id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230602.1N.4 Rolnummer: F.22.0005.N Zaak: ARS-VALENDI NV contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2023-10-03 Raadplegingen: 852 - laatst gezien 2026-06-19 03:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230602.1N.4 Fiche 1 De omstandigheid dat een fiscale sanctie of het opleggen van een bijzondere belasting internrechtelijk niet als strafrechtelijk wordt gekwalificeerd, sluit niet uit dat die maatregel strafrechtelijk van aard kan zijn in de zin van artikel 6.1 EVRM; dit is het geval indien (
- i)de overtreden bepaling gericht is tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige, (
- ii)de opgelegde sanctie of bijzondere belasting niet alleen een vergoedende functie heeft, maar in wezen een preventief en bestraffend doel heeft en (iii) de zwaarte van de sanctie of bijzondere belasting aanzienlijk is
(1).
(1)Zie concl. OM. Cass. 23 september 2022, AR F.20.0152.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.7, AC 2022, nr. 572. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 2 Opdat een belasting een preventief en bestraffend doel zou hebben, is vereist dat de belasting in wezen een handelen of nalaten wenst te voorkomen en te bestraffen dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd en dat de belasting aldus leed wenst toe te brengen aan de dader van dat handelen of nalaten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de conclusie F.22.0005.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Inleiding.
- Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat de eiseres de eigenares is van woningcomplex, bestaande uit 10 studio's en appartementen. Op 19 juni 2008 en 8 juli 2008 werden de woongelegenheden ongeschikt en onbewoonbaar verklaard en opgenomen in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en/of onbewoonbare woningen.
- Aan de eiseres werd een schorsing van de heffing van vier jaar verleend wegens renovatie, met ingang van 8 juli 2008 tot 7 juli 2012, op 15 juni 2012 verlengd met één jaar tot 7 juli
- De woongelegenheden waren op 19 juni 2013 en 8 juli 2013, verjaardagen van de inventarisopnames, nog altijd niet uit de inventaris geschrapt, zodat de betwiste heffingen werden ingekohierd.
- Het geschil betrekking heeft op 32 aanslagen in de belasting heffing voor ongeschikte of onbewoonbare woningen en voor verwaarloosde gebouwen of woningen. In het bestreden arrest van 2 oktober 2021 bevestigde het hof van beroep te Brussel de bestreden aanslagen.
- De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen tot cassatie aan. Bespreking van de middelen. Het eerste middel.
- In het eerste middel voert de eiseres in het bijzonder de schending aan van artikel 6 EVRM. De heffing leidt tot een automatische belastingverhoging, gaande van 100 tot 400 %, waardoor deze volgens de eiseres een repressief karakter heeft en gekwalificeerd moet worden als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM. Het arrest schendt volgens de eiseres artikel 6 EVRM doordat het: - geen rekening houdt met de individuele toestand van de belastingplichtige; - geen toepassing maakt van de latere mildere strafwet (sedert 1 juni 2021); - de gunstmaatregel van het uitstel heeft ontzegd; - heeft geweigerd om de heffing te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.
- Het Hof oordeelde in een recent arrest van 23 september 2022 dat de Vlaamse leegstandsheffing van artikel 36, § 1, tweede lid, Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, in de versie zoals van toepassing op het relevante geding, geen strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM, meer bepaald op basis van de volgende overweging
(1): “Opdat een belasting een preventief en bestraffend doel zou hebben, is vereist dat de belasting in wezen een handelen of nalaten wenst te voorkomen en te bestraffen dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd en dat de belasting aldus leed wenst toe te brengen aan de dader van dat handelen of nalaten”, terwijl “uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de decreetgever verwaarlozing, leegstand en bedenkelijke woonkwaliteit niet als onwettig of als een inbreuk, maar als onwenselijk beschouwt”.
- Deze overwegingen in het arrest van 23 september 2022 betreffende de Vlaamse leegstandsheffing, zijn m.i. ook toepasselijk in de huidige zaak betreffende de Vlaamse heffing voor ongeschikte of onbewoonbare woningen en voor verwaarloosde gebouwen of woningen.
- Uit de parlementaire voorbereidingen van het Decreet van 22 december 1995 blijkt dat zowel de leegstandsheffing als de heffing voor ongeschikte of onbewoonbare woningen en voor verwaarloosde gebouwen en woningen, identieke doelstellingen nastreven. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever verwaarlozing, leegstand en bedenkelijke woonkwaliteit niet als onwettig of als een inbreuk, maar als onwenselijk beschouwt. De heffing heeft een drievoudige doelstelling:
(1)zij heeft een ontradingseffect en past in een voorkomingsbeleid, dat de oorzaken van de verkommering en desintegratie van de leefomgeving preventief wil aanpakken; zij zet aan tot een tijdige renovatie van het patrimonium en het hergebruik ervan volgens de oorspronkelijke of volgens een nieuwe bestemming;
(2)de heffing wil de rechtstreekse en onrechtstreekse maatschappelijke kosten van de verloedering van de leef- en omgevingskwaliteit, al is het slechts partieel, verhalen op de medeveroorzakers en werkt aldus sanctionerend t.a.v. degenen die deze kosten moedwillig willen afwentelen op de gemeenschap of de minder bemiddelde achterblijvers of degenen die blind zijn voor de maatschappelijke gevolgen;
(3)de opbrengst van de heffing kan worden gebruikt als financieringsbron voor de revivificatie van de stedelijke leefomgeving. 9. De decreetgever maakt in de parlementaire voorbereidingen geen enkel onderscheid tussen de beide heffingen wat hun doelstelling betreft. Net zoals leegstand, acht de decreetgever verwaarlozing en verkrotting onwenselijk, maar niet onwettig
(2). De heffing is er nier op gericht een onwettige toestand te sanctioneren, maar een onwenselijke toestand te voorkomen. 10. De beide heffingen worden op basis van dezelfde criteria (het kadastraal inkomen) berekend en hebben beiden een progressief karakter: “Naarmate een gebouw en/of woning langer op de inventaris blijft staan, wordt de heffing en dus de druk op de 'eigenaar' hoger”
(3). Eerste middel – eerste onderdeel. Volgens de eiseres heeft de heffing het karakter van een straf in de zin van artikel 6 EVRM om de volgende redenen:
(1)de heffing sanctioneert schuldig gedrag;
(2)wegens het progressief karakter van de heffing. 11. Het progressief karakter van de heffing doet m.i. geen afbreuk aan de vaststelling dat die heffing niet een inbreuk bestraft, maar wel aanhoudend onwenselijk gedrag wenst te ontraden en te voorkomen en daarnaast een herverdelende functie heeft. Het progressief karakter van de heffing kadert in het beleid om leegstand, verkrotting en verwaarlozing te voorkomen
(4). Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 22 december 1995 blijkt dat het progressief of ‘gradueel’ karakter van de heffing (zowel van de leegstandsheffing als van de verkrottingsheffing) eigenaars vroegtijdig moet stimuleren om de verwaarlozing te beëindigen en het betrokken pand te verbeteren en dat daarom, naarmate een gebouw of woning langer op de inventaris blijft staan, de heffing en dus de druk op de eigenaar hoger wordt.
- De eiser merkt de verhoging van het tarief van belasting naarmate het aanhouden van de ongewenste toestand van het onroerend goed, aan als een sanctie. De arresten van het EHRM waarnaar de eiseres verwijst die nationale belastingverhogingen als een sanctie in de zin van artikel 6 EVRM beschouwen, hebben betrekking op sancties wegens het begaan van overtredingen (onwettige situaties) zoals niet-aangifte, ontijdige aangifte, incorrecte aangifte, fraude, etc. Dergelijke belastingverhogingen, die een overtreding sanctioneren, zijn niet vergelijkbaar met de in het onderhavig geval in het geding zijnde progressieve verhoging van de heffing in functie van de duur van de ongewenste toestand.
- Volgens het Grondwettelijk Hof moet het fiscaal karakter van een heffing worden aanvaard telkens wanneer die heffing een in wezen aanmoedigend fiscaal instrument vormt en geen overheersend repressief karakter heeft
(5). Het opzet van de fiscale wetgever om met een belasting het gedrag van de belastingplichtige te beïnvloeden, kan volgens het Grondwettelijk Hof zelfs een bijzonder hoge aanslagvoet rechtvaardigen
(6). Het Grondwettelijk Hof oordeelde ook reeds dat gemeentelijke belastingreglementen die leegstand belasten in geen geval straffen zijn, doch louter fiscaal van aard
(7)-
(8)De leegstandsheffing als belasting wordt door het Grondwettelijk Hof dan ook beschouwd als een in beginsel redelijk verantwoorde maatregel
(9)-
(10).
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de geviseerde heffing een handelen of nalaten wenst te voorkomen en te bestraffen dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd, faalt m.i. naar recht. Eerste middel - tweede onderdeel.
- Het tweede onderdeel voert aan dat de appelrechter het middel van de schending van het beginsel van de toepassing van de latere mildere strafwet niet heeft onderzocht en beantwoord.
- De appelrechter overweegt dat het door de eiseres ingeroepen beginsel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet en de door appellante gevorderde maatregelen van het uitstel, de kwijtschelding en matiging van de heffingen slechts op de belasting worden toegepast, indien die belasting een maatregel van strafrechtelijke aard is. De appelrechter komt vervolgens tot het oordeel dat de heffing geen straf is.
- Die grief, die niet gelijkstaat aan een gebrek aan redenen, houdt geen verband met artikel 149 van de Grondwet. Het onderdeel is niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de heffing een sanctie is, is het geheel afgeleid van het eerste tevergeefs aangevoerde onderdeel en is het niet ontvankelijk. Eerste middel - derde onderdeel.
- Net zoals het tweede onderdeel voert het derde onderdeel in eerste instantie een schending aan van de motiveringsplicht; namelijk door de aanvoerde middelen van het uitstel en de onevenredigheid niet te beantwoorden.
- Ook met betrekking tot dit onderdeel blijkt dat het arrest deze middelen tot uitstel en evenredigheidstoetsing heeft ontmoet, namelijk door te oordelen dat deze slechts toepasselijk zijn indien de heffing een maatregel van strafrechtelijke aard is. Het arrest maakt vervolgens de beoordeling dat de heffing geen straf is, waarmee de appelrechter duidelijk maakt dat voor de heffing geen uitstel of evenredigheidstoetsing toepasselijk is.
- Die grief, die niet gelijkstaat aan een gebrek aan redenen, houdt geen verband met artikel 149 van de Grondwet. Het onderdeel is niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de heffing een sanctie is, is het geheel afgeleid van het eerste tevergeefs aangevoerde onderdeel en is het niet ontvankelijk. Tweede middel.
- In het tweede middel roept de eiseres in dat de belasting onevenredig is en op onverantwoorde wijze afbreuk doet aan het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgde eigendomsrecht en artikel 16 van de Grondwet, omdat ze het billijk evenwicht verstoort tussen het vereiste van algemeen belang en bescherming van het recht op ongestoord genot van de eigendom.
- De belastingplichtige beschikt als eigenaar van de woning over de vrije keuze en beslissingsmacht om de heffing te vermijden. De heffingsplicht ontstaat pas vanaf de eerste verjaardag van de inventarisatie. Het eerste jaar na de inventarisatie krijgt de eigenaar de kans om de toestand van het pand te verhelpen zonder dat de heffing is verschuldigd. De regeling beoogt de eigenaars vroegtijdig te stimuleren om de slechte staat van het onroerend goed te doen ophouden.
- In casu heeft de eiseres een schorsing van vier jaar gevraagd en verkregen en een verlenging met één jaar, waardoor ze over vijf jaar beschikte om de toestand van de woongelegenheden te verbeteren. De appelrechter merkt niet zonder reden het volgende op: “Indien het de bedoeling van de decreetgever was de heffingsplichtige te bestraffen zou er van verjaardagen van de inventarisatie en van schorsing van de heffing geen sprake zijn, maar zou er meteen vanaf de inventarisatie worden belast/bestraft”.
- Verwijzend naar de hoger gemaakte wetshistorische toelichting van de heffing, verantwoordt de decreetgever de toename van de heffing naarmate de ongewenste slechte toestand van het onroerend goed aanhoudt. Artikel 36 Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen van de begroting 1996, in de versie zoals van toepassing op het geding, berekent het bedrag van de heffing voor ongeschikte of onbewoonbare woningen en voor verwaarloosde gebouwen of woningen op basis van het kadastraal inkomen van het gebouw of de woning, met een minimum van 990 euro, te vermenigvuldigen met het aantal periodes van 12 maanden dat het gebouw of de woning zonder onderbreking in de inventaris is opgenomen, zonder echter meer te bedragen dan 4, verhoogd met een factor
- Door het kadastraal inkomen als basis van de heffing te nemen, staat de heffing in een objectieven redelijke en evenredige verhouding met de (historische) huurwaarde van het onroerend goed. De heffing is niet willekeurig bepaald.
- Het uitstel van de heffing tot aan de eerste verjaardag en de meerdere schorsings- en vrijstellingsmogelijkheden tonen aan dat de heffing voornamelijk een regulerend en geen bestraffend doel nastreeft. De belastingplichtige heeft meerdere mogelijkheden om de ongewenste toestand te regulariseren zonder dat een heffing verschuldigd is. De regeling beoogt de eigenaars vroegtijdig te stimuleren om de slechte staat van het onroerend goed te doen ophouden. De heffing is niet ingesteld om leed te berokkenen.
- Dat de eiseres het totale bedrag van de heffingen samen, namelijk ten bedrage van 139.554,48 euro, als zeer hoog aanmerkt, is dan ook louter het gevolg van een combinatie van enerzijds het relatief hoge aantal woongelegenheden en anderzijds de jarenlange aanhoudende slechte toestand ervan, zonder dat de belasting op zich als kennelijk onredelijk hoog kan worden aangemerkt.
- Voor zover het de hoven en rechtbanken toekomt een marginale toets uit te oefenen op de door de decreetgever bepaalde omvang van de heffing, komt de (graduele) omvang van de heffing mij hier niet kennelijk onredelijk voor.
- Waar het middel de onevenredigheid van het totale bedrag van de heffingen inroept ten aanzien van de waarde van het pand, is het enerzijds een nieuw middel en nodigt het middel anderzijds het Hof uit tot een onderzoek van de feiten, waardoor het om deze beide redenen niet ontvankelijk voorkomt. Derde middel. Derde middel – eerste onderdeel.
- In het eerste onderdeel voert de eiseres aan dat de artikel 36, §§ 1 en 2 van het voormelde decreet van 22 december 1995 en artikel 2.5.4.0.1 van het Decreet van 13 december 2010 houdende Vlaamse Codex Fiscaliteit, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat zij een situatie die omschreven kan worden als een "ononderbroken en door de dader bestendige delictuele toestand" onderwerpen aan vier verschillende sancties met strafrechtelijk karakter, terwijl zulke situaties krachtens het gemene strafrecht worden beschouwd als één voortdurend misdrijf dat slechts éénmaal kan worden bestraft. De eiseres verwijt de appelrechter te hebben geweigerd de daarover voorgestelde prejudiciële vraag te stellen en verzoekt het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- Dit onderdeel lijkt mij te zijn afgeleid van de (in het eerste onderdeel van het eerste middel) vergeefs aangevoerde stelling dat de heffing een sanctie is, waardoor het bijgevolg niet ontvankelijk is. Om die reden dient de voorgestelde vraag m.i. niet te worden gesteld. Derde middel – tweede onderdeel.
- De eiseres meent dat ze geconfronteerd wordt met een cumulatie van heffingen, terwijl in het strafrecht met toepassing van artikel 65 van de Strafwetboek (wanneer eenzelfde feit verschillende misdrijven oplevert of wanneer de verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan eenzelfde feitenrechter) alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken.
- Op die grond voert de eiseres de schending aan van het “non bis in idem-beginsel” zoals voorzien in artikel 4 van het 7de protocol bij het EVRM. Ook in dit onderdeel verwijt de eiseres de appelrechter te hebben geweigerd de daarover voorgestelde prejudiciële vraag te stellen. De eiseres verzoekt het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- Ook dit onderdeel lijkt mij te zijn afgeleid van de (in het eerste onderdeel van het eerste middel) vergeefs aangevoerde stelling dat de heffing een sanctie is, waardoor het bijgevolg niet ontvankelijk is. Om die reden dient de voorgestelde vraag m.i. niet te worden gesteld. Besluit: verwerping. ___________________________________
(1)Cass. 23 september 2022, AR F.20.0152.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.7, AC 2022, nr. 572, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.7, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal VAN DER FRAENEN.
(2)Memorie van toelichting van 31 oktober 1995 bij het ontwerp van Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, Parl.St. Vlaamse Raad, zitting 1995-1996, stuk 147 (1995-1996)-nr. 1, p. 15-17.
(3)Memorie van toelichting van 31 oktober 1995 bij het ontwerp van Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, Parl.St. Vlaamse Raad, zitting 1995-1996, stuk 147 (1995-1996)-nr. 1, p. 17.
(4)Volgens artikel 6, § 1, I van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor de ruimtelijke ordening en stedenbouw, de stadsvernieuwing, de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimten en het grondbeleid. De verweerder maakt gebruik van haar gewestelijke fiscale autonomie. Een gewest is bevoegd om maatregelen te nemen teneinde de beleidsdoelstellingen van die bevoegdheden te bereiken, waaronder maatregelen die een behoorlijke staat van woningen en gebouwen waarborgen op zijn grondgebied. Het past in die bevoegdheid om regulerend op te treden en maatregelen te nemen die een invloed uitoefenen met het oog op verbetering van de toestand van de onroerende goederen.
(5)GwH, 17 juli 2008, nr.106/ 2008, r.o. B.18.1 tot B.19.4.
(6)GwH 22 juni 2005, nr. 107/2005, r.o. B.15.4.
(7)GwH, 29 juli 2010, nr.91/ 2010, r.o. B.4.5.
(8)De vraag was aan de orde of het cumuleren van gemeentelijke leegstandsheffingen met de leegstandsheffing van het Brussel Hoofdstedelijk Gewest het non bis in idem beginsel schendt. Het Grondwettelijk Hof stelde met verwijzing naar de parlementaire voorbereidingen van de relevante Brussels Ordonnantie vast dat de ordonnantie leegstand en verwaarlozing uitdrukkelijk als een overtreding bestempelt (en dat de leegstandsheffing van het Brusselse Gewest derhalve een strafsanctie is), maar dat zulks niet het geval is voor de gemeentelijke leegstandsheffingen en dat het non bis in idem beginsel bijgevolg niet geschonden is.
(9)GwH, 10 mei 2006, nr.75/ 2006, r.o. B.5.
(10)Zie concl. van advocaat-generaal VAN DER FRAENEN in Cass. 23 september 2022, AR C.20.0152.N, AC 2022, nr. 572, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.7. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230602.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230602.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.7 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div