← België

Orde van architecten contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230512.1N.3 Rolnummer: D.21.0004.N Zaak: Orde van architecten contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-08-08 Raadplegingen: 700 - laatst gezien 2026-06-16 17:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230512.1N.3 Fiche De raden van de Orde van architecten, die een appreciatiebevoegdheid hebben met betrekking tot de inschrijving als zelfstandig architect, kunnen de inschrijving weigeren op grond van niet-naleving van de voorwaarden inzake diploma, het bestaan van een onverenigbaarheid in hoofde van de aanvrager of zijn onwaardigheid of onbekwaamheid om het beroep van architect uit te oefenen, maar niet op grond van redenen die verband houden met de wijze waarop de verzoeker voornemens is de nakoming van de deontologische verplichtingen in de toekomst te verzekeren

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Wettelijke bepalingen: Wet 26 juni 1963 tot instelling van een Orde der Architecten - 26-06-1963 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1963062602 Wet 26 juni 1963 tot instelling van een Orde der Architecten - 26-06-1963 - Art. 4 - 30 ELI link Pub nr 1963062602 Wet 26 juni 1963 tot instelling van een Orde der Architecten - 26-06-1963 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1963062602 Wet 26 juni 1963 tot instelling van een Orde der Architecten - 26-06-1963 - Art. 17, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1963062602 Wet 26 juni 1963 tot instelling van een Orde der Architecten - 26-06-1963 - Art. 31 - 30 ELI link Pub nr 1963062602 Wet 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect - 20-02-1939 - Art. 1, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1939022050 Wet 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect - 20-02-1939 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1939022050 Orde van Architecten - Reglement van beroepsplichten - 18-04-1985 - Art. 4, eerste lid - 32 Link Justel databank 19850418-32 Orde van Architecten - Reglement van beroepsplichten - 18-04-1985 - Art. 5, eerste lid - 32 Link Justel databank 19850418-32 Tekst van de conclusie D.21.0004.N Conclusie van Eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  1. Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat verweerder, die was ingeschreven op de tabel van de orde van architecten, aan de provinciale raad toelating vroeg om zijn voltijdse activiteit als werknemer-technisch tekenaar in dienst van een bedrijf te mogen blijven combineren met een deeltijdse activiteit als zelfstandig architect. De raad oordeelde dat die activiteiten onverenigbaar waren nu de werkgever als aannemer te beschouwen is, waarop verweerder op grond van artikel 17 van de wet van 26 juni 1963 werd weggelaten van de tabel van de orde. Op het hoger beroep van verweerder, gevolgd door het hoger beroep van eiseres, oordeelde de Raad van beroep dat de beslissing a quo moest vernietigd worden nu zij niet werd gewezen door alle leden die de zaak hebben gehoord, er geen tegenstrijdigheid van belangen tussen beide functies is en ook geen onverenigbaarheid, nu de voltijdse functie als werknemer een weliswaar beperkte activiteit als zelfstandig architect niet belet. Op de voorziening van eiseres vernietigde uw Hof deze beslissing bij arrest van 7 november 2019 en verwees de zaak naar de raad van beroep anders samengesteld. Met de thans bestreden beslissing oordeelt de raad van beroep dat er geen sprake is van onverenigbaarheid van functies nu de werkgever geen aannemer is en de raad niet te oordelen heeft over de al dan niet beschikbaarheid van verweerder voor de uitoefening van zijn functie als zelfstandig architect. Tegen deze beslissing van 15 december 2020 voert eiseres één middel aan, bestaande uit drie onderdelen.
  2. Bespreking. De raad van beroep stelt vast dat het hoger beroep van verweerder er toe strekt, na de vernietiging door het Hof, te horen zeggen voor recht dat de uitoefening van het beroep van architect principieel verenigbaar is met zijn werkzaamheden als technisch tekenaar in dienstverband en deze voltijdse betrekking combineerbaar is met de deeltijdse betrekking als zelfstandig architect. De Raad oordeelt dat de enige vraag die zij na cassatie dient te onderzoeken is of de werkgever al dan niet moet worden beschouwd als aannemer van werken in de zin van artikel 6 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en artikel 10, 1° van het reglement van beroepsplichten, ingevolge waarvan, aldus de rechtspraak van uw Hof
(1), het uitoefenen van het beroep van architect onverenigbaar is met dat van aannemer van openbare of private werken en dit verbod om beide beroepen te cumuleren algemeen is. De raad oordeelt dat de werkgever niet te aanzien is als aannemer en er dus geen sprake is van onverenigbaarheid zodat verweerder ingeschreven blijft op de tabel van de orde. De Raad oordeelt niet over de al dan niet beschikbaarheid van verweerder voor zijn cliënteel in het kader van de uitoefening van zijn deeltijdse opdracht als architect op de grond dat de betwisting daarop geen betrekking heeft, er overigens geen elementen voorliggen die zouden aantonen dat verweerder niet aan zijn deontologische verplichting zou kunnen voldoen of in het verleden zou hebben voldaan en er door de Provinciale raad geen tuchtsanctie van schrapping werd opgelegd in de zin van artikel 21 van de wet van 26 juni
  1. Krachtens dit artikel kan aan de leden van de Orde, van wie bewezen is dat zij aan hun plichten zijn tekortgekomen, de aldaar bepaalde tuchtstraffen worden opgelegd. 2.
  2. Waar eiseres in het eerste onderdeel aanvoert dat de raad met dit oordeel zijn saisine en de omvang van de uitgesproken cassatie miskent, mist het onderdeel feitelijke grondslag nu de raad niet oordeelt dat zij geen uitspraak kan doen omdat zij na de vernietigingsbeslissing van het Hof niet langer gevat is door dit geschilpunt maar wel dat -benevens het oordeel dat er geen elementen voorliggen die die onbeschikbaarheid aantonen-, die vraag inzake beschikbaarheid niet relevant is in het kader van de beoordeling van de vraag van verweerder tot inschrijving op de tabel. 2.
  3. Met dit oordeel sluit de bestreden beslissing aan bij de rechtspraak van uw Hof in het kader van andere vrije beroepen, dat een aanvraag tot inschrijving niet kan worden geweigerd op grond van redenen die verband houden met de wijze waarop verzoeker voornemens is de nakoming van zijn verplichtingen in de toekomst te organiseren. In dit verband kan worden verwezen naar het arrest van Uw Hof van 26 juni 2014
(2)inzake de orde van advocaten en de arresten van 13 mei 1952
(3)inzake de orde der apothekers, waarin werd geoordeeld dat, indien de ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn vervuld, de verwerping van de inschrijving slechts mag steunen hetzij op de onregelmatigheid van de titel waarop de aanvraag rust, hetzij op de wezenlijke onwaardigheid van de verzoeker of zijn beroepsonbekwaamheid, maar de raden van de orde niet de macht hebben een aanvraag tot inschrijving op de lijst te verwerpen om redenen afgeleid uit de voorwaarden waarin de verzoeker voornemens zou zijn het beroep uit te oefenen. Dat een weglating van, dan wel een weigering tot inschrijving op de tabel van de Orde van architecten niet kan worden gegrond op een mogelijk gebrek aan beschikbaarheid wegens cumulatie van een deeltijdse activiteit als zelfstandig architect met een voltijdse dienstbetrekking die op zich niet onverenigbaar wordt geacht met het beroep van architect
(4), steunt op de vrijheid van arbeid waarvan elke beperking strikt moet worden geïnterpreteerd
(5). Het reglement van beroepsplichten maakt het aldus mogelijk dat een architect zowel in de hoedanigheid van zelfstandige als in de hoedanigheid van werknemer (de zgn. architect-bezoldigde) werkzaam kan zijn en in beide hoedanigheden niet verplicht is het beroep van architect voltijds te voeren. Mits men daarvoor de instemming van de Raad van de orde bekomt is het dus toegelaten deeltijds werkzaam te zijn als zelfstandig architect en deeltijds als architect-bezoldigde, deeltijds werkzaam te zijn als zelfstandig architect en deeltijds als een gewone werknemer/niet-architect
(6), deeltijds werkzaam te zijn als architect-bezoldigde en deeltijds als gewone werknemer/niet-architect of deeltijds werkzaam te zijn als architect-bezoldigde en deeltijds als zelfstandige niet-architect. Wat essentieel is, is dat de architect er, ongeacht zijn statuut, steeds dient over te waken dat hij bij het combineren van verschillende jobs zijn beroepsplichten respecteert, waaronder de vereiste van onafhankelijkheid van de architect en de onverenigbaarheid van het beroep van aannemer en architect. Het cumulverbod betreft in die zin een specifieke toepassing van de vereiste van onafhankelijkheid, waarmee de wetgever zowel in het belang van de opdrachtgever als in het belang van het architectenberoep, het ontwerpen van en de controle op de uitvoering van de werken enerzijds en de uitvoering van de werken anderzijds heeft willen loskoppelen
(7). De wetgever heeft daarmee onder meer
(8)een tegenstrijdigheid van de ‘niet-commerciële’ belangen van een architect als zijnde een vrij beroeper met de commerciële belangen van een aannemer willen vermijden
(9). Een effectieve controle door de architect op de uitvoering van de werken wordt onmogelijk indien de controlerende architect tegelijk de aannemer is of op een of andere wijze met hem verbonden is
(10). Dit weliswaar algemeen cumulverbod
(11), dat in het belang van zowel het beroep van architect als van de opdrachtgevers werd ingesteld, moet echter zoals elke bepaling die de vrijheid van nijverheid en handel inperkt, op beperkende wijze worden uitgelegd
(12). Uw Hof grondt het cumulverbod derhalve enerzijds op het vermijden van belangenconflicten en anderzijds op de bescherming van de titel van architect. Het tweede onderdeel dat er, onder verwijzing naar artikel 8 van het Reglement van de beroepsplichten der architecten, van uitgaat dat ook de beschikbaarheid van de architect voor de bouwheer verder gaat dan een louter deontologische verplichting maar een essentiële voorafgaande voorwaarde is om een architect – bezoldigde toe te laten het beroep van zelfstandig architect uit te oefenen, zodat het onderzoek naar de beschikbaarheid van de architect voor de bouwheer moet onderzocht worden bij het beoordelen van de vraag tot inschrijving op de tabel, faalt bijgevolg naar recht. (…) Conclusie: verwerping. _______________________________
(1)Zie vb de vernietigingsbeslissing van uw Hof in deze zaak Cass. 7 november 2019, AR D.19.0004.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.17, AC 2019, nr. 580.
(2)Cass. 26 juni 2014, AR D.13.0012.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140626.3, AC 2014, nr. 460.
(3)Cass. 13 mei 1952, AC 1952, 501.
(4)Uw Hof aanvaardt immers in vaste rechtspraak dat het degene die een ander beroep uitoefent dan dat van architect in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking niet verboden is het beroep van architect deeltijds als zelfstandige uit te oefenen zie o.a Cass. 31 mei 2013, AR D.11.0019.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.5, AC 2013, nr. 334, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(5)Zie o.a Cass. 29 november 2019, AR D.19.0004.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.17, AC 2019, nr. 580, in deze zaak en voordien Cass. 16 november 2012, AR D.11.0021.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121116.2, AC 2012, nr. 619, met concl. van advocaat-generaal G. DUBRULLE.
(6)Cass. 14 oktober 1994, AR D.93.0013.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941014.10, AC 1994, nr. 431. Zie ook P. RIGAUX, Le droit de l’architecte: évolution des 20 dernières années, Brussel, Bruylant 1993, 17.
(7)Zie o.a. Cass. 16 november 2012, AR D.11.0021.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121116.2, AC 2012, nr. 619; Cass. 10 september 1976, AC. 1976, 37; Cass. 3 mei 1974, AC 1974, 991; Cass. 17 februari 1969, AC 1969, 566; Cass. 18 december 1967, AC 1967, 553.
(8)In de rechtsleer die dateert van kort na de wet van 1939 wordt overwogen dat het vermijden van een belangentegenstelling niet de enige beweegreden van de wetgever was om de onverenigbaarheid van het beroep van architect en aannemer in te voeren; de onverenigbaarheid van beide beroepen zou ook een pasmunt zijn geweest voor het wettelijk monopolie dat architecten bij die wet werd verleend; zie A. DELVAUX, Traité juridique des batisseurs: architectes, entrepreneurs et propriétaires d’immeubles, T.II, Brussel, Bruylant 1947, 597-598.
(9)Verslag uit naam van de Commissie van Openbaar Onderwijs, belast met het onderzoek van het Wetsontwerp op de bescherming van den titel en van het beroep van architect, Parl.St. Senaat 1937-38, nr. 25, p. 2; A. DELVAUX, Traité juridique des batisseurs: architectes, entrepreneurs et propriétaires d’immeubles, T.II, Brussel, Bruylant 1947, 596; P. RIGAUX, L’architecte: le droit de la profession, Brussel, Larcier 1975, 106; K. UYTTERHOEVEN, “Het monopolie van de architect en de onverenigbaarheden”, in K. UYTTERHOEVEN, De architect in de 21ste eeuw. Beschermde ondernemer of (vogel)vrij beroep? De Wet van 20 februari 1939: 75 jaar, Antwerpen, Intersentia 2016, 55.
(10)RvS 22 oktober 2013, TBO 2014, 323; K. UYTTERHOEVEN; “Belangenconflicten bij architecten”, D&T 2015, 7; K. UYTTERHOEVEN en S. SCHOENMAKERS, De architect: beroepsuitoefening en deontologie, Antwerpen, Intersentia 2013, 17.
(11)Cass. 29 november 2019, AR D.19.0004.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.17, AC 2019, nr. 580, in deze zaak.
(12)Zie o.a. Cass. 29 november 2019, AR D.19.0004.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.17, AC 2019, nr. 580; Cass. 16 november 2012, AR D.11.0021.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121116.2, AC 2012, nr. 619; Cass. 10 september 1976, AC 1976, 37; Cass. 17 februari 1969, AC 1969, 566; Cass. 18 december 1967, AC 1967, 553. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230512.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230512.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941014.10 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121116.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140626.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.17 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.