id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.5 Rolnummer: P.21.0332.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Handelsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2023-06-26 Raadplegingen: 610 - laatst gezien 2026-06-18 14:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 Fiches 1 - 3 Uit het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken en de eraan ten grondslag liggende overwegingen (ro 39-67) volgt dat weliswaar het bindend karakter van een door het bevoegde orgaan van een lidstaat afgegeven A1-verklaring niet verdwijnt door de mededeling door dat orgaan dat de bindende kracht van die verklaring voorlopig wordt opgeschort, maar dat de rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht die A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, niettemin kan vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring buiten beschouwing mag laten onder de voorwaarden dat er een redelijke termijn is verstreken zonder dat het orgaan van uitgifte standpunt heeft ingenomen betreffende het frauduleus karakter en de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen worden geëerbiedigd
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 Tekst van de conclusie P.21.0332.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De vervolging wegens het ontduiken van sociale bijdragen voor werknemers met A1-attesten die voorlopig zijn ingetrokken in de EU-lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd en waar een communautaire wegvervoersvergunning is uitgereikt”.
- Voorgaanden.
- Eisers worden vervolgd, als dader of mededader, wegens A) het niet indienen van een DIMONA-aangifte van 10 chauffeurs die zijn gedetacheerd en waarvoor de Slovaakse overheid A1-detacheringsattesten heeft uitgereikt (art. 181 Sociaal Strafwetboek en art. 4-8 en 9bis KB van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van art. 38 Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot de vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels) en B) het aanwenden van een frauduleuze handeling om geen RSZ af te dragen in België, namelijk het gebruik van een Slovaakse transportfirma MD INTERCARGO (opgericht door eiser 1 en zijn echtgenote) die in Slovakije geen substantiële activiteit uitoefent en chauffeurs via detachering voornamelijk arbeidsprestaties in België laat verrichten (art. 235 Sociaal Strafwetboek). De vrijspraak in eerste aanleg wegens feit C) over uitzendarbeid (art. 177, eerste lid, 2° Sociaal Strafwetboek en de Wet van 24 juli 1987) is in 2017 definitief verworven.
- Het hof van beroep te Antwerpen heeft als verwijzingsrechter ingevolge het arrest P.18.1101.N van het Hof van 9 april 2019 eisers met eenparigheid van stemmen schuldig bevonden aan de telastleggingen A en B en aan elke eiser één straf opgelegd voor het geheel (art. 65, eerste lid, Sw.), namelijk aan eiser 1 een gevangenisstraf van zes maanden met uitstel drie jaar en een geldboete van 36.000€, waarvan de helft met uitstel voor drie jaar en aan eiseres 2 een geldboete van 180.000€ (dit is 18.000€ per werknemer), waarvan 135.000€ (3/4) met uitstel voor drie jaar.
- Voor de beoordeling van de zaak zijn volgende EG-verordeningen van belang: 1° Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad, Publ. 14 november 2009, 2° Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, Publ. 14 november 2009 en 3° Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 april 2004 (www.eur-lex.europa.eu).
- Het Hof heeft bij arrest van 29 juni 2021 (P.21.0332.N) het eerste, tweede en derde middel verworpen en de beoordeling van het vierde, vijfde en zesde middel uitgesteld in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) op volgende twee prejudiciële vragen: “
- Moet artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels aldus worden uitgelegd dat: - indien, na een vraag van de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling tot intrekking met terugwerkende kracht van de A1-verklaringen, de autoriteiten van de lidstaat die de A1-verklaringen hebben afgegeven zich ertoe beperken deze verklaringen voorlopig in te trekken met de mededeling dat zij geen bindende kracht meer hebben zodat de strafprocedure in de lidstaat van tewerkstelling kan worden verder gezet en er slechts definitief zal worden beslist door de lidstaat van afgifte van de A1-verklaringen nadat de strafprocedure in de lidstaat van tewerkstelling definitief is afgehandeld, het aan de A1-verklaringen klevende vermoeden dat de betrokken werknemers regelmatig zijn aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van die lidstaat van afgifte vervalt en die A1-verklaringen niet meer bindend zijn voor de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling; - indien het antwoord op die vraag ontkennend is, de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie de bedoelde A1-verklaringen wegens fraude buiten beschouwing mogen laten?
- Moeten artikel 13.1, b), i), van de Verordening nr. 883/2004/EG van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, de artikelen 3.1, a), en 11.1, van de Verordening (EG) m. 1071/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en artikel 4.1.a), van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg zo worden uitgelegd dat uit de omstandigheid dat een onderneming die een wegvervoersvergunning verkrijgt in een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1071/2009 en de Verordening (EG) nr. 1072/2009 en dus werkelijk en op duurzame wijze in die lidstaat moet zijn gevestigd, noodzakelijk volgt dat daarmee onweerlegbaar is aangetoond dat haar zetel is gevestigd in die lidstaat zoals bedoeld met artikel 13.1 van de voormelde Verordening nr. 883/2004/EG om te bepalen welk socialezekerheidsstelsel van toepassing is en dat de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling door die vaststelling zijn gebonden?”
(1). Het Hof van Justitie heeft op 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21 en C-661/21 de prejudiciële zaken beantwoord.
- De communautaire wegvervoersvergunning.
- Het bestreden arrest oordeelt dat de wegvervoersvergunning (uitgereikt in Slovakije) de rechter niet verplicht aan te nemen dat de transportfirma werkelijk en duurzaam in Slovakije is gevestigd, wat betreft de coördinatie van de sociale zekerheid. Het bestreden arrest stelt dat “in een Europese context” de zetel van de onderneming afhangt van de plaats van de voornaamste beslissingen, met diverse subcriteria, zoals de plaats van de aanwerving van werknemers (blz. 45). Op basis van een reeks vaststellingen nemen de appelrechters aan dat de chauffeurs voornamelijk werken (en verblijven) in België en de Slovaakse transportfirma vanuit België wordt geleid (blz. 48).
- Eiser voert als vierde middel aan dat de wegvervoersvergunning uitgereikt in Slovakije wel wijst op een duurzame band met Slovakije en op het reëel vestigen van de transportfirma in Slovakije, aangezien enkel de Slovaakse overheid bevoegd is voor de sanctionering van eventuele inbreuken en de intrekking van de vergunning.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, geoordeeld dat: - De aanknopingsfactor van het in artikel 13, lid 1, onder b) i), van verordening nr. 883/2004 bedoelde begrip „zetel of domicilie” ter aanduiding van de lidstaat waarvan de socialezekerheidswetgeving van toepassing is, wordt bepaald door de plaats van waaruit een onderneming daadwerkelijk wordt bestuurd en georganiseerd (§ 75). - Wat het begrip „werkelijke en duurzame vestiging” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 1071/2009 betreft, impliceert het feit dat een onderneming beschikt over een dergelijke vestiging, in wezen ten eerste dat zij beschikt over gebouwen waarin zij de documenten inzake haar hoofdactiviteiten bewaart, ten tweede dat zij beschikt over ingeschreven voertuigen en ten derde dat zij haar activiteiten met betrekking tot deze voertuigen daadwerkelijk en ononderbroken verricht met de nodige administratieve uitrusting en adequate technische voorzieningen en faciliteiten die zich in een exploitatievestiging bevinden (§ 76). - Hieruit volgt dat het begrip „werkelijke en duurzame vestiging” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 1071/2009 in wezen verwijst naar de plaats waar de voornaamste documenten van de onderneming worden bewaard en waar zich haar uitrusting en haar technische en administratieve faciliteiten bevinden (§ 77). - De criteria ter bepaling van de zetel van een vervoersonderneming met het oog op het verkrijgen van een communautaire vergunning voor het wegvervoer verschillen dus van die welke worden gehanteerd om de zetel van een dergelijke onderneming te bepalen voor de toepassing van artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004 (§ 78). - De werkelijke en duurzame vestiging in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 1071/2009 en de plaats waar een onderneming of een werkgever de essentiële beslissingen neemt of de centrale bestuurstaken uitoefent, kunnen dus weliswaar samenvallen, maar dit hoeft niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn (§ 79). Bijgevolg komt het begrip “zetel of domicilie” in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004 niet overeen met het begrip „werkelijke en duurzame vestiging” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 1071/2009 (§ 80). - In die omstandigheden kan het feit dat een onderneming een communautaire vergunning voor wegvervoer bezit een gegeven zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de zetel of het domicilie van deze onderneming teneinde overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b, i), van verordening nr. 883/2004 vast te stellen welke nationale socialezekerheidswetgeving van toepassing is, maar kan dat bezit niet automatisch het bewijs, en a fortiori evenmin het onweerlegbare bewijs daarvan vormen, noch de autoriteiten van de lidstaat binden waar de arbeid wordt verricht (§ 81).
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, gestelde prejudiciële vraag over de communautaire vervoersvergunning beantwoord als volgt: Artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, gelezen in het licht van artikel 3, lid 1, onder a), en van artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad, alsook van artikel 4, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, moet aldus worden uitgelegd dat: “het feit dat een vennootschap een communautaire vergunning voor het wegvervoer bezit die is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, niet het onweerlegbare bewijs vormt dat zij met het oog op de bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling inzake sociale zekerheid overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, haar maatschappelijke zetel in deze lidstaat heeft”. Het vierde middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt aldus naar recht.
- De voorlopige schorsing van de A1-attesten.
- Het bestreden arrest oordeelt dat de voorlopige schorsing door de Slovaakse autoriteiten van de detacheringsdocumenten (E101-verklaring, thans A1-attest) inhoudt dat deze documenten geen bewijswaarde meer hebben over het toepasselijke systeem van sociale zekerheid (blz. 46).
- Eiser voert in een vijfde middel aan dat het bestreden arrest in strijd is met art. 5 EG-Verordening 987/2009 omdat het de EU-lidstaten van uitgifte van de A1-attesten alleen is toegelaten om de geldigheid ervan te bevestigen, ofwel de attesten in te trekken. Op basis van de voorlopige schorsing van de A1-attesten in Slovakije, in afwachting van de beoordeling door de lidstaat van effectieve tewerkstelling (België), mochten de appelrechters de A1-attesten niet ter zijde schuiven, als bewijs van aansluiting bij de sociale zekerheid in Slovakije.
- Beoordeling. Het A1-document houdt in dat bij internationale tewerkstelling de werknemer onderworpen is aan de sociale zekerheid in de EU-lidstaat van afgifte, ook al verricht de werknemer hoofdzakelijk arbeid in een andere EU-lidstaat (art. 12 en 13 EG-Verordening 883/2004). Zolang de A1-detacheringsdocumenten niet zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard in de lidstaat van uitgifte, hebben zij een bindende kracht hebben voor rechtbanken in de ontvangststaat (of werkstaat), gelet op de beginselen van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten
(2). Er is aldus een vermoeden dat de werknemer op regelmatige wijze is aangesloten bij het sociale zekerheidsstelsel van de zendstaat en de A1-documenten ‘in beginsel bindend zijn’ voor de rechterlijke instanties van de lidstaat waar die werknemer arbeid verricht
(3). 12. EU-Verordening 987/2009 mag evenwel niet zo worden toegepast dat zij handelingen zou toelaten die zijn gesteld met als doel door fraude of misbruik te profiteren van de door het Unierecht toegekende voordelen
(4). In de zaken CRPNPAC en Bouygues oordeelde het Hof van Justitie (in 2020) dat “een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst” A1-verklaringen buiten beschouwing mag laten als tegelijk aan drie voorwaarden is voldaan: 1° aan het bevoegde orgaan van de EU-lidstaat van afgifte is een verzoek tot intrekking van de A1-attesten gericht, conform de dialoog- en bemiddelingsprocedure van art. 5 EG-Verordening 987/2009, 2° het bevoegde orgaan van de EU-lidstaat van afgifte heeft niet binnen een redelijke termijn adequaat gereageerd op het verzoek tot intrekking van de A1-documenten, en 3° de rechterlijke instantie van de ontvangststaat (EU-lidstaat van effectieve tewerkstelling) is, met respect voor het recht op een eerlijk proces, in staat om vast te stellen dat de A1-documenten op bedrieglijke wijze zijn verkregen of ingeroepen
(5).
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, (ro 78-82) zijn rechtspraak over de bindende waarde van de A1-attesten en de noodzaak van een voorafgaande dialoog-en bemiddelingsprocedure bevestigd, in geval van een vermoeden van sociale fraude (§ 59-62). Het Hof van Justitie nam op 2 maart 2023 aan dat: - Een A1-verklaring haar bindende kracht alleen kan worden ontnomen door een besluit tot intrekking ervan dat het orgaan van afgifte heeft genomen overeenkomstig de dialoog-en bemiddelingsprocedure van artikel 5 EG-Verordening 987/2009, en dus nadat het opnieuw heeft onderzocht of een dergelijke verklaring terecht is afgegeven en het op de betrokken werknemer toepasselijke socialezekerheidsstelsel heeft vastgesteld (§ 51). - Het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten, dat voortvloeit uit de artikelen 76 EG-Verordening 83/2004 en artikel 20 EG-Verordening 987/2009 en waarop de dialoog-en bemiddelingsprocedure is gebaseerd van artikel 5 EG-Verordening 987/2009, wordt geschonden door de niet-inachtneming van deze procedure (§ 54-55). - Een uitlegging van artikel 5 EG-Verordening 987/2009 op grond waarvan het orgaan van afgifte een A1-verklaring voorlopig kan opschorten kan het risico verhogen dat er meerdere socialezekerheidsregelingen gelden, wat een inbreuk zou uitmaken op het beginsel dat werknemers slechts bij één socialezekerheidsregeling zijn aangesloten, wat indruist tegen de voorzienbaarheid van de toepasselijke regeling en het rechtszekerheidsbeginsel (§ 56) en een gevaar inhoudt voor het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten (§ 58). - Een mededeling door het orgaan van afgifte van voorlopige opschorting van de A1-verklaring kan niet de gevolgen teweegbrengen die eigen zijn aan een A1-verklaring, waaronder de bindende werking voor de organen en de rechterlijke instanties van andere lidstaten dan die waartoe het orgaan van afgifte van dergelijke verklaringen behoort (§ 57). - Een A1 verklaring, ook al is deze voorlopig opgeschort bij het orgaan van afgifte, blijft bindend voor de rechterlijke instanties van lidstaten (§ 59), wat niet wegneemt dat een rechterlijke instantie van de lidstaat waar de arbeid wordt verricht en waarbij een strafzaak is aanhangig gemaakt tegen personen die ervan verdacht worden de A1-verklaring op frauduleuze wijze hebben verkregen of gebruikt, niettemin kan vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring bijgevolg buiten beschouwing kan laten (§ 60). - De rechtelijke instantie van de lidstaat van ontvangst waarbij een zaak is aanhangig gemaakt tegen een werknemer wegens feiten die kunnen wijzen op frauduleuze verkrijging of frauduleus gebruik van A1-verklaringen, kan slechts definitief uitspraak doen over de vraag of er sprake is van een dergelijke fraude en kan deze verklaringen slechts buiten beschouwing laten indien zij vaststelt, zo nodig na schorsing van de gerechtelijke procedure overeenkomstig haar nationaal recht, dat de procedure van artikel 76, lid 6 EG-Verordening 883/2004 onverwijld was ingeleid en dat het orgaan van afgifte van de A1-verklaringen heeft nagelaten deze verklaringen opnieuw te onderzoeken en binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over de gegevens verstrekt door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst van de werknemers, met de bedoeling de A1-verklaringen nietig te verklaren of in te trekken (§ 61). - De dialoog- en bemiddelingsprocedure van art. 76, lid 6 EG-Verordening 883/2004 is een verplichte voorafgaande voorwaarde voor de vaststelling of is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen spreken van fraude en om daaraan bijgevolg alle nuttige gevolgen te verbinden voor de geldigheid van de betrokken A1-verklaringen en de op de betrokken werknemers toepasselijke socialezekerheidsregeling (§ 62). Een rechterlijke instantie van de gastlidstaat waarbij een strafrechtelijke procedure aanhangig is van fraude bij het bekomen of gebruik van A1-verklaringen mag dus niet voorbijgaan aan die dialoog- en bemiddelingsprocedure (§ 62). - De dialoog- en bemiddelingsprocedure is weliswaar ingeleid, maar het orgaan dat de A1-verklaringen heeft afgegeven, heeft zonder acht te slaan op de voorwaarden voor toepassing van deze procedure besloten om de herziening van de geldigheid van die verklaringen en de beoordeling van het op de betrokken werknemers toepasselijke socialezekerheidsstelsel uit te stellen tot de strafprocedure wordt beëindigd die aanhangig is bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het werk wordt verricht (§ 63). - In die omstandigheden blijkt dat het orgaan van afgifte heeft nagelaten de verklaringen waarvan de frauduleuze verkrijging of het frauduleus gebruik in het kader van de bovengenoemde strafprocedure in het geding was, te herzien en binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over de gegevens die het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst dienaangaande heeft overgelegd (§ 64). - Bijgevolg moeten deze gegevens in het kader van die strafprocedure kunnen worden aangevoerd om van de rechter van de lidstaat waar het werk wordt verricht, te verkrijgen dat hij de betrokken verklaringen buiten beschouwing laat (§ 65, met verwijzing naar het arrest van 6 februari 2018, Altun e.a., C 359/16, punt 55). - Ter eerbiediging van de waarborgen verbonden aan het recht op een eerlijk proces moeten de personen aan wie in een gerechtelijke procedure wordt verweten onder de dekmantel van frauduleus verkregen A1-verklaringen een beroep te hebben gedaan op gedetacheerde werknemers, over de mogelijkheid beschikken om de gegevens waarop deze procedure is gebaseerd te weerleggen, voordat de nationale rechter in voorkomend geval besluit om die verklaringen buiten beschouwing te laten en uitspraak te doen over de vraag of deze personen volgens het toepasselijke nationale recht aansprakelijk zijn (§ 66, met verwijzing naar het arrest van 6 februari 2018, Altun e.a., C 359/16, punt 56). - Een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht en waarbij een strafprocedure aanhangig is tegen personen die ervan worden verdacht een A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, kan het bestaan van fraude vaststellen en bijgevolg deze verklaring buiten beschouwing laten, voor zover de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen die aan die personen moeten worden verleend, worden geëerbiedigd, indien het bevoegde orgaan van afgifte de A1-documenten voorlopig introk omdat het twijfelde aan de feiten die ten grondslag lagen aan de afgifte van die verklaringen en over de socialezekerheidsregeling die van toepassing was op de betrokken werknemers (§ 67).
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, de gestelde prejudiciële vraag over de bindende kracht van de A1-documenten uitgereikt in Slovakije beantwoord als volgt: Artikel 5 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, moet aldus worden uitgelegd dat: “een door het bevoegde orgaan van een lidstaat afgegeven A1-verklaring bindend is voor de organen en de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het werk wordt verricht, ook wanneer dat orgaan van afgifte na een verzoek van het bevoegde orgaan van laatstgenoemde lidstaat om die verklaring te herzien en in te trekken, heeft meegedeeld de bindende kracht ervan voorlopig op te schorten totdat het definitief op dat verzoek heeft beslist. In dergelijke omstandigheden kan een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht die A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, desondanks vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring bijgevolg ten behoeve van die strafprocedure buiten beschouwing laten voor zover, ten eerste, een redelijke termijn is verstreken zonder dat het orgaan van uitgifte heeft onderzocht of de verklaring terecht is afgegeven, een standpunt heeft ingenomen over de door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens die erop duiden dat die verklaring op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen, en die verklaring in voorkomend geval nietig heeft verklaard of ingetrokken en, ten tweede, de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen die aan die personen moeten worden verleend, worden geëerbiedigd”. Het vijfde middel, middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt aldus naar recht. (…) Advies. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping van de cassatieberoepen. _____________________________________
(1)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N, AC 2021, nr. 485, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210629.2N.16.
(2)HvJ 10 februari 2000, Fitzwilliam Executive Search Ltd, C-202/97, al. 53-58; HvJ 26 januari 2006, Herbosch Kiere, C-2/05, al. 30-33; HvJ 27 april 2017, A-Rosa Flusschiff, C-620/15, al. 44; HvJ 6 februari 2018, Altun e.a., C-359/16, al. 40-41; HvJ 6 september 2018, HvJ 6 september 2018, Salzburger Gebietskrankenkasse e.a., C-527/16 al. 47; HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l’aéronautique civile t/Vueling Airlines SA, C-370/17, al. 62-63, www.curia.europa.eu; T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1108.
(3)HvJ 14 mei 2020, Bouygues travaux publics, C-17/19, al. 40, www.curia.europa.eu
(4)HvJ 6 februari 2018, Altun e.a., C-359-16, al. 49; HvJ 6 september 2018, Salzburger Gebietskrankenkasse e.a., C-527/16 al. 47; HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l’aéronautique civile (CRPNPAC) t/Vueling Airlines SA, C-370/17, al. 50; L. ELIAERTS, “Detachering binnen de Europese Economische Ruimte en bestrijding van sociale fraude”, RW 2013-14, 396-398; L. ELIAERTS, “Het Europees detacheringsattest is niet bindend in geval van fraude”, RW 2017-18, 1682; M. MORSA, “La Cour de Justice de l’Union européenne contribue à la lutte contre la fraude sociale transfrontalière et le dumping social”, Dr. Pen. Entr. 2018, 193-209; G. VAN DE MOSSELAER, “Erkenning fraudeverbod in een grensoverschrijdende sociaalrechtelijke context”, in Sociale wegwijzer, Kluwer, april 2018, 14-17; K. DECRUYENAERE, “Blijft ook na Altun de loyauteit nog steeds zoek ?”, RABG 2019, 264-271; T. PERDIEUS, “Quo vadis A1?”, in Expat News, Kluwer, januari 2019, 5-8.
(5)HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l’aéronautique civile t/Vueling Airlines SA, C-370/17, al. 78; HvJ 14 mei 2020, Bouygues travaux publics, C-17/19, al. 43, www.curia.europa.eu Zie ook J. LORRE, “Sociale zekerheidscoördinatie, fraude-en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak”, JTT 2021, 3-13; T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1101-1108. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210629.2N.16 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div