id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230512.1N.1 Rolnummer: C.22.0209.N Zaak: V. contra A. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2023-08-07 Raadplegingen: 1031 - laatst gezien 2026-06-18 15:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230512.1N.1 Fiche 1 Artikel 1134, derde lid Oud Burgerlijk Wetboek bevat een gedragsnorm, op grond waarvan de rechter de overeenkomst tussen de partijen vermag aan te vullen met bijkomende verplichtingen die voortvloeien uit de in dit artikel vervatte vereiste van goede trouw
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - UITLEGGING Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1134, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of een contractuele verbintenis een inspannings- of resultaatsverbintenis uitmaakt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Fiche 3 Gezien een resultaatsverbintenis de schuldenaar verplicht tot het behalen van een resultaat, begaat de schuldenaar een wanprestatie als hij het resultaat niet behaalt, zonder dat de schuldeiser een fout moet bewijzen. De schuldenaar kan zich van aansprakelijkheid bevrijden indien hij de overmacht waarop hij zich beroept, bewijst
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERBINTENIS Tekst van de conclusie C.22.0209.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eerste eiser, als uroloog verbonden aan tweede eiser, een medische ingreep uitvoerde bij verweerder. Eerste en tweede eiser zijn voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij derde eiseres. Bij het uitvoeren van een ureterorenscopie disfunctioneerde de gebruikte dormia katheder. Het operatieverslag vermeldt dat deze, na extractie van een eerste fragment steen, niet meer kan bediend worden en er een extractie volgt van de open dormia met avulsie. Na aanvankelijk, wegens beweerde aanhoudende hinder, met derde eiseres een overeenkomst van minnelijke medische expertise te hebben ondertekend, en daarna derde eiseres alsnog in gebreke te hebben gesteld op grond van een gebrek in de gebruikte dormia-katheder, verschenen partijen vrijwillig voor de rechtbank van eerste aanleg. Verweerder stelde in hoofdorde een vordering in schadevergoeding in ten aanzien van eerste eiser en dit zowel op grond van contractuele als buitencontractuele aansprakelijkheid. Ten aanzien van tweede eiser steunde hij zijn vordering op de Ziekenhuiswet en ten aanzien van derde eiseres vorderde hij rechtstreeks op grond van de wet betreffende de verzekeringen. De appelrechter oordeelt in het kader van de contractuele aansprakelijkheid dat zowel de behandelingsovereenkomst met eerste eiser als de zorgovereenkomst met tweede eiser in hoofde van de behandelende arts en het ziekenhuis diverse veiligheidsverplichtingen inhouden ten aanzien van de patiënt waaronder de veiligheidsverplichting om veilig medisch materiaal te gebruiken. Deze veiligheidsverplichting dient te worden gekwalificeerd als een resultaatsverbintenis in hoofde van de arts en het ziekenhuis omdat deze verbintenis geen aleatoir karakter vertoont. Op de arts en het ziekenhuis rust de verplichting om deugdelijke producten te gebruiken zodat verweerder enkel de inbreuk op deze resultaatsverbintenis dient te bewijzen, welk bewijs voorligt op basis van het operatieverslag. Eisers tonen niet aan dat het niet-nakomen van die resultaatsverbintenis is te wijten aan een vreemde oorzaak. De contractuele aansprakelijkheid van eerste en tweede eiser staat dan ook vast. Tegen dit arrest van 8 november 2021 van het hof van beroep te Antwerpen voeren eisers één middel aan bestaande uit drie onderdelen.
- Bespreking. 2.
- In het eerste onderdeel voeren eisers aan dat een resultaatsverbintenis niet kan worden afgeleid uit het louter bestaan van de behandelings- en zorgovereenkomst en dat uit de wet Patiëntenrechten, de Ziekenhuiswet, noch enige andere wettelijke bepaling volgt dat arts en ziekenhuis contractueel objectief en foutloos aansprakelijk zijn voor schade die wordt veroorzaakt door een gebrekkige zaak. Door niet op grond van de concrete omstandigheden de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen na te gaan, maar bij wijze van algemene regel te oordelen dat de veiligheidsverplichting om veilig medisch materiaal te gebruiken als resultaatsverbintenis dient te worden gekwalificeerd, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing dat er op basis van het operatieverslag sprake is van een inbreuk op deze resultaatsverbintenis niet naar recht. 2.
- Waar de schuldenaar van een inspanningsverbintenis er zich enkel toe verbindt inspanningen te leveren of middelen aan te wenden om een resultaat te bereiken zonder te garanderen dat dit resultaat wordt bereikt, neemt de schuldenaar van een resultaatsverbintenis wel de verplichting op zich een bepaald resultaat te bereiken
(1). De kwalificatie als inspannings- dan wel als resultaatsverbintenis is cruciaal in het kader van aansprakelijkheid, ongeacht de rechtsgrond. Hoewel dit onderscheid kenmerkend is voor het beoordelen van een contractuele fout, vindt het indirect ook toepassing in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, waarbij de rechter eveneens nagaat welke graad van zorgvuldigheid aan de dag had moeten worden gelegd
(2). De criteria die doorgaans worden gehanteerd om beide soorten verbintenissen van elkaar te onderscheiden betreffen de gemeenschappelijke wil van de partijen en het al dan niet aleatoir of onzeker karakter van het te bereiken resultaat. Is het te bereiken resultaat eerder onzeker dan zal de kwalificatie als inspanningsverbintenis de voorkeur krijgen. Dit stemt dan doorgaans overeen met de gemeenschappelijke bedoeling van partijen die zich niet zozeer verbinden om een onzeker resultaat te verkrijgen maar wel tot het aanwenden van alle redelijke middelen in de hoop dat resultaat te bereiken. Is het daarentegen redelijkerwijs zeker dat het resultaat, mits gebruik van normale middelen zal worden bereikt of te verwachten is, is er sprake van een resultaatsverbintenis
(3). Een resultaatsverbintenis is niet nagekomen zodra het beloofde resultaat niet is bereikt, ook al heeft de schuldenaar al het mogelijke gedaan om dat resultaat te bereiken
(4). De schuldeiser van een resultaatsverbintenis moet enkel aantonen dat de verbintenis bestaat en dat het beloofde resultaat niet is bereikt
(5). Hieruit volgt, volgens een klassieke visie, een vermoeden van fout
(6). De schuldenaar van de resultaatsverbintenis kan zich weliswaar van aansprakelijkheid bevrijden door overmacht te bewijzen. Waar de schuldenaar van een resultaatsverbintenis bij het niet bereiken van het resultaat geacht wordt een fout te hebben begaan, staat de fout bij het niet bereiken van het resultaat ingeval van een inspanningsverbintenis niet zonder meer vast. De schuldeiser zal dan moeten aantonen dat de schuldenaar niet de nodige inspanningen heeft geleverd die een normaal voorzichtig persoon in dergelijke omstandigheden zou hebben geleverd. 2.3. De gemeenschappelijke bedoeling van partijen wordt in medische context niet vaak in uitdrukkelijke bewoordingen aangegeven, zodat die veeleer uit de aard van de medische verbintenis wordt afgeleid
(7). Medische verbintenissen zijn doorgaans van aleatoire aard omdat het resultaat van de meeste medische behandelingen onzeker is
(8). Geneeskunde is geen exacte wetenschap en de arts belooft in die zin niet de genezing, maar wel dat de nodige inspanningen zullen worden geleverd om die genezing te proberen bereiken
(9)met de middelen die de medische wetenschap ter beschikking stelt. De hoofdverbintenis van de arts om de patiënt te behandelen wordt daarom in rechtsleer en rechtspraak aanzien als een inspanningsverbintenis. De laatste jaren is echter een tendens waar te nemen waarbij meer en meer medische verbintenissen worden gekwalificeerd als resultaatsverbintenis, meer bepaald wanneer de wet een voldoende specifiek gebod of verbod oplegt
(10)en de medische verbintenis geen aleatoir karakter vertoont. Dit is het geval voor de veiligheidsplicht die in hoofde van de arts geldt als accessorium van de behandelingsovereenkomst tussen de arts en de patiënt en in hoofde van het ziekenhuis als accessorium van de zorgovereenkomst tussen het ziekenhuis en de patiënt
(11). Deze veiligheidsplicht beoogt de patiënt te beschermen tegen de risico’s die zijn fysieke integriteit bedreigen en inherent zijn aan de voormelde overeenkomsten
(12). Ze is daarnaast ingegeven door de idee dat de arts een feitelijke machtspositie heeft over de patiënt
(13). Als onderdeel van deze veiligheidsplicht geldt de verplichting tot het gebruik van veilig medisch materiaal. Deze wordt eveneens aanzien als resultaatsverbintenis
(14). De redenen die hiervoor worden aangehaald zijn divers, zoals de rechtmatige verwachting van een redelijk normaal patiënt die er mag van uitgaan dat de door de arts gebruikte toestellen en instrumenten niet onveilig of gebrekkig zijn
(15)en -zoals de appelrechter doet – het gebrek aan aleatoir karakter van de verbintenis
(16). Nu het enkel gebruik van deugdelijk medisch materiaal een redelijke zekerheid geeft van het beoogde resultaat kan de patiënt de arts of het ziekenhuis aansprakelijk stellen door het gebruik van onveilige hulpmiddelen, de schade en het causaal verband ertussen aan te tonen
(17). Er is in dit verband evenwel een belangrijk onderscheid te maken tussen de uitvoering van een medische handeling zelf en de aanwending van veilige hulpmiddelen in het kader van die medische uitvoering. De eerste bevat wel een onzeker element ten aanzien van het te bereiken resultaat namelijk het verbeteren van de gezondheidstoestand en het tweede niet. De patiënt mag er immers redelijkerwijs van uitgaan dat enkel deugdelijke producten worden gebruikt tijdens een medische ingreep. Het feit dat die medische ingreep ook effectief lukt is minder zeker van aard en ligt dus niet binnen diezelfde redelijke verwachtingen. De wijze waarop de zorgverlener medische producten gebruikt kadert in een ruimere medische prestatie om de gezondheidstoestand te verbeteren, waardoor een onzeker element opduikt die de verbintenis maakt tot een inspanningsverbintenis en dus moet worden aangetoond dat door de zorgverlener niet de nodige inspanningen werden geleverd die een normaal voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou hebben geleverd. Daarentegen volstaat het louter feit dat gebruik werd gemaakt van een medisch hulpmiddel dat gebrekkig was om de aansprakelijkheid van de zorgverlener in het gedrang te brengen
(18). De kritiek van eisers dat dit als resultaatsverbintenis inhoudt dat het medisch materiaal onder geen enkele omstandigheid zou disfunctioneren, ziet dit gebrek aan aleatoir karakter mijns inziens te strikt. Een 100% kans dat het resultaat wordt bereikt, is immers niet vereist
(19)om een verbintenis als resultaatsverbintenis te bestempelen omdat dergelijk uitgangspunt de kwalificatie als resultaatsverbintenis zou uithollen. Bepalend voor de kwalificatie als resultaatsverbintenis is daarentegen de normale gang van zaken. Als in de normale gang van zaken, dit is met normaal gebruik van materiaal, tijd enz.., het resultaat wordt bereikt, ligt behoudens andersluidende wettelijke of contractuele bepaling, een resultaatsverbintenis voor. 2.3. Zoals eiser in de toelichting van het middel terecht aanhaalt vloeit deze veiligheidsverplichting voort uit de aanvullende werking van de goede trouw
(20). Het betreft dus geen verbintenis die steunt op de expliciete of impliciete wil van de partijen, maar die op grond van de artikelen 1134, derde lid, en 1135 Oud BW
(21)de overeenkomt aanvult
(22). In zoverre eisers aanvoeren dat de appelrechter de gemeenschappelijke wil van partijen had moeten nagaan om te besluiten tot een resultaatsverbintenis kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen. Het komt de feitenrechter toe op grond van de feiten die hij vaststelt onaantastbaar te oordelen of een contractuele verbintenis een inspannings- dan wel een resultaatsverbintenis inhoudt. Uw Hof moet in staat worden gesteld hierop zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. De appelrechter geeft geen interpretatie van de overeenkomsten maar koppelt het bestaan van de verplichting om veilig medisch materiaal te gebruiken vast aan de behandelings- en de zorgovereenkomst. Hij kwalificeert deze veiligheidsplicht als een resultaatsverbintenis omdat ze geen aleatoir karakter vertoont en sluit daarmee aan bij voormelde rechtsleer en rechtspraak. Hij verantwoordt hiermee zijn beslissing naar recht. Het eerste onderdeel kan niet worden aangenomen. 2.
- Om dezelfde reden kan het tweede onderdeel evenmin aangenomen worden nu eisers er van uitgaan dat de appelrechter de impliciete wil van de partijen heeft vastgesteld om een resultaatsverbintenis vast te leggen. 2.
- In het derde onderdeel voeren eisers aan dat, zelfs als de verbintenis dan toch een resultaatsverbintenis is, de appelrechter de inbreuk erop niet wettig heeft vastgesteld. Eisers stellen dat ze voor de appelrechter hebben aangevoerd dat het medisch materiaal, op het ogenblik van de ingebruikname, wel degelijk veilig en deugdelijk was en dat de enkele omstandigheid dat het materiaal tijdens de ingreep disfunctioneert, geen inbreuk vormt op de verbintenis om veilig materiaal te gebruiken. Daarnaast stellen ze dat er wel degelijk een aleatoir element speelt dat medisch materiaal niet zou functioneren zoals gehoopt en verwacht. Bijgevolg kon de appelrechter geen inbreuk op de resultaatsverbintenis afleiden uit het loutere feit dat het materiaal tijdens de ingreep disfunctioneerde. Minstens volstaan de vaststellingen van de appelrechter niet om tot zijn besluit te komen (schending artikel 149 GW). Er werd reeds op gewezen dat een 100% kans dat het resultaat wordt bereikt, niet vereist is om een verbintenis als resultaatsverbintenis te bestempelen. Een resultaatsverbintenis verplicht de schuldenaar ervan tot het behalen van het resultaat, maar dit neemt niet weg dat deze zich op overmacht kan beroepen
(23). De arts en het ziekenhuis kunnen in dit verband naast de aanvoering dat een hulpzaak niet onveilig/gebrekkig is, ook gewagen van een vreemde oorzaak die de schade veroorzaakte, zoals een fout van een derde of van de benadeelde zelf
(24), of dat het onmogelijk was het gebrek te kennen. De appelrechter stelt vast dat het operatieverslag vermeldt dat de dormia disfunctioneerde en oordeelt dat de veiligheidsverplichting om veilig medisch materiaal te gebruiken een resultaatsverbintenis uitmaakt in hoofde van arts en ziekenhuis. Gezien een functionerende, goed werkende dormia is wat de patiënt mag verwachten, stelt de appelrechter door de vergelijking te maken met zaken van dezelfde soort en hetzelfde type om uit te maken aan welke vereisten van de zaak men zich normaal mocht verwachten
(25)vast dat geen veilige medische hulpzaak is gebruikt. Hij beoordeelt het door eisers aangevoerd tegenbewijs en verwerpt dit omdat eisers zich beperken tot beweringen en zelf het bewijs hebben bemoeilijkt door na de operatie de dormia weg te gooien. Hij diende daarbij geen fout in hoofde van de arts of het ziekenhuis vast te stellen
(26). De appelrechter die dienvolgens oordeelt dat verweerder enkel de inbreuk op de resultaatsverbintenis dient te bewijzen en dit bewijs voorligt op grond van het operatieverslag verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de resultaatsverbintenis niet is nagekomen. Deze redenen laten uw Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Conclusie: verwerping. ________________________________________
(1)Zie ook het sedert 1 januari 2023 in werking getreden en dus te dezen niet toepasselijk artikel 5.72 BW (Boek 5 Verbintenissen) dat een definitie bevat van beide verbintenissen: De inspanningsverbintenis is een verbintenis die de schuldenaar ervan verplicht om alle zorg te verstrekken die eigen is aan een voorzichtig en redelijk persoon om een bepaald resultaat te bereiken. De resultaatsverbintenis is een verbintenis die de schuldenaar ervan verplicht om een bepaald resultaat te bereiken.
(2)M. SCHOUTEDEN, Aansprakelijkheid bij ziekenhuisinfecties, in I. Samoy en S. STIJNS, (eds) Instituut voor verbintenissenrecht, Die Keure 2018, 35.
(3)M. SCHOUTEDEN, Aansprakelijkheid bij ziekenhuisinfecties, in I. SAMOY en S. STIJNS, (eds) Instituut voor verbintenissenrecht, Die Keure 2018, 37.
(4)P. BRULEZ, “Over de draagwijdte van contractuele verbintenissen: garantie-, resultaats-, middelenverbintenissen” in K. SWINNEN en M. MUYLLE (eds.), De contractuele fout, Brugge, die Keure 2019, 3; C. CAUFFMAN, Het begrip ‘verbintenis’ in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2004, losbl., 12.
(5)P. VAN OMMESLAGHE, DE PAGE, Traité de droit civil belge, II, Les obligations, Brussel, Bruylant, 2013, 51.
(6)P. BRULEZ, “Over de draagwijdte van contractuele verbintenissen: garantie-, resultaats-, middelenverbintenissen” in K. SWINNEN en M. MUYLLE (eds.), De contractuele fout, Brugge, die Keure, 2019, 6; P. WÉRY, Droit des obligations, 1, Brussel, Larcier 2021, 559.
(7)M. SCHOUTEDEN, Aansprakelijkheid bij ziekenhuisinfecties, in I. SAMOY en S. STIJNS, (eds) Instituut voor verbintenissenrecht, Die Keure 2018, 38.
(8)T. VANSWEEVELT, De civielrechtelijke aansprakelijkheid van de geneesheer en het ziekenhuis, Antwerpen, Maklu 1992, 114-115; T. VANSWEEVELT, “De aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis voor eigen gedrag” in T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 1222.
(9)C. CAUFFMAN, Het begrip ‘verbintenis’ in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2004, losbl., 12-13; R. KRUITHOF, H. BOCKEN, F. DE LY en B. DE TEMMERMAN, “Overzicht van rechtspraak (1981-1992), Verbintenissen”, TPR 1994, 498; P. VAN OMMESLAGHE, DE PAGE, Traité de droit civil belge, II, Les obligations, Brussel, Bruylant 2013, 52; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, “De contractuele aansprakelijkheid” in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek Verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 346; T. VANSWEEVELT, “De aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis voor eigen gedrag” in T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 1222; P. WÉRY, Droit des obligations, 1, Brussel, Larcier 2021, 560-561; Gent 18 november 2004, T.Gez. 2006, 366; Luik 24 mei 2004, RGAR 2005, nr. 13999, T.Gez. 2005-06, 301, noot W. DIJKHOFFZ; Luik 29 september 1998, RGAR 2000, nr. 13.234, RRD 1998, 445, T.Gez. 2000-01, 31.
(10)M. SCHOUTEDEN, Aansprakelijkheid bij ziekenhuisinfecties, in I. SAMOY en S. STIJNS (eds), Instituut voor verbintenissenrecht, Die Keure 2018, 41.
(11)C. DE RIDDER en N. PORTUGAELS, “Een analyse van de verbintenissen en aansprakelijkheid van de arts bij een bloedafname”, T.Gez. 2015-16, 243; L. VANHOOFF, “Contractuele aansprakelijkheid voor schending veiligheidsplicht bij gebrekkige medische hulpzaak” (noot onder Rb. Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 30 september 2019), T.Gez. 2021-22, 163-164; P. VAN OMMESLAGHE, DE PAGE, Traité de droit civil belge, II, Les obligations, Brussel, Bruylant 2013, 58-59 (voor de veiligheidsverbintenis van de ziekenhuizen voor het gebruik van de medische materialen).
(12)L. VANHOOFF, “Contractuele aansprakelijkheid voor schending veiligheidsplicht bij gebrekkige medische hulpzaak” (noot onder Rb. Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 30 september 2019), T.Gez. 2021-22, 164; T. VANSWEEVELT, “De aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis voor schade veroorzaakt door gebrekkige zaken” in T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 1423.
(13)C. DE RIDDER en N. PORTUGAELS, “Een analyse van de verbintenissen en aansprakelijkheid van de arts bij een bloedafname”, T.Gez. 2015-16, 243; T. ISTACE, “De veiligheidsresultaatsverplichting van de zorgverlener voor gebrekkige zaken als objectieve contractuele aansprakelijkheidsgrond” (noot onder Rb. West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk 30 november 2020), T.Gez. 2022-23, 73-74; C. LEMMENS, “Medische hulpmiddelen, veiligheid en nosocomiale infecties: een inspannings- dan wel resultaatsverbintenis?” (noot onder Rb. Gent 16 juni 2007), T.Gez. 2007-08, 380; L. VANHOOFF, “Contractuele aansprakelijkheid voor schending veiligheidsplicht bij gebrekkige medische hulpzaak” (noot onder Rb. Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 30 september 2019), T.Gez. 2021-22, 164; T. VANSWEEVELT, “De aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis voor schade veroorzaakt door gebrekkige zaken” in T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 1423.
(14)C. DE RIDDER en N. PORTUGAELS, “Een analyse van de verbintenissen en aansprakelijkheid van de arts bij een bloedafname”, T.Gez. 2015-16, 243; S. ILLEGEMS, “Contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door een gebrekkige zaak: nood aan een veiligheidsverplichting van arts en ziekenhuis”, T.Gez. 2014-15, 36-37; C. LEMMENS, “Medische hulpmiddelen, veiligheid en nosocomiale infecties: een inspannings- dan wel resultaatsverbintenis?” (noot onder Rb. Gent 16 juni 2007), T.Gez. 2007-08, 381; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, “De contractuele aansprakelijkheid” in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek Verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 347, voetnoot 2262; T. VANSWEEVELT, “De aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis voor eigen gedrag” in T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 1229. L. VANHOOFF, “Contractuele aansprakelijkheid voor schending veiligheidsplicht bij gebrekkige medische hulpzaak” (noot onder Rb. Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 30 september 2019), T.Gez. 2021-22, 164.
(15)T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, “De contractuele aansprakelijkheid” in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek Verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 361; M. VANQUICKENBORNE en H. VANDENBERGHE, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. 2000-2008”, TPR 2010, 1896.
(16)Antwerpen 22 februari 1999, AJT 1999-00, 481, RGAR 2000, nr. 13.257, T.Gez. 1999-00, 285; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, “De contractuele aansprakelijkheid” in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek Verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 361; M. VANQUICKENBORNE en H. VANDENBERGHE, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. 2000-2008”, TPR 2010, 1896.
(17)T. VANSWEEVELT, “De aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis voor schade veroorzaakt door gebrekkige zaken” in T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 1425.
(18)M. SCHOUTEDEN, Aansprakelijkheid bij ziekenhuisinfecties, in I. SAMOY en S. STIJNS (eds), Instituut voor verbintenissenrecht, Die Keure, 2018, 42-43.
(19)M. SCHOUTEDEN, Aansprakelijkheid bij ziekenhuisinfecties, in I. SAMOY en S. STIJNS (eds), Instituut voor verbintenissenrecht, Die Keure 2018, 37.
(20)T. VANSWEEVELT, “De aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis voor eigen gedrag” in T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 1488.
(21)Nu artikel 5.71 BW.
(22)S. ILLEGEMS, “Contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door een gebrekkige zaak: nood aan een veiligheidsverplichting van arts en ziekenhuis”, T.Gez. 2014-15, 36; T. ISTACE, “De veiligheidsresultaatsverplichting van de zorgverlener voor gebrekkige zaken als objectieve contractuele aansprakelijkheidsgrond” (noot onder Rb. West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk 30 november 2020), T.Gez. 2022-23, 71; C. LEMMENS, “Medische hulpmiddelen, veiligheid en nosocomiale infecties: een inspannings- dan wel resultaatsverbintenis?” (noot onder Rb. Gent 16 juni 2007), T.Gez. 2007-08, 380; T. VANSWEEVELT, “De aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis voor schade veroorzaakt door gebrekkige zaken” in T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 1423; P. WÉRY, Droit des obligations, 1, Brussel, Larcier 2021, 569 (algemeen).
(23)Cass.18 oktober 2001, AR C.99.0021.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011018.4, AC 2001, nr. 555.
(24)C. LEMMENS, “Medische hulpmiddelen, veiligheid en nosocomiale infecties: een inspannings- dan wel resultaatsverbintenis?” (noot onder Rb. Gent 16 juni 2007), T.Gez. 2007-08, 382-383; T. VANSWEEVELT, “De aansprakelijkheid van de arts en het ziekenhuis voor schade veroorzaakt door gebrekkige zaken” in T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 1426.
(25)Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0186.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.6, AC 2010, nr. 171.
(26)Cass. 18 oktober 2001, AR C.99.0021.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011018.4, AC 2001, nr. 555. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230512.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230512.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011018.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div