← België

M. contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.1 Rolnummer: C.22.0262.N Zaak: M. contra A. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-11-06 Raadplegingen: 652 - laatst gezien 2026-06-16 22:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230505.1N.1 Fiche 1 De omstandigheid dat de onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen, voortvloeit uit een element dat reeds ter kennis was gebracht van de dwangsomrechter ten tijde van de dwangsomveroordeling, sluit de toepassing van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek niet uit

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Fiche 2 Dat de veroordeelde schuldenaar dit element als zodanig niet heeft aangevoerd als verweer tegen een dwangsomveroordeling, terwijl hem daarom geen fout kan worden verweten, sluit de toepassing van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek niet uit
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Fiche 3 Er is sprake van een onmogelijkheid in de zin van artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek indien zich een toestand voordoet waarin de dwangsom haar zin als dwangmiddel, dit wil zeggen als geldelijke prikkel om de nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren, verliest. Dat is het geval indien het onredelijk zou zijn om van de veroordeelde meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht. Thesaurus CAS: DWANGSOM Fiche 4 De door artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde onmogelijkheid is geen absolute, maar wel een relatieve onmogelijkheid die moet worden afgemeten volgens de maatstaf van wat redelijkerwijze onmogelijk is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Tekst van de conclusie C.22.0262.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Inleiding. In een geschil tussen voormalige handelspartners in de teelt van Arabische volbloedpaarden, werd de verweerder, op straffe van een dwangsom van 500 € per dag vertraging, door de eerste rechter veroordeeld tot het afleveren van de dekkingscertificaten van de twee dekhengsten. In het bestreden arrest van 21 maart 2021 verklaarden de appelrechters het hoger beroep van de verweerder gegrond. De dwangsomveroordeling voor de afgifte van de dekkingscertificaten werd opgeheven. De eisers voeren in hun verzoekschrift één middel (met drie onderdelen) tot cassatie aan. Bespreking van het middel. Eerste onderdeel. In het eerste onderdeel voeren de eisers aan dat de herziening van de oorspronkelijke opgelegde dwangsommaatregel waartoe de dwangsomrechter op grond van de voormelde bepalingen bevoegd is bij onmogelijkheid van de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen, enkel betrekking kan hebben op een onmogelijkheid waarvan de rechter niet op de hoogte was op het ogenblik dat hij de hoofdveroordeling uitsprak en de dwangsom heeft bevolen, ofwel omdat zij aan de rechter niet ter kennis is gebracht vooraleer hij uitspraak deed, ofwel omdat zij pas is gebleken na de uitspraak van de beslissing. Volgens de eisers konden de appelrechters aldus niet wettig beslissen tot opheffing van de dwangsom om reden dat de verweerder onmogelijk de desbetreffende dekkingscertificaten kan afleveren, "omdat hij of zijn stoeterij niet de eigenaar is van de betrokken hengsten", aangezien de partijen reeds voor de rechter die de hoofdveroordeling en de dwangsom oplegde, minstens impliciet doch zeker, aanvoerden en erkenden dat de verweerder niet de eigenaar was van de hengsten. Artikel 1385quinquies, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan kan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom kan verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Bij arrest van 12 mei 2016 oordeelde het Hof dat van de 'onmogelijkheid' om aan de hoofdveroordeling te voldoen als bedoeld in art. 1385quinquies, eerste lid Ger.W., sprake is indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom zijn zin als dwangmiddel verliest, dit wil zeggen als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren. Dit is het geval “indien het onredelijk zou zijn om van de veroordeelde meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht"
(1). Bij arrest van 12 juni 2018 voegde het Hof daaraan toe dat de door artikel 1385quinquies, eerste lid Ger.W. bedoelde onmogelijkheid geen absolute, maar wel een relatieve onmogelijkheid is die moet worden afgemeten volgens de maatstaf van wat redelijkerwijze onmogelijk is
(2). Het is ook rechtspraak van het Hof dat als uitgangspunt voor de beoordeling van de onmogelijkheid tot naleving van de hoofdveroordeling, die door de veroordeelde wordt aangevoerd als grond van zijn vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom, de inspanningen en de zorgvuldigheid gelden die hij sedert de uitspraak aan de dag heeft gelegd, zodat de beoordeling van die onmogelijkheid in beginsel dient te gebeuren aan de hand van feiten en omstandigheden die zich sedert de uitspraak hebben voorgedaan
(3). De eisers verwijzen naar het arrest van 2 december 2011 waarin het Hof oordeelde dat bedoelde onmogelijkheid die is waarvan de rechter niet op de hoogte was op het ogenblik van de beslissing waarbij de hoofdveroordeling werd uitgesproken en de dwangsom werd bevolen, ofwel omdat zij pas gebleken is na de uitspraak van die beslissing, ofwel omdat zij aan de rechter niet ter kennis gebracht is vooraleer hij uitspraak deed
(4). Uit het enkele feit dat de partijen voor de eerste rechter impliciet aanvoerden en erkenden dat de verweerder niet de eigenaar was van de hengsten, blijkt niet dat de eerste rechter op de hoogte was van de onmogelijkheid tot aflevering van de dekkingscertificaten. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de eerste rechter op de hoogte was van de onmogelijkheid tot uitvoering van de hoofdvordering van de eisers, berust op een verkeerde lezing van die beslissing. De eerste rechter heeft de dwangsom niet opgelegd in de wetenschap dat de uitvoering ervan (redelijk) onmogelijk was. Daarentegen blijkt uit de door de eisers weergegeven citaten uit dat vonnis en de stukken waarop het Hof acht mag slaan dat de eerste rechter daarvan niet op de hoogte was omdat daarover geen verweer werd gevoerd. Anders dan waar het onderdeel van uitgaat, volgt uit de voormelde rechtspraak van het Hof niet dat de appelrechters niet wettig kunnen oordelen dat de dwangsom nooit mocht worden opgelegd omdat de hoofdveroordeling nooit door de verweerder kon worden uitgevoerd. Uit de enkele omstandigheid dat de dwangsomrechter reeds ten tijde van de dwangsomveroordeling op de hoogte kon zijn van het element waaruit de onmogelijkheid voortvloeit, volgt niet dat de rechter er (werkelijk en bewust) van op de hoogte was dat: - dit element tot gevolg heeft dat de uitvoering van de hoofdvordering redelijk onmogelijk is; - de uitvoering van de hoofdvordering redelijk onmogelijk is; Zelfs indien de eerste rechter (niet louter op de hoogte kon zijn maar zelfs) op de hoogte was van het feit dat de verweerder geen eigenaar was van de hengsten, dan nog blijkt hieruit niet dat de rechter ervan op de hoogte was dat daaruit de onmogelijkheid voortvloeide tot uitvoering van de hoofdvordering. In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof dient mijns inziens te worden besloten dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat de enkele omstandigheid dat de dwangsomrechter reeds ten tijde van de dwangsomveroordeling op de hoogte was van een element waaruit de onmogelijkheid voortvloeit, de toepassing van artikel 1385quinquies Ger.W. uitsluit, op een verkeerde rechtsopvatting berust en niet kan worden aangenomen. In zoverre het onderdeel ervan zou uitgaan dat de appelrechters het oordeel van de eerste rechter niet zouden kunnen hervormen, kan het evenmin worden aangenomen. Op basis van de conclusies en de stukken stellen de appelrechters vast dat de dwangsom nooit had mogen worden opgelegd omdat de verweerder nooit kon redelijk voldoen aan de hoofdveroordeling (tot aflevering van de dekkingscertificaten). Op grond van de vaststelling dat de verweerder de dekkingscertificaten niet kon afleveren, zodat de dwangsom als dwangmiddel nooit enige zin heeft gehad en het volkomen onredelijk was om deze dwangsomveroordeling uit te spreken, verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de dwangsomveroordeling dient te worden opgeheven. In zoverre het onderdeel het Hof zou uitnodigen tot een onderzoek van de feiten, is het onontvankelijk. Tweede onderdeel. In het tweede onderdeel voeren de eisers aan dat artikel 1385quinquies Ger.W., gelet op de restrictieve uitlegging en toepassing die aan deze bevoegdheid moet worden gegeven, niet kan worden aangewend om eigen nalatigheden in de procedure voor de dwangsomrechter die uitspraak doet over de hoofdveroordeling en de dwangsom zelf, recht te zetten. Het Hof oordeelde reeds dat de onmogelijkheid tot uitvoering van de hoofdveroordeling niet te wijten mag zijn aan de nalatigheid van de veroordeelde
(5). Artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek stemt overeen met artikel 4 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom. Het Benelux-Gerechtshof heeft in zijn arrest van 29 april 2008 verklaard voor recht dat "Artikel 4, lid 1, eenvormige Benelux-wet Dwangsom dient aldus te worden uitgelegd dat in het geval de onmogelijkheid die de veroordeelde aanvoert het gevolg is van een eigen gebrek aan zorgvuldigheid, daterend van voor de veroordeling, de rechter op grond hiervan slechts onder bijzondere omstandigheden de in die bepaling bedoelde maatregelen mag weigeren"
(6). Als uitgangspunt voor de beoordeling van de onmogelijkheid tot naleving van de hoofdveroordeling gelden de inspanningen en de zorgvuldigheid die de veroordeelde sedert de uitspraak heeft aan de dag gelegd. Om die reden dient de beoordeling, in beginsel te gebeuren aan de hand van feiten en omstandigheden die zich sedert de uitspraak hebben voorgedaan. De rechter mag evenwel, indien de gestelde onmogelijkheid een gevolg is van door de veroordeelde voor de veroordeling gemaakte fouten, hiermee, zij het slechts in bijzondere omstandigheden, rekening houden bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre hij van de hem in artikel 4, lid 1, verleende discretionaire bevoegdheid gebruik zal maken. Hierbij kan met name worden gedacht aan gedragingen die de veroordeelde, in het zicht van de mogelijke veroordeling, welbewust heeft verricht om de naleving daarvan te bemoeilijken of te beletten
(7). Vermits kan worden aangesloten bij deze rechtspraak van het Benelux Gerechtshof, dient m.i. de door de eisers voorgestelde vraag niet te worden gesteld
(8). Uit de samenlezing van deze rechtspraak volgt dat de beoordeling over de toepassing van artikel 1358quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, ook kan gebeuren op basis van elementen van vóór de dwangsomveroordeling, zelfs wanneer die elementen verband houden met een gebrek aan inspanning en zorgvuldigheid van de veroordeelde schuldenaar. Ook in dat geval mag de rechter de in voormeld artikel bedoelde maatregelen slechts in bijzondere omstandigheden weigeren. Het niet op de hoogte zijn (in hoofde van de dwangsomrechter) van de onmogelijkheid tot uitvoering van een hoofdvordering wegens een gebrek aan verweer vanwege de verweerder, is geen nalatigheid vanwege de verweerder die leidt tot de onmogelijkheid tot uitvoering van de hoofdveroordeling. De enkele omstandigheid dat de verweerder door een gebrek aan verweer de onmogelijkheid niet dienstig heeft aangevoerd voor de dwangsomrechter, betreft op zich geen zulkdanige nalatigheid of gebrek aan zorgvuldigheid. De veroordeling tot een dwangsom belet de verweerder niet om nadien de onmogelijkheid tot uitvoering van de hoofdveroordeling aan te voeren, noch de appelrechters om die onmogelijkheid vast te stellen en om die reden de dwangsom op te heffen, ook indien de oorzaak daarvan bestond ten tijde van de dwangsomveroordeling. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, lijkt mij te berusten op een verkeerde rechtsopvatting. Derde onderdeel. In het derde onderdeel voeren de eisers aan dat het feit dat de nakoming van de hoofdveroordeling afhankelijk is van de medewerking van derden, niet noodzakelijk de onmogelijkheid impliceert van de uitvoering in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek. Het aangevoerde gebrek aan eigendom van de betrokken hengsten van de verweerder of zijn stoeterij, houdt volgens de eisers geen beoordeling in van de inspanningen en de zorgvuldigheid die de verweerder heeft betracht om aan de hoofdveroordeling, met name het afgeven van de vernoemde dekkingscertificaten, te voldoen. In het bijzonder op grond van de vaststellingen dat de verweerder onmogelijk de dekkingscertificaten kan afleveren, omdat hij of zijn stoeterij geen eigenaar zijn van de bedoelde dekhengsten en dat de eisers dit pertinent wisten en niettemin te kwader trouw de dwangsomveroordeling hebben gevorderd, oordelen de appelrechters dat het in onderhavig geval onredelijk is om van de verweerder als veroordeelde schuldenaar meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht. Op die gronden verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de dwangsomveroordeling dient te worden opgeheven. Het onderdeel dat ervan uitgaat de appelrechter niet hebben geoordeeld over de inspanningen en de zorgvuldigheid die de verweerder heeft betracht om aan de hoofdveroordeling, lijkt mij te berusten op een verkeerde lezing van het arrest. Besluit: verwerping. _____________________________
(1)Zie concl. OM; Cass. 30 mei 2002, AR C.99.0298.N, AC 2002, nr. 329, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020530.10; Cass. 12 mei 2016, AR C.14.0032.N, AC 2016, nr. 317, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160512.3; Benelux Hof 25 september 1986, RW 1986-87, 1333, met concl. van advocaat-generaal E. KRINGS; pdf (rw.be).
(2)Cass. 12 juni 2018, AR P.17.1035.N, AC 2018, nr. 376, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180612.1.
(3)Cass. 17 oktober 2008, AR C.06.0070.N, AC 2008, nr. 555, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.6.
(4)Cass. 2 december 2011, AR C.10.0561.F, AC 2011, nr. 667, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111202.3.
(5)Cass. 12 juni 2018, AR P.17.1035.N, AC 2018, nr. 376, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180612.1; K. WAGNER, "Art. 1385quinquies Ger.W.", Comm.Ger., Afl. 44 (September 1999), nr. 18 e.v.
(6)Beneluxhof 29 april 2008, nr. A 06/5, A 06/5 - Pet Center / Schouten - Arrest (courbeneluxhof.int).
(7)Cass. 17 oktober 2008, AR C.06.0070.N, AC 2008, nr. 555, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.6.
(8)Artikel 6, lid 4 van het Verdrag betreffende het Benelux Gerechtshof. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230505.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020530.10 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111202.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160512.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180612.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.