← België

S. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.13 Rolnummer: F.21.0181.N-F.21.0187.N Zaak: S. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-10-31 Raadplegingen: 1131 - laatst gezien 2026-06-18 13:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.13 Fiche 1 Artikel 84ter Btw-wetboek vereist niet dat de daarin bedoelde kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd; het volstaat dat het vermoeden van belastingontduiking nauwkeurig wordt vermeld, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 84ter - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 De ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, mogen zich geen toegang tot particuliere woningen of bewoonde lokalen verschaffen zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige; de machtiging van de politierechter verleent de desbetreffende ambtenaren enkel de toelating om tot de visitatie van particuliere woningen of bewoonde lokalen over te gaan, maar houdt niet in dat die ambtenaren die lokalen ook zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige mogen betreden; de toestemming van de belastingplichtige dient blijvend aanwezig te zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2023, nr. 1802, p. 2-
  1. - ENGELEN, Julie; Noot'Visitatie woning: blijvende toestemming onontbeerlijk' Fiscologue-Fiscologue - 2023, n° 1802, p. 2-
  2. - ENGELEN, Julie; Noot'Visite à domicile: un consentement permanent est indispensable' Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2023, nr. 29, p. 1-
  3. - VANDEN BRANDE, Joke; JANSSENS, Koen; Noot'Voor visitatie is blijvende toestemming van belastingplichtige vereist' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2023, nr. 16/17, p. 1338-
  4. - MESSIAEN, Tom; SEGERS, Daphne; Noot''Betreden op eigen risico': de toegang tot bewoonde ruimten door de sociale inspectie na het cassatiearrest van 16 juni 2023' Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2025, nr. 14, p. 1-
  5. - LARDENOIT, Charlotte; NACKAERTS, Eva; Noot'Cassatie bevestigt filtering mailbox om vertrouwelijkheid correspondentie met advocaat te beschermen' Tekst van de conclusie F.21.0181.N-F.21.0187.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (…)
  6. Inzake F.21.0181.N. (…) TWEEDE MIDDEL. 2.
  7. Het tweede middel voert de schending aan van de artikelen 15, 22 G.W., 8 EVRM en 63 WBTW. Eiser laat gelden dat de bevoegde ambtenaren zich in de loop van de visitatie aan verschillende onwettigheden hebben schuldig gemaakt in zoverre uit het proces-verbaal dat op 3 juli 2017 naar aanleiding van de visitatie was opgesteld, blijkt dat de ambtenaren zich schuldig maakten aan machtsoverschrijding, enerzijds, door het onderzoek niet te hebben stopgezet nadat eiser zijn toestemming had ingetrokken, anderzijds, door zelf actief op zoek te zijn gegaan naar stukken en deze te hebben meegenomen, door zelf kopieën te maken en door zonder bijzondere toestemming van de belastingplichtige een kopie te hebben genomen van zijn computergegevens. Ook het feit dat een zoeking werd verricht in een "voor de garage gepositioneerde afvalcontainer", die niet gelijk te stellen is met een "beroepslokaal" waar visitatie is toegestaan, maakt de litigieuze fiscale visitatie onregelmatig, aldus eiser. Door te verzuimen deze onwettigheden (ambtshalve) vast te stellen en na te gaan of de visitatie uit dien hoofde nietig is, zou de appelrechter artikel 63 WBTW, alsook de artikelen 15 en 22, G.W. en 8 EVRM schenden. 2.
  8. Krachtens artikel 63, eerste lid, WBTW moet eenieder die een economische activiteit uitoefent, aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt, uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen: 1° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden; 2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm; 3° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangesteld personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van productie- en vervoermiddelen. Krachtens artikel 63, derde lid, WBTW mogen die ambtenaren, met hetzelfde doel, eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur ’s morgens en negen uur ’s avonds en uitsluitend met machtiging van de politierechter. 2.
  9. De vraag stelt zich in casu of de fiscale administratie die met toepassing van artikel 63, derde lid, WBTW van de politierechter de machtiging verkreeg om de particuliere woning van de belastingplichtige te betreden, daartoe mag overgaan zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige, en desgevallend of deze toestemming blijvend dient aanwezig te zijn gedurende de visitatie. 2.
  10. Artikel 63 WBTW stemt inhoudelijk in belangrijke mate overeen met artikel 319 WIB
  11. De beide bepalingen werden zelfs herhaaldelijk aangepast om de tekst ervan beter op elkaar af te stemmen
(1). Het Grondwettelijk Hof werd reeds bevraagd over de grondwettigheid van artikel 63, eerste lid, WBTW en artikel 319, eerste lid, WIB92, inzake de visitatie van bedrijfslokalen, in zoverre die artikelen de administratie toelaten de bedrijfslokalen van de belastingplichtige actief te doorzoeken, zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige. Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 12 oktober 2017 (nr. 116/2017) geoordeeld dat er geen sprake is van schending van de Grondwet, noch van het EVRM, mits de administratie bij het doorzoeken van de lokalen van de belastingplichtige geen gebruik maakt van dwang (door bv. eigenhandig gesloten kasten of kluizen te openen). Uit het arrest blijkt evenwel dat het actief zoekrecht van de administratie, eenmaal haar door de belastingplichtige toegang werd verschaft tot diens bedrijfslokalen, duidelijk moet onderscheiden worden van de (voorafgaande) vraag of en in welke mate de administratie zich in eerste instantie wel zonder voorafgaandelijke toestemming van de belastingplichtige toegang tot die lokalen kan verschaffen: eenmaal toegang werd verleend, mag de administratie vrij doorzoeken, zonder dat een voorafgaande toestemming is vereist, (maar zonder dat daarbij dwang mag worden gebruikt), en dienaangaande is van enige ongrondwettigheid geen sprake, maar dat betekent niet noodzakelijk dat de administratie zich initieel zonder de toestemming van de belastingplichtige toegang tot bedrijfslokalen mag verschaffen. Het Grondwettelijk Hof oordeelt m.b.t. het zich verschaffen door de administratie van toegang tot de bedrijfslokalen van de belastingplichtige, zonder diens voorafgaande toestemming, het volgende (eigen nadruk): “B.3.
  1. Die bepalingen [artikel 15, 22 Grondwet en artikel 8 EVRM] vereisen dat elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en de woning wordt voorgeschreven in een voldoende precieze wettelijke bepaling, beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de daarin nagestreefde wettige doelstelling. (…) B.5.
  2. Het recht op eerbiediging van de woning betreft niet alleen particuliere woningen, maar is ook van toepassing op voor beroeps- of handelsdoeleinden gebruikte lokalen (EHRM, 14 maart 2013, Bernh Larsen Holding AS e.a. t. Noorwegen, § 104; 27 september 2005, Petri Sallinen e.a. t. Finland, § 70; 28 april 2005, Buck t. Duitsland, § 31; 16 december 1992, Niemietz t. Duitsland, §§ 30-31). De inmenging door de wetgever kan echter verdergaan wanneer het gaat om professionele of commerciële lokalen of activiteiten (EHRM, 14 maart 2013, Bernh Larsen Holding AS e.a. t. Noorwegen, § 104; 16 december 1992, Niemietz t. Duitsland, § 31). De in het geding zijnde bepalingen verplichten natuurlijke personen of rechtspersonen ertoe om in het kader van een fiscale visitatie vrije toegang te verlenen tot de ruimten waar de economische activiteit wordt uitgeoefend, wat een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van de woning (zie in dezelfde zin: EHRM, 14 maart 2013, Bernh Larsen Hol-ding AS e.a. t. Noorwegen, § 106). (…) B.
  3. Doordat een fiscale visitatie een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van de woning, dient zij te voldoen aan de in B.3.2 vermelde vereisten. (…) Naast die formele wettigheidsvereiste legt artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rech-ten van de mens de verplichting op dat de inmenging in het recht op eerbiediging van de woning in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging toestaat zodat eenieder in de gegeven omstandigheden in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien (EHRM, 17 februari 2004, Maestri t. Italië, § 30). (…) B.9.
  4. Uit de bewoordingen van artikel 319, eerste lid, van het WIB 1992 en van artikel 63, eerste lid, van het WBTW blijkt dat de belastingplichtige ertoe gehouden is toegang tot de beroepslokalen te verlenen aan de ambtenaren die belast zijn met het verrichten van controles betreffende de inkomstenbelastingen en de belasting over de toegevoegde waarde. De fiscale visitatie is aldus doelgebonden, wat impliceert dat de belastingadministratie haar onder-zoeksmacht slechts kan aanwenden ter controle van de naleving van de wetgeving inzake de inkomstenbelastingen en de BTW en met het oog op het bepalen van het juiste bedrag van de verschuldigde belasting. B.9.
  5. De visitatie van beroepslokalen inzake inkomstenbelastingen mag krachtens artikel 319 van het WIB 1992 worden aangewend om de bevoegde ambtenaren, enerzijds, de mogelijkheid te verschaffen de aard en de belangrijkheid van de bedoelde werkzaamheden vast te stellen en het bestaan, de aard en de hoeveelheid na te zien van de voorraden en voorwerpen van alle aard welke die personen er bezitten of er uit enigen hoofde onder zich hebben, met inbegrip van de installaties en het rollend materieel en, anderzijds, de bovenbedoelde ambtenaren in staat te stellen om alle boeken en bescheiden die zich in de voornoemde lokalen bevinden, te onderzoeken. Artikel 63, eerste lid, van het WBTW verleent de belastingadministratie de bevoegdheid om ter plaatste alle boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden, om de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen en om de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de productie- en vervoermiddelen. Aldus geven die bepalingen in duidelijke bewoordingen het voorwerp van de controle aan. Ze preciseren eveneens tot welke lokalen de vrije toegang moet worden verleend. (…) B.10.
  6. De prejudiciële vraag maakt melding van het feit dat het toegangsrecht van de belastingadministratie zou kunnen worden uitgeoefend zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige. B.10.
  7. De in het geding zijnde bepalingen leggen de belastingplichtige of zijn gemachtigde de verplichting op om vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen en aldus hun medewerking te verlenen aan de fiscale visitatie. Ze staan de bevoegde ambtenaren evenwel niet toe zich met dwang de toegang tot de beroepslokalen te verschaffen wanneer de verplichte medewerking niet wordt verleend. Mocht de wetgever een dergelijke afdwingbaarheid van de toegang tot de beroepslokalen, zonder de instemming van de belastingplichtige hebben beoogd, dan had hij daarin uitdrukkelijk moeten voorzien en de voorwaarden daartoe moeten omschrijven, wat niet het geval is. B.10.
  8. Ten aanzien van de medewerkingsplicht op grond van artikel 319 van het WIB 1992 heeft de minister van Financiën verklaard: « Het visitatierecht in de inkomstenbelastingen is géén recht tot huiszoeking (Parl. St., Kamer, 1961-1962, 264/42, 217 en Parl. St., Kamer, 1977-1978, 113/11, 23-24). Ambtenaren van de directe belastingen hebben immers niet de mogelijkheid de belastingplichtige zijn verplichtingen manu militari te doen naleven […]. De bevoegde ambtenaren van de directe belastingen hebben niet de mogelijkheid het toegangsrecht af te dwingen. Indien de belastingplichtige de toegang tot de betreffende lokalen weigert te verlenen, kan de visitatie niet plaatsvinden » (Vr. en Antw., Kamer, 2009-2010, nr. 93, 8 februari 2010, p. 546). Uit de bewoordingen van artikel 63, eerste lid, van het WBTW blijkt niet dat de wetgever de controlebevoegdheid van de fiscale administratie daar anders heeft opgevat. B.10.
  9. Bij een weigering tot medewerking van de belastingplichtige aan de visitatie kan wel een administratieve geldboete (artikel 445 van het WIB 1992 of artikel 70, § 4, van het WBTW) of, bij een overtreding met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, een strafrechtelijke sanctie (artikel 449 van het WIB 1992 of artikel 73 van het WBTW) worden op-gelegd. Bovendien kan bij weigering tot medewerking aan de visitatie een ambtshalve aanslag worden gevestigd. Ten slotte brengen de ambtenaren van de betrokken belastingadministratie, onder de voorwaarden die de wet bepaalt, de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn en waarvan zij kennis hebben gekregen in het kader van een fiscale visitatie, ter kennis van de procureur des Konings”. Aldus blijkt dat, het Grondwettelijk Hof, gelet op de vereisten gesteld door artikel 22 G.W. en artikel 8 EVRM, van oordeel is dat artikel 63, eerste lid, WBTW en artikel 319, eerste lid, WIB92 onvoldoende nauwkeurig zijn geformuleerd opdat de administratie zich met toepassing van die artikelen zonder de voorafgaande toestemming van de belastingplichtige tot zijn bedrijfslokalen toegang zou kunnen verschaffen. Met andere woorden, gelet op de vereiste van nauwkeurigheid die volgt uit artikel 22 G.W. en artikel 8 EVRM, moeten de artikelen 63, eerste lid, WBTW en 319, eerste lid, WIB92 restrictief worden geïnterpreteerd: de administratie mag enkel wat de wet haar uitdrukkelijk toelaat
(2). De fiscale visitatie is in de artikelen 63, eerste lid, WBTW en 319, eerste lid, WIB92 derhalve geformuleerd als een plicht van de betrokken belastingplichtige om toegang te verlenen, niet als een recht van de fiscus dat indien nodig kan worden afgedwongen
(3). Het Grondwettelijk Hof beklemtoont evenwel herhaaldelijk dat dit oordeel uitsluitend betrekking heeft op de visitatie van bedrijfslokalen (artikel 63, eerste lid, WBTW en artikel 319, eerste lid, WIB92) en niet op de visitatie van particuliere woningen (artikel 63, derde lid, WBTW en artikel 319, tweede lid, WIB92)
(4). 2.
  1. Dat de fiscale administratie de voorafgaande toestemming van de belastingplichtige nodig heeft om diens bedrijfslokalen te betreden, lijkt mij te volgen uit de wetsgeschiedenis van artikel 63 WBTW. Het visitatierecht inzake BTW werd in het leven geroepen door de Wet van 3 juli
  2. Men spiegelde zich daarbij aan het visitatierecht inzake de met zegel gelijkgestelde taksen
(5). Tijdens de parlementaire voorbereidingen van de relevante bepalingen van het Wetboek der met zegel gelijkgestelde taksen werd overwogen: “Voortaan zullen de controleagenten vrije toegang hebben tot de bedrijfslokalen, zonder enige toelating [bedoeld wordt: toelating vanwege de rechter]. Onder deze vrije toegang mag alleen verstaan worden het bezoek in de bedrijfslokalen. Het is de controle-agenten slechts toegelaten vaststelling te doen omtrent: de bedrijvigheid, de aard en de hoeveelheden der koopwaren, de productie en vervoermiddelen die er aanwezig zijn. Ingeval de belastingplichtige de toegang weigert, wordt er een fiskale boete toegepast gaan de van 1.000 tot 10.000 frank”
(6). De overweging dat een weigerende belastingplichtige een boete zal moeten betalen, wijst er m.i. op dat de belastingplichtige zijn toestemming dient te verlenen opdat de controleagenten toegang zouden mogen hebben tot de bedrijfslokalen. Die insteek vertaalde zich ook naar de oorspronkelijke tekst van artikel 63 WBTW: “Belastingplichtigen en anderen die een beroepswerkzaamheid uitoefenen moeten, op straffe van een geldboete van duizend frank tot tienduizend frank per overtreding, hun beroepslokalen zoals fabrieken, werkplaatsen, bergplaatsen en garages, alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen, vrij toegankelijk stellen voor de ambtenaren en beambten belast met de controle op de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde, teneinde die ambtenaren en beambten in staat te stellen zich rekenschap te geven van de aldaar uitgeoefende werkzaamheden en van het bestaan, de aard en de hoeveelheid van alle aldaar aanwezige goederen, daaronder begrepen de productie- en vervoermiddelen”. 2.8. Verder blijkt ook uit diverse parlementaire werkzaamheden dat een fiscale visitatie geen huiszoekingsrecht inhoudt en bijgevolg niet kan worden afgedwongen: * Verslag van 1 juni 1962 namens de Commissie voor de Financiën, uitgebracht door de heren Parisis en Detiège, bij het Wetsontwerp houdende hervorming van de inkomstenbelastingen waarbij artikel 57ter in de gecoördineerde wetten op de inkomstenbelasting werd ingevoegd, voorloper van artikel 319 WIB92: “De Minister verklaart dat er geen sprake is van huiszoeking, het gaat enkel en alleen om het bezoek aan bedrijfsinstallaties”
(7). * Verslag van 2 november 1977 namens de Commissie voor de Begroting, uitgebracht door de heer Boeykens, bij het Wetsontwerp betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978, strekkende tot uitbreiding van de oorspronkelijke regeling zoals die voortvloeit uit artikel 57ter gecoördineerde wetten op de inkomstenbelastingen, op dat ogenblik artikel 225 WIB64 (uitbreiding van visitatierecht van bedrijfslokalen buiten de normale werkuren): “De door de regering voorgestelde tekst strekt er geenszins toe om aan de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen een opsporings- of huiszoekingsrecht te verschaffen. Het gaat er alleen om de ambtenaren de mogelijkheid te geven toegang te bekomen tot de bedrijfslokalen zodra er een werkzaamheid wordt in uitgeoefend en dit niet meer alleen gedurende de normale werkuren, (…)”
(8). * Vraag nr. 7 van de heer volksvertegenwoordiger Dirk Vijnck van 4 december 2009 aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen: “Het visitatierecht in de inkomstenbelastingen is géén recht tot huiszoeking. Ambtenaren van de directe belastingen hebben immers niet de mogelijkheid de belastingplichtige zijn verplichtingen manu militari te doen naleven en kunnen ook niet overgaan tot inbeslagname. De bevoegde ambtenaren van de directe belastingen hebben niet de mogelijkheid het toegangsrecht af te dwingen. Indien de belastingplichtige de toegang tot de betreffende lokalen weigert, kan de visitatie niet plaatsvinden”
(9). 2.9. Het Hof oordeelde in een arrest van 16 december 2003
(10)dat uit het onderlinge verband van de artikelen 61, § 1, eerste lid, en 63, eerste lid, 1°, WBTW volgt dat de in artikel 63, eerste lid, 1°, van dat wetboek bedoelde controlemaatregel te onderscheiden is van de in artikel 61, § 1, eerste lid, van dat wetboek bedoelde controlemaatregel en dat artikel 63, eerste lid, 1°, WBTW beoogt aan de bevoegde ambtenaren een onderzoeksbevoegdheid te verlenen die zij niet uit artikel 61, § 1, eerste lid, van dat wetboek putten en dat hieruit volgt dat de bevoegde ambtenaren krachtens artikel 63, eerste lid, 1°, WBTW (anders dan krachtens het toenmalige artikel 319, eerste lid, WIB92), het recht hebben na te gaan welke boeken en stukken zich bevinden in de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend alsook de boeken en stukken die zij aldaar aantreffen, te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging van die boeken en stukken te moeten verzoeken. Het Hof verleent de administratie in dit arrest m.a.w. een actief zoekrecht. Anders dan waar verweerder in zijn memorie van antwoord vanuit lijkt te gaan, volgt uit dat arrest niet dat de fiscale administratie met toepassing van artikel 63, eerste lid, WBTW de bedrijfsruimten van de belastingplichtige mag betreden zonder diens voorafgaande toestemming. Het Hof heeft enkel geoordeeld dat, eenmaal de administratie toegang heeft tot de bedrijfslokalen, zij over een actief zoekrecht beschikt
(11). Dit is overigens ook de wijze waarop het Grondwettelijk Hof het arrest van het Hof interpreteert, nu in voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk in die zin naar het arrest van het Hof wordt verwezen. 2.10. De vereisten die gelden voor artikel 63, eerste lid, WBTW (en van artikel 319, eerste lid, WIB92) lijken mij evenzeer te gelden voor artikel 63, derde lid, WBTW (en van artikel 319, tweede lid, WIB92). Ook voor artikel 63, derde lid, WBTW (en artikel 319, tweede lid, WIB92) geldt, gelet op artikel 22 G.W. en artikel 8 EVRM, dat die bepalingen voldoende precies moeten zijn geredigeerd, en gelet daarop restrictief moeten worden geïnterpreteerd
(12). 2.
  1. Er dient vastgesteld dat artikel 63, derde lid, WBTW niet uitdrukkelijk bepaalt dat de administratie zich toegang tot particuliere woningen en bewoonde lokalen van een belastingplichtige mag verschaffen zonder diens voorafgaande toestemming. 2.11.
  2. Het artikel vereist de voorafgaande machtiging door de politierechter, maar de draagwijdte van die machtiging moet in het juiste perspectief worden geplaatst. De machtiging van de politierechter verleent m.i. enkel de mogelijkheid om het toegangsrecht te vorderen. Deze machtiging mag geenszins worden gelijkgesteld met een rechterlijk bevel om toegang tot plaatsen te verlenen. De machtiging van de politierechter verleent geen huiszoekingsbevoegdheid en bijgevolg kan op basis daarvan de toegang door de administratie niet worden afgedwongen. 2.11.
  3. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 63 WBTW blijkt het tegendeel niet. Er blijkt enkel uit dat de wetgever, door op een bepaald moment visitatie van woningen mogelijk te maken, de locaties heeft willen uitbreiden die het voorwerp van een visitatie kunnen uitmaken
(13). Het blijkt niet dat de wetgever afbreuk heeft willen doen aan de vereiste van voorafgaande toestemming van de belastingplichtige, zoals die geldt voor de visitatie van bedrijfslokalen. 2.
  1. Uit wat voorafgaat dient m.i. besloten te worden dat de voorafgaande toestemming van de belastingplichtige is vereist opdat de controleagenten toegang mogen hebben tot particuliere woningen of bewoonde lokalen van de belastingplichtige, ook al is er een machtiging tot visitatie door de politierechter afgeleverd. Aangezien de artikelen 22 G.W. en 8 EVRM in het geding zijn, moet die toestemming bij voortduur aanwezig zijn, tijdens de gehele duur van de visitatie. Trekt de belastingplichtige zijn aanvankelijke toestemming tot het betreden van zijn privélokalen in, dan dient dit te worden beschouwd als een verzet dat de administratie noopt de visitatie te staken. 2.
  2. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat eiser bij de aanvang van de visitatie zijn toestemming verleende maar kennelijk nadien een geluidsopname maakte waarin hij zegt dat hij geen toestemming verleent, waarop de ambtenaar zegt dat hij wel toestemming heeft verleend en eiser niet bewijst dat er sprake is van een wilsgebrek. Door vervolgens met de redenen vermeld op pagina 8, tweede en derde alinea , te oordelen dat de intrekking van de toestemming door de belastingplichtige om de lokalen te betreden er niet aan in de weg stond dat de visitatie werd verdergezet, verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing niet naar recht. In zoverre komt het middel mij gegrond voor. De overige grieven kunnen m.i. niet tot een verdergaande cassatie leiden. (…)
  3. Besluit: Vernietiging. _____________________________________
(1)Zie hierover meer uitgebreid J. BONNE en W. VETTERS, “Visite, visite, een huis vol visite… Een analyse van het fiscaal visitatierecht inzake inkomstenbelastingen”, TFR 2014, 9-12.
(2)Zie in die zin H. VANDENBERGH, “Het zogenaamde visitatierecht van de fiscus: een verkeerde discussie”, TFR 2014, 579.
(3)J. BONNE en W. VETTERS, “Visite, visite, een huis vol visite… Een analyse van het fiscaal visitatierecht inzake inkomstenbelastingen”, TFR 2014, 16-17; V. DAUGINET en V. VERCAUTEREN, “Fiscale huiszoekingen”, TFR 2014, 76-77.
(4)Zie o.a. overweging B.4.
(5)Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 15 oktober 1968 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, Parl.St. Kamer, bijzondere zitting 1968, nr. 88, p. 59.
(6)Verslag van 21 mei 1953 namens de Commissie voor de Financiën, uitgebracht door de heer Eeckman bij het Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taxes, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1952-1953, nr. 408, p. 20.
(7)Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1961-1962, nr. 264, p. 217.
(8)Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1977-1978, nr. 113, p. 23-24.
(9)V&A, Kamer, zittingsperiode 2009-2010, 52 93, p. 546.
(10)Cass. 16 december 2003, AR P.03.1087.N, AC 2003, nr. 653, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.47.
(11)Zie ook A. DELAFONTEYNE, “Heeft de administratie de toestemming van de belastingplichtige bij een BTW-onderzoek ter plaatse?”, TFR 2012, 497; K. HEYRMAN, “Het huiszoekingsrecht van de fiscale Administratie inzake BTW en inkomstenbelasting”, TFR 2004, 449; L. KELL, “Commentaar bij Rb. Antwerpen 20 december 2013”, Fisc.Koerier 2013, 401-402.
(12)Zie GwH 27 juni 2019, nr. 104/2019, r.o. B.5.2 en B.6.
(13)Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp tot wijziging van het wetboek belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek der met zegel gelijkgestelde taksen en het Wetboek registratierechten, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1977-1978, nr. 145/1, p. 19: “De huidige tekst van artikel 63 van het wetboek geeft de met de controle belaste ambtenaar niet de bevoegdheid om de plaatsen te betreden waarvan de belastingplichtigen geen eigenaar of gebruiker zijn om er de werkzaamheid vast te stellen die zij er, vooral tijdelijk, uitoefenen. Bedoeld zijn hier inzonderheid de bouwwerven. De controlepraktijk heeft evenwel uitgewezen dat de toegang tot die plaatsen absoluut noodzakelijk is. De voorgestelde tekst heeft geen ander doel.”; Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van herstelwet inzake de fiscale en financiële bepalingen, Parl.St. Kamer 1980-81, nr. 716/1, p. 6: “Het is aangewezen dit recht van toegang uit te breiden tot plaatsen waarvan de belastingplichtige geen eigenaar of gebruiker is en zulks om de werkzaamheid vast te stellen die hij er tijdelijk uitoefent. Bedoeld zijn hier inzonderheid de bouwwerven. De voorgestelde tekst heeft geen ander doel”. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.47 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.