Obsah (6)
Art. 63Art. 64Art. 66Art. 67Art. 136Art. 235bisid="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 mei 2023 ECLI
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Het onderzoeksgerecht is bevoegd om de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling te beoordelen wanneer deze het gerechtelijk onderzoek op gang heeft gebracht zonder dat het openbaar ministerie een vordering tot gerechtelijk onderzoek heeft genomen of een verwijzing naar het vonnisgerecht heeft gevorderd; in dat geval vormt de burgerlijke partijstelling immers de grondslag voor het bestaan van de strafvordering, waarvan de ontvankelijkheid ter beoordeling staat van de onderzoeksgerechten
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 136
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 235bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 136
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 235bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 136
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 235bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 136
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 235bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 11 Uit de artikelen 63, eerste lid, 64, eerste lid, 66 en 67 Wetboek van strafvordering volgt verder dat 1°het onderzoeksgerecht een burgerlijke partijstelling en de daardoor op gang gebrachte strafvordering niet ontvankelijk moet verklaren indien het oordeelt dat de burgerlijke partij niet aannemelijk maakt dat zij als gevolg van de feiten voorwerp van de klacht met burgerlijke partijstelling schade heeft geleden of niet beschikt over het vereiste belang; en 2°een burgerlijke partijstelling bij wijze van voeging of tussenkomst, die niet wordt gevolgd door een vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek of een vordering tot verwijzing, slechts ontvankelijk is indien de strafvordering op ontvankelijke wijze op gang werd gebracht; die regel miskent het recht van verdediging van de betrokken burgerlijke partij niet aangezien zij zich tegenover de onderzoeksrechter burgerlijke partij kan stellen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 12 - 14 Uit de omschrijving van de met de artikelen 442bis en 442quater, § 1, Strafwetboek ingevoerde misdrijven volgt dat deze misdrijven enkel kunnen worden gepleegd tegenover natuurlijke personen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BELAGING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 442bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 442quater, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 442bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 442quater, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie P.22.1719.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De ontvankelijkheid van de klacht met burgerlijke partijstelling (art. 63 Sv.) uitgebracht door een rechtspersoon wegens belaging en misbruik van de zwakke toestand van een persoon en de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek na de bijkomende burgerlijke partijstelling (art. 67 Sv.) door de verantwoordelijke van de rechtspersoon voor dezelfde feiten”
- Procesverloop.
- Eiseres 1 in cassatie, burgerlijke partij HS TRADING bv, heeft vertegenwoordigd door haar zaakvoerster op 4 maart 2020 een klacht met burgerlijke partijstelling ingediend bij de onderzoeksrechter te Limburg, afdeling Tongeren, tegen verweerders in cassatie en tegen onbekenden wegens A) belaging (art. 442bis Sw.), B) laster en eerroof (art. 444 Sw.), C) het als openbaar officier of ambtenaar opmaken van een vals stuk en gebruik van het vals stuk (art. 193, 196 en 197 Sv.), D) het bedrieglijk misbruik maken van de fysieke of psychische zwakheid die het oordeelsvermogen van de betrokkene ernstig verstoort om die betrokkene een voor hem nadelige handeling te doen stellen (art. 442quater Sw.), E) oplichting (art. 496 Sw.) en F) het beramen van maatregelen die in strijd zijn met wetten of koninklijke besluiten (art. é Sw.).
- De procureur des Konings nam geen vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek (art. 47 en 70 Sv.) en heeft in zijn eindvordering (art. 127 Sv.) gevorderd de verweerders buiten vervolging te stellen voor vermelde feiten en het gerechtelijk onderzoek te beëindigen wat betreft de onbekende persoon. De raadkamer te Limburg, afdeling Tongeren, heeft op 9 september 2022 het gerechtelijk onderzoek conform deze eindvordering afgesloten (art. 127 en 128 Sv.).
- Op tijdig hoger beroep van eiseres 1 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) te Antwerpen de beschikking tot buitenvervolgingstelling bevestigd wat betreft de telastleggingen B, C, E en F en de strafvordering van in het begin niet-ontvankelijk verklaard met als voorwerp de feiten A en D. Eiseres, zaakvoerster van HS-TRADING, heeft zich ter rechtszitting van de K.I. burgerlijke partij gesteld voor dezelfde feiten, bij wijze van conclusie. Het bestreden arrest verklaart haar burgerlijke partijstelling bij wijze van voeging onontvankelijk wat betreft de feiten A en D en neemt aan dat zij voor de andere feiten onvoldoende bezwaren tegen verweerders aanbrengt.
- Ontvankelijkheid van de klacht met burgerlijke partijstelling.
- Eiseressen komen in een eerste middel op tegen de beslissing dat de klacht met burgerlijke partijstelling van eiseres 1 en de burgerlijke partijstelling ingediend door eiseres 2 voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet-ontvankelijk zijn, wat betreft de feiten van belaging (art. 442bis Sw., feit A) en misbruik van de fysieke of psychische zwakheid van een persoon bij het stellen van een voor haar nadelige handeling (art. 442quater Sw., feit D). Zij werpen op dat 1°de klacht met burgerlijke partijstelling van de vennootschap wel ontvankelijk is, omdat in feit A ook het misdrijf van laster en eerroof is omschreven, 2° eiseres 2 wel een persoonlijk nadeel ondervond van feiten A en D en 3° eiseres 2 niet voor de raadkamer werd opgeroepen, hoewel zij in de klachtbevestiging duidelijk aangaf schadevergoeding te willen bekomen.
- Artikel 149 Grondwet (over de motiveringsplicht) is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten in de fase van de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek (regeling der rechtspleging)
(1). De beschikking om de klacht met burgerlijke partijstelling van eisers niet-ontvankelijk te verklaren is geen vonnis in de zin van art. 149 GW. In zoverre falen de drie middelen van eiseressen naar recht.
- Het is niet omdat de burgerlijke partij in haar klacht onder rubriek A verwijst naar de artikelen 442bis en 443 Strafwetboek, dat het onderzoeksgerecht feit A op dezelfde manier moet omschrijven. In de vordering van het openbaar ministerie gehecht aan het bestreden arrest werd feit A opgesplitst in de telastleggingen A van belaging (art. 442bis Sw.) en B van laster en eerroof (art. 443, 444, 447 en 450 Sw.). Het bestreden arrest heeft voor de beoordeling van feit A alleen de klachten niet-ontvankelijk verklaard gesteund op het wanbedrijf van belaging en nagegaan of er voor het afzonderlijk wanbedrijf laster en eerroof, opgenomen in feit B, voldoende bezwaren waren tegen verweerders. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Art. 63, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv.) bepaalt dat hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld, daarover bij de bevoegde onderzoeksrechter klacht kan doen en zich burgerlijke partij kan stellen. De onderzoeksrechter die bevoegd is om van de klacht met burgerlijke partijstelling kennis te nemen, gelast de mededeling ervan aan de procureur des Konings, die zal vorderen zoals het behoort (art. 70 Sv.). Het feit dat de procureur des Konings geen gerechtelijk onderzoek vordert, zoals in deze zaak, belet de onderzoeksrechter niet een gerechtelijk onderzoek te voeren, aangezien die klacht zowel de strafvordering als de burgerlijke vordering instelt
(2). 8. De onderzoeksrechter is trouwens verplicht om het in de klacht met burgerlijke partijstelling aangeklaagde feit op te helderen en de verdachten te identificeren, zelfs al zou het misdrijf niet voldoende duidelijk in die klacht zijn omschreven, totdat de raadkamer hem van die onderzoeksplicht ontslaat
(3). Dit neemt niet weg dat als het openbaar ministerie geen vordering nam tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek en de onderzoeksrechter meent dat de klacht met burgerlijke partijstelling niet-ontvankelijk is, onder meer wegens gebrek aan belang, hij het strafdossier meteen kan meedelen aan de procureur des Konings voor eindvordering (art. 127 Sv.). De raadkamer kan dan op korte termijn beslissen over hetzij de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek, hetzij het verder zetten ervan door een beschikking dat de zaak ‘niet in staat is’
(4). 9. Art. 63 Sv. over de klacht met burgerlijke partijstelling laat een particulier met een persoonlijk en rechtmatig belang toe de strafvordering in te stellen, in afwijking van art. 1 V.T. Sv., dat stelt dat de strafvordering alleen kan worden uitgeoefend door ambtenaren die de wet daarmee belast, dit is in de regel de leden van het openbaar ministerie
(5). De vereiste van belang houdt niet in dat de burgerlijke partij al bij aanvang van het gerechtelijk onderzoek het bewijs moet leveren dat het feit vermeld in haar klacht een concreet omschreven misdaad of wanbedrijf oplevert of dat misdrijf een specifieke schade heeft veroorzaakt
(6). De burgerlijke partij moet alleen ‘aannemelijk maken’ dat zij schade leed ten gevolge van een misdaad of wanbedrijf
(7). 10. Het is aan de onderzoeksgerechten om, desnoods ambtshalve, toe te zien op het persoonlijk en rechtmatig belang dat de burgerlijke partij kan doen gelden om de strafvordering op gang te brengen, in de situatie dat het openbaar ministerie geen vordering neemt tot het instellen van het gerechtelijk onderzoek of bij afsluiting ervan geen vordering neemt tot verwijzing van de inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht
(8). De raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) moeten in die situatie de klacht met burgerlijke partijstelling niet-ontvankelijk verklaren wanneer de burgerlijke partij niet beschikt over het vereiste belang, niet aannemelijk maakt dat het aangeklaagde feit een misdaad of wanbedrijf oplevert of niet aannemelijk maakt dat zij enige schade leed ten gevolge van een misdaad of wanbedrijf
(9). Hierbij stelt het onderzoeksgerecht vast, na een debat met alle partijen, dat de strafvordering van bij aanvang (ab initio) niet geldig is ingesteld en er aldus geen grond is om bewijsmateriaal te verzamelen. Het gerechtelijk onderzoek dient dan te worden afgesloten, zonder enig oordeel over bezwaar tegen de inverdenkinggestelde. 11. Het Hof nam in 2008 aan dat: “De ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering hangt af van de voorwaarde dat het aangevoerde nadeel het gevolg zou zijn van een misdrijf. Daaruit volgt dat de burgerlijke partijstelling met een vordering voor de onderzoeksrechter niet-ontvankelijk moet worden verklaard wanneer de aangevoerde feiten niet strafrechtelijk kunnen worden omschreven. Het volstaat niet om een willekeurig feit aldus te omschrijven dat het een misdaad of wanbedrijf zou opleveren waardoor degene die beweert erdoor te zijn benadeeld, het recht krijgt om zich burgerlijke partij te stellen. In zoverre brengt de materiële onbevoegdheid van de onderzoeksrechter de niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling met zich mee”
(10). 12. Verder stelde het Hof in 2018 dat het onderzoeksgerecht de burgerlijke partijstelling en de daardoor op gang gebrachte strafvordering niet-ontvankelijk moet verklaren, in de situatie dat het openbaar ministerie geen gerechtelijk onderzoek instelt of de verwijzing naar het vonnisgerecht vordert, wanneer het oordeelt dat de burgerlijke partij haar schade ingevolge de aangeklaagde feiten niet-aannemelijk maakt of niet beschikt over het vereiste belang, omdat in dit geval de burgerlijke partijstelling de grondslag vormt voor het bestaan van de strafvordering, waarvan de ontvankelijkheid ter beoordeling staat van de onderzoeksgerrechten
(11). 13. De beslissing dat de strafvordering als drager van de burgerlijke vordering niet geldig is op gang gebracht, en aldus niet kan leiden tot verwijzing van de inverdenkinggestelde naar het vonnisrecht, houdt geen miskenning in van het recht van verdediging van de burgerlijke partij. De persoon die meent door de feiten te zijn benadeeld kan zich immers nog steeds een vordering op basis van de artikelen 1382 en 1383 oud BW instellen voor de burgerlijke rechter
(12). In zoverre het middel gesteund op art. 63 Sv. uitgaat van het tegendeel, faalt het m.i. naar recht.
- Het bestreden arrest neemt aan (blz. 12) dat de misdrijven in de klacht met burgerlijke partijstelling omschreven als ‘belaging’ ( art. 442bis Sw.) en ‘misbruik van de zwakke toestand van personen’ (art. 442quater Sw.) alleen feitelijke gedragingen strafbaar stellen ten nadele van een fysieke persoon en dat een rechtspersoon bijgevolg niet benadeelde of slachtoffer kan zijn van deze als misdrijf omschreven feitelijke gedragingen.
- Dit oordeel sluit aan bij het standpunt van het Grondwettelijk Hof, dat in 2007 aannam dat: “Wegens de objectieve verschillen tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon, is het niet discriminerend om alleen de belaging waarvan een natuurlijke persoon het slachtoffer is, op specifieke wijze strafbaar te stellen. Belaging kan immers worden begrepen als een gedrag dat de gevoelsrust van de belaagde persoon verstoort, hetgeen alleen denkbaar is ten aanzien van een natuurlijke persoon. Belaging is niet een louter hinderlijk gedrag dat het normaal functioneren van het slachtoffer verstoort, maar een hinderlijk gedrag dat daarenboven een gevoelen van onrust veroorzaakt bij het slachtoffer. Door te beslissen de natuurlijke personen tegen belaging strafrechtelijk te beschermen, maakt de wetgever gebruik van een criterium dat pertinent is omdat alleen een natuurlijke persoon zulk een onrust kan ervaren. Het verschil in behandeling dat artikel 442bis (Sw.) aldus geïnterpreteerd, doorvoert tussen de twee categorieën van personen, is niet onevenredig. De rechtspersoon waarvan de werking zou worden verstoord door handelingen of gedragingen die verwant zijn met belaging, beschikt over andere rechtsmiddelen, zowel burger- en sociaalrechtelijke als strafrechtelijke, om ze te doen ophouden. Hij kan onder meer, zoals blijkt uit het geschil dat aan de verwijzende rechter is voorgelegd, de verwijzing verkrijgen van de persoon die zijn rust heeft verstoord, voor de correctionele rechtbank, uit hoofde van de tenlasteleggingen van laster, eerroof of beledigingen”
(13). 16. Uw Hof oordeelde dat artikel 442bis Strafwetboek strafbaar stelt hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren. Dit is het geval voor degene die door niet-aflatende of steeds terugkerende gedragingen iemands persoonlijke levenssfeer ernstig aantast door hem op irritante wijze lastig te vallen, daar waar hij dit gevolg van zijn gedrag kende of had moeten kennen
(14). Een rechtspersoon heeft geen gevoelens en kan handelingen van derden waarmee zij in verbinding treedt niet beoordelen als irritant of toelaatbaar. Evenmin beschikt de rechtspersoon over een ‘persoonlijke levenssfeer’ die zou toelaten iemands handelingen ten opzichte van de rechtspersoon op te vatten als opdringerig of belaging in de zin van art. 442bis Sw
(15). 17. Dezelfde redenen gelden m.i. voor het misdrijf van het bedrieglijk misbruik maken van iemands fysieke of psychische zwakheid om de betrokkene ertoe te brengen een handeling te stellen die zijn integriteit of vermogen aantast (art. 442quater Sw.). Een abstracte entiteit zoals een vennootschap kan geen fysieke of psychische zwakheid worden toegeschreven, als benadeelde
(16). In zoverre eiseres 1 ervan uitgaat dat een rechtspersoon het slachtoffer van belaging of misbruik van zwakke personen kan zijn, zodat een klacht met burgerlijke partijstelling uitgaande van de rechtspersoon voor deze misdrijven ontvankelijk zou zijn, faalt het middel naar recht.
- Het bestreden arrest stelt in zijn motiverend gedeelte (blz. 13) dat de klacht met burgerlijke partijstelling van eiseres 1 HS-TRADING onontvankelijk is wat betreft de feiten A (belaging) en D (misbruik van zwakke personen). De beslissing lijkt mij naar recht verantwoord, zodat het middel van eiseres 1 niet kan worden aangenomen.
- Ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling als voeging bij de strafvordering.
- Art. 66 Sv. bepaalt dat de klagers alleen dan als burgerlijke partij worden beschouwd, indien zij het uitdrukkelijk verklaren, hetzij bij de klacht, hetzij bij een latere akte, of indien zij bij een van die akten een conclusie tot schadevergoeding nemen. Volgens artikel 67 Sv. kunnen de klagers zich burgerlijke partij stellen in elke stand van het geding, tot de sluiting van de debatten
(17). De burgerlijke partijstelling bij wijze van voeging stelt de strafvordering niet zelf in werking, maar is geënt op een reeds ingestelde strafvordering, voor dezelfde feiten. De benadeelde kan dus geen strafvordering op gang brengen door zich voor het eerst voor het onderzoeksgerecht burgerlijke partij te stellen
(18). 20. Het Hof oordeelde dat hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld zich voor het eerst burgerlijke partij kan stellen voor de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer dit onderzoeksgerecht ingevolge een ontvankelijk hoger beroep geroepen is om uitspraak te doen over de regeling van de rechtspleging, over het al dan niet voorhanden zijn van voldoende bezwaren
(19). Het is dan aan de K.I. om de ontvankelijkheid van deze aanvullende burgerlijke partijstelling te beoordelen. Een ontvankelijk hoger beroep van een burgerlijke partij tegen een beschikking van de raadkamer over de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek (art. 135 §1 Sv.) betekent niet noodzakelijk dat een andere persoon die stelt benadeeld te zijn door dezelfde feiten een ontvankelijke vordering indient voor de K.I. De ontvankelijkheid van de tweede burgerlijke partijstelling hangt ook af van de ontvankelijkheid van de strafvordering die voor die feiten op gang is gebracht door de eerste burgerlijke partij, zonder dat het openbaar ministerie een gerechtelijk onderzoek heeft ingesteld of de verwijzing van de zaak naar het vonnisgerecht heeft gevorderd
(20). Hieruit volgt dat als de strafvordering alleen uitgaat een burgerlijke partij, zonder aansluitende vordering van het openbaar ministerie, de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering op basis van art. 63 Sv. meebrengt dat de erop gesteunde vordering van een andere burgerlijke partij, in een latere fase van het proces (art. 67 Sv.), eveneens niet-ontvankelijk is.
- Het bestreden arrest oordeelt (blz. 13-14) dat eiseres 2 zich op de terechtzitting ‘bij wijze van voeging’ burgerlijke partij stelde in hetzelfde gerechtelijk onderzoek dat reeds op gang was gebracht door eiseres 1, en vervolgens dat: “Een en ander heeft tot gevolg dat de onontvankelijkheid van de klacht met burgerlijke partijstelling van bvba HS-TRADING voor wat betreft de feiten A en D de onontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van S. bij voormelde nota burgerlijke partijstelling tot gevolg heeft. De onontvankelijkheid van de klacht met burgerlijke partijstelling van 4 maart 2020 en van de strafvordering voor wat betreft de feiten van de tenlasteleggingen A en D kan derhalve ook niet worden geremedieerd door de burgerlijke partijstelling van S. bij wijze van voeging voor wat betreft deze beweerde strafbare feiten”.
- De redenen om de burgerlijke partijstelling bij wijze van voeging van eiseres 2 niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover gesteund op de feiten A en D, lijken mij toereikend en naar recht verantwoord. De omstandigheid dat eiseres 2 als natuurlijke persoon het slachtoffer kan zijn van belaging of misbruik van de zwakke fysieke of psychische toestand van personen, laat niet toe anders te besluiten, omdat noch eiseres 2 noch het openbaar ministerie voor deze strafbare feiten de strafvordering op gang bracht. De kamer van inbeschuldigingstelling moest dan ook niet nagaan of er tegen de verweerders in cassatie bezwaren bestaan van belaging of misbruik van de zwakke toestand van personen met (alleen) eiseres 2 als benadeelde. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige blijkt uit de stukken waarmee het Hof rekening mag houden niet dat er buiten de klacht met burgerlijke partijstelling van eiseres 1 nog een andere basis is waarop de strafvordering steunt die tegen verweerders is ingesteld. Eisers 2 voert in het eerste middel aan zij al tijdens haar verklaring aan de federale politie duidelijk de bedoeling had om zich in eigen persoon burgerlijke partij te stellen en zij niet werd opgeroepen voor de raadkamer, tijdens de regeling der rechtspleging, in strijd met art. 6 EVRM en art. 63 tot 67 Sv. De vraag rijst dan ook of het verhoor van eiseres 2 als zaakvoerster van de vennootschap die klacht met burgerlijke partijstelling uitbracht is op te vatten als een bijkomende burgerlijke partijstelling.
- Artikel 127 §3 Sv. bepaalt dat na eindvordering van het openbaar ministerie de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij een verzoek kunnen indienen bij de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoeksdaden te stellen, waarbij dit verzoek de regeling van de rechtspleging schorst. De raadkamer doet uitspraak over de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek op verslag van de onderzoeksrechter, na de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde te hebben gehoord (art. 127 §4 Sv.)
(21). De deelname aan de regeling der rechtspleging houdt voor de benadeelde van het misdrijf een formele rechtshandeling in, dit is de burgerlijke partijstelling, hetzij door een klacht met burgerlijke partijstelling (art. 63 Sv.), hetzij door een akte van voeging als burgerlijke partij (art. 67 Sv.). De burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter in de zin van art. 63 Sv. geschiedt door een ondubbelzinnige wilsverklaring ten overstaan van de onderzoeksrechter voor wie wordt verschenen, die daarvan een proces-verbaal opstelt
(22). 25. Ook voor de voeging als burgerlijke partij is een ondubbelzinnige wilsverklaring nodig, voor de onderzoeksrechter of het onderzoeksgerecht. Art. 67 Sv. bepaalt over de burgerlijke partijstelling tot de sluiting der debatten dat na het vonnis de afstand ongeldig is, ook als de afstand wordt gedaan binnen 24 uur na de verklaring van de klager dat hij zich burgerlijke partij stelt. Uit de akte van voeging moet dus blijken dat de benadeelde zich ‘burgerlijke partij’ stelt, haar burgerlijke vordering verbindt aan een reeds ingestelde strafvordering
(23). 26. Een verhoor van de benadeelde door de politie in opdracht van de onderzoeksrechter betekent nog niet dat de benadeelde die aangeeft schadevergoeding te willen bekomen, vanaf dat moment als burgerlijke partij aan het strafproces deelneemt. De benadeelde kan er immers voor kiezen zijn eis tot schadevergoeding voor te leggen aan de burgerlijke rechter (art. 4 V.T. Sv.). Voorts bepaalt art. 47bis §1 Sv. over de waarborgen van een verhoorde persoon aan wie geen misdrijf ten laste wordt gelegd niet dat de persoon die stelt benadeelde te zijn van een misdrijf ingevolge het verhoor de hoedanigheid van burgerlijke partij verwerft. Het Hof nam in 2013 aan dat: “Een verklaring van burgerlijke partijstelling tegenover de politie is geen burgerlijkepartijstelling in de zin van de artikelen 63 en 66 Wetboek van Strafvordering. Dit geldt zowel voor de burgerlijkepartijstelling waardoor het gerechtelijk onderzoek wordt geopend en de strafvordering op gang wordt gebracht als voor de burgerlijkepartijstelling in een latere akte”
(24). 27. Het bestreden arrest stelt m.i. terecht (blz. 16) dat 1°de verklaring van eiseres 2 aan de federale politie, tijdens haar verhoor/klachtbevestiging, niet aan de vereisten van art. 63 Sv. voldoet en 2°er aan haar (in eigen naam) geen kennisgeving diende te gebeuren van de datum van de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer. In zoverre kan het middel gesteund op ‘art. 63 e.v. Sv.’ niet worden aangenomen. Verwerping van de cassatieberoepen. ____________________________________
(1)Cass. 28 april 2020, AR P.20.0198.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 26 september 2018, AR P.18.0250.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180926.10, AC 2018, nr. 502; Cass. 5 juni 2013, AR P.12.1881.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130605.2, AC 2013, nr. 344; Cass. 25 september 2002, AR P.02.0954.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020925.11, AC 2002, nr. 479, met concl. van advocaat-generaal J. SPREUTELS op datum in Pas.; R. DECLERCQ, Onderzoeksgerechten, APR 1993, 40-42.
(2)Cass. 2 december 2008, AR P.08.1082.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.2, AC 2008, nr. 689, RW 2009-10, 532 noot; Cass. 9 oktober 1990, AR 2562, AC 1990-91, nr. 65; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 189 en 419.
(3)Cass. 22 mei 2001, AR P.99.1655.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010522.5, AC 2001, nr. 303; Cass. 1 maart 1989, AR 7098, AC 1988-89, 751.
(4)Cass. 5 oktober 2022, AR P.22.0487.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.5, AC 2022, nr. 608, JLMB 2023, 302; Cass. 22 maart 2016, AR P.15.1353.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.6, AC 2016, nr. 201; Cass. 28 april 2015 AR P.14.1341.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150428.4, AC 2015, nr. 280; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 727.
(5)Over het belang vereist bij de klacht met burgerlijke partijstelling (art. 63 Sv.) zie o.a. Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1120.N, AC 2021, nr. 187, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14; Cass. 21 april 2020, AR P.19.1274.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1, AC 2020, nr. 239, NC 2020, 476; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5, AC 2018, nr. 128; Cass. 20 januari 2015, AR P.14.1276.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150120.6, AC 2015, nr. 49; Cass. 18 januari 2011, AR P.10.1252.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110118.5, AC 2011, nr. 50; F. VAN VOLSEM, “De fiscale administratie als burgerlijke partij voor de strafgerechten: een poging tot synthese”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 573-575; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 63 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 291-294; S. VAN OVERBEKE, “Strafrechtelijke gevolgen van een onontvankelijke burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter”, RW 2008-09, 1458-1465; F. DERUYCK, “De burgerlijke vordering voor de strafrechter: een status quaestionis aan de hand van de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie”, in CBR Jaarboek 2010-11, Intersentia 2011, 385-387; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 220-222; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 201-211; S. VERHELST, De rol van het slachtoffer in het straf(proces)recht, Intersentia 2013, 205-207; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1239-1248; J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia 2017, 197-206; F. VERBRUGGEN en R. VERSTRAETEN, Strafrecht en strafprocesrecht voor bachelors, Maklu 2017, 137-139; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2019, 303-307; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 909-910. Over art. 1 V.T.SV. zie Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1582.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.11, AC 2023, nr. 151, met concl. OM; J. MATTHIJS, Openbaar ministerie, APR 1983, 94-103.
(6)Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1120.N, AC 2021, nr. 187; Cass. 18 januari 2011, AR P.10.1252.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110118.5, AC 2011, nr. 50; Cass. 8 oktober 2002, AR P.02.0419.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8, AC 2002, nr. 516.
(7)Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1120.N, AC 2021, nr. 187; Cass. 21 april 2020, AR P.19.1274.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1, AC 2020, nr. 239, NC 2020, 476; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5, AC 2018, nr. 128; Cass. 26 mei 2015, AR P.15.0089.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.6, AC 2015, nr. 344; Cass. 8 mei 2012, AR P.11.1814.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4, AC 2012, nr. 285; Cass. 26 oktober 2011, AR P.11.1191.F, AC 2011, nr. 576, JLMB 2012, 449 noot N. COLETTE-BASECQZ; Cass. 5 oktober 2010, AR P.10.0530.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101005.6, AC 2010, nr. 575; Cass. 3 april 2007, AR P.07.0041.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3, AC 2007, nr. 168, NC 2009, 374 noot S. DE DECKER; F. VAN VOLSEM, “De fiscale administratie als burgerlijke partij voor de strafgerechten: een poging tot synthese”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 574; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1240; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 722-729; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 909 en 924.
(8)Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5, AC 2018, nr. 128.
(9)Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1582.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.11, AC 2023, nr. 151, met concl. OM; Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1120.N, AC 2021, nr. 187; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5, AC 2018, nr. 128; Cass. 3 april 2007, AR P.07.0041.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3, AC 2007, nr. 168; R. VERSTRAETEN, “De houdbaarheidsdatum van de burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 970-971; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 437; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 987.
(10)Cass. 6 februari 2008, AR P.07.1533.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080206.7, AC 2008, nr. 88. Deze overweging van het arrest P.07.1533.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080206.7 werd overgenomen in het bestreden arrest (blz. 12).
(11)Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5, AC 2018, nr. 128.
(12)Zie hierover Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1582.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.11, AC 2023, nr. 151, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5, AC 2018, nr. 128; Cass. 22 november 2006, AR P.06.1173.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.3, AC 2006, nr. 591, Cass. 1 april 1996, AR P.96.0171.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960401.3, AC 1996, nr. 108, RDPC 1996, 984, met concl. van procureur-generaal E. LIEKENDAEL.
(13)GwH 10 mei 2007, arrest 75/2007 (BASF t/Van Gorp), NC 2007, 278, RABG 2007, 799, TRV 2007, 338 noot F. PARREIN, T. Strafr. 2008, 35 noot P. DE HERT, J. MILLEN en A. GROENEN ‘Het delict belaging in wetgeving en rechtspraak. Bijna tot redelijke proporties gebracht”, T. Strafr. 2008, 3-10; J. DE HERDT, “Commentaar bij art. 442bis Sw.”, in Strafrecht. Duiding, Larcier 2015, 529.
(14)Cass. 17 januari 2023, AR P.23.0025.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.12, AC 2023, nr. 49. Over de ernst van de belaging Cass. 22 juni 2016, AR P.15.0001.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160622.1, AC 2016, nr. 415; Cass. 29 oktober 2013, AR P.13.1270.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131029.6, AC 2013, nr. 563, NJW 2014, 406; Cass. 7 juni 2011, AR P.10.1850.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.7, AC 2011, nr. 381; Cass. 8 september 2010, AR P.10.0523.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100908.5, AC 2010, nr. 503.
(15)A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer 2018, 575-576; C.E. CLESSE, “Le harcèlement”, in Les infractions. Vol.2. Les infractions contre les personnes, Larcier 2020, 953-954.
(16)A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer 2018, 581; Th. DE SAUVAGE, “L’abus de la situation de faiblesse des personnes”, in Les infractions. Vol.2. Les infractions contre les personnes, Larcier 2020, 973.
(17)M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 722.
(18)R. VERSTRAETEN, De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek, Maklu 1990, 175-177; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1242; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 921.
(19)Cass. 8 oktober 2002, AR P.02.0419.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8, AC 2002, nr. 516; Cass. 21 december 1993, AR P.93.1353.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931221.14, AC 1993, nr. 539; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 67 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 297-298.
(20)Wanneer de strafvordering geldig op gang is gebracht door een andere partij, moet de kamer van inbeschuldigingstelling die te oordelen heeft over de bezwaren de ontvankelijkheid niet meer onderzoeken van de stelling van een burgerlijke partij die zich in een latere fase bij de procedure heeft gevoegd (Cass. 26 mei 2009, AR P.09.0066.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.4, AC 2009, nr. 345).
(21)E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 127 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 388-395; Ph. TRAEST en T. DE MEESTER, “De regeling van de rechtspleging door de onderzoeksgerechten en de zuivering van de nietigheden tijdens het vooronderzoek. Uiteenzetting van de nieuwe procedures voor de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling”, in Het vernieuwde strafprocesrecht, Maklu 1998, 235-247; Y. LIEGEOIS, “De onvermijdelijke evolutie van het strafprocesrecht”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 244; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 341-350; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 977-984; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1016-1020.
(22)Cass. 3 mei 2016, AR P.16.0072.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160503.3; Cass. 12 november 2013, AR P.13.0976.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.6, AC 2013, nr. 599, NC 2014, 513; Cass. 13 april 2010, AR P.09.1778.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.6, AC 2010, nr. 254; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1239-1241; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 728-730; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 910.
(23)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1239, “De burgerlijke partijstelling is de akte waardoor de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter wordt ingesteld. De benadeelde wordt daardoor partij in het geding”.
(24)Cass. 12 november 2013, AR P.13.0976.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.6, AC 2013, nr. 599, NC 2014, 513; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 728-729. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931221.14 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960401.3 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010522.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020925.11 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080206.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100908.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101005.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110118.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.7 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130605.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131029.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150120.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150428.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160503.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160622.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180926.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div