het hof beroep te Antwerpen verklaart de strafvordering onontvankelijk ten aanzien van de verweerders. Volgens het bestreden arrest was de eiser, in casu de Douaneadministratie, niet bevoegd om de vervolging uit te oefenen voor de aanhangig gemaakte feiten, zijnde inbreuken op artikel 2ter van de Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012, strafbaar gesteld door artikel 6 van de Wet van 13 mei 2003, aangezien het initiatiefrecht voor deze vervolging toekomt aan het ambt van de procureur des Konings. Volgens het bestreden arrest was het ook niet mogelijk om de feiten zoals die blijken uit de stukken van het onderzoek en de inleidende dagvaarding te herkwalificeren naar een inbreuk op artikel 231 AWDA, die wel de bevoegdheid impliceert van de AADA. Het cassatieberoep is gericht tegen dit arrest. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
  4. De eiser voert één middel aan dat uiteenvalt in een twee onderdelen, met telkens twee subonderdelen. Ik zal mijn uiteenzetting aanvangen met de bespreking van het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel, omdat de erin ontwikkelde redenering ook een impact heeft op de beoordeling van het eerste subonderdeel. Het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel voert de schending aan van artikel 10 van de wet van 11 september 1962 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie (Wet Uitvoer), de artikelen 281 en 283 AWDA en de artikelen 3 tot en met 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand (Besluit 14 maart 2014). Het bestreden arrest oordeelde met name dat een inbreuk op artikel 2ter van Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011 strafbaar wordt gesteld door artikel 6 van de wet van 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten, zodat de strafvordering tegen de verweerders onontvankelijk was wegens de onbevoegdheid van de eiser om een dergelijke inbreuk te vervolgen, vermits het in het oordeel van de appelrechters niet om ‘douanewet’ zou gaan, zodat de uitoefening van de strafvordering toekwam aan het ambt van de procureur des Konings.
  5. De eiser stelt daarentegen dat een inbreuk op Verordening nr. (EU) 36/2012 strafbaar gesteld wordt door artikel 10 Wet Uitvoer zodat de Administratie Douane en Accijnzen wel degelijk bevoegd was om tot vervolging over te gaan. Volgens de eiser volgt dit uit artikel 2ter.3 Verordening nr. 36/2012 dat bepaalt dat de vereiste vergunning moet worden afgeleverd overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik. Verder houdt de eiser voor dat wanneer de uitvoerder in het Vlaamse Gewest is gevestigd het Besluit 14 maart 2014 geldt dat uitgevaardigd is krachtens de artikelen 2 en 4 Wet Uitvoer die, steeds volgens eiser, een “wet inzake douane en accijnzen” is in de zin van artikel 281 AWDA. De kernvraag in de voorliggende problematiek is derhalve vast te stellen welke de precieze strafbaarstelling van de feiten is en welk sanctiestelsel erop van toepassing is, hetgeen een onmiddellijke weerslag heeft op de bevoegdheid om deze feiten te vervolgen. Hiervoor dringt zich een studie op van het wettelijk kader, zowel op Europees als op Belgisch niveau.
  6. Op vlak van de Europese wetgeving is er dus de Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011, in werking getreden op 19 januari 2012, die verbodsbepalingen bevat met betrekking tot bepaalde activiteiten van handel en samenwerking met Syrië en daarvoor verwijst naar de bijlagen I tot VII. Die verordening bepaalt in artikel 33.1 ook: “De lidstaten stellen de voorschriften vast betreffende sancties op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze voorschriften ten uitvoer worden gelegd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn”.
  7. Artikel 1 van Verordening (EU) nr. 509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, in werking getreden op 17 juni 2012, voert in Verordening (EU) nr. 36/2012 een artikel 2ter in, dat een voorafgaande vergunning van de bevoegde lidstaat vereist voor het direct of indirect verkopen, leveren, overdragen of exporteren van de apparatuur, goederen of technologie die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt, als genoemd in bijlage IX, al dan niet van oorsprong uit de Unie, ten behoeve van een Syrische persoon, entiteit of lichaam of bestemd voor gebruik in Syrie. Die bijlage IX vermeldt onder nummer IX.A1.003 het product dichloormethaan in een concentratie van 95 procent of meer. De producten aceton in een concentratie van 90 procent of meer, isopropanol in een concentratie van 95 procent of meer en methanol in een concentratie van 90 procent of meer werden aan de bijlage IX toegevoegd door artikel 1, 11), van Verordening (EU) Nr. 697/2013 van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, in werking getreden op 24 juli
  8. Artikel 288, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) stelt dat een verordening een algemene strekking heeft, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreekse toepasselijk is in elke lidstaat. Dat houdt dus in dat in casu dat er voor de uitvoer van dichloormetaan sedert 17 juni 2012 en voor aceton, isopropanol en methanol sedert 24 juli 2013 een vergunning vereist is.
  9. Het ingevoegde artikel 2ter luidt in zijn volledigheid
(3)als volgt:
  1. Een voorafgaande vergunning is vereist voor het direct of indirect verkopen, leveren, overdragen of exporteren van de apparatuur, goederen of technologie die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt, als genoemd in bijlage IX, al dan niet van oorsprong uit de Unie, ten behoeve van een Syrische persoon, entiteit of lichaam of bestemd voor gebruik in Syrië.
  2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, als genoemd op de websites die in bijlage III worden vermeld, verlenen geen toestemming voor het verkopen, leveren, overdragen of exporteren van de apparatuur, goederen of technologie opgenomen in bijlage IX, indien zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de apparatuur, goederen of technologie die het voorwerp zijn van de verkoop, levering, overdracht of export worden gebruikt of zou kunnen worden gebruikt voor binnenlandse repressie of voor de vervaardiging of het onderhoud van producten die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt.
  3. De op grond van dit artikel voor de uitvoer vereiste vergunning wordt overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur is gevestigd. De vergunning is in de gehele Unie geldig.
  4. De Verordening (EG) nr. 428/2009, de zogenaamde dual use-verordening, waarop de eiser zich beroept, meer bepaald op artikel 11 ervan, maakt deel uit van Hoofdstuk III “Uitvoervergunning en vergunning voor tussenhandeldiensten” dat de artikelen 9 tot en met 14 omvat. Artikel 11 Verordening (EG) nr. 428/2009, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten
(4), bepaalde: “
  1. Indien de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor een individuele uitvoervergunning wordt aangevraagd voor een niet in de lijst van bijlage II a vermelde bestemming of, in het geval van in de lijst van bijlage IV vermelde producten voor tweeërlei gebruik, voor een willekeurige bestemming, zich in een of meer andere lidstaten bevinden of zullen bevinden dan die waar de vergunning wordt aangevraagd, wordt dat gegeven in de aanvraag vermeld. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, treden onverwijld in overleg met de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat of lidstaten en verstrekken alle ter zake dienende informatie. De geraadpleegde lidstaat of lidstaten maken eventuele bezwaren tegen de afgifte van een dergelijke vergunning binnen tien werkdagen kenbaar. Deze bezwaren zijn bindend voor de lidstaat waar de vergunning is aangevraagd. Indien binnen tien werkdagen geen bezwaren worden ontvangen, wordt de geraadpleegde lidstaat of worden de geraadpleegde lidstaten geacht geen bezwaar te hebben. In uitzonderlijke gevallen kan een geraadpleegde lidstaat om verlenging van de termijn van tien dagen verzoeken. De verlenging mag evenwel niet meer dan dertig werkdagen bedragen.
  2. Indien een uitvoer zijn wezenlijke veiligheidsbelangen zou kunnen schaden, kan een lidstaat een andere lidstaat verzoeken geen uitvoervergunning te verlenen of, indien deze reeds is verleend, die vergunning nietig te verklaren, te schorsen, te wijzigen of in te trekken. De lidstaat die een dergelijk verzoek ontvangt, treedt met de verzoekende lidstaat onverwijld in overleg van niet bindende aard, welk overleg binnen tien werkdagen dient te worden afgerond. Indien de lidstaat waaraan het verzoek wordt gericht, besluit de vergunning te verlenen, moeten de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis worden gesteld met gebruikmaking van het in artikel 13, lid 6, genoemde elektronische systeem.”
  3. Op het niveau van de Belgische wetgeving zijn er drie onderscheiden mogelijkheden waarop een vervolging kan worden gebaseerd, afhankelijk van de precieze strafbaarstelling die weerhouden wordt en met een onmiddellijke weerslag op de vervolgingsbevoegdheid. Eerst en vooral is er uiteraard de douanewetgeving, met name artikel 231 AWDA dat stelt: “§
  4. De artikelen 220 tot 225, 227, 229, 230, 248, § 1, en 277 zijn toepasselijk bij invoer, uitvoer of doorvoer, zonder aangifte of wel met aangifte maar onder dekking van valse of bedrieglijke bekomen machtigingen, van alle al dan niet belastbare goederen welke, zelfs tijdelijk en om welke reden ook, aan verbodsbepalingen, beperkingen of controlemaatregelen zijn onderworpen bij het binnenkomen, bij het uitgaan of bij de doorvoer, langs alle grenzen of alleen langs een gedeelte ervan. §
  5. Elk gebruik, in strijd met de voorwaarden betreffende de aanwending of de geldigheid van machtigingen tot invoer, uitvoer of doorvoer van de in § 1 bedoelde goederen, wordt gestraft met [een geldboete van de helft van de waarde tot de volledige waarde van de goederen]. Deze worden daarenboven verbeurd verklaard. Bij gebruik van een machtiging, welke onregelmatig aan een derde werd afgestaan, wordt de geldboete solidair opgelopen door de aangever, de cedent en de cessionaris. §
  6. De artikelen 114 en 115 zijn toepasselijk op de in § 1 bedoelde goederen, zo ze in doorvoer zijn aangegeven.” We spreken hier dus van zuivere douanemisdrijven waarvoor de uitoefening van de strafvordering toekomt aan de Administratie Douane en Accijnzen. Het is de piste die werd gevolgd door de correctionele rechtbank te Antwerpen in het vonnis van 7 februari 2019 dat de oorspronkelijke telastlegging van het “niet voorleggen van de vereiste uitvoervergunningen bij uitvoer… naar Syrië en Libanon” herkwalificeerde naar het “niet vermelden van het vereiste om een uitvoervergunning voor te leggen bij uitvoer… naar Syrië en Libanon” en er derhalve artikel 231 AWDA op toepaste.
  7. Een tweede piste ter zake betreft de Wet van 11 september 1962 op de in-, uit- en doorvoer van goederen en daaraan verbonden technologie
(5)(Wet Uitvoer) en het is deze stelling die thans door de eiser wordt voorgehouden (zie infra). In de Wet Uitvoer van 1962 zijn de volgende artikelen van belang: Artikel 2: “De Koning kan, bij in de Ministerraad overlegd besluit, de in-, uit- en doorvoer van goederen en van de technologie reglementeren, onder meer door een stelsel van vergunningen, door de heffing van bijzondere rechten door toezichtsmaatregelen of door de invoering van formaliteiten zoals het oorsprongcertificaat: ofwel ter beveiliging van de levensbelangen van een economische sector of van de volkshuishouding in haar geheel beschouwd, ofwel tot vrijwaring van de inwendige of uitwendige veiligheid van het land, ofwel ter uitvoering van verdragen, overeenkomsten, of afspraken met een economisch doel of verband houdend met de veiligheid en van beslissingen of aanbevelingen van internationale of supranationale organisaties, ofwel om bij te dragen tot de naleving van de algemene beginselen van het recht en van de menselijke samenleving die door de beschaafde naties worden erkend”. Artikel 3: “De Koning kan de Ministers die Hij aanwijst, ertoe machtigen de in-, uit- en doorvoer van bepaalde goederen of technologieën aan een voorafgaande machtiging te onderwerpen”. Artikel 4: “De Koning bepaalt de algemene toekennings- en gebruiksvoorwaarden der voorafgaande machtigingen en van de documenten waarvan de afgifte voorgeschreven is in toepassing van toezichtsmaatregelen of van de formaliteiten bedoeld bij artikel 2”. Artikel 10, eerste lid: “Overtreding en poging tot overtreding van krachtens deze wet uitgevaardigde bepalingen worden gestraft overeenkomstig artikelen 231, 249 tot 253 en 263 tot 284 van de algemene wet inzake douane en accijnzen”. De overtredingen op een krachtens de Wet Uitvoer uitgevaardigde bepalingen worden aldus vervolgd door de AADA en zijn strafbaar op basis van de artikelen van de AWDA. 16. Ter uitvoering van onder meer de artikelen 2 en 3 van de Wet Uitvoer werd het KB van 30 december 1993
(6)genomen dat in artikel 1, § 1, stelt dat op advies van de Interministeriële Economische Commissie de ministers tot wier bevoegdheid de Economische Zaken en de Buitenlandse Handel behoren, alsmede de Minister tot wiens bevoegdheid de Landbouw behoort, indien de maatregel betrekking heeft op producten die binnen zijn bevoegdheid vallen, tezamen, de uitvoer van de door hen aangewezen goederen en technologie, bestemd voor door hen vastgestelde landen, aan een voorafgaande machtiging kunnen onderwerpen. Vervolgens bepaalt artikel 1, § 3 dat de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren, een bericht in het Belgisch Staatsblad doet publiceren “wanneer het van kracht worden van reglementeringen bij de in-, uit- of doorvoer, die vastgesteld zijn door een handeling van de bevoegde instellingen van de Europese Gemeenschappen, de in-, uit- of doorvoer van goederen en technologie (…) met bestemming naar welbepaalde landen, aan een voorafgaande machtiging onderwerpt. Dit bericht zal eventueel de uitvoeringsmodaliteiten van deze maatregelen bepalen”. Artikel 9, § 1, tenslotte stelt: “Overtredingen en pogingen tot overtreding van de bepalingen van dit besluit en van de ter uitvoering hiervan genomen besluiten, worden opgespoord, vastgesteld en gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 10 Wet Uitvoer en onverminderd het bepaalde in artikel 10bis van dezelfde wet”. Zoals hierboven reeds uiteengezet
(7)was het op deze artikelen van het KB dat het hof van beroep te Antwerpen zich in zijn eerste arrest had gebaseerd om de Wet Uitvoer van toepassing te verklaren, standpunt dat verworpen werd door het Hof in zijn arrest van 10 november
  1. Naar aanleiding van de sedert 2012 door de EU genomen beperkende maatregelen ten aanzien van Syrië werden in België op basis van de Wet Uitvoer en het KB Uitvoer verschillende ministeriële besluiten genomen waarbij de uitvoer van goederen met bestemming Syrië, aan een vergunning onderworpen wordt, met name het MB van 22 februari 2013, gewijzigd door het MB van 1 juli 2014 en het MB van 24 juni
  2. De aanhef van het MB van 22 februari 2013 vermeldt onder meer: “Gelet op het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, gewijzigd door het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992 en het Besluit van de Raad van 1 januari 1995; Gelet op de wet van 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie, gewijzigd bij de wetten van 19 juli 1968, 6 juli 1978, 2 januari 1991 en 3 augustus 1992; Gelet op het koninklijk besluit van 30 december 1993 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie; Overwegende de Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011; Overwegende de Verordening (EU) nr. 168/2012 van de Raad van 27 februari 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië; Overwegende de Verordening (EU) nr. 509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië,” De chemische goederen die het voorwerp uitmaken van de vervolging, met name aceton, isopropanol, methanol en dichloormethaan zijn niet opgenomen in de bijlagen of in de bijlagen toegevoegd door wijzigende ministeriële besluiten.
  3. De derde piste tenslotte betreft de Wet van 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten
(8). In deze wet, zoals ze van toepassing was op het ogenblik van de feiten
(9), zijn de hiernavolgende artikelen
(10)van belang voor de thans voorliggende problematiek. Artikel 2: “De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging: - van gemeenschappelijke optredens of standpunten aangenomen krachtens de artikelen 12, 14 en 15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en voor gevallen als bedoeld in de artikelen 60, § 1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; - van verordeningen aangenomen krachtens artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of van beschikkingen genomen in toepassing van deze verordeningen en voor gevallen als bedoeld in de artikelen 60, §1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap”. Artikel 4: “Deze wet laat de bevoegdheden onverlet die de Koning krachtens andere wetten kan uitoefenen, waaronder onder andere de wet van 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen, de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en daaraan verbonden technologie, gewijzigd bij de wetten van 25 en 26 maart 2003 alsook de besluitwet van 6 oktober 1944 ter inrichting van de controle op alle mogelijke overdrachten van goederen en waarden tussen België en het buitenland”. Artikel 6: “Onverminderd de toemeting van strengere straffen worden inbreuken op de maatregelen vervat in communautaire verordeningen of in beschikkingen genomen in toepassing van deze verordeningen in het kader van de artikelen 60, § 1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een boete van 25 tot 25.000 euro. De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en het artikel 85, zijn van toepassing op deze inbreuken”. Artikel 7: “Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie en van de ambtenaren van de Administratie Douane en Accijnzen, zijn de ambtenaren van Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën bevoegd om, zelfs alleen, inbreuken op te sporen en vast te stellen”. Dit is de piste die werd weerhouden in het thans bestreden arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 22 september
  1. De vervolgingsbevoegdheid op basis van deze wet behoort toe aan het openbaar ministerie op basis van het gemene strafprocesrecht, reden waarom het hof van beroep te Antwerpen dan ook oordeelde dat de strafvordering die in casu was uitgegaan van de Administratie Douane en Accijnzen, onontvankelijk diende te worden verklaard.
  2. Er dient eerst en vooral te worden opgemerkt dat de eiser thans in zijn tweede subonderdeel blijkbaar een andere weg bewandelt om te kunnen komen tot de toepassing van de Wet uitvoer en het daarin bepaalde sanctiestelsel. Daar waar hij voordien steunde op het bekendmakingsbericht waarvan sprake in artikel 1, § 3, KB Uitvoer om de toepassing van de Wet Uitvoer en het artikel 10 daarvan te rechtvaardigen – stelling bijgetreden door het eerste arrest van het hof van beroep te Antwerpen, maar vernietigd door het Hof van Cassatie – wordt thans een andere redenering opgebouwd. In een eerste stap wordt verwezen naar het artikel 2ter.3, Verordening (EU) nr. 36/2012 dat stelt dat “De op grond van dit artikel voor de uitvoer vereiste vergunning wordt overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur is gevestigd”. De Verordening (EG) nr. 428/2009 is de zogenaamde ‘dual use’- Verordening. In een tweede stap wordt dan het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand
(11)ingeroepen, toepasselijk wanneer de uitvoerder in het Vlaams Gewest is gevestigd. Dat Besluit is uitgevaardigd krachtens de artikelen 2 en 4 van de Wet Uitvoer die, zoals de eiser het stelt, een “wet inzake douane en accijnzen” is in de zin van artikel 281 AWDA, zodat de Administratie Douane en Accijnzen bevoegd is voor de vervolging.
  1. De hier voorgehouden redenering lijkt mij niet te kunnen worden weerhouden. De eiser gaat er inderdaad ten onrechte van uit dat de door artikel 2ter Verordening (EU) nr. 36/2012 vereiste vergunning kadert in de dual use-regeling en dit louter op basis van de verwijzing naar artikel 11 van de Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei
  2. Bewust artikel 11 luidt als volgt:
  3. Indien de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor een individuele uitvoervergunning wordt aangevraagd voor een niet in de lijst van bijlage II a vermelde bestemming of, in het geval van in de lijst van bijlage IV vermelde producten voor tweeërlei gebruik, voor een willekeurige bestemming, zich in een of meer andere lidstaten bevinden of zullen bevinden dan die waar de vergunning wordt aangevraagd, wordt dat gegeven in de aanvraag vermeld. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, treden onverwijld in overleg met de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat of lidstaten en verstrekken alle ter zake dienende informatie. De geraadpleegde lidstaat of lidstaten maken eventuele bezwaren tegen de afgifte van een dergelijke vergunning binnen tien werkdagen kenbaar. Deze bezwaren zijn bindend voor de lidstaat waar de vergunning is aangevraagd. Indien binnen tien werkdagen geen bezwaren worden ontvangen, wordt de geraadpleegde lidstaat of worden de geraadpleegde lidstaten geacht geen bezwaar te hebben. In uitzonderlijke gevallen kan een geraadpleegde lidstaat om verlenging van de termijn van tien dagen verzoeken. De verlenging mag evenwel niet meer dan dertig werkdagen bedragen.
  4. Indien een uitvoer zijn wezenlijke veiligheidsbelangen zou kunnen schaden, kan een lidstaat een andere lidstaat verzoeken geen uitvoervergunning te verlenen of, indien deze reeds is verleend, die vergunning nietig te verklaren, te schorsen, te wijzigen of in te trekken. De lidstaat die een dergelijk verzoek ontvangt, treedt met de verzoekende lidstaat onverwild in overleg van niet bindende aard, welk overleg binnen tien werkdagen dient te worden afgerond. Indien de lidstaat waaraan het verzoek wordt gericht, besluit de vergunning te verlenen, moeten de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis worden gesteld met gebruikmaking van het in artikel 13, lid 6, genoemde elektronische systeem”.
  5. Het komt me voor dat de eiser hier de draagwijdte van bewust artikel 2ter, derde lid, miskent aangezien dat enkel stelt dat de in dat artikel bedoelde vergunning wordt afgegeven “overeenkomstig “ artikel 11 van Verordening (EG) nr. 428/
  6. Mijns inziens betekent dit natuurlijk niet in dat de door artikel 2ter, lid 1, vereiste vergunning, automatisch zou vallen onder de vergunningsregeling van de zogenaamde producten voor tweeërlei gebruik, maar enkel en alleen dat die vergunning voor de apparatuur, producten of technologie vermeld in bijlage IX van de Verordening (EU) nr. 36/2012 moet worden afgeleverd door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de regels vervat in artikel 11 van de Verordening (EG) nr. 428/
  7. Enkel deze regeling wordt ingevolge artikel 2ter, derde lid, Verordening (EU) nr. 36/2012 mee toepasselijk gemaakt voor de producten van de bijlage IX, maar niets meer.
  8. Mocht de Verordening (EU) nr. 36/2012 het vergunningsstelsel van producten voor tweeërlei gebruik hebben willen invoeren, dan had die verordening moeten verwijzen naar artikel 3 en 9 van de Verordening (EG) nr. 428/2009 en niet uitsluitend naar artikel
  9. Daarenboven bepaalt de Verordening (EU) nr. 36/2012 ook nergens dat de goederen vermeld in bijlage IX waarvoor overeenkomstig artikel 2ter een vergunning vereist is voor de uitvoer, producten voor tweeërlei gebruik zijn, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 428/
  10. De chemische producten zelf zijn aldus geen “producten voor tweeërlei gebruik” zoals gedefinieerd in de Verordening (EG) nr. 428/2009 en komen m.i. ook niet onder die regeling te vallen.
  11. Het Besluit van de Vlaamse Regering
(12)van 14 maart 2014 regelt uitsluitend de uitvoer, doorvoer en overbrenging van “producten voor tweeërlei gebruik” en het verlenen van technische bijstand, waarbij artikel 1, 7° bepaalt dat wordt verstaan onder “producten voor tweeërlei gebruik: “de producten voor tweeërlei gebruik, vermeld in artikel 2, eerste lid, van verordening 428/2009”. Artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014 bepaalt dat “de vergunningen voor uitvoer en doorvoer, vermeld in artikel 3, 6 en 9 van verordening 428/2009, worden door het Vlaamse Gewest verleend als de aanvrager zijn woonplaats of maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest heeft.” Het gaat dus wel degelijk over vergunningen voor “producten van tweeërlei aard”.
  1. Verordening (EU) nr. 36/2012 bepaalt niet dat de producten vermeld in bijlage IX “producten van tweeërlei” aard zijn, noch bevat het Besluit van de Vlaamse Regering een regeling voor het afleveren van een uitvoervergunning voor de producten vermeld in bijlage IX van Verordening nr. 36/2012 voor dewelke overeenkomstig artikel 2ter van de Verordening (EU) nr. 36/2012 een uitvoervergunning vereist is. De producten waarvoor overeenkomstig artikel 2ter van de Verordening (EU) nr. 36/2012 een vergunning is vereist, zijn met andere woorden geen producten waarvoor uitvoervergunningen moeten worden aangevraagd overeenkomstig het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart
  2. De hierboven uiteengezette foutieve redenering induceert dan ook de foute conclusie die in de memorie van de eiser wordt gemaakt op pagina 11 stellende dat “Het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014 dat de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik regelt waarvoor een vergunning is vereist op grond van artikel 2ter Verordening (EU) nr. 36/2012, welke vergunning moet worden afgeleverd door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 11 Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009, betreft bijgevolg een besluit dat krachtens de Wet Uitvoer is uitgevaardigd”. Dat het besluit van de Vlaamse Regering krachtens de Wet Uitvoer is uitgevaardigd lijdt inderdaad geen twijfel maar dat besluit regelt geenszins de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten waarvoor een vergunning vereist is op grond van artikel 2ter Verordening (EU) nr. 36/2012 en er is in casu ook geen inbreuk op dit besluit. Ook de conclusie (zie memorie p. 13, bovenaan) dat dit besluit krachtens de Wet Uitvoer is uitgevaardigd en bijgevolg een douanewet is die via artikel 10 Wet Uitvoer aan het sanctiestelsel van de AWDA is onderworpen, waardoor de eiser op grond van dit besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014 bevoegd is om inbreuken te vervolgen op artikel 2ter Verordening (EU) nr. 36/2012….” gaat niet op. Het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel faalt derhalve naar recht.
  3. In het eerste onderdeel, eerste subonderdeel van het middel wordt de schending aangevoerd van artikel 149 Grondwet omdat volgens de eiser het arrest nalaat zijn verweer te beantwoorden stellende dat het sanctiestelsel van artikel 10 Wet Uitvoer van toepassing is samen met het Besluit 14 maart 2014 dat als een uitvoeringsbepaling van die wet moet worden beschouwd en waardoor de tegen de verweerders ingestelde strafvordering niet onontvankelijk kan worden verklaard.
  4. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt. Het arrest geeft op de pagina’s 21-22, randnummers 4.3.5.4 en 4.3.5.5 de redenen aan waarmee het verweer over de toepasselijkheid van het sanctiestelsel van artikel 10 Wet Uitvoer wordt beantwoord
(13), zonder dat het daarenboven diende te antwoorden op het door het subonderdeel bedoelde argument over het Besluit 14 maart 2014 dat louter werd aangevoerd tot staving van dat verweer, zonder evenwel een afzonderlijk verweer te vormen. Het eerste subonderdeel kan derhalve niet worden aangenomen.
  1. Het tweede onderdeel van het middel valt eveneens uiteen in twee subonderdelen, die de schending aanvoeren van artikel 182 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 231, § 1, AWDA. De eiser stelt met name dat het bestreden arrest, met het oordeel dat de aanhangig gemaakte feiten duidelijk beperkt zijn tot het niet voorleggen van de vereiste uitvoervergunningen, de bewijskracht miskent van de inleidende dagvaarding en van het daarmee in samenhang te lezen proces-verbaal van 27 maart
  2. De eiser is met name de mening toegedaan dat de feiten niet enkel de uitvoer als dusdanig betreffen, maar ook het niet-invullen van het vak 44 in de uitvoeraangiften, wat gelijk te stellen is met de afwezigheid van een douaneaangifte. Door anders te oordelen zou het arrest derhalve aan die stukken een uitlegging geven die onverzoenbaar is met de bewoordingen ervan (eerste subonderdeel) en daaruit ook gevolgen trekken die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord, zodat het niet wettig beslist om de feiten niet te herkwalificeren (tweede subonderdeel).
  3. Hierbij dient allereerst te worden opgemerkt dat de eiser, die de vervolgende partij is in deze zaak, zelf een herkwalificatie vraagt van de vervolgde feiten., hetgeen erop zou kunnen wijzen dat hij niet overtuigd is van de stelling uiteengezet in het eerste onderdeel, eerste subonderdeel, van het middel., die ook werd verdedigd voor het hof van beroep te Antwerpen in de tweede appelprocedure.. Het is ter zake ook niet onbelangrijk aan te stippen dat die herkwalificatie werd doorgevoerd door de correctionele rechtbank van Antwerpen in het vonnis van 7 februari 2019, maar dat dit door het eerste arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 juni 2020 werd teniet gedaan vermits het hof teruggreep naar de oorspronkelijke kwalificatie (p. 23 van het eerste arrest). Een herkwalificatie was ook niet het standpunt van de eiser in de eerste appelprocedure maar is dat wel geworden in de tweede, na het vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie van 10 november 2020, die aanleiding gaf tot het thans bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 september 2022 (pp. 22-24).
  4. In correctionele en politiezaken maakt de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om te verschijnen voor het vonnisgerecht niet de daarin vervatte kwalificatie bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggen. Die kwalificatie is voorlopig en het vonnisgerecht heeft de plicht om aan de feiten hun juiste omschrijving te geven
(14). Het vonnisgerecht bepaalt aan de hand van de bewoordingen van de akte van aanhangigmaking onaantastbaar welke feiten het voorwerp uitmaken van die akte en bij die beoordeling moet dat gerecht bovendien de stukken betrekken waarnaar de in deze akte opgenomen telastlegging uitdrukkelijk verwijst. De formulering van een telastlegging, zoals het gegeven dat daarin enkel welbepaalde feiten zijn vermeld, kan een element in de beoordeling uitmaken, maar bindt de rechter, net zo min als de voormelde stukken, als dusdanig niet. Het Hof gaat enkel na of de rechter van de akte van aanhangigmaking en de eraan ten grondslag liggend proces-verbaal geen uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan of uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Fundamenteel in de problematiek van de kwalificatie van de tenlastegelegde feiten is dat deze geenszins mag leiden tot een uitbreiding van de saisine van het vonnisgerecht tot andere feiten.
  1. De eiser in cassatie heeft tijdens de tweede appelprocedure geopperd dat er rechtstreeks toepassing kon worden gemaakt van artikel 231 AWDA vermits het hier zou gaan om opzettelijke onjuiste douaneaangiften, die gelijk te stellen zijn met niet bestaande aangiften. Het thans bestreden arrest geeft op de pp. 23-24, randnummer 4.3.5.7, de redenen aan waarom het de door de eiser gevraagde herkwalificatie naar een inbreuk op artikel 231 AWDA afwijst, met name: - de eiser vervolgt de verweerders wegens feiten van uitvoer in de periode van 22 mei 2014 tot en met 19 december 2016 van hoeveelheden aceton, isopropanol, methanol en dichloormethaan zonder de uitvoervergunningen voor te leggen die waren voorgeschreven voor de uitvoer van deze chemische producten op grond van de bepalingen in artikel 2ter Verordening nr. 36/2012; - de dossierelementen laten er geen twijfel over bestaan dat de overtredingen van de in dit dossier aan de orde zijnde voorschriften van artikel 2ter Verordening nr. 36/2012 ten grondslag liggen van de vervolging in deze strafzaak., inbreuken die in de Belgische rechtsorde strafbaar zijn gesteld op grond van artikel 6 Wet 13 mei 2003; - een verbetering van de omschrijving van de in deze vervolgde feiten in een inbreuk op artikel 231 AWDA is niet aan de orde; - de uitvoer zonder douaneaangifte - volgens de eiser aan de hand van opzettelijk onjuiste douaneaangiften - in de zin van artikel 231, § 1, AWDA van de goederen heeft, op basis van het dossier, betrekking op andere feiten dan deze die het voorwerp uitmaken of ten grondslag liggen van de te beoordelen vervolging door de eiser; - het louter gegeven dat bij het strafdossier de zogenaamde EX A-documenten werden gevoegd via dewelke de douaneaangiften inzake de uitvoer van de aan de orde zijnde goederen geschiedde, doet geen afbreuk aan het voorgaande; - de speurders hebben in deze trouwens de volledige uitvoerdossiers opgehaald bij oorspronkelijk beklaagde A.C. bv en bij verweerder 2 evenals bij oorspronkelijk beklaagde A.C.T. nv en geanalyseerd, hetgeen op een ruimer onderzoek inzake de aan de orde zijnde uitvoeren wees (cf. PV van 27 maart 2018, pagina’s 10/55–17/55).
  2. Op grond van de voormelde redenen kunnen de appelrechters, zonder miskenning van de bewijskracht van de inleidende dagvaarding en van het proces-verbaal van 27 maart 2018, dan ook wettig oordelen dat de bij hen aanhangig gemaakte telastlegging enkel betrekking heeft op het niet voorleggen van de vereiste uitvoervergunningen. Dientengevolge is het oordeel van de appelrechters dat in de voorliggende zaak “inbreuken op artikel 2ter van de Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011, strafbaar gesteld door artikel 6 van de Wet van 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten, door de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, werden vervolgd, daar waar het initiatiefrecht voor deze vervolging toekomt aan het ambt van de procureur des Konings,” naar recht verantwoord. De twee subonderdelen van het tweede onderdeel kunnen niet worden aangenomen. III. CONCLUSIE. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren en concludeer derhalve tot de verwerping van het cassatieberoep. ______________________________________
(1)Cass. 10 november 2020, AR P.20.0759.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.6, AC 2020, nr. 691.
(2)De straf van de eerste verweerder werd bij éénparigheid verhoogd, die van de derde werd verminderd.
(3)Het artikel wordt hier integraal vermeld, alhoewel de eiser zich slechts op het derde lid ervan beroept.
(4)Verordening (EG) nr. 428/2009 is thans ingetrokken en vervangen door Verordening (EU) 2021/821 van 20 mei 2021 van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik, met inwerkingtreding op 9 september 2021.
(5)BS 27 oktober 1962.
(6)Koninklijk Besluit tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie, BS 2 februari 1994.
(7)I, paragrafen 4 en 5.
(8)BS 13 juni 2003.
(9)De wet werd inderdaad gewijzigd bij Wet van 2 mei 2019 houdende diverse financiële bepalingen, BS 21mei 2019.
(10)De bepalingen van de artikelen 2 en 4 houden in dat de Koning, voor zover als nodig, verdere uitvoering kan geven aan de beperkende maatregel van de EU, maar dat dit niet belet dat Hij op basis van de Wet Uitvoer een vergunningsplicht voor in- of uitvoer oplegt. Indien de beperkende maatregel zelf ook vergunningsplicht bij uitvoer betreft, zoals in casu, volstaat echter de Europese norm aangezien de vergunningsplicht al uit artikel 2ter Vo. 36/2012 volgt en dwingend en uitvoerbaar is (art. 288 VWEU).
(11)BS 2 mei 2014.
(12)De bevoegdheid van het Vlaams Gewest is gebaseerd op artikel 6, § 1, VI, 4°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, op grond waarvan de gewesten bevoegd zijn voor de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik, onverminderd de federale bevoegdheid inzake de in- en uitvoer met betrekking tot het leger en de politie en met naleving van de criteria vastgesteld in de Gedragscode van de Europese Unie op het stuk van de uitvoer van wapens. Het Vlaamse Gewest is dus niet bevoegd voor andere goederen zoals de goederen vermeld in bijlage IX van de Verordening (EU) nr. 36/2012.
(13)Zie hierboven de randnummers 21-25.
(14)Cass. 1 april 2014, AR P.12.2036.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.2, AC 2014, nr. 253; R. DECLERCQ, “Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging”, Strafrecht voor rechtspractici, IV, Leuven, Acco 1991, pp. 179-240; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 9de ed., la Charte 2021, t .II, pp. 1454-1458. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.