← België

J. Verbraeken en Zonen

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 Rolnummer: P.21.0738.N Zaak: J. Verbraeken en Zonen Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2023-06-26 Raadplegingen: 893 - laatst gezien 2026-06-18 21:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7 Fiches 1 - 4 Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 volgt dat moet worden onderzocht of de Belgische regelgever met de Dimona-aangifteplicht enkel een socialezekerheidsrechtelijke doelstelling heeft dan wel of hij daarnaast ook beoogt de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden worden nageleefd

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 5 - 8 Artikel 4 KB Dimona van 5 november 2002 verplicht de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen een aantal gegevens mee te delen betreffende de werkgever, de werknemer en zijn tewerkstelling en geeft uitlegging aan artikel 38 Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; die regeling heeft in elk geval tot doel te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus de naleving van de wetgeving ter zake te verzekeren; de Sociale documentenwet verplicht de werkgever bepaalde sociale documenten bij te houden; die wet beperkt de controledoelstelling van die documenten niet tot specifieke sociale wetten; bijgevolg is het personeelsregister dat met deze wet wordt verplicht gesteld, bedoeld om zowel de toepassing van de sociale wetten betreffende de sociale zekerheid als die betreffende het arbeidsrecht met inbegrip van de arbeidsreglementering te controleren
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 9 - 12 Uit de artikelen 4, § 1, 1., en 4, § 1bis Sociale Documentenwet en artikel 3, § 1 KB van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten volgt dat de Dimona–aangifteplicht het bijhouden van een personeelsregister vervangt; daaruit moet worden afgeleid dat de regelgever met de invoering van de Dimona–aangifteplicht niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de ter zake geldende regelgeving, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden; daaruit volgt ook dat de Dimona–aangifteplicht zich niet beperkt tot de tewerkstelling in België van werknemers door ondernemingen die enkel in België een werkelijke en duurzame vestiging hebben en dat de Koning de hem door de wetgever verleende bevoegdheid niet heeft overschreden
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Fiches 13 - 14 Uit van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C–410/21, Intertrans en C–661/21, Verbraeken en de eraan ten grondslag liggende overwegingen volgt dat het feit dat een onderneming een communautaire vergunning voor wegvervoer bezit weliswaar een gegeven kan zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de zetel of het domicilie van deze onderneming teneinde overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening (EG) nr. 883/2004 vast te stellen welke nationale sociale zekerheidswetgeving van toepassing is, maar dat een dergelijke communautaire vergunning zich niet presenteert als het bewijs van het bestaan van een reële en duurzame vestiging van de onderneming die hierover beschikt; een dergelijke vergunning zich zeker niet presenteert als het onweerlegbaar bewijs daarvan en een dergelijke communautaire vergunning niet geldt als een lex specialis in relatie met artikel 13 Verordening (EG) nr. 883/2004
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg - 21-10-2009 Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg - 21-10-2009 Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 Tekst van de conclusie P.21.0738.N Conclusie van advocaat-generaal B. DE SMET: “Het gebruik van een transportfirma gevestigd in een EU-lidstaat voor tewerkstelling van chauffeurs die hoofdzakelijk arbeid in loondienst verrichten in België en beschikken over een A1-document dat niet door het bevoegde orgaan van de EU-lidstaat is ingetrokken. Zijn deze werknemers onderworpen aan de Dimona-verplichting van het KB van 5 november 2002 en moet voor het bepalen van de zetel van de tewerkstellende onderneming, als criterium voor het toepasselijke sociale zekerheidsstelsel, worden gelet op de communautaire vervoersvergunning (Verordeningen (EG) 883/2004 en 1071/2009)”? 1. Feiten en voorafgaande procedure. 1. Eisers worden vervolgd voor de telastlegging A om met inbreuk op artikel 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, met het oogmerk ofwel ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te doen geloven aan het bestaan van een valse onderneming, door een Litouwse postbusvennootschap onder de benaming UAB VAN DAELE F. te hebben opgericht, via dewelke vier chauffeurs vanuit België werden tewerkgesteld in de periode van 1 juli 2011 tot en met 4 december 2015. Zij worden ook vervolgd voor de telastlegging B om met inbreuk op artikel 181 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4, 5, 6, 7, 8 en 9bis KB van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, de vereiste gegevens voor de inning van sociale zekerheidsbijdragen (Dimona-aangifte) niet te hebben meegedeeld aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen in de voorgeschreven vorm, uiterlijk de dag waarop de werknemers hun prestaties aanvatten, met betrekking tot vier chauffeurs. Dat tijdstip was bepaald op 24 augustus 2015 voor P.L, 15 maart 2014 voor J.S, 1 september 2008 voor A.P en 19 november 2010 voor O.D
(1).
  1. De correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, heeft, gelet op de invoering van het Sociaal Strafwetboek, de feiten onder tenlastelegging B anders omschreven en opgesplitst in twee delen. In B.1 werd de verwijzing naar artikel 181 Sociaal Strafwetboek weggelaten en is het ontbreken van de Dimona-aangifte beperkt tot A.P op 1 september 2008 (B.1.1) en O.D. op 19 november 2010 (B.1.2). In B.
  2. werd art. 181 Sociaal Strafwetboek wel vermeld en is het misdrijf gericht op het ontbreken van de Dimona-aangifte voor P.L met als data 24 augustus 2015 voor P.L. (B.2.1) en 15 maart 2014 voor J.S. (B.2.2). De correctionele rechtbank heeft op 18 september 2019 eisers in cassatie veroordeeld voor de telastleggingen A, B.1.1, B.1.2, B.2.1 en B.2.
  3. en hen veroordeeld tot een geldboete van 24.000 euro (incl. opdeciemen), waarvan 18.000 euro met uitstel 3 jaar voor eiser I en 6.000 euro met uitstel 3 jaar voor eiser II. De correctionele rechtbank oordeelde dat er bewust een constructie werd opgezet waarbij de transportactiviteiten van UAB VAN DAELE F. geleid en gerund werden vanuit Melle, vanuit de onderneming J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV (blz. 34) en dat de Litouwse zaakvoerder K.V. alleen tussenkwam bij de aanwerving van chauffeurs. Volgens de eerste rechter is UAB VAN DAELE F. alleen een ‘vehikel’, waarbij de illusie werd gecreëerd dat de chauffeurs zijn tewerkgesteld bij deze Litouwse firma, terwijl ze in werkelijkheid werkzaam waren voor J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV te Melle en voor het grootste deel arbeid in loondienst hebben verricht in België. Het feit dat UAB VAN DAELE F. over een communautaire wegvervoersvergunning beschikte ten tijde van de feiten, uitgereikt in Litouwen, doet aan de sociale fraude geen afbreuk, temeer daar het Unierecht niet kan dienen om misbruiken van ondernemers toe te dekken (blz. 35). De correctionele rechtbank stelde vast dat de Litouwse chauffeurs geen substantieel gedeelte van hun arbeid verrichtten in hun woonland, zodat voor het bepalen van het sociale zekerheidssysteem moet worden gelet op de zetel van de tewerkstellende onderneming, gelet op art. 13.1.b) Verordening (EG) 883/
  4. Deze zetel is volgens de rechtbank niet het adres van inschrijving of van de zetel van UAB VAN DAELE F. in Litouwen, maar het adres waar de voornaamste beslissingen worden genomen, de (Litouwse) vennootschap effectief wordt geleid (blz. 39), in casu J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV. Het was dan ook J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV die bijdragen voor de sociale zekerheid in België verschuldigd was voor de chauffeurs die officieel door UAB VAN DAELE F. zijn tewerkgesteld.
  5. Op de hoger beroepen van eisers heeft het hof van beroep te Gent op 18 maart 2021 de veroordelingen van eisers bevestigd voor de telastlegging A, weliswaar met een beperkte incriminatieperiode (van 1 juli 2011 tot en met 19 januari 2014). Voor de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 december 2015 werd telastlegging A niet weerhouden omdat in die periode de vier Litouwse chauffeurs beschikten over A1-attesten van tewerkstelling, uitgereikt in Litouwen (blz. 30). Het hof van beroep heeft telastlegging A verduidelijkt in die zin dat op de Litouwse firma UAB VAN DAELE F. een beroep werd gedaan om chauffeurs in België te werk te stellen om geen Belgische sociale zekerheidsbijdragen in die periode voor die chauffeurs te moeten betalen (blz. 12).
  6. Het hof van beroep nam de redenen over van de eerste rechter en stelde over telastlegging B dat sociale zekerheidsbijdragen werden ontweken doordat J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV een beroep deed op vrachtwagenbestuurders van de Litouwse vennootschap UAB VAN DAELE F., alleen met de bedoeling om chauffeurs in België tewerk te stellen zonder Belgische sociale zekerheidsbijdragen te betalen. De veroordeling van eisers voor telastlegging B werd integraal bevestigd.
  7. Het Hof heeft bij arrest van 26 oktober 2021 (P.21.0738.N) uitspraak gedaan over het eerste middel van eiseres 1 en van eiser 2 over de samenstelling van het hof van beroep (verwerping) en volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “
  8. Moeten artikel 13.1, b), i), van de Verordening nr. 883/2004/EG van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, de artikelen 3.1, a), en 11.1, van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en artikel 4.1.a), van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg zo worden uitgelegd dat uit de omstandigheid dat een onderneming die een wegvervoersvergunning verkrijgt in een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 1071/2009 en nr. 1072/2009 en dus werkelijk en op duurzame wijze in die lidstaat moet zijn gevestigd, volgt dat daarmee onweerlegbaar is aangetoond dat haar zetel is gevestigd in die lidstaat zoals bedoeld door artikel 13.1 van de voormelde Verordening nr. 883/2004/EG, ter bepaling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel en of de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling door die vaststelling zijn gebonden”? “
  9. Kan de nationale rechter van de lidstaat van tewerkstelling die vaststelt dat de bedoelde wegvervoersvergunning werd verkregen door bedrog die vergunning naast zich neerleggen, of dienen de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling op grond van de vaststelling van bedrog eerst de intrekking van die vergunning te vragen aan de autoriteiten die de vergunning hebben uitgereikt”?
  10. Het Hof van Justitie heeft op 2 maart 2023 deze prejudiciële vragen beantwoord (gevoegde zaken C-410/21 en C-661/21, FU en DRV Intertrans en Verbraeken J en Zonen BV en PN (www.europa.curia.eu).
  11. Middelen van eiseres I. (…) 2.
  12. De Dimona-aangifte voor werknemers met een A1-attest.
  13. Het bestreden arrest stelt vast dat in een deel van de oorspronkelijke incriminatieperiode van telastlegging A (sociale fraude via een valse onderneming) de chauffeurs beschikten over A1-tewerkstellingsattesten uitgereikt in Litouwen, die niet door het bevoegde orgaan in Litouwen zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard
(2). Met die periode (van 20 januari 2014 tot en met 4 december 2015) werd geen rekening meer gehouden (blz. 23). 11. Voor de telastlegging B (geen Dimona-aangifte voor de werknemers), bleef de gehele incriminatieperiode behouden. De appelrechters namen aan (blz. 24)
(3)dat de Dimona-plicht (KB 5 november 2002) ook geldt voor buitenlandse werknemers die zijn tewerkgesteld door een buitenlandse onderneming en beschikken over een A1-document, wanneer zij effectief arbeid in loondienst verrichten voor een Belgische onderneming. Reden is dat de Dimona-plicht niet uitsluitend betrekking heeft op verplichtingen inzake het (Belgische) socialezekerheidsrecht, maar ook “op de verplichting tot het bijhouden van sociale documenten, dus minstens op het sociaal handhavingsrecht”, meer bepaald de verplichtingen inzake het personeelsregister (blz. 25). Bovendien impliceert de Dimona-aangifte niet automatisch dat er voor de betrokken werknemer RSZ-bijdragen verschuldigd zijn (blz. 24). Hieruit vloeit volgens het bestreden arrest voort dat de voorgelegde A1-verklaringen voor de tewerkstelling in België van vier werknemers (vermeld in feiten B.1.1, B.1.2, B.2.1 en B.2.2) niet bindend zijn voor de beoordeling van de Dimona-inbreuk, voor zover deze A1-attesten betrekking hebben op ‘andere gebieden dan het socialezekerheidsrecht’ (blz. 25).
  1. Eiseres 1 voert in een derde middel aan dat de appelrechters ten onrechte hebben geoordeeld dat de Dimona-aangifteplicht toepasselijk is op werknemers die beschikken over A1-documenten die niet zijn ingetrokken of ongeldig verklaard, omdat de Dimona-plicht ‘enkel en alleen’ dient voor de toepassing van de Belgische sociale zekerheidsbepalingen, wat volgt uit artikel 181 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4 en 8 Dimona-KB van 5 november
  2. Eiseres I verwijst eveneens naar de aanhef van het Dimona-KB, het arrest van het Hof van 2 februari 2016 (AR P.15.0846.N) en de Limosa-aangifteplicht van de Programmawet (I) van 27 december 2006 en het KB van 20 maart 2007, van toepassing op gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. Verder is volgens eiseres het gemaakte onderscheid tussen het sociale zekerheidsrecht en het sociaal handhavingsrecht onbestaande, omdat de Dimona-aangifte ‘stamt uit de sociale zekerheid’ en handhaving van die verplichting nodig is.
  3. Indien uw Hof aanneemt dat de Dimona-verplichting geldt voor buitenlandse werknemers waarvoor een A1-attest in een EU-lidstaat is uitgereikt, om reden dat het Dimona-KB van 5 november 2002 ook aspecten van arbeidsrecht regelt, dan is het voor telastlegging B niet meer van belang te weten of het A1-document nog een bindende kracht heeft of buiten beschouwing kan blijven.
  4. Een A1-document is een attest waaruit blijkt dat een werknemer in geval van detachering vanuit een andere lidstaat of tewerkstelling in twee of meer lidstaten onderworpen is aan de sociale zekerheid van één lidstaat (art. 12 en 13 EG-Verordening 883/2004)
(4). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 (ro 42-54) geoordeeld dat: - de E101- en A1-verklaringen weliswaar bindende gevolgen hebben, maar dat deze enkel gelden voor de verplichtingen die worden opgelegd door de nationale socialezekerheidswetgevingen waarop de bij verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 883/2004 tot stand gebrachte coördinatie betrekking heeft; - de E101- en A1-verklaringen geen bindende gevolgen hebben ten aanzien van de verplichtingen die door het nationale recht worden opgelegd op andere gebieden dan de sociale zekerheid in de zin van de verordeningen nr. 1408/71 en nr. 883/2004, zoals verplichtingen die verband houden met de arbeidsverhouding tussen werkgevers en werknemers, in het bijzonder met de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor werknemers; - het staat aan de nationale rechter om vast te stellen of de in de nationale regelgeving neergelegde verplichting tot aanmelding voor indienstneming uitsluitend tot doel heeft te waarborgen dat de betrokken werknemers bij één van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en er dus enkel toe strekt de naleving van de wetgeving ter zake te waarborgen – in welk geval de door het orgaan van afgifte verstrekte E101- en A1-verklaringen in beginsel in de weg zouden staan aan een dergelijke verplichting, dan wel of met deze verplichting tevens, zij het gedeeltelijk, wordt beoogd de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden worden nageleefd, in welk geval die verklaringen geen enkele invloed zouden hebben op die verplichting, die namelijk hoe dan ook niet kan leiden tot de aansluiting van de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel
(5). Uw Hof leidt uit het arrest Bouygues af “dat moet worden onderzocht of de Belgische regelgever met de Dimona-aangifteplicht enkel een socialezekerheidsrechtedoelstelling heeft dan wel of hij daarnaast ook beoogt de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden worden nageleefd”
(6).
  1. Artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bepaalt: “De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wijzigingen aanbrengen inzake de wijze van de inzameling van de gegevens nodig voor de toepassing van de sociale zekerheid en de fiscaliteit bij de werkgevers en de sociaal verzekerden, waarbij het beheer van de gegevens gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen nemen om de elektronische inzameling en de kwaliteit van de gegevens te bevorderen en te regelen”.
  2. Artikel 4 KB van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (BS 22 november 2002) bepaalt dat de werkgever aan de instelling, die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, hierna de instelling genoemd, een aantal gegevens moet meedelen, zoals het nummer waaronder de werkgever is ingeschreven bij de instelling (1°), het identificatienummer van de sociale zekerheid van de werknemer of, zo dit nummer niet bestaat, de naam, de voornamen, de geboorteplaats en -datum en de hoofdverblijfplaats van de werknemer (2°) en de datum van indiensttreding van de werknemer (°4)
(7). De gegevens moeten worden meegedeeld uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvat (art. 8 KB 5 november 2002).
  1. Het Verslag aan de Koning bij vermeld K.B. vermeldt hierover (BS 22 november 2022): “De veralgemeende Dimona-aangifte garandeert immers een juiste en snelle identificatie van werknemers en stelt op ondubbelzinnige en uniforme wijze de band vast tussen een werknemer en diens werkgever. Beide elementen zijn onontbeerlijk in een gemoderniseerd beheer van de sociale zekerheid. Bovendien laat de veralgemening van de Dimona-aangifte toe dat een aantal verplichtingen op het vlak van sociale documenten worden vereenvoudigd… Tenslotte laat de veralgemeende Dimona-aangifte, door het vaststellen van de relatie tussen een werknemer en een werkgever, toe dat er een interactief gegevensverkeer ontstaat tussen de werkgever en de instellingen van sociale zekerheid”.
  2. Uw Hof heeft op 2 februari 2016 artikel 38 Wet 26 juli 1996 en het KB van 5 november 2002 als volgt geïnterpreteerd: “Hieruit volgt dat de DIMONA-reglementering de toepassing beoogt van de Belgische sociale zekerheidsbepalingen en enkel geldt voor de tewerkstelling van de personen waarop die bepalingen van toepassing zijn. Zij geldt niet ten aanzien van personen die beschikken over een A1-attest van een lidstaat van de Europese Unie op grond waarvan de toepassing van de Belgische sociale zekerheid wordt uitgesloten”
(8). Bijkomend stelde het Hof dat de Dimona-meldingsplicht een aangelegenheid is zoals bedoeld in artikel 580, 1° Ger.W., namelijk een verplichting van de werkgever opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid
(9). 19. Op basis van deze rechtspraak en vermeld arrest Bouygues
(2020)van het Hof van Justitie heb ik het Hof op 7 oktober 2021 geadviseerd het derde middel van eiseres 1 over schending van artikel 181 Sociaal Strafwetboek en het KB van 5 november 2002 gegrond te verklaren, wat betreft een deel van de incriminatieperiode van telastleggingen B.1 en B.2., namelijk de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 december 2015, aangezien in die periode de betrokken chauffeurs P.L. en J.S. beschikten over A1-attesten, zoals is gesteld in het bestreden arrest (blz. 23) over de incriminatieperiode voor de feiten van telastlegging A
(10).
  1. In de latere zaak P.21.1232.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11 gaf het Hof op 19 april 2022 de Dimona-verplichting een andere interpretatie dan in de zaak P.15.0846.N van 2 februari 2016, wat betreft de telastlegging van het ontbreken van een Dimona-aangifte voor werknemers die beschikken over een A1-attest, namelijk: “-
  2. Artikel 4 KB Dimona van 5 november 2002 verplicht de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen een aantal gegevens mee te delen betreffende de werkgever, de werknemer en zijn tewerkstelling. -
  3. Het KB Dimona van 5 november 2002 geeft aldus uitvoering aan de voormelde wet. Die regeling heeft in elk geval tot doel te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus de naleving van de wetgeving ter zake te verzekeren. -
  4. De Sociale documentenwet verplicht de werkgever bepaalde sociale documenten bij te houden. Die wet beperkt de controledoelstelling van die documenten niet tot specifieke sociale wetten. Bijgevolg is het personeelsregister dat met deze wet wordt verplicht gesteld, bedoeld om zowel de toepassing van de sociale wetten betreffende de sociale zekerheid als die betreffende het arbeidsrecht met inbegrip van de arbeidsreglementering te controleren. -
  5. Artikel 4, § 1, 1, Sociale documentenwet, zoals gewijzigd door artikel 2, 1°, van de wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, bepaalt dat de sociale documenten waarvan het bijhouden door dit besluit is opgelegd, het algemeen personeelsregister en het speciaal personeelsregister zijn. - Artikel 4, § 1bis Sociale documentenwet, zoals gewijzigd door artikel 2, 2°, van de wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling bepaalt: “De Koning kan de werkgevers, die de gegevens zoals door Hem bepaald krachtens artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, moeten mededelen aan de instelling, die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regelen, vrijstellen van de verplichting om een algemeen personeelsregister bij te houden voor de werknemers wier gegevens medegedeeld worden”. - Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten bepaalt: “De werkgever die de verplichting heeft om een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te verrichten krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, moet enkel een speciaal personeelsregister bijhouden in de gevallen bepaald in onderafdeling 2 van hoofdstuk II”. -
  6. Uit deze bepalingen volgt dat de Dimona-aangifteplicht het bijhouden van een personeelsregister vervangt. Daaruit moet worden afgeleid dat de regelgever met de invoering van de Dimona-aangifteplicht niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de ter zake geldende regelgeving, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht”
(11). 21. Indien het Hof in deze zaak, wat betreft telastlegging B, de interpretatie volgt van het arrest van 19 april 2022 (AR P.21.0738.N) over de Dimona-plicht voor werknemers die beschikken over een A1-attest en in België worden tewerkgesteld, waarbij ik mij aansluit, faalt het derde middel naar recht. Het voorhanden zijn van een A1-attest voor een buitenlandse werknemer sluit de vaststelling van een Dimona-inbreuk niet automatisch uit
(12). Verder houdt de Dimona-aangifte van een buitenlandse werknemer die beschikt over een A1-document niet steeds in dat er voor deze werknemer Belgische sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. Het feit dat de Dimona-aangifteplicht wat betreft de samenstelling van het rechtscollege onder de noemer valt van een ‘verplichting van de wetgever opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid’ (art. 580, 1° Ger.W.), betekent overigens niet dat deze aangifteplicht uitsluitend een materie zou zijn van sociale zekerheid
(13). 22. Met een geheel van redenen oordeelt het arrest (p. 23-35) dat de Dimona-aangifteplicht niet uitsluitend strekt tot het waarborgen van de aansluiting bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de regelgeving ter zake, maar ook een instrument is in het kader van het arbeidsrecht, meer bepaald het bijhouden van sociale documenten, zodat de door de bevoegde buitenlandse overheid uitgereikte E101- en A1-verklaringen de Dimona-aangifteplicht niet uitsluit en de Dimona-plicht niet automatisch betekent dat er voor de werknemers (met een A-attest) RSZ-bijdragen verschuldigd zijn. Die beslissing lijkt mij naar recht verantwoord, gelet op het standpunt van het Hof op 19 april 2022 in de zaak P.21.0738.N
(14). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 2.
  1. De motivering van de eigen fout van de rechtspersoon (art. 5 Sw.)
  2. Artikel 5, eerste lid, Strafwetboek, bepaalt dat een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd
(15). 24. Een misdrijf kan moreel aan een rechtspersoon worden toegerekend indien blijkt dat het voor het misdrijf vereiste moreel bestanddeel aanwezig is bij de rechtspersoon. Het is vaste rechtspraak dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon een autonoom karakter heeft, in die zin dat die verantwoordelijkheid geen louter afgeleide is van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke personen die voor of namens de rechtspersonen handelen
(16). Het vaststellen van het moreel misdrijfbestanddeel in hoofde van een rechtspersoon houdt in dat, al naar gelang het geval, moet blijken dat de rechtspersoon heeft gehandeld met het vereiste bijzonder of algemeen opzet, onachtzaam is geweest dan wel heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet. 25. Het moreel misdrijfbestanddeel moet dus ook op het niveau van de rechtspersoon blijken
(17). De rechter oordeelt in feite of een misdrijf kan worden toegerekend aan een rechtspersoon, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof. De morele toerekenbaarheid van een als misdrijf omschreven feit aan een rechtspersoon moet niet steeds het voorwerp uitmaken van een specifiek onderzoek, maar kan blijken uit de gegevens opgeleverd door het algemeen onderzoek naar de feiten. De rechter bepaalt daarbij of de hem voorgelegde gegevens volstaan om met kennis van zaken te oordelen over de bedoelde toerekenbaarheid
(18). 26. Het Hof nam aan dat “dit autonoom karakter sluit echter niet uit dat bij de beoordeling van de materiële en morele toerekening van het misdrijf rekening wordt gehouden met de gedragingen van de natuurlijke personen die voor of namens de rechtspersoon handelen, zoals daar onder meer kunnen zijn de organen van de rechtspersoon, werknemers of zij die zonder een officiële functie te vervullen het gedrag van de rechtspersoon bepalen, en dit ongeacht of dit één of meerdere natuurlijke personen betreft. Een rechtspersoon als fictieve entiteit handelt immers noodzakelijk door middel van één of meer natuurlijke personen”
(19). 27. Het bestreden arrest wijst op een fout in hoofde van eiseres 1, namelijk een gebrekkige organisatie in de rechtspersoon, aangezien de dispatching en planning van de vrachtwagenchauffeurs gebeurde samen met een andere vennootschap vanop dezelfde locatie en op het nalaten van eiseres I om een doortastend beleid te voeren. De motivering over het opzet in hoofde van de rechtspersoon
(20), voor de telastleggingen A en B, lijkt mij naar recht verantwoord. Het vierde middel dat schending aanvoert van artikel 149 Grondwet omdat het moreel element van de misdrijven onvoldoende is gemotiveerd in hoofde van de rechtspersoon en de rechtspersoon als kleine onderneming onmogelijk anders kan handelen dan wat door haar zaakvoerder is beslist, kan niet worden aangenomen.
  1. Middelen van eiser
  2. 3.
  3. Het verhoor van een persoon die geen verdachte is (art. 47bis, § 1 Sv.)
  4. Het derde middel komt op tegen het oordeel dat de gegevens verstrekt door de Oekraïense vrachtwagenchauffeur V.Y. die niet werden bekomen tijdens een verhoor in de zin van artikel 47bis Sv. Bovendien is deze chauffeur die geen Nederlands sprak en zich uitdrukte in het Engels niet verhoord met bijstand van een beëdigde tolk. (…)
  5. De in het tweede en vierde onderdeel ingeroepen artikelen 47bis Wetboek van Strafvordering, art. 62 Sociaal Strafwetboek en artikelen 31 en 32 Taalwet Gerechtszaken bevatten geen definitie over het begrip ‘verhoor’, waarvoor specifieke rechten gelden zoals overleg met een raadsman en bijstand van een beëdigde tolk.
  6. De strafrechter beschikt bijgevolg over enige beoordelingsmarge om een dialoog tussen een ambtenaar van een inspectiedienst en een buitenlandse chauffeur over zijn identiteit en tewerkstelling, naar aanleiding van een wegcontrole of routinecontrole, al dan niet op te vatten als een ‘verhoor’ van een getuige of verdachte, in de zin van deze wetsbepalingen.
  7. De strafrechter oordeelt onaantastbaar of een verklaring aan een opsporingsambtenaar is afgelegd na een ‘verhoor’ in de zin van vermeld artikel 47bis, § 1 Sv. (verhoor van elke persoon) of art. 47bis, § 2 Sv. (verhoor van de verdachte), met controle op de motieven door het Hof. Het Hof nam aan dat art. 47bis Sv. niet van toepassing is op “spontane verklaringen of aanwijzingen van een persoon die op zijn gedrag of situatie wordt aangesproken door een daartoe bevoegde ambtenaar, wiens interpellatie enkel bedoeld is om zich een juist beeld van de vastgestelde feiten te vormen teneinde vervolgens een gepaste beslissing te kunnen nemen. Dat de vastgestelde feiten kunnen wijzen op het bestaan van een misdrijf, is daarbij niet doorslaggevend”
(21).
  1. Het bestreden arrest nam aan (blz. 14) dat de vrachtwagenbestuurder Y. werd staande gehouden bij een routinecontrole en dat Y heeft geantwoord op vragen over zijn identiteit en wettig verblijf in België. De verstrekte gegevens vallen niet onder de Salduz-verplichtingen van art. 47bis Sv. omdat het gaat om een noodzakelijke dialoog tijdens een identiteitscontrole. Van de verstrekte informatie (over zijn identiteit, wettig verblijf in België, werkgever en werkomstandigheden) werd alleen een proces-verbaal van inlichtingen opgemaakt, gericht aan de arbeidsauditeur. Er moest volgens het arrest geen proces-verbaal van verhoor worden opgesteld. De beslissing om het gesprek tussen de inspecteur en V.Y. niet op te vatten als een ‘verhoor’ lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het tweede en vierde onderdeel over schending van de artikelen 47bis, § 6 Sv., 62 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 31 en 32 Taalwet Gerechtszaken niet worden aangenomen. (…) 3.
  2. De informatie over het misdrijf bij het verhoor van de verdachte (art. 47bis, § 2 Sv.)
  3. Artikel 47bis, § 2 Sv., in de versie voor de Wet van 21 november 2016 (BS 24 november 2016) bepaalde dat vooraleer een persoon wordt verhoord over misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd, de politie hem op een beknopte wijze kennis geeft van de feiten waarover hij zal worden verhoord
(22). In de actuele versie bepaalt artikel 47bis, § 2, Sv. dat ‘vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een verdachte’, de te ondervragen persoon op beknopte wijze kennis wordt gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord
(23).
  1. Wat het verhoor van eiser 2 zelf betreft, zonder bijstand van een advocaat, tijdens de controle van de sociale inspectie op de bedrijfsterreinen van J. VERBRAEKEN EN ZONEN op 29 juli 2014, oordeelt de strafrechter onaantastbaar of de ondervraagde persoon een verdachte en is, en op beknopte wijze kennis krijgt van de ten laste gelegde misdrijven, bij aanvang van het verhoor. Het Hof beoordeelt wel de wettigheid van de motieven over deze waarborg van artikel 47bis, § 2 Wetboek van Strafvordering. Aan eiser 2 werd meegedeeld dat zijn verhoor als voorwerp had zijn ‘transportactiviteiten’, zonder specifieke toelichting over fraude inzake de bijdragen aan de sociale zekerheid van werknemers (met of zonder A1-attest).
  2. Mij lijkt het van belang dat de verdachte bij aanvang van zijn verhoor weet over welke feiten hem vragen wordt gesteld. De juridische omschrijving van die feiten is niet richtinggevend. Het Hof nam aan dat het niet noodzakelijk is dat de politie of de sociaal inspecteur aan de verdachte de wettelijke omschrijving meedeelt van de feiten die tegen hem worden ingebracht of dat hij verdacht wordt als dader of als deelnemer van het misdrijf
(24).
  1. Het bestreden arrest oordeelt (blz. 16) dat bij een verhoor als (mogelijke) verdachte de beknopte mededeling van de feiten niet betekent dat: “een uitgebreide toelichting moet worden gegeven betreffende de feiten. Dat is vaak en ook in het verhoor van eerste beklaagde F.V.D niet mogelijk, omdat in het beginstadium de feiten nog niet vaststaan en het verhoor juist tot doel heeft de feiten te reconstrueren om ze te kunnen kwalificeren. De bedoeling is de verdachte in kennis te stellen van het soort dossier waarover hij zal worden ondervraagd, in casu de transportactiviteiten die eerste beklaagde F.V.D. met zijn vennootschap ontwikkelt. De toelichting moet de persoon in staat stellen te weten over welk feit hij zal worden verhoord”.
  2. Aan de hand van deze redenen konden de appelrechters m.i. naar recht besluiten dat de toelichting bij aanvang van het verhoor van eiser 2 over zijn ‘transportactiviteiten’, zonder een concreet misdrijf voorop te stellen, voldeed aan art. 47bis, § 2 Sv., waardoor het verhoor ‘niet door nietigheid is aangetast’ Het vierde middel, eerste onderdeel, over schending van art. 47bis, § 2 Sv., kan aldus niet worden aangenomen. Voor het overige vergt het onderdeel een onderzoek van feiten en is het niet-ontvankelijk. (…) 3.
  3. De lokalisatie van het sociale zekerheidsstelsel voor vrachtwagenbestuurders in loondienst die in meerdere EU-lidstaten arbeid verrichten.
  4. Het vijfde middel heeft betrekking op een communautaire vervoersvergunning, zoals vereist ingevolge Verordeningen (EG) 1071/2009 en 1072/2009 voor een onderneming die intracommunautair vervoer aanbiedt, als aanknopingspunt of bewijs voor het bepalen van het sociale zekerheidsstelsel voor vier chauffeurs, tewerkgesteld bij de Litouwse vennootschap UAB Van Daele F.
  5. De appelrechters hielden er voor de telastlegging A rekening mee, conform artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009
(25), dat de A1-attesten een vermoeden inhouden dat de betrokken werknemers regelmatig zijn aangesloten bij de sociale zekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, zolang ze niet zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard door het bevoegd orgaan van de EU-lidstaat van de zetel van de werkgever
(26). 44. Het bestreden arrest nam correct aan, met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie over de bindende kracht van A1-attesten
(27), dat de periode waarin de chauffeurs beschikten over A1-attesten uitgereikt in Litouwen, niet in de telastlegging (A) over sociale fraude mag worden opgenomen
(28). Reden is dat er geen bewijzen voorliggen van een vraag van de Belgische overheid aan het bevoegde orgaan in Litouwen tot intrekking van de A1-attesten wegens fraude inzake bijdragen van sociale zekerheid (blz. 22). Het bestreden arrest heeft de incriminatieperiode van telastlegging A ‘van 1 juli 2011 tot en met 4 december 2015’ behouden en in functie van de A1-attesten eisers in cassatie vrijgesproken voor de periode ‘van 20 januari 2014 tot en met 4 december 2015’ (blz. 23, 30 en 34).
  1. Eiser 2 (in deze zaak) voert in het derde onderdeel aan dat het bestaan van een Europese wegvervoersvergunning, uitgereikt in Litouwen overeenkomstig Verordening (EG) 1071/2009, het bestaan aantoont van een reële en duurzame vestiging in de EU-lidstaat waar deze is verkregen. Aangezien de communautaire vervoersvergunning niet is ingetrokken door het bevoegde orgaan in Litouwen, voor de periode van de aangepaste telastlegging A, mag er volgens het middel niet van worden uitgegaan dat de Litouwse vennootschap UAB VAN DAELE F. een postbusonderneming is, en de buitenlandse chauffeurs effectief tewerk werden gesteld door eisers in België, om daaruit af te leiden dat voor de chauffeurs sociale zekerheidsbijdragen in België verschuldigd zijn.
  2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, de door uw Hof gestelde gestelde prejudiciële vraag over de communautaire vervoersvergunning beantwoord als volgt: Artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, gelezen in het licht van artikel 3, lid 1, onder a), en van artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad, alsook van artikel 4, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, moet aldus worden uitgelegd dat: “het feit dat een vennootschap een communautaire vergunning voor het wegvervoer bezit die is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, niet het onweerlegbare bewijs vormt dat zij met het oog op de bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling inzake sociale zekerheid overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, haar maatschappelijke zetel in deze lidstaat heeft”. Het derde onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt aldus naar recht.
  3. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar over de gegrondheid van een strafvervolging wegens sociale fraude (art. 235 Sociaal Strafwetboek), waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven. Het bestreden arrest stelt dat telastlegging A inhoudt ‘het ontwijken van sociale zekerheidsbijdragen doordat beroep werd gedaan op gedetacheerde vrachtwagenbestuurders van UAB VAN DAELE F., een Litouwse vennootschap” (blz. 18). Vervolgens neemt het arrest aan dat toepassing moet worden gemaakt van vermelde Verordeningen (EG) 883/2004
(29)en 987/2009
(30)over de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (blz. 18). Het feit dat de Litouwse overheid een communautaire vervoersvergunning heeft afgeleverd aan UAB VAN DAELE F., doet volgens het arrest geen afbreuk aan de vaststelling dat eiser Frank Van Daele zich schuldig heeft gemaakt aan een frauduleuze handeling om te doen geloven aan het bestaan van een valse persoon, een valse onderneming, een fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te hebben gemaakt van het vertrouwen, namelijk door het gebruik van de Litouwse firma UAB VAN DAELE F. om chauffeurs in België te werk te stellen zonder Belgische sociale zekerheidsbijdragen voor die chauffeurs te moeten betalen, in de periode dat deze chauffeurs niet beschikten over A1-documenten (blz. 23 en 30). De redenen lijken mij toereikend als antwoord op het verweer van eiser 2 en naar recht verantwoord. In zoverre kunnen het eerste tot en met het achtste onderdeel niet worden aangenomen.
  1. Verder is het ingeroepen artikel 195 Sv. over de straftoemeting vreemd aan de grief over de schuldigverklaring van eiser aan telastlegging A, volgens eiser in strijd met de artikel 149 Grondwet, art. 13.1 EG-Verordening 883/2004 en artikelen 5, 11 en 12 EG-Verordening 1071/
  2. In zoverre falen de onderdelen 1, 6 en 9 van het vijfde middel naar recht. Tenslotte lijken mij de redenen van het bestreden arrest (blz. 23-24 en overname van redenen van de eerste rechter (nrs. 37, 39 en 40) toereikend als antwoord op het verweer in ondergeschikte orde over de praktische handleiding van het Europese Commissie over de toepasselijke regels voor werknemers en zelfstandigen in de EU. Het is voor de strafrechter niet nodig te antwoorden op elk argument ter ondersteuning van een verweer dat geen zelfstandig verweer uitmaakt
(31). In zoverre kan het negende onderdeel over artikel 149 Grondwet niet worden aangenomen. (…) Advies. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping van de cassatieberoepen. ___________________________________
(1)Voor een verdere toelichting van de feiten en voorafgaande procedure zie Cass. 26 oktober 2021, AR P.21.0738.N, AC 2021, nr. 681, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5.
(2)Wat betreft de bindende kracht van niet-ingetrokken of niet-ongeldig verklaarde A1-attesten, uitgereikt in een EU-lidstaat in het kader van een strafprocedure wegens sociale fraude (EG-Verordeningen 883/2004 en 987/2009), zie Cass. 19 juni 2018, AR P.15.1275.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180619.1, AC 2018, nr. 395; Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 485, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210629.2N.16; HvJ 10 februari 2000, C-202/97, Fitzwilliam Executive Search Ltd; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun; HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l’aéronautique civile t/Vueling Airlines SA, C-370/17; HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics Elco construct Bucarest en Welbond armatures; HvJ 2 maart 2023, Intertrans en Verbraeken (Verbraeken is de eiser in deze zaak), gevoegde zaken C-420/21 en C-661/21, al. 78-82 www.curia.europa.eu Zie ook J. LORRE, “Sociale zekerheidscoördinatie, fraude-en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak”, JTT 2021, 3-13; T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1117-1112.
(3)Hierbij verwijzen de appelrechters (blz. 24) naar hun eerdere rechtspraak Gent 19 oktober 2017, NJW 2017, 801, naar het arrest HvJ 14 mei 2020, Bouygues, zaak C-17/19 en naar het arrest van uw Hof van Cass. 17 juni 2015, AR P.15.0554.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150617.4, AC 2015, nr. 408, Soc. Kron 2016, 55, Droit Pénal de l’entreprise 2016, 68 noot C.E. CLESSE over de Dimona-aangifte voor personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon.
(4)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 april 2004, www.eur-lex. europa.eu; T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1108.
(5)HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics Elco Construct Bucarest en Welbond armatures, RO 44 en 48, www.curia.europa.eu, zoals aangehaald door Cass. 19 april 2022, AR P.21.1232.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11, AC 2022, nr. 263, met andersluidende concl. OM, RW 2022-23, 1097 noot T. VAN DE CALSEYDE.
(6)Cass. 19 april 2022, AR P.21.1232.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11, AC 2022, nr. 263, met andersluidende concl. OM, RW 2022-23, 1097 noot T. VAN DE CALSEYDE.
(7)Over de toepassing van de DIMONA-melding voor werknemers en gelijkgestelde personen die in België arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, en het verschil met de LIMOSA-melding voor gedetacheerde werknemers die slechts tijdelijk werken in België (art. 137 Programmawet I van 27 december 2006, BS 28 december 2006), zie T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1111-1112.
(8)Cass. 2 februari 2016, AR P.15.0846.N, AC 2016, nr. 73, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.4, JTT 2016, 470 noot Y. STOX en RW 2016-17, 189, RO 8 en 9, In dezelfde zin Arbeidshof Antwerpen 3 juni 2020, Rolnr. 2019/AA/299, in een zaak van niet-ingetrokken A1-attesten, p. 14 “De Belgische sociale zekerheid is niet van toepassing in geval van een internationale detachering”, aangehaald door T. VAN DE CALSEYDE, “Op zoek naar de juiste reikwijdte van het A1-attest”, RABG 2021, 1087; Contra: Gent 19 oktober 2017, NJW 2017, 801 noot P. PECINKOVSKY; K. NEVENS, “De aard en de draagwijdte van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (dimona)”, JTT 2017, 244-251; J. LORRE, “Sociale zekerheidscoördinatie, fraude en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak”, JTT 2021, p.11. (…).
(9)Cass. 26 oktober 2021, AR P.21.0738.N (huidige zaak), AC 2021, nr. 681, met concl. OM, al. 21 en 22 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5, Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 485, met concl. OM en T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1109 en 1110.
(10)Conclusie OM in de huidige zaak Cass. 26 oktober 2021, AR P.21.0738.N, AC 2021, nr. 681, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5 (in dezelfde zin ook conclusie OM in de zaak Cass. 19 april 2022, AR P.21.1232.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11, AC 2022, nr. 263 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11).
(11)Cass. 19 april 2022, AR P.21.1232.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11, AC 2022, nr. 485, met andersluidende concl. OM, RW 2022-23, 1097, noot T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1107- 1114.
(12)T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1107 EN 1112.
(13)T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1110 en p.1112 “Het Hof van Cassatie heeft immers enkel geoordeeld dat het voorhanden zijn van een A1-document niet ipso facto de vaststelling van een Dimona-inbreuk uitsluit. Niet meer, niet minder”.
(14)Cass. 19 april 2022, AR P.21.1232.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11, AC 2022, nr. 263, met andersluidende concl. OM, RW 2022-23, 1097, noot T. VAN DE CALSEYDE (p.1112). Mr. VAN DE CALSEYDE wijst erop dat “het middel kwam niet op tegen het feit dat het bestreden arrest in de concrete omstandigheden van het geval had besloten tot het bestaan van een Dimona-meldingsplicht”.
(15)Zie alg. E. DE FORMANOIR, “La nouvelle loi sur la responsabilité pénale des personnes morales”, in Actualités en droit pénal, Larcier 2019, 65-96; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 129-147; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure 2020, 83-85; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2018, 117-119; F. KUTY, “La réforme de la responsabilité pénale des persones morales, version 2018”, RDPC 2018, 1031-1052; F. DERUYCK, “Hoe eigenaardig is de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon?”, in Amicus curiae. Liber amicorum Marc De Swaef, Intersentia, 2013, 129-142; A. MASSET, “La responsabilité pénale des personnes morales”, Dr.pén.entr. 2011, 3-16; P. WAETERINCKX, De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon en zijn leidinggevenden, Intersentia 2011, 181p; F. LUGENTZ en O. KLEES, “Le point sur la responsabilité pénale des personnes morales”, RDPC 2008, 190-226; A. DE NAUW, Fiscaal strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia, 2007, 32-34; F. ROGGEN, “La responsabilité pénale des personnes morales”, in Actualité de droit pénal, Bruylant 2005, 1-54.
(16)Cass. 24 mei 2022, AR P.22.0050.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.13, AC 2022, nr. 369, met concl. OM, RDPC 2022, 928, T. Strafr. 2022, 352.
(17)Cass. 21 oktober 2014, AR P.13.0655.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.1, AC 2014, nr. 625; Cass. 23 september 2008, AR P.08.0587.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.4, AC 2008, nr. 497 en RABG 2009, 477, met noot P. WAETERINCKX.
(18)Cass. 8 februari 2022, AR P.21.1278.N, AC 2022, nr. 105, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.5.
(19)Cass. 24 mei 2022, AR P.22.0050.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.13, AC 2022, nr. 369, met concl. OM, RDPC 2022, 928, T. Strafr. 2022, 352. In dezelfde zin Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1081.N, AC 2023, nr. 27, RO 52, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10.
(20)Voor een inbreuk op de Dimona-wetgeving, het verplicht aangeven van tewerkstelling voor de inning van sociale zekerheidsbepalingen (art. 181 Sociaal Strafwetboek), is een algemeen opzet vereist. Zie W. RAUWS, “Strafbare deelneming in het sociaal strafrecht”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 698.
(21)Cass. 28 mei 2019, AR P.19.0127.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13, AC 2019, nr.
  1. In dezelfde zin Cass. 5 november 2019, AR P.19.0384.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1, AC 2019, nr. 566, RW 2020-21, 778, NC 2021, 416 noot J. DE SMEDT en Cass. 9 november 2021, AR P.21.1008.N, AC 2021, nr. 713, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.
  2. Zie M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 431.
(22)M. MINNAERT, “Politieverhoren in het Post-Salduztijdperk”, in De Salduzregeling: theorie en praktijk, vandaag en morgen, Politeia 2012, 23-25; P. TERSAGO, Verklaringen van verdachten in het strafproces, Intersentia 2020, 142-147.
(23)M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 436 en 443; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME EN Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 1051-1053.
(24)Cass. 21 oktober 2014, AR P.14.1512.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.4, AC 2014, nr. 627.
(25)Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 oktober 2019, www.europa.eu.
(26)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 485, RO 27, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210629.2N.16 met verwijzing naar HvJ 10 februari 2000, C-202/97 Fitzwilliam Executive Search Ltd.; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff en HvJ 6 februari 2018, C/359/16, Altun.
(27)HvJ 6 februari 2018, nr. C-359/16, Altun, JTT 2018, 1309 en HvJ 2 april 2020, nr. C-370/17, Vueling Airlines SA, www.curia.europa.eu.
(28)Over de bindende kracht van A1-attesten voor de rechterlijke instanties van de EU-lidstaat van tewerkstelling van werknemers Zie alg. P. PECINOVSKY, “Sociale dumping”, noot onder Gent 19 oktober 2017, NJW 2017, 804-805; K. DECRUYENAERE, “Blijft ook na Altun de loyauteit nog steeds zoek?”, RABG 2019, 264-271; L. ELIAERTS, “Het Europees detacheringsattest is niet bindend in geval van fraude”, RW 2017-18, 1682; M. MORSA, “La Cour de Justice de l’Union européenne contribue à la lutte contre la fraude sociale transfrontalière et le dumping social”, Dr. Pen. Entr. 2018, 193-209; T. PERDIEUS, “Quo vadis A1?”, in Expat News, Kluwer, januari 2019, 5-8; G. VAN DE MOSSELAER, “Erkenning fraudeverbod in een grensoverschrijdende sociaalrechtelijke context”, in Sociale wegwijzer, Kluwer, april 2018, 14-17; J. LORRE, “Sociale zekerheidscoördinatie, fraude-en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak”, JTT 2021, 3-13; T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1117-1112.
(29)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 april 2004, www.eur-lex. europa.eu.
(30)Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 oktober 2019, www.eur-lex.europa.eu.
(31)Vb. Cass. 20 april 2021, AR P.20.1307.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4, AC 2021, nr. 281, Cass. 19 mei 2020, AR P.20.0159.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6, AC 2020, nr. 303; Cass. 4 juni 2019; AR P.19.0237.N, AC 2019, nr. 347, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7; J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 115. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150617.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180619.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210629.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.