← België

D. contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230526.1N.4 Rolnummer: C.22.0456.N Zaak: D. contra R. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-25 Raadplegingen: 490 - laatst gezien 2026-06-18 14:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230526.1N.4 Fiches 1 - 2 1° en 2° De familierechter die het bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot van de moeder van het kind vaststelt, kan bij zijn beoordeling van hetzij de ontvankelijkheid, hetzij de gegrondheid van de vordering een belangenafweging maken in het licht van de socio-affectieve werkelijkheid en de biologische werkelijkheid

(1)
(2).
(1)Zie Cass. 7 april 2017, AR C.15.0379.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170407.1, AC 2017, nr. 252 en Cass. 7 april 2022, AR C.21.0460.N, AC 2022, nr. 258, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.3.
(2)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAMMING Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 318, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 318, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2023-24, nr. 26, p. 1023-
  1. - DE METSENAERE, Laurence; Noot'Het bezit van staat bij de betwisting van het vaderschap: belangenafweging ook mogelijk bij de beoordeling van de gegrondheid van de vordering' T.Fam.-Tijdschrift voor familierecht - 2024, nr. 7, p. 206-
  2. - VAN DRIESSCHE, Leander; Noot'Zin en onzin van het onderscheid tussen de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering tot betwisting van vaderschap' Tekst van de conclusie C.22.0456.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht M. Deconynck:
  3. Situering. De vraag die aan uw Hof wordt voorgelegd, betreft de rol van het bezit van staat van een kind ten aanzien van de echtgenoot van de moeder bij de beoordeling ten gronde van een vordering tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot.
  4. Bespreking.
  5. Vorderingen tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot worden geregeld door artikel 318 Oud Burgerlijk Wetboek. De hier in dit artikel relevante paragrafen zijn respectievelijk §§ 1 en 3, 1ste lid Oud Burgerlijk Wetboek. Uit artikel 318, § 1 volgt dat het vaderschap van de echtgenoot niet kan worden betwist indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot. Artikel 318, § 3, 1ste lid bepaalt voorts dat onverminderd het bepaalde in de paragrafen 1 en 2, het vermoeden van vaderschap wordt teniet gedaan indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is.
  6. Het Grondwettelijk Hof heeft zich reeds 4 maal uitgesproken over artikel 318, § 1 Oud Burgerlijk Wetboek en geoordeeld dat dit artikel een schending uitmaakt van artikel 22 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM in zoverre de vordering tot betwisting van het vaderschap niet ontvankelijk is bij bezit van staat van het kind ten aanzien van de echtgenoot
(1). De overwegingen op basis van waarvan het Grondwettelijk Hof tot deze conclusie komt, zijn in de respectievelijke arresten gelijklopend. Het bezit van staat als een absolute grond van niet-ontvankelijkheid, laat de socio-affectieve werkelijkheid steeds primeren op de biologische werkelijkheid en vormt een onevenredige barrière met het oog op het betwisten van het vaderschap van de echtgenoot nu de rechter ten gevolge hiervan geen rekening kan houden met de vaststaande feiten en de respectievelijke belangen niet kan afwegen. De concrete impact van deze rechtspraak wordt betwist, met verschillende strekkingen in de rechtsleer en rechtspraak
(2). 3. Uw Hof oordeelde in een arrest van 7 april 2017
(3)dat een grondwetsconforme lezing van artikel 318, § 1 Oud Burgerlijk Wetboek met zich meebracht dat het bezit van staat als een relatieve grond van niet-ontvankelijkheid diende te worden beschouwd. Hieruit volgt dat de rechter een vordering tot betwisting van het vaderschap ook bij bezit van staat ontvankelijk kan verklaren rekening houdende met de belangen van alle betrokken partijen, in het bijzonder die van het kind. L. SALOMEZ merkt in haar noot bij dit arrest op dat uw Hof hier een belangenafweging in concreto tijdens de ontvankelijkheidsfase toelaat, zonder echter een dergelijke belangenafweging tijdens de fase ten gronde uit te sluiten
(4). In het arrest van uw Hof van 7 april 2022
(5)inzake artikel 330, § 1 Oud Burgerlijk Wetboek werd eenzelfde oordeel geveld aangaande het bezit van staat bij een vordering tot betwisting van een erkenning van het vaderschap. 4. Dient er nu gelet op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof behalve tot een belangenafweging tijdens de ontvankelijkheidsfase ook overgegaan te worden tot een belangenafweging bij de beoordeling ten gronde? Op het eerste gezicht zou men kunnen denken dat men dan 2 keer dezelfde afweging zou doorvoeren en het nut hiervan in vraag stellen. Dit gaat naar het oordeel van mijn ambt evenwel niet op nu een belangenafweging tijdens de beoordeling van de ontvankelijkheid noodzakelijkerwijze oppervlakkiger zal zijn dan een belangenafweging ten gronde. De partijen zullen immers pas in de loop van de procedure hun argumenten ten volle kunnen uitwerken en er kunnen ook nieuwe elementen aan bod komen tijdens de procedure ten gronde, zoals de resultaten van een DNA-test. Beide aspecten laten een grondigere, volledigere belangenafweging toe. De vraag is dan natuurlijk of de wet dergelijke afweging ten gronde toelaat dan wel of de rechter eens het stadium van de beoordeling van de ontvankelijkheid voorbij diens oordeel enkel nog kan vestigen rekening houdend met de biologische werkelijkheid. Artikel 318, § 3 Oud Burgerlijk Wetboek voorziet dat het vermoeden van vaderschap teniet wordt gedaan indien door alle wettelijke middelen wordt bewezen dat de betrokkene niet de vader is. Deze paragraaf staat echter niet op zich maar moet gelezen worden in samenhang met de overige paragrafen van artikel 318 Oud Burgerlijk Wetboek en met name artikel 318, § 1 Oud Burgerlijk Wetboek, temeer nu in § 3 nog eens uitdrukkelijk naar de §§ 1 en 2 van dit artikel
(6)wordt verwezen en dus onder meer naar het concept “bezit van staat”. Uit de samenlezing van artikel 318, § 3 Oud Burgerlijk Wetboek met artikel 318, § 1 Oud Burgerlijk Wetboek lijkt dan te volgen dat het bezit van staat ook bij de beoordeling ten gronde in acht dient te worden genomen. Ter ondersteuning van dit standpunt kan verwezen worden naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake artikel 330 van het Oud Burgerlijk Wetboek, dat in de §§ 1 en 2 vergelijkbare bepalingen bevat als die vervat in artikel 318, §§ 1 en 3 Oud Burgerlijk Wetboek. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in verschillende arresten met betrekking tot artikel 330 Oud Burgerlijk Wetboek dat de rechter steeds dient over te gaan tot een belangenafweging ten gronde bij de beoordeling van een vordering tot betwisting van een erkenning
(7). De situatie van de echtgenoot die diens vaderschap betwist, is vergelijkbaar met die van wie een erkenning betwist zodat er geen reden is om deze situatie anders te behandelen. Hieruit volgt dat het bezit van staat ook bij de beoordeling van de gegrondheid van een vordering tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot een rol te spelen heeft als element dat door de rechter moet worden in rekening gebracht samen met de overige feiten van het betrokken geschil en de respectievelijke belangen van de daarin aanwezige partijen
(8). Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Conclusie: verwerping. _________________________________
(1)GwH. 3 februari 2011, nr. 20/2011, www.const-court.be; GwH. 9 juli 2013, nr. 105/2013, www.const-court.be; GwH. 7 november 2013, nr. 147/2013, www.const-court.be en ten slotte GwH. 3 februari 2016, nr. 18/2016, www.const-court.be.
(2)Zie G. VERSCHELDEN, Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, Die Keure 2021, randnummer 268 alsook L. SALOMEZ, “Bezit van staat en het Hof van Cassatie”, RW 2017-18, pp. 941 en volgende en F. SWENNEN, “Wat is ouderschap?”, TPR 2016, nr. 40.
(3)Cass. 7 april 2017, AR C.15.0379.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170407.1, AC 2017, nr. 252.
(4)L. SALOMEZ, “Bezit van staat en het Hof van Cassatie”, RW 2017-18, p. 944.
(5)Cass. 7 april 2022, AR C.21.0460.N, AC 2022, nr. 258, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.3.
(6)“onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2”.
(7)GwH. 25 september 2014, nr. 139/2014, www.const-court.be, GwH. 19 maart 2015, nr. 38/2015, www.const-court.be, GwH. 24 september 2015, nr. 126/2015, www.const-court.be en GwH. 26 november 2015, nr. 168/2015, www.const-court.be.
(8)In die zin F. SWENNEN, “Wat is ouderschap?”, TPR 2016, nr. 40 en G. VERSCHELDEN, Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, Die Keure 2021, randnummer 268. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230526.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230526.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170407.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.