id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 Rolnummer: C.22.0285.N Zaak: MS AMLIN INSURANCE SE c. VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-11-14 Raadplegingen: 845 - laatst gezien 2026-06-19 00:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230505.1N.5 Fiche 1 De rechter vermag niet de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid van een wetsbepaling naar analogie uit te breiden tot een andere wetsbepaling waarover het Grondwettelijk Hof nog geen uitspraak heeft gedaan, ook al heeft deze laatste een gelijkaardige inhoud als deze die reeds door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig is bevonden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Allerlei Fiche 2 De appelrechters die het subrogatierecht van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, in de zin van voornoemd artikel 14, ook toepassen op vergoedingen die door derden krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn voor het verlies van een kans op het leven zonder handicap, omdat de uitsluiting daarvan een schending zou uitmaken van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en aldus zelf de grondwettigheidstoetsing verrichten, schenden artikel 142 van de Grondwet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING Tekst van de conclusie C.22.0285.N Conclusie van advocaat-generaal Ravyse: Inleiding.
- Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat V.V. bij zijn geboorte op 16 juli 2002 ernstige letsels opliep en daardoor in ernstige mate cognitief en motorisch gehandicapt is. Naar aanleiding van een procedure van de ouders tegen de dokter, oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk bij vonnis van 7 februari 2011 dat de dokter een fout beging waarvan de schade bestaat uit het verlies van een kans op een geboorte zonder hersenletsel. Er werden aan de ouders provisies toegekend. Het op 17 maart 2011 betekende vonnis werd definitief.
- In 2018 vorderden de ouders en de verweerder van de dokter bijkomende provisies. Bij vonnis van 30 maart 2020 veroordeelde de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, de eiseres (verzekeraar) en de dokter in solidum tot het betalen aan de verweerder van een provisionele schadevergoeding en stelde gerechtsdeskundigen aan alvorens verder te oordelen. De eiseres en dokter tekenden hoger beroep aan tegen dit vonnis. In het bestreden arrest van 24 februari 2022 verklaren de appelrechters het hoger beroep van de dokter gegrond en het hoger beroep van eiseres ongegrond.
- De overwegingen in het bestreden arrest kunnen als volgt worden samengevat: - de geleden schade bestaat uit een verlies van een kans; - het verlies van een kans en de effectieve tussenkomst door het VAPH in hulpmiddelen en aanpassingen en ondersteuningskosten (hulp van derden) zijn niet dezelfde schade; - het subrogatierecht van het VAPH geldt enkel voor dezelfde schade
(1); - daardoor kan het VAPH haar subrogatierecht niet uitoefenen voor de effectieve tussenkomst in hulpmiddelen en aanpassingen en ondersteuningskosten (hulp van derden); - dit is een ongrondwettigheid, omdat het onderscheid tussen de vergoeding van de werkelijk geleden schade, die het VAPH wel kan terugvorderen, en de vergoeding van de schade voortvloeiend uit het verlies van een kans, die het VAPH niet zou kunnen terugvorderen, niet in verband staat met het nagestreefde doel; - daarom heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat het VAPH ook gesubrogeerd is in de rechten van de ouders optredende in eigen naam en qualitate qua V.V. ten belope van de vergoedingen die aan hen in gemeen recht zullen worden toegekend voor de verloren gegane kans op een leven zonder hersenschade.
- Eiseres voert in haar verzoekschrift één middel met drie onderdelen tot cassatie aan. Bespreking van het enig middel. Eerste onderdeel.
- In het eerste middel voert de eiseres aan dat het arrest gegrond is op een tegenstrijdige, minstens dubbelzinnige motivering, zodat het arrest niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). De tegenstrijdigheid zou erin bestaan dat de appelrechters oordelen: - enerzijds dat de bij artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 verleende subrogatie slechts betrekking heeft op uitkeringen tot schadeloosstelling voor dezelfde schade, en vaststellen dat het verlies van een kans niet dezelfde schade vormt als deze waarvoor het VAPH uitkeringen heeft gedaan, maar - anderzijds, de subrogatie toch toestaan.
- De aangevoerde tegenstrijdigheid lijkt mij geen tegenstrijdigheid te zijn. De appelrechters staan de subrogatie toe omdat artikel 14 van het decreet naar hun oordeel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in de mate dat ze een subrogatie zouden verhinderen voor een verlies van een kans. Het onderdeel lijkt mij te berusten op een onvolledige lezing van het arrest en aldus feitelijke grondslag te missen. Tweede onderdeel.
- Het tweede onderdeel bevat twee verschillende grieven. In de eerste grief voert de eiseres aan dat de appelrechters de regels van de subrogatie miskennen door te oordelen dat de subrogatie betrekking kan hebben op de kans die het VAPH heeft verloren om geen tegemoetkomingen te moeten doen (schending van het voormelde artikel 6 van het ‘VFPH-decreet’ van 27 juni 1990 en het voormelde artikel 14 van het ‘VAPH-decreet’ van 7 mei 2004).
- In de tweede grief stelt de eiseres dat het niet de rechter maar het alleen aan het Grondwettelijk Hof toekomt om de verenigbaarheid van een wetsbepaling met de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet te toetsen (schenden van de artikelen 142, 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet en 556 van het Gerechtelijk Wetboek).
- De eerste grief bekritiseert de volgende overweging in het arrest: “Het VAPH heeft door de fout van Dr. [C.V.] de kans verloren de door haar verleende tegemoetkomingen niet te moeten doen”. Daaruit leidt de eiseres af dat de appelrechters hebben geoordeeld dat de subrogatie betrekking zou kunnen hebben op die schade van het VAHP.
- Die door de eiseres gemaakte afleiding vindt geen steun in de tekst van het arrest. Het is niet omdat het arrest overweegt wat de schade van het VAHP is in de context van het verlies van een kans, dat het arrest daarmee heeft geoordeeld dat de subrogatie betrekking heeft op die schade. Het arrest oordeelt daarentegen wel letterlijk en duidelijk dat het VAPH ook gesubrogeerd is in de rechten van de ouders optredende in eigen naam en qualitate qua V.V. ten belope van de vergoedingen die aan hen in gemeen recht zullen worden toegekend voor de verloren gegane kans op een leven zonder hersenschade.
- In zoverre de grief ervan uitgaat dat de appelrechters de verenigbaarheid van de toepasselijke wetsbepalingen met de Grondwet nagaan wat betreft een schade in hoofde van het VAPH, lijkt de grief te berusten op een verkeerde lezing en is mist de grief feitelijke grondslag.
- In zoverre deze grief opkomt tegen een overtollige reden, is de grief niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
- De tweede grief heeft betrekking op de door de appelrechters vastgestelde ongrondwettigheid. Volgens de eiseres schenden de appelrechters de artikelen 142, 144 en 145 van de Grondwet en artikel 556 van het Gerechtelijk Wetboek door zelf te oordelen dat artikel 6 VFPH-decreet en artikel 14 VAPH-decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. Onder de geschonden wetsbepalingen van het enig middel vermeldt de eiseres ook de artikelen 1, 26 en 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.
- Het Hof heeft uit de leer over het kansverlies afgeleid dat de ziekteverzekeraar geen subrogatierecht heeft ten belope van de proportionele vergoeding die een aansprakelijke verschuldigd is op grond van de theorie van het kansverlies, omdat dit kansverlies niet dezelfde schade is als deze die ziekteverzekeraar compenseert
(2). Bij arrest met nummer 42/2017 van 30 maart 2017 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de vergoeding van de schade die bestaat in het verlies van een kans, die men verschuldigd is op grond van het gemeen recht, buiten beschouwing laat.
- Het bestreden arrest steunt zijn beslissing op dit arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 maart 2017 en past het naar analogie toe op artikel 6 VFPH-decreet en artikel 14 VAPH-decreet.
- Volgens de rechtspraak van het Hof kan de rechter niet een door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid naar analogie uitspreken over een andere wetsbepaling, zelfs indien deze een gelijkaardige inhoud heeft als de wetsbepaling die reeds door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig is bevonden
(3). De in het geding zijnde bepaling heeft geen identiek onderwerp als het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof die de appelrechters konden toelaten de vraag niet te stellen. Een prejudiciële vraag is niet vereist indien het Grondwettelijk Hof over dezelfde rechtsvraag met betrekking tot dezelfde wetsbepaling reeds een uitspraak heeft gedaan
(4). Het Hof heeft ook reeds geoordeeld dat een rechter een door het Grondwettelijk Hof vastgestelde schending niet naar analogie mag uitbreiden tot een andere rechtsvraag, ook al betreft het dezelfde wetsbepaling
(5). Hoewel de uitkomst van het Grondwettelijk Hof voorspelbaar voorkomt indien de prejudiciële vraag wordt gesteld, is het de rechter echter niet toegestaan om zelf, zij het om proceseconomische redenen of het geschil ‘rechtvaardig’ en snel af te handelen, de ongrondwettigheid vast te stellen
(6). In zoverre komt het onderdeel gegrond voor en leidt het m.i. tot een integrale cassatie. Derde onderdeel.
- Hoewel de tweede grief van het tweede onderdeel m.i. leidt tot een integrale cassatie, komt het nuttig voor ook het derde onderdeel te bespreken.
- In het derde onderdeel voert de eiseres aan dat de appelrechters het subrogatierecht uit artikel 6 VFPH-Decreet en artikel 14 VAPH-Decreet niet mochten toepassen voor sommen die niet “aan” een persoon met een handicap zijn uitgekeerd (maar wel aan derden die “voor” deze persoon een dienst verstrekken).
- De eiseres houdt voor dat de betekenis van het woord “aan” in artikel 14 VAPH-Decreet volstrekt duidelijk is, waardoor de uitlegging van “aan” als “voor” door artikel 39 van het Decreet van 21 juni 2013,
(7)geen interpretatieve bepaling is. 20. Bij arrest van arrest van 24 januari 2017 oordeelde het Hof dat het voormelde artikel 39 geen interpretatieve bepaling is
(8). Het dient opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof bij arrest van 16 februari 2017 oordeelde dat het voormelde artikel 39 wel een interpretatieve bepaling is
(9). 21. Aangezien volgens de rechtspraak van het Hof artikel 39 van het decreet van 21 juni 2013 geen interpretatieve bepaling is, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat dit wel een interpretatieve bepaling is en het subrogatierecht van verweerder, vóór de inwerkingtreding van dit artikel, (ook) betrekking had op tegemoetkomingen die verweerder aan derden betaalde (voor of ten behoeve van de persoon met een handicap), niet naar recht. Voor zoveel als nodig komt ook dit onderdeel gegrond voor. Besluit: cassatie. _________________________________
(1)De artikelen 6 van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap (‘VFPH-decreet’), zoals gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2002, en artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH-decreet).
(2)Cass. 23 september 2013, AR C.12.0559.N, AC 2013, nr. 472, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130923.2 :“De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout; enkel de economische waarde van de verloren gegane kans komt voor vergoeding in aanmerking; deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of het verloren voordeel; hieruit volgt dat het verlies van een kans op herstel van de arbeidsongeschiktheid geen schade is zoals bedoeld in artikel 136, § 2, ZIV-wet”.
(3)Cass. 22 februari 2005, AR P.04.1345.N, AC 2005, nr. 108, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33
(4)Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1012.N, AC 2021, nr. 165, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.16; Cass. 2 september 2020; AR P.20.0625.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200902.2F.9, AC 2020, nr. 480, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200902.F.9; Cass. 3 februari 2020, AR S.16.0059.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220328.3F.3, AC 2020, nr. 94, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200203.3F.5; Cass. 19 maart 2019, AR P.18.0865.N, AC 2019, nr. 167, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.7; Cass. 19 maart 2019, AR P.17.1139.N, AC 2019, nr. 165, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.5; Cass. 19 oktober 2016, AR P.16.0837.F, AC 2016, nr. 587, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161019.7 (“une question préjudicielle similaire”); Cass. 13 mei 2014, AR P.12.2065.N, AC 2014, nr. 338, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140513.1; Cass. 20 februari 2014, AR F.12.0053.N, AC 2014, nr. 131, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140220.2; Cass. 22 januari 2013, AR P.13.0006.N, AC 2013, nr. 47, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.6; Cass. 15 oktober 2012, AR S.10.0190.N, AC 2012, nr. 530, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121015.5; Cass. 29 juni 2011, AR P.11.0472.F, AC 2011, nr. 432, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110629.4; Cass. 7 september 2004, AR P.03.0986.N, AC 2004, nr. 385, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.2; Cass. 3 december 2003, AR P.03.1191.F, AC 2003, nr. 616, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.8; Cass. 27 juni 2003, AR F.01.0015.N, AC 2003, nr. 384, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030627.16.
(5)Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1012.N, AC 2021, nr. 165, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.16; Cass. 24 januari 2011, AR C.09.0635.N, AC 2011, nr. 66, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110124.3, met concl. van advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110124.3; Cass. 20 oktober 2006, AR F.05.0018.N, AC 2006, nr. 498, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061020.3.
(6)Schending van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.
(7)Decreet van 21 juni 2013 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (BS 14 augustus 2013).
(8)Cass. 24 januari 2017, AR P.16.0893.N, AC 2017, nr. 51, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170124.
- J. DEL CORRAL, “Subrogatie Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap voor tegemoetkomingen verleend aan of voor personen met een handicap” (noot onder Gwh. 16 februari 2017 en Cass. 24 januari 2017), RW 2017-2018, afl. 12, 463-
- Het Hof oordeelde in dezelfde zin met betrekking tot de voorganger van artikel 14 VAPH-decreet, namelijk artikel 6 van het VFPH-decreet: Cass. 23 november 2017, AR C.16.0545.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171123.7, AC 2017, nr. 671.
(9)Gwh. 16 februari 2017, nr. 22/2017, ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.022. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230505.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030627.16 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.2 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061020.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110124.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110629.4 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110124.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121015.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130923.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140220.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140513.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161019.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170124.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171123.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190319.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200203.3F.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200902.2F.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220328.3F.3 ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.022 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div