← België

FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID c. Stad Genk

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230512.1N.2 Rolnummer: C.22.0349.N Zaak: FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID c. Stad Genk Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-08-08 Raadplegingen: 686 - laatst gezien 2026-06-18 15:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230512.1N.2 Fiches 1 - 2 Indien het aan de feitenrechter vrijstaat, in geval van afstand de afstanddoende partij te veroordelen tot een verminderde rechtsplegingsvergoeding omwille van een kennelijk onredelijke situatie dan wel omwille van procesrechtsmisbruik, gaat het Hof na of de feitenrechter op grond van gedane vaststellingen tot de verminderde rechtsplegingsvergoeding kon besluiten

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 827 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN GEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 827 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.22.0349.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  1. Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat CVBA Propigs (voorheen cvba Covavee) terugbetaling vorderde van heffingen die zij betaalde in uitvoering van de Dierengezondheidswet. De vorderingen werden gericht tegen de Belgische Staat, de stad Genk en eiser, die zij mede - aansprakelijk achtte voor de terugbetaling. De eerste rechter oordeelde dat de vordering zoals gericht tegen eiser ontvankelijk doch ongegrond was nu eiser de heffingen niet voor eigen rekening inde maar wel voor rekening van de FOD Volksgezondheid en dus niet kan worden aangesproken in terugbetaling. De vrijwaringsvorderingen van eiser tegen de Belgische staat en de stad Genk werden zonder voorwerp verklaard. De eerste rechter veroordeelde de CVBA tot betaling aan eiser van het bedrag van 180 euro RPV. De stad Genk werd door de eerste rechter veroordeeld tot betaling aan de cvba van een nader bepaalde som, meer de gerechtskosten, verklaarde diens vrijwaringsvordering tegen de Belgische staat ongegrond en veroordeelde de stad Genk ook op dit vlak tot betaling van een RPV. De Stad Genk tekende tegen dit vonnis hoger beroep aan en vorderde onder andere de veroordeling van eiser tot betaling van een RPV in het kader van de zonder voorwerp verklaarde vrijwaringsvordering van eiser tegen verweerder waarover geen uitspraak van de eerste rechter voorlag. Hangende het geding in hoger beroep werd tussen de Belgische staat, de CVBA en de Stad Genk een akkoord gesloten waarbij die partijen de appelrechters vroegen akte te verlenen van hun afstand van rechtsvordering over en weer waardoor zij niets meer te vorderen hebben van elkaar en te zeggen voor recht dat iedere partij de door hem of haar gemaakte kosten draagt en geen kosten meer is verschuldigd aan de andere partij waaronder RPV. Eiser, die niet bij dit akkoord betrokken was, vorderde aktename van die afstand in die zin dat verweerder dus niets meer te vorderen heeft van eiser, maar vorderde dat verweerder als afstanddoende partij zou veroordeeld worden tot betaling van de RPV omdat eiser zich heeft moeten verdedigen tegen de vordering die tegen hem was gesteld en het pas daags voor de zitting was dat verweerder afstand deed van zijn vordering tegenover hem. Verweerder voerde in hoger beroep aan dat voor zover de appelrechters zouden oordelen dat er tussen hem en eiser een daadwerkelijke procesverhouding bestaat, de vordering van eiser tot het bekomen van de RPV berust op rechtsmisbruik, minstens kennelijk onredelijk is, gezien verweerder geen enkele vordering heeft gesteld tegen eiser en verweerder ten aanzien van eiser niet kan worden aanzien als de in het ongelijk gestelde partij. Minstens verzoekt hij de RPV kwijt te schelden dan wel te beperken. De appelrechters stellen vast dat alle partijen, behalve eiser, akkoord zijn met de afstand van rechtsvordering en eiser, die vraagt akte te nemen van de afstand van de vordering door de stad Genk, vordert dat de stad Genk zou worden veroordeeld tot het betalen van de RPV in hoofde van eiser ten bedrage van 1430 euro. Zij stellen vast dat er niets wordt gevorderd van eiser en er dus geen vordering was van de stad Genk tegen eiser en het vorderen van een RPV door eiser enkel tot gevolg zou hebben dat een bereikt akkoord tussen de partijen die daadwerkelijk vorderingen tegen elkaar hebben laten gelden op de helling zou kunnen gesteld worden hetgeen misbruik van een situatie uitmaakt, minstens kennelijk onredelijk is. De RPV ten voordele van het FAVV wordt bepaald op nul euro. Tegen dit arrest van 20 oktober 2021 van het hof van beroep te Brussel voert eiser één middel, bestaande uit twee onderdelen.
  2. Bespreking. (…) 2.
  3. De RPV is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de in het gelijk gestelde partij. Dit vloeit niet enkel voort uit artikel 1022 Ger.W., maar ook uit artikel 1017, eerste lid Ger.W. naar luid waarvan ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeelt, iuncto artikel 1018, eerste lid, 6° Ger.W. naar luid waarvan de RPV deel uitmaakt van de kosten
(1). Verweerder wijst er, onder verwijzing naar de rechtspraak van uw Hof, terecht op dat het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding vereist dat tussen partijen een daadwerkelijke procesverhouding bestaat. Dit veronderstelt, aldus uw Hof, dat de ene partij een vordering in rechte instelt strekkende tot de veroordeling van de andere partij
(2). Uw Hof oordeelt in dit verband ook dat uit de samenhang tussen voormelde artikelen en de artikelen 15 en 16 Gerechtelijk wetboek volgt dat een vordering tot tussenkomst en vrijwaring een nieuwe procesverhouding creëert tussen de eiser in vrijwaring en de verweerder in vrijwaring, zodat de partij die binnen deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, een rechtsplegingsvergoeding dient te betalen aan de in het gelijk gestelde partij. Indien de rechter de hoofdvordering afwijst en de vordering tot tussenkomst en vrijwaring zonder voorwerp verklaart, dient de eiser in vrijwaring aldus een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de verweerder in vrijwaring
(3). Het gegeven dat uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat te dezen geen sprake is van een vordering tot tussenkomst, maar de vordering tot vrijwaring wordt gesteld tussen reeds in het geding aanwezige partijen staat er niet aan in de weg dat er sprake is van een agressieve vordering tussen partijen waartussen voorheen geen procesverhouding bestond
(4). 2.5. De vraag of de partij die afstand doet van geding als in het ongelijk gesteld partij moet beschouwd worden is voor de beslissing tot veroordeling in de kosten niet relevant, nu artikel 827 Ger.W. de veroordeling tot de kosten in dat geval loskoppelt van het begrip “in het ongelijk gestelde partij”. Dit artikel, krachtens hetwelk iedere afstand verplichting meebrengt tot het betalen van de kosten, is dus als afwijkende bijzondere wet, zoals bedoeld in artikel 1017, eerste lid Ger.W. te beschouwen. De wetgever heeft er, voor wat betreft de grondslag van de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat voor geopteerd deze te steunen op het procesrisico, waar onder verstaan moet worden “het risico dat elke partij loopt om haar eis of verweer afgewezen te zien, ongeacht de intrinsieke waarde van de eis of het verweer”
(5). Dit procesrisico is ook aanwezig in een geding waarvan in een bepaalde fase afstand wordt gedaan. Degene die het initiatief genomen heeft om het geding te voeren, neemt nadien ook het initiatief om van het geding weer afstand te doen, maar dit initiatief heeft er andere partijen vaak wel in zekere mate toe verplicht zich te laten bijstaan door een raadsman en de hieruit voortvloeiend financiële verplichtingen te dragen. Mocht de partij die geconfronteerd wordt met een afstand van geding geen RPV toegekend krijgen riskeert hij die kosten niet, zelfs niet gedeeltelijk, vergoed te zien. De partij die afstand doet van het geding veroordelen tot de kosten met inbegrip van de RPV strookt in die zin met de billijkheid, maar ook met het responsabiliserings- en efficiëntie argument dat werd aangevoerd bij het tot stand komen van de wet van 21 april 2007
(6). De mogelijke veroordeling tot betaling van RPV, verhoogt de inzet van procedures, waardoor partijen meer geresponsabiliseerd zullen worden bij het instellen van procedures en waardoor overbodige procedures zullen teruggedrongen worden
(7)
(8). 2.6. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiser aanvankelijk een (vrijwarings)vordering had ingesteld tegen verweerder en verweerder in hoger beroep de veroordeling van eiser vorderde zodat wederzijdse vorderingen tussen eiser en verweerder voorlagen en er tussen hen een procesverhouding bestond. De appelrechters wijzen de vordering van eiser tot het bekomen van een RPV lastens verweerder af door deze tot nul te herleiden om reden dat eiser die zich vastklampt aan artikel 872 Gerechtelijk wetboek misbruik maakt van zijn rechten, minstens kennelijk onredelijk is. Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon. Uw Hof oordeelt, heel recent nog
(9), dat dit onder meer het geval is wanneer het veroorzaakte nadeel buiten verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht nastreeft of heeft verkregen en dat de rechter, bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, met alle omstandigheden van de zaak rekening moet houden. Het staat aan uw Hof om na te gaan of de appelrechters uit de door hen gedane vaststellingen naar recht het bestaan van dergelijk misbruik dan wel “kennelijke” onredelijkheid konden afleiden. In strijd met wat blijkt uit de stukken waarop mag worden acht geslagen, oordelen de appelrechters dat er geen vordering was van verweerder tegen eiser, er niets van eiser wordt gevorderd en dat de vordering van eiser om verweerder te veroordelen tot het betalen van de RPV enkel tot gevolg zou hebben dat een bereikt akkoord op de helling zou komen, wat procesrechtsmisbruik uitmaakt dan wel kennelijk onredelijk is. De appelrechters die op die gronden de vordering van eiser tot het eenvoudig toepassen van artikel 872 juncto artikel 1022 Gerechtelijk wetboek, afwijzen door deze tot nul te herleiden, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het tweede onderdeel komt gegrond voor. Conclusie: gedeeltelijke vernietiging met verwijzing. _______________________________
(1)B. VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, “De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten”, Wolters Kluwer 2016, 7.
(2)Cass. 30 juni 2016, AR C.15.0482N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.21, AC 2016, nr. 436.
(3)Cass. 10 februari 2020, AR C.19.0100.N, arrest niet gepubliceerd.
(4)S. MOSSELMANS, Tussenvorderingen, APR, Wolters Kluwer 2007, p. 33.
(5)I. SAMOY en V. SAGAERT, “De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat”, RW 2007-2008, 683.
(6)Zie Hoge Raad voor de Justitie, Advies over de wetsvoorstellen inzake de verhaalbaarheid: terugbetaling van kosten en erelonen van advocaten, 25 januari 2006, p. 9-10.
(7)I. SAMOY en V. SAGAERT, “De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat”, RW 2007-2008, 698.
(8)Zie concl. OM vòòr Cass. 9 juni 2017 AR C.16.0339.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.1, AC 2017, nr. 377.
(9)Cass. 20 januari 2023, AR C.21.0499.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.2, AC 2023, nr. 56. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230512.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230512.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.21 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.