id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230602.1N.12 Rolnummer: C.22.0408.N Zaak: CARREFOUR BELGIUM nv contra ALLCAS bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-10-03 Raadplegingen: 849 - laatst gezien 2026-06-18 23:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230602.1N.12 Fiches 1 - 2 Het niet verstrekken van de documenten bedoeld in artikel 3 van de Wet Precontractuele Informatie, dan wel het aangaan van een verbintenis alvorens de termijn van één maand na afgifte van deze documenten is verstreken, vormt een inbreuk op een wettelijke regel die een welbepaald gedrag voorschrijft en is bijgevolg een fout die de rechter toelaat om, naast de restitutieverplichtingen die uit de nietigverklaring voortvloeien, ook een aanvullende schadevergoeding toe te kennen aan de persoon die het recht verkreeg
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN ECONOMIE Fiche 3 De nietigverklaring van de overeenkomst houdt in dat de partijen, zo mogelijk, in dezelfde toestand worden geplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden indien zij niet hadden gecontracteerd en geeft bijgevolg aanleiding tot restitutie van reeds geleverde prestaties
(1).
(1)Zie concl. OM. Cass. 10 mei 2012, AR C.10.0707.N, AC 2012, nr.
- ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120510.
- Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Fiche 4 De nietigverklaring van een overeenkomst met opeenvolgende wederkerige prestaties staat niet eraan in de weg dat de reeds wederzijds geleverde prestaties worden gerestitueerd, in natura of in waarde. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2023, nr. 7, p. 1028-
- - VANDEN BERGHE, Olivier; Noot'Omvang va restitutie en schadevergoeding na vernietiging van een commerciële samenwerkingsovereenkomst' Tekst van de conclusie C.22.0408.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Inleiding. Samengevat betreft de voorziening de vraag naar de gevolgen van de nietigheid van een franchiseovereenkomst wegens het niet respecteren van de zogenaamde 'cooling off' periode van 1 maand (artikel 3 van de Wet Precontractuele Informatie (WPI)) tussen het overmaken van de precontractuele informatiedocumenten en het sluiten van de franchiseovereenkomst. De appelrechters beschouwen die reden tot nietigheid tegelijk als een fout en stellen bovendien een andere fout vast (foutieve informatie in de precontractuele fase) op grond waarvan ze de eiseres veroordelen tot betaling van “alle schade” en een integraal herstel. De eiseres voert in haar verzoekschrift tegen dit arrest drie middelen tot cassatie aan. Bespreking van de middelen. Eerste middel. Eerste onderdeel. In het eerste onderdeel voert de eiseres aan dat de nietigheid enkel ertoe leidt dat partijen moeten worden teruggeplaatst in de toestand voor de overeenkomst. Naast de nietigheid moet echter geen bijkomende vergoeding worden betaald aangezien de nietigheid geen bron van verrijking mag zijn. Door niettemin een 'bijkomende schadevergoeding' toe te kennen voor verbintenissen inzake investeringskost, terugbetaling lening, bankgarantie en elektriciteitskosten, die door verweerster ten aanzien van derden waren aangegaan, schendt het arrest volgens de eiseres artikel 5 van de Wet Precontractuele Informatie (WPI). Beoordeling. In de rechtsleer bestaan er over verschillende visies over de omvang van de restitutie: - een schending van artikel 3 WPI maakt op zich reeds een buitencontractuele fout uit, zodat er aansprakelijkheid is worden voor alle schade die hiervan het gevolg is
(1); - een afzonderlijke precontractuele fout kan aanleiding geven tot (aanvullende) schadevergoeding naast de nietigheid
(2); - er is geen bijkomende schadevergoeding verschuldigd indien de nietigheid bedoel in artikel 5 WPI wordt uitgesproken
(3). Artikel 5 WPI sluit m.i. niet uit dat een fout wordt vastgesteld die aanleiding geeft tot schadevergoeding. De reden van de nietigheid kan door de rechter (tegelijk) worden aangemerkt als een fout die aanleiding kan geven tot een schadevergoeding die ruimer is dan enkel de restitutie die voortvloeit uit de nietigheid. De appelrechters die dit in deze zaak hebben vastgesteld, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. Tweede onderdeel. In het tweede onderdeel voert de eiseres een schending aan van artikel 149 van de Grondwet omdat het arrest niet zou geantwoord hebben op het verweer een waardevermindering moest worden toegepast en geen intresten konden worden toegekend. Beoordeling. Het onderdeel berust m.i. op een verkeerde lezing van het arrest. Het arrest motiveert duidelijk dat door de restitutie én door de fouten de eiseres het aan de verweerster verschuldigd is om de verweerster integraal te herstellen in de rechtspositie waarin zij zou hebben verkeerd zonder de nietige overeenkomst. Het onderdeel lijkt feitelijke grondslag te missen. Tweede middel. Ook het tweede middel stelt dat de beslissing tot veroordeling tot terugbetaling van huurgelden en elektriciteit wegens de nietigheid op grond van de WPI, een schending uitmaakt van artikel 5 van de WPI, en zo nodig tevens artikel 1184 van het Oud Burgerlijk Wetboek, en het erin vervatte algemeen rechtsbeginsel dat bepaalt dat de restitutie in natura bij deelbare overeenkomsten met opeenvolgende prestaties niet mogelijk is. Beoordeling. Het tweede middel bevat twee grieven. Enerzijds betreft het middel een variante op het eerste middel, namelijk waarbij de eiseres aanvoert dat de nietigheid op grond van artikel 5 WPI geen aanleiding kan geven tot vergoeding van alle schade. Anderzijds voert de eiseres dat specifiek in het geval van deelbare overeenkomsten met opeenvolgende prestaties, de restitutie niet mogelijk is (en evenmin wenselijk of nodig is). Wat betreft de eerste grief kan worden herhaald wat hoger over het eerste middel is vermeld. De appelrechters hebben geoordeeld dat waar de verweerster bepaalde kosten en uitgaven ten aanzien van derden heeft gemaakt, “het geen restitutie [betreft] maar een bijkomende schadevergoeding die [de eiseres] aan [de verweerster] verschuldigd is om [de verweerster] integraal te herstellen in de rechtspositie waarin zij zou hebben verkeerd zonder de nietige overeenkomsten”. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de terugbetaling van deze uitgaven steunt op de nietigheid en restitutie van de overeenkomsten, berust het m.i. op een verkeerde lezing van het arrest. Wat betreft de grief met betrekking tot de omvang van de restitutie in geval van de nietigheid van een overeenkomst met opeenvolgende prestaties, dient in eerste instantie te worden gewezen op de rechtspraak van het Hof volgens welke de nietigverklaring van de overeenkomst inhoudt dat de partijen, zo mogelijk, in dezelfde toestand worden geplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden indien zij niet hadden gecontracteerd en bijgevolg aanleiding geeft tot restitutie van reeds geleverde prestaties
(4). Deze rechtspraak werd bevestigd door de recente codificatie ervan in artikel huidig artikel 5.62, eerste lid, BW: “De nietigverklaring ontneemt het contract zijn gevolgen vanaf de dag waarop het is gesloten”. Voordien bestond er discussie over de grondslag. De meeste auteurs gingen uit van een sui generis grondslag
(5). De restitutie is het rechtstreekse rechtsgevolg van de vernietiging. Er heerst thans in de rechtsleer een meerderheidsopvatting over de restitutie, ook bij de nietigverklaring van een overeenkomst met opeenvolgende wederkerige prestaties, van reeds wederzijds geleverde prestaties
(6). Zij voeren hiertoe verschillende argumenten aan. 1° De onmogelijkheid om in natura te restitueren is geen draagkrachtige reden om restitutie bij equivalent te verhinderen. Restitutie bij equivalent zou volgens deze opvatting van toepassing moeten zijn zowel op overeenkomsten met opeenvolgende prestaties als op onmiddellijk aflopende overeenkomsten die verbintenissen om te doen of niet te doen tot voorwerp hebben. Er is volgens deze opvatting geen plaats voor een uitzonderingsregime voor overeenkomsten met opeenvolgende prestaties. 2° Ze menen dat de redenering van de minderheidsopvatting, namelijk dat het wederkerigheidsbeginsel dat bij overeenkomsten met opeenvolgende prestaties de ontbinding en de vernietiging ex nunc zou rechtvaardigen, niet opgaat bij de vernietiging omdat het wederkerigheidsbeginsel niet ten grondslag ligt van de nietigheid. De equivalentie van de prestaties is gebaseerd op de wil van de partijen. 3° Ten derde hekelen bepaalde auteurs van de meerderheidsopvatting de visie van de minderheidsopvatting die de rechtszekerheid en het gewettigde vertrouwen naar voren schuiven als verklaring van de niet-retroactieve werking van de nietigheid bij overeenkomsten met wederzijds opeenvolgende prestaties. Zij stellen dat deze principes niet zomaar voorgaan op het wettigheidsbeginsel, dat de retroactiviteit bij de nietigheid vooropstelt. 4° Zij halen ook aan dat de eventuele moeilijkheid om de restituties in equivalent te berekenen geen argument is om af te wijken van de retroactiviteit van de nietigheid. Dit beginsel dient niet zomaar voor praktische bewaren uitgeschakeld te worden. De minderheidsopvatting (althans onder het oude verbintenissenrecht) stelt, zoals aangevoerd in het tweede middel, dat bij een contract met opeenvolgende wederkerige prestaties, de nietigheid door het principe van de gelijkwaardigheid of de wederkerigheid niet kan leiden tot restitutie van prestaties die niet in natura kunnen worden teruggegeven (zoals het genot bij een huurovereenkomst) en reeds werden gepresteerd voor een gelijkwaardige tegenprestatie; hierdoor zal de nietigheid niet ex tunc, maar ex nunc werken, net zoals bij de ontbinding van deelbare overeenkomsten met opeenvolgende wederkerige prestaties
(7). Sinds de hervorming van het Belgische verbintenissenrecht, waardoor artikel 5.62 BW voorschrijft dat de nietigheid het contract zijn gevolgen ontneemt vanaf de dag waarop het is gesloten en artikel 5.119 BW voorschrijft dat de restitutie niet enkel in natura kan plaatsvinden, maar ook bij equivalent (“in waarde geraamd op de dag van de restitutie”), is de minderheidsopvatting met betrekking tot de nietigheid niet (meer) verzoenbaar met de wet. De wetgever heeft aldus ook voor contracten met wederzijds opeenvolgende prestaties gekozen voor een ex tunc werking van de nietigheid waarbij restitutie bij equivalent mogelijk is
(8). Hierbij dient opgemerkt te worden dat de wetgever bij de ontbinding uitdrukkelijk heeft gekozen voor een uitzondering op de retroactieve werking, namelijk een beperkt retroactieve werking in de tijd, voor contracten met opeenvolgende prestaties die deelbaar zijn. Dit blijkt uit artikel 5.95, eerste lid, tweede zin, BW: “Zij [de ontbinding] werkt evenwel slechts terug tot de datum van de tekortkoming die daartoe aanleiding heeft gegeven voor zover het contract deelbaar is volgens de bedoeling van de partijen, gelet op de aard en de strekking ervan”
(9). Deze uitzondering werd niet opgenomen bij de nietigverklaring van contracten met opeenvolgende prestaties. Aldus dienen in geval van de nietigverklaring van een overeenkomst met opeenvolgende wederkerige prestaties de reeds wederzijds geleverde prestaties in beginsel te worden gerestitueerd, in natura of in waarde. Het middel dat uitgaat van het tegendeel, berust m.i. op een onjuiste rechtsopvatting. _______________________________
(1)D. MERTENS, “De nietigheid onder de wet precontractuele informatie: streng of rechtvaardig?”, RABG 2016,
(675)683.
(2)P. NAEYAERT, “Precontractuele informatie in het kader van commerciële samenwerkingsovereenkomsten: Sancties” in Handelsagentuurovereenkomst, Mechelen, Kluwer 2019, 62, nr. 75 (“naast de nietigheid moet er in principe, tenzij er sprake is van een andere gemeenrechtelijke precontractuele fout, geen aanvullende schadevergoeding betaald worden aangezien de nietigheid geen bron van verrijking mag zijn.”); S. VANDERHEYDE, “Commentaar bij art. X.30 WER” in Artikelsgewijze commentaar Handels- en economisch recht, Mechelen, Kluwer 2017, 673, nr. 20.
(3)S. CLAEYS, “De precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten” in Bestendig handboek Distributierecht, Mechelen, Kluwer 2023, 64, nr. 53 (“Naast de nietigheid moet echter geen bijkomende schadevergoeding worden betaald aangezien de nietigheid geen bron van verrijking mag zijn”); Antw. 21 november 2011, TBBR 2013, 522: “Niettegenstaande het miskennen van de precontractuele informatieplicht onmiskenbaar een fout uitmaakt in hoofde van de franchisegever, voorziet de Wet van 19/12/2005 voormeld niet in het recht op bijkomende schadevergoeding, bovenop de nietigheid.”; Antw. 15 juni 2015, DAOR 2016, 31: “Het zo neutraal als mogelijk afwikkelen van de franchiserelatie mag niet inhouden dat het investeringsrisico dat HE. nam volledig kan worden afgewenteld op appellanten. Alhoewel HE. voldoende naar recht aannemelijk maakt dat de zeer beperkt meegedeelde cijfers niet overeenstemmen met de werkelijke uitgaven en inspanningen voor het openen en operatief houden van de V.-winkel, kan dit niet als gevolg hebben dat het volledig verlies kan worden gerecupereerd.”; Gent 18 november 2013, RW 2013-14, 1185: “Het «franchiseavontuur» moet voor alle betrokkenen op financieel vlak zo neutraal mogelijk worden afgehandeld. De nietigheid mag geen bron van verrijking zijn. Een en ander betreft immers geen schadevergoeding maar wel het zo goed als mogelijk terugplaatsen van de partijen in de toestand van juist vóór de basisovereenkomst.”
(4)Cass. 10 mei 2012, AR C.10.0707.N, AC 2012, nr 291, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120510.9. (zie bv. J. BAECK, “Restitutie na vernietiging van woninghuurovereenkomst wegens overtreding van gewestelijke woonkwaliteitsnormen”, TBO 2013,
(108)110; I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Mortsel, Intersentia 2022, 561, nr. 723; I. CLAEYS en T. TANGHE, Nieuw algemeen contractenrecht, Mortsel, Intersentia 2023, 382, nr. 448.
(5)J. BAECK, “Restitutie na vernietiging van woninghuurovereenkomst wegens overtreding van gewestelijke woonkwaliteitsnormen”, TBO 2013, 110.
(6)J. BAECK, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Mortsel, Intersentia 2012, 204-205; I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Mortsel, Intersentia 2022, 559, nr. 720; I. CLAEYS en T. TANGHE, Nieuw algemeen contractenrecht, Mortsel, Intersentia 2023, 380, nr. 444; P.A. FORIERS en C. DE LEVAL, “Les effet de la dissolution du contrat sur les dispositions contractuelles” in Questions spéciales en droit des contrats, Brussel, Larcier 2010,
(161)176-177; R. JAFFERALI, La rétroactivité dans le contrat, Brussel, Bruylant 2014, 565-574; C. LEFEBVE, “Les effet de la résolution judiciaire des contrats successifs”, Rev.not.b. 1988,
(226)229-230; A. LENAERTS, “Fraus omnia corrumpit en in pari causa turpitudinis cessat repetitio: correctiemechanismen op de restitutieverplichtingen van partijen na vernietiging van een contract”, TBBR 2022,
(415)418, nr. 6; M. VON KUEGELEN, “Réflexions sur le régime des nullités et des inopposabilités” in Les obligations contractuelles, Brussel, JBB, 2000,
(569)615; P. WÉRY, Droit des obligations, Brussel, Larcier 2021, 381, nr. 350. Zie ook in de zin van de meerderheidsopvatting, maar dan specifiek m.b.t. huurovereenkomsten: J. BAECK, “Restitutie na vernietiging van woninghuurovereenkomst wegens overtreding van gewestelijke woonkwaliteitsnormen”, TBO 2013,
(108)109; N. BERNARD, “Annulation d’un bail portant sur une habitation en infraction urbanistique: une confirmation bienvenue”, TBBR 2013,
(246)252, nr. 20; N. BERNARD, “L’impact sur le contrat de location des manquement aux normes régionales de salubrité: le trounant de la régionalisation du bail”, JT 2018,
(650)650, nr. 3, voetnoot 18; M. DAMBRE, “Bezettingsvergoeding na nietigverklaring woninghuurcontract”, NjW 2013,
(30)30; D. SPROCKEELS, “De quelques problèmes spécifiques”, Jurim Pratique 2020,
(109)111, nr. 4; 71, J. VAN DE VOORDE, “De nietigheid in het Belgische vermogensrecht. Een stand van zaken anno 2023”, TBBR 2023,
(51)nr. 64. Zie voor de meerderheidsopvatting in de rechtspraak omtrent huurovereenkomsten: Rb. Brussel 4 maart 2010, Res Jur. Imm. 2010, 353; Rb. Gent 14 oktober 2011, TBO 2013, 131; Rb. Nijvel 19 november 2013, TBBR 2014, 455 (met evenwel de genotsbepaling a.d.h.v. een fractie van het KI); Rb. West-Vl. (afd. Brugge) 14 februari 2014, TGR 2015, 95; Rb. West-Vl. (afd. Kortrijk) 18 december 2014, TGR 2015, 97; Rb. Brussel 26 januari 2016, JLMB 2018, 151; Rb. Brussel 11 september 2017, TBBR 2019, 29; Rb. Brussel 29 oktober 2018, JLMB 2019, 543; Vred. Zomergem 3 januari 2014, Huur 2014, 172; Vred. Antwerpen 22 december 2016, RW 2017-18, 514; Vred. Jodoigne-Perwez 5 april 2017, T.Vred. 2018, 204; Vred. Fléron 8 juni 2017, T.Vred. 2019, 406; Vred. Waver 13 juli 2018, T.Vred. 2019, 364; Vred. Aalst 19 februari 2019, T.Vred. 2019, 384; Vred. Sprimont 26 maart 2019, T.Vred. 2019, 446; Vred. Kortrijk
(1)16 juli 2019, TGR 2019, 142; Vred. Zoutleeuw 28 mei 2020, T.Vred. 2021, 31; Vred. Vorst 2 augustus 2021, T.Vred. 2022,
- Zie ook in dezelfde zin inzake overheidsopdrachten: Rb. Dendermonde 18 december 2009, OOO 2013,
- Zie ook in de zin van de meerderheidsopvatting in de Franse cassatierechtspraak (m.b.t. de huur): Cass. Fr. mixte 9 november 2007, nr. 06-19.508, Bull. 2007, nr. 10 (“Mais attendu que c'est sans méconnaître les eff ets de l'annulation du contrat de bail et dans l'exercice de leur pouvoir souverain d'appréciation que les juges du fond ont évalué le montant de l'indemnité d'occupation due par l'EURL en contrepartie de sa jouissance des lieux”); Cass. Fr. civ. 24 juni 2009, nr. 08-12.251, Bull. 2009, III, nr. 155 (“Vu l'article 1304 du code civil ; Attendu que la nullité emporte l'eff acement rétroactif du contrat et a pour effet de remettre les parties dans la situation initiale; Attendu que pour rejeter la demande de la société Garage X... du paiement par la société MDVA des loyers ou, à titre subsidiaire, d'une indemnitéd'occupation, l'arrêt retient que, le bail étant annulé pour défaut de cause en conséquence de l'annulation, par un arrêt antérieur, de l'acte de cession du fonds de commerce, la société Garage X... ne peut prétendre, en raison de l'effet rétroactif de l'annulation du bail, à l'indemnisation de la jouissance deslieux par la société MDVA; Qu'en statuant ainsi, alors qu'elle avait constaté que la société MDVA avait bénéficié de la jouissance des locaux, la cour d'appel, qui n'a pas tiré lesconséquences légales de ses propres constatations, a violé le texte susvisé”); Cass. Fr. civ. 18 november 2009, nr. 08-19.355, Bull. 2009, III, nr. 252 (“Attendu, d'autre part, que le sous-traitant étant fondé à refuser de poursuivre l'exécution d'un contrat nul, la cour d'appel a exactement retenu que lanullité rétroactive du sous-traité interdisait à l'entrepreneur principal de revendiquer un préjudice du fait de la rupture unilatérale du contrat et qu'enconséquence de cette nullité, le sous-traitant était en droit de solliciter le paiement de la contre valeur des travaux qu'il avait réalisés”). Zie ook in deze zin in de Franse doctrine: J. GHESTIN, “L’effet rétroactif de la résolution des contrat à exécution successive” in Mélanges offerts à Pierre Raynaud, Parijs, Dalloz-Sirey, 1985,
(203)218-219, nr. 28 (m.b.t. het oude Franse verbintenissenrecht); F. TERRÉ, P. SIMLER, Y. LEQUETTE en F. CHÉNEDÉ, Droit civil Les obligations, Parijs, Dalloz, 2022, 670-673, nr. 578 (m.b.t. het oude en het nieuwe Franse verbintenissenrecht); J. FLOUR, J.-L. AUBERT en E. SAVAUX, Droit civil Les obligations L’acte juridique, Parijs, Dalloz, 2022, 818-819, nr. 576 (kritisch over deze regel, doch erkennen dat dit nu de regel is sinds de invoering van het nieuwe Franse verbintenissenrecht).
(7)M. COIPEL, Eléments de théorie générale des contrats, Diegem, Story 1999, 75, nr. 97 (inzake de nietigheid) en 129, nr. 177 (inzake de ontbinding); H. DE PAGE, Traité, II, 1964, 795, nr. 826; F. PEERAER en S. STIJNS, “De proportionaliteit van de nietigheid: de onwerkzaamheid of een nieuwe adem voor de onbestaanbaarheid”, TBBR 2017,
(374)383-384, nr. 24-25 (“de nietigheid is geen geschikte sanctie meer indien de ongeoorloofde prestatie toch geleverd is en praktisch gezien niet meer ongedaan kan worden gemaakt”); W. RAUWS, Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst: nietigheid, ontbinding en overmacht, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen 1987, 67-73 (evenwel genuanceerd hierover en vooral gemotiveerd in het licht van arbeidsovereenkomsten, waarbij – terecht – andere overwegingen spelen); S. STIJNS, “Nietigheid van het contract als sanctie bij zijn totstandkoming” in Totstandkoming van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia 2002,
(225)255; A. VAN OEVELEN, “De nietigheid van de overeenkomst” in Artikelsgewijze commentaar Bijzondere Overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2008, na voetnoot 93; P. VAN OMMESLAGHE, Les obligations, Tome II, 984-987 (maar erkent dat er pertinente kritieken op deze leer worden geuit), nr. 646; S. VANDERHEYDE, “Commentaar bij art. X.30 WER” in Artikelsgewijze commentaar Handels- en economisch recht, Mechelen, Kluwer 2017, 670, nr. 17. Zie ook in de zin van de minderheidsopvatting in de rechtspraak: Rb. Leuven 28 november 2018, RABG 2022, 20.
(8)Zoals in het Franse recht, zie daarover: J. FLOUR, J.-L. AUBERT en E. SAVAUX, Droit civil Les obligations L’acte juridique, Parijs, Dalloz 2022, 819, nr. 576.
(9)MvT, Parl.St. Kamer, 2020-21, nr. 1806-001, p. 122, 55K1806001.pdf (dekamer.
- be)PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230602.1N.12 Gerelateerde publicatie(
- s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230602.1N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120510.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div