← België

BEN-AIR FLIGHT ACADEMY contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 juni 2023 ECL

Art. 1235

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1376

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1235

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1376

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 Uit de duidelijke tekst van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, blijkt dat de wetgever de vrijstelling heeft toegekend aan instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; noch uit de tekst van die wetsbepaling noch uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt impliciet of uitdrukkelijk dat de wetgever deze vrijstelling heeft willen voorbehouden aan andere dan publiekrechtelijke lichamen die niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet uitkeren maar aanwenden voor de instandhouding of verbetering van de vermelde diensten

(1).
(1)Zie concl. OM. Zie ook het arrest in dezelfde zin dd. 16 juni 2023 inzake F.21.0149.N. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Btw-wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wet van 28 december 1992 - 03-07-1969 - Art. 44 - 39 Link Justel databank 19690703-39 Fiches 4 - 5 Iedere nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is aangezocht als orgaan van een lidstaat, is verplicht iedere nationale bepaling die strijdig is met een bepaling van het Unierecht met rechtstreekse werking in het geschil dat aan hem is voorgelegd buiten toepassing te laten; een bepaling van het Unierecht zonder rechtstreekse werking kan daarentegen, als zodanig, in het kader van een onder het recht van de Unie vallend geding niet worden ingeroepen met het doel een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten
(1).
(1)Zie concl. OM. Zie ook het arrest in dezelfde zin dd. 16 juni 2023 inzake F.21.0149.N. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 4 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 4 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Fiche 6 Een handelsonderneming kan als een ‘andere organisatie die door de betrokken lidstaat als lichaam met soortgelijke doeleinden wordt erkend' in de zin van artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG in aanmerking komen
(1).
(1)Zie concl. OM. Zie ook het arrest in dezelfde zin dd. 16 juni 2023 inzake F.21.0149.N. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - 28-11-2006 - Art. 132 Tekst van de conclusie F.21.0097.N-F.F.21.0114.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Voorafgaand. De cassatieberoepen in de zaken F. 21.0097.N en F.21.0114.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 15 december
  2. Het komt derhalve aangewezen voor dat beide zaken zouden worden gevoegd.
  3. Situering. Het geschil betreft de terugvordering door de heer G. van 15.428,54 euro aan BTW die hem door BEN-AIR FLIGHT ACADEMY NV werd aangerekend op facturen inzake het volgen van een beroepsopleiding tot lijnpiloot. De discussie betreft de al dan niet toepassing van de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 4°, WBTW. Het bestreden arrest bevestigt onder meer dat BEN-AIR FLIGHT ACADEMY NV ten onrechte BTW heeft aangerekend en dus aan de heer G. het bedrag van 15.428,54 euro dient terug te betalen, nu dit een onverschuldigde betaling uitmaakt, meer intresten. De Belgische Staat wordt veroordeeld tot de integrale vrijwaring van BEN-AIR FLIGHT ACADEMY NV voor de bedragen waartoe deze wordt veroordeeld.
  4. Inzake F.21.0097.N ENIG MIDDEL. Eerste onderdeel. 3.
  5. Eiseres voert aan dat de appelrechters, door te oordelen dat het “niet van belang [is] dat er zich in hoofde van [eiseres] geen verrijking zou hebben voorgedaan enkel omdat zij het bedrag heeft doorgestort aan de Belgische Staat”, hoewel die omstandigheid wel degelijk van belang is om het verweer van eiseres als ontvanger van de onverschuldigde betaling te beoordelen, de artikelen 1235, eerste lid, 1376 en 1377 van het Oud Burgerlijk Wetboek schenden en het algemeen rechtsbeginsel miskennen dat niemand zich ten koste van een ander ongerechtvaardigd mag verrijken. 3.
  6. Krachtens de artikelen 1235, eerste lid, en 1376, Oud Burgerlijk Wetboek kan hetgeen betaald wordt zonder verschuldigd te zijn van de ontvanger worden teruggevorderd. 3.
  7. De vordering uit onverschuldigde betaling is een wettelijke toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich ten koste van een ander ongerechtvaardigd mag verrijken. Diegene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander dient de verarmde te vergoeden tot beloop van het laagste bedrag van de verrijking en de verarming zoals bepaald op het ogenblik van de vermogensverschuiving. Het Hof oordeelde dat aangezien deze vergoedingsplicht niet berust op de aansprakelijkheid van de verrijkte zij de verrijkte, in beginsel, niet in een nadeligere positie mag brengen dan waarin deze zich zou bevonden hebben had de vermogensverschuiving niet plaatsgevonden. Is aldus de verrijking verminderd door omstandigheden die niet aan de verrijkte zijn toe te rekenen, dan wordt slechts rekening gehouden met het resterende gedeelte van de verrijking. Uit het vorenstaande volgt dat ingeval van onverschuldigde betaling, de ontvanger als verweer kan aanvoeren dat hij redelijkerwijze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betaling, hij het ontvangen bedrag heeft doorbetaald en tussen de ontvangst van de betaling en de doorbetaling een nauw verband bestaat. Dit is onder meer het geval indien de onverschuldigd ontvangen som te goeder trouw werd doorbetaald aan een derde in uitvoering van een op het ogenblik van de doorbetaling bestaande wettelijke verplichting daartoe
(1). 3.
  1. In voorliggend geval het gaat over een wettelijke verplichting (doorstorting van de BTW) gelijkaardig aan de feiten die ten grondslag liggen aan voormeld arrest van Uw Hof. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat eiseres ten onrechte BTW heeft aangerekend aan verweerder. Tevens stellen zij vast dat eiseres op dit punt “door de fiscale administratie [werd] misleid, enerzijds door de aanschrijving nr. 25 waarin werd gesteld, contra legem, dat de vrijstelling slechts geldt voor privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk beogen en anderzijds door na vernietiging van de aanschrijving duidelijk te stellen dat [eiseres], evenzeer contra legem, over de keuzemogelijkheid zou beschikken om B.T.W. aan te rekenen voor de beroepsopleidingen tot lijnpiloot”. Door niettemin te oordelen dat de vordering op grond van onverschuldigde betaling van de verweerder tegen eiseres moet worden toegekend, verantwoorden de appelrechters m.i. hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel komt mij gegrond voor. De overige grieven kunnen m.i. niet tot een ruimere cassatie leiden.
  2. Inzake F.21.0114.N. ENIG MIDDEL. 4.
  3. Met het enig middel komt eiser op tegen het oordeel van de appelrechters dat door verweerster ten onrechte btw werd aangerekend op de dienst van beroepsopleiding tot lijnpiloot die zij verstrekte aan verweerder, wegens strijdigheid met artikel 44, § 2, 4° WBTW. Eerste onderdeel. 4.
  4. In essentie voert eiser aan dat artikel 46 van de Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, een interpretatieve bepaling is zodat artikel 44, § 2, 4° WBTW ook voor de datum van 1 januari 2014 moet worden gelezen alsof dit enkel geldt voor het onderwijs verstrekt door privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk hadden en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend werden gebruikt tot dekking van de kosten van die werkzaamheid. Door anders te oordelen zouden de appelrechters de interpretatieve wetsbepaling hebben geschonden. Door hun beslissing tevens te steunen op het arrest van de Raad van State van 30 mei 2005 en het arrest van het Hof van 14 januari 2010 zouden de appelrechters aan die arresten een algemene en als regel geldende draagwijdte hebben toegekend en zodoende tevens artikel 6 Ger.W. hebben geschonden. Tot slot zouden de appelrechters tevens de artikelen 1382 en 1383, Oud Burgerlijk Wetboek hebben miskend. 4.
  5. Artikel 44, § 2, 4°, WBTW, zoals hier van toepassing (met name zoals van kracht vóór de wijziging ervan bij wet van 17 juni 2013), bepaalt dat van de belastingen zijn vrijgesteld: “het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, en het verrichten van de nauw daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen, zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikte handboeken, door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; het geven door leerkrachten van lessen met betrekking tot school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing”. Deze versie van artikel 44, § 2, 4°, WBTW bevat de omzetting in het nationaal recht van artikel 13, A, 1, i), van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG krachtens hetwelk de Lidstaten, onverminderd andere communautaire bepalingen, vrijstelling verlenen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, voor onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of –herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen die hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken Lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. Krachtens artikel 13, A, 2, eerste gedachtestreepje, van de Zesde Richtlijn kunnen de Lidstaten de verlening van de in artikel 13, A, 1, i), bedoelde vrijstelling aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden: de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; wordt er wel winst gemaakt, dan mag deze niet worden uitgekeerd, maar moet zij worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verleend. 4.
  6. De Zesde Richtlijn 77/388/EEG werd ingetrokken en vervangen door de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Krachtens artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG verlenen de lidstaten vrijstelling voor onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of –herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenlevering welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. Krachtens artikel 133, a), van de Richtlijn 2006/112/EG kunnen de lidstaten de verlening van de in artikel 132, lid 1, i), bedoelde vrijstelling aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden: de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht. 4.
  7. Bij artikel 46 van de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling werd het voornoemde artikel 44, § 2, 4°, WBTW vervangen als volgt en zijn derhalve vrijgesteld: “4° a) het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten; b) de lessen die particulier door leerkrachten worden gegeven en die betrekking hebben op school- of universitair onderwijs”; Artikel 48 van de voormelde wet van 17 juni 2013 bepaalt dat artikel 46 in werking op 1 januari
  8. 4.
  9. Uw Hof heeft reeds herhaaldelijk gesteld dat een interpretatieve wet een wet is die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Een interpretatieve wet kan de geïnterpreteerde wet evenwel niet wijzigen, opheffen of aanvullen
(2). 4.7. Uit de duidelijke tekst van artikel 44, § 2, 4°, WBTW, in de versie zoals hier van toepassing, blijkt dat de wetgever de vrijstelling van artikel 13, A, 1, i), van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG heeft toegekend aan instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen. Noch uit de tekst van die wetsbepaling noch uit de parlementaire voorbereiding ervan
(3)blijkt impliciet of uitdrukkelijk dat de wetgever deze vrijstelling heeft willen voorbehouden aan andere dan publiekrechtelijke lichamen die niet systematisch het maken van winst beogen en wiens eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de vermelde diensten. De Belgische wetgever heeft niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om de aanvullende voorwaarde op te leggen waarvan sprake in artikel 13, A, 2, eerste gedachtestreepje van de Zesde Richtlijn. Het Hof bevestigde in een arrest van 14 januari 2010 dat behoudens wetgevend ingrijpen in die zin, de vrijstelling ook moest worden toegekend aan onderwijsverstrekkers met winstoogmerk
(4)
(5). 4.8. Uit de parlementaire voorbereidingen van artikel 46 van de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling blijkt dat de wetgever met de vervanging van artikel 44, § 2, 4°, WBTW een betere omzetting van de artikelen 132, lid 1, i), en 133, a), van de Richtlijn 2006/112/EG beoogde en tot doel had zich te schikken naar de grondwettelijke regels benadrukt door de Raad van State in het arrest nr. 145.138 van 30 mei 2005
(6). Het Advies van de Raad van State bij het Wetsontwerp van 17 april 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, stelt: “Het ontworpen artikel 44, § 2, 4°, van het Btw-wetboek verschilt van de geldende regeling doordat de vrijstelling van de belasting niet langer zal gelden voor alle door de overheid erkende instellingen die onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing verstrekken. De nieuwe regeling vernauwt de vrijstelling tot dergelijke diensten “verricht door publiekrechtelijke lichamen of andere organisaties voor zover deze geen winstoogmerk hebben en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan”. Commerciële opleidingsinstellingen, ook als ze door de overheid zijn erkend, zullen daardoor voortaan belastingplichtig worden”
(7). (eigen nadruk) 4.
  1. Uit wat werd uiteengezet in 4.
  2. en 4.
  3. volgt m.i. dat de uitlegging dat de in artikel 44, § 2, 4°, WBTW vastgestelde vrijstelling ook vóór de datum van 1 januari 2014 moet worden gelezen als dat zij enkel geldt voor het onderwijs verstrekt door privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk hadden en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend werden gebruikt tot delging van de kosten van die werkzaamheid, een interpretatie is die door de rechter niet had kunnen worden aangenomen en dat artikel 46 van de voormelde wet van 17 juni 2013 derhalve niet als een interpretatieve bepaling kan worden beschouwd. In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, lijkt het mij te falen naar recht. 4.
  4. Het Hof oordeelde reeds dat het arrest dat tot staving van de uitlegging van een wet een precedent in de rechtspraak aanvoert, aan dat precedent niet de daagwijdte van een algemene verordenende bepaling verleent
(8). De appelrechters hebben geoordeeld dat de stelling dat het ontbreken van het systematisch beogen van winst een impliciete voorwaarde is voor de vrijstelling van artikel 44, § 2, 4°, WBTW in strijd is met het legaliteitsbeginsel en dat bij gebrek aan enig wetgevend initiatief waarbij enige beperking terzake werd ingevoerd, artikel 44, § 2, 4°, WBTW zoals hier van toepassing, noch expliciet, noch impliciet voorzag in de voorwaarde dat beroepsopleidingen slechts van BTW zouden zijn vrijgesteld indien zij worden verstrekt door instellingen die geen winstoogmerk nastreven. De verwijzing, voorafgaand aan die overwegingen, naar een arrest van de Raad van State en een arrest van Uw Hof, die in dezelfde zin hebben beslist, doet geen afbreuk aan het zelfstandig karakter van de overtuiging waaraan de bekritiseerde reden uitdrukking geeft. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 6 Gerechtelijk Wetboek, kan het m.i. niet worden aangenomen. 4.
  1. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek lijkt het mij geheel afgeleid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel. 4.
  2. Eiser voert aan dat het beginsel van de Unietrouw vereist dat de nationale rechter artikel 44, § 2, 4°, WBTW hetzij in die zin uitlegt dat het conform de Europeesrechtelijke norm geldig is, dan wel, indien het artikel in strijd is met de Europeesrechtelijke norm, de bepaling buiten toepassing laat. Indien de in het eerste onderdeel voorgestane interpretatieve lezing niet wordt aanvaard, en wordt aangenomen dat de in artikel 44, § 2, 4°, WBTW bedoelde vrijstelling evenzeer gold voor handelsondernemingen, en dus voor ondernemingen die systematisch het maken van winst beogen, dan is, anders dan de appelrechters aannemen, volgens eiser geen sprake van een juiste omzetting van de richtlijn, aangezien artikel 13.A.2.b) van de Zesde Richtlijn en artikel 134, enig lid, b), van de Richtlijn 2006/112/EG geen vrijstelling toelaten voor louter commerciële ondernemingen. Volgens eiser dienden de appelrechters bijgevolg artikel 44, § 2, 4° WBTW wegens strijdigheid met de artikelen 13.A.1, i), 13.A.2, a), en 13.A.2, b), van de Zesde Richtlijn en 131, 132.1, i), 133 en 134, b), van de Richtlijn 2006/112/EG buiten toepassing te laten met derhalve de principiële belastbaarheid van de verleende dienst tot gevolg. Door dat niet te doen, miskennen de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van regels van internationaal recht boven de regels van nationaal recht, zoals ook neergelegd in artikel 159 van de Grondwet, de beginselen van de Unietrouw en van de fiscale neutraliteit, en de artikelen 10 en 249 van het EG-Verdrag, 4, derde lid, van het VEU, 288 van het VWEU, 1, 2, 6.1, 10.1, a), 13.A.1, i), 13.A.2, a), en 13.A.2, b), van de Zesde Richtlijn, 1.1, 1.2, 2.1, c), 24.1, 62, 131, 132.1, i), 133 en 134, inzonderheid b), van de Richtlijn 2006/112/EG en 1, § 1, 2, eerste lid, 18, § 1, 22, 44, § 2, 4°, WBTW, en passen zij een niet-wettige vrijstelling toe, wat een schending is van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet; aldus eiser. 4.
  3. Krachtens het beginsel van de Unietrouw - of het beginsel van de loyale samenwerking - treffen de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het EG-Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak (artikelen 10, lid 1, EG-Verdrag en 4, lid 3, alinea 2, VEU). Daarnaast onthouden zij zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen (artikelen 10, lid 2, EG-Verdrag en 4, lid 3, alinea 3, VEU). Deze verplichting tot loyale samenwerking geldt voor alle overheidsinstanties, dus ook voor de rechterlijke instanties, die de plicht hebben om de nationale bepalingen die zij moeten toepassen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen
(9). Indien een dergelijke Unierechtsconforme toepassing onmogelijk is, is de nationale rechter gehouden de volle werking van het Unierecht te vrijwaren en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke met het Unierecht strijdige bepaling van de nationale wetgeving buiten toepassing te laten
(10). 4.14. Verder oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Unie in een vaste rechtspraak dat een richtlijn op zichzelf geen verplichtingen voor een particulier kan scheppen en dus als zodanig niet tegen hem kan worden ingeroepen voor een nationale rechterlijke instantie
(11). Krachtens artikel 288, derde alinea, VWEU bestaat het verbindend karakter van een richtlijn, dat de grondslag vormt voor de mogelijkheid om deze aan te voeren, immers slechts ten aanzien van elke lidstaat waarvoor zij bestemd is. Een nationale rechter mag niet op grond van een bepaling van een richtlijn, zelfs al is deze duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, een hiermee strijdige bepaling van zijn nationale recht buiten toepassing laten indien daardoor een aanvullende verplichting aan een particulier wordt opgelegd
(12). Het onderdeel, dat geheel op een tegenovergestelde rechtsopvatting steunt, faalt m.i. naar recht. De door eiser voorgestelde prejudiciële vragen dienen derhalve niet te worden gesteld. Derde onderdeel. 4.15. Eiser zet uiteen dat de Europese regelgeving enkel vrijstelling beoogt te geven aan publiekrechtelijke lichamen die instaan voor onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. Waar in artikel 44, § 2, 4°, WBTW de vrijstelling wordt verleend aan “instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen” dient dit te worden geïnterpreteerd conform de door de richtlijn beoogde vrijstelling voor “publiekrechtelijke lichamen” of “lichamen met soortgelijke doeleinden”, wat dus een instelling of organisatie met een werkzaamheid met een soortgelijk doel als een overheidsinstantie veronderstelt. Door te oordelen dat door verweerster ten onrechte BTW werd aangerekend in de facturen die zij aan verweerder uitreikte voor de beroepsopleiding tot lijnpiloot, op de gronden vermeld p. 8 en p. 9 van het bestreden arrest, geven de appelrechters volgens eiser een onwettige invulling aan artikel 44, § 2, 4°, WBTW, want met miskenning van de artikelen 13.A.1.
  1. i)van de Zesde Richtlijn en 132.1,
  2. i)van de Richtlijn 2006/112/EG, inzonderheid van de begrippen “publiekrechtelijke lichamen” en “lichamen met soortgelijke doeleinden”, en derhalve met miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van de regels van internationaal recht boven de regels van nationaal recht, het beginsel van de Unietrouw en van de fiscale neutraliteit, de artikelen 10 en 249 van het EG-Verdrag, 4, derde lid, van het VEU, 288 tot en met 292 van het VWEU, 13.A.1, i), en 13.A.2, a), van de Zesde Richtlijn, 1.2, 131, 132.1, i), en 133, van de Richtlijn 2006/112/EG en 44, § 2, 4°, WBTW, en 159, 170 en 172 van de Grondwet. 4.16. Krachtens artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde verlenen de lidstaten vrijstelling voor onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of –herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenlevering welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. Krachtens artikel 133, a), van de Richtlijn 2006/112/EG kunnen de lidstaten de verlening van de in artikel 132, lid 1, i), bedoelde vrijstelling aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden: de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht. 4.17. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in een arrest van 28 november 2013 geoordeeld dat de artikelen 132, lid 1, i), en 133,
  3. a)van de Richtlijn 2006/112/EG er niet aan in de weg staan dat onderwijsdiensten die voor commerciële doeleinden worden verricht door niet-publieke organisaties, van BTW worden vrijgesteld
(13). Uit die rechtspraak lijkt mij te volgen dat een handelsonderneming als een ‘andere organisatie die door de betrokken lidstaat als lichaam met soortgelijke doeleinden wordt erkend’ in de zin van artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG in aanmerking kan komen. Het onderdeel dat geheel op een andere rechtsopvatting steunt, faalt m.i. naar recht. De door eiser voorgestelde prejudiciële vragen hoeven derhalve niet te worden gesteld. 5. Besluit: In de zaak F.21.0097.N: Vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering tot terugbetaling van verweerder tegen eiseres. Verwerping van het cassatieberoep in de zaak F.21.0114.N. ________________________________
(1)Cass. 9 maart 2020, AR C.19.0216.N-C.19.0217.N, AC 2020, nr. 172, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.9, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal VANDERLINDEN. Dit arrest van het Hof, dat betrekking had op wettelijke bijdragen die slachthuizen dienden aan te rekenen aan veehandelaars en die vervolgens krachtens een wettelijke verplichting werden doorgestort aan de Belgische Staat, illustreert volgens auteur VAN DE WYNGAERT “het principe dat de verrijkte die geconfronteerd wordt met een vordering op grond van onverschuldigde betaling bij wijze van exceptie het verlies van verrijking met succes kan aanvoeren. Ingeval diens doorbetaling te goeder trouw geschiedde en er een objectief en causaal verband bestaat met de eerdere verrijking is er geen restitutieplicht. De toepassing ervan beperkt zich niet tot enkel de wettelijke verplichtingen tot doorbetaling. Het kan veel ruimer worden geïnterpreteerd tot alle gevallen waarin het onverschuldigd betaalde wegens een gelieerde doorbetaling uit het vermogen van de accipiens te goeder trouw is verdwenen” (K. VAN DEN WYNGAERT, “Verlies van verrijking toegepast op het leerstuk van de onverschuldigde betaling”, TBBR 2021, afl. 4, 187, nr. 15).
(2)Zie bijv. Cass. 22 maart 2018, AR C.17.0320.N, AC 2018, nr. 201, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180322.8, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal MORTIER; Cass. 17 februari 2000, AR F.96.0090.N, AC 2000, nr. 134, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000217.7.
(3)De oorspronkelijke versie van artikel 44, § 2, 4°, WBTW dateert van 1966. De Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 15 oktober 1968 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, Parl.St. Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, beperkt zich op pag. 41 tot de volgende overwegingen met betrekking tot de litigieuze vrijstelling: “Artikel 44, § 2, heeft betrekking op andere groepen van diensten. (…) In een derde groep van vrijgestelde diensten vindt men de diensten die in algemene zin betrekking hebben op het onderwijs in zijn brede betekenis”. De oorspronkelijke versie van het artikel werd nadien gewijzigd, in 1977, om het beter in overeenstemming te brengen met de zesde richtlijn. De Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 23 november 1977 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek der met zegel gelijkgestelde taksen en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1977-1978, nr. 145/1, p. 14 en 15 beperkt zich tot: “Het 4° van § 2 wordt in overeenstemming gebracht met artikel 13, A, § 1, i, van de zesde richtlijn, zonder echter de terminologie van het huidige 4° te wijzigen op het stuk van het verstrekken van logies, spijzen en dranken door onderwijsinrichtingen. De voorgestelde tekst neemt de woorden ‘onderwijs aan kinderen of jongeren’, zoals die voorkomen in de voornoemde bepaling van de richtlijn, niet over om reden dat de vrijstelling welke door die termen wordt bedoeld reeds wordt verleend door het huidige artikel 44, § 2, 2°. Overigens stemt de in dezelfde § 2, onder 4°, voorgestelde vrijstelling, voor lessen met betrekking tot bepaalde vormen van onderwijs door leerkrachten gegeven, overeen met artikel 13, A, § 1, j, van de zesde richtlijn, met dien verstande dat, in dezelfde geest als die welke aan de basis ligt van artikel 13, A, § 1, i, van die richtlijn en rekening houdend met de mogelijkheid geboden door artikel 28, § 3, b, en bijlage F, 2, bij die richtlijn, de vrijstelling wordt uitgebreid tot beroepsopleiding of –herscholing. De vrijstelling slaat echter slechts op het geven lessen ‘door leerkrachten’. Die uitdrukking sluit de vrijstelling uit voor elke vorm van onderwijs gegeven door anderen dan fysieke personen of door de exploitant van een onderwijsinrichting; deze laatste moet overeenkomstig het eerste gedeelte van 4° zijn erkend om de vrijstelling te kunnen genieten”
(4)Cass. 14 januari 2010, AR F.08.0010.N, AC 2010, nr. 35, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.5.
(5)VANDEBERGH H., BTW-Handboek, ed. 2014, Gent, Larcier 2014, p. 685.
(6)Zie Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp van 17 april 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, Parl.St. Kamer 2012-2013, DOC 53 2756/001 en DOC 53 2757/001, p. 41-42: “Artikel 132, lid 1, i), van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde dat werd omgezet door artikel 44, § 2, 4°, van het Wetboek, verleent vrijstelling voor “onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend”. In een gemotiveerd advies van 17 februari 1993 aan de Belgische Staat had de Commissie van de Europese Gemeenschappen medegedeeld dat België de vrijstelling inzake onderwijs te ruim opvatte waardoor een aantal verrichtingen die normaal onder de werkingssfeer van de BTW zouden moeten vallen, niet werden belast. Om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen werd door de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen op 24 december 1993 de aanschrijving nr. 25 met betrekking tot de vrijstelling bepaald in artikel 44, § 2, 4°, van het Wetboek uitgevaardigd. Deze aanschrijving bepaalde dat de vrijstelling beoogd in artikel 44, § 2, 4°, van het Wetboek slechts gold in hoofde van privaatrechtelijke instellingen wanneer deze laatste onder dezelfde omstandigheden onderwijs verstrekten als de instellingen beoogd onder artikel 6 van het Wetboek. De vrijstelling was bijgevolg slechts van toepassing als het onderwijs werd verstrekt door privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk hadden en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend werden gebruikt tot dekking van de kosten van die werkzaamheid. De voornoemde aanschrijving werd evenwel vernietigd door de Raad van State, afdeling administratie (arrest nr. 145 138 van 30 mei 2005). De Raad van State stelt onder meer dat de in de bestreden aanschrijving vermelde beperking van de vrijstellingsgrond, meer bepaald de uitsluiting van de handelsondernemingen, niet in de tekst van de wet is opgenomen en ook niet wordt aangetoond dat het de onbetwistbare bedoeling van de wetgever was om de bepaling aldus toe te passen en dat derhalve artikel 172, tweede lid, van de Grondwet wordt geschonden. De richtlijn 2006/112/EG beoogt in principe alleen vrijstelling te verlenen voor het verstrekken van onderwijs, vorming, beroepsopleiding of herscholing door publiekrechtelijke lichamen. Aan de lidstaten is evenwel ruimte gelaten om de vrijstelling uit te breiden tot organisaties die weliswaar niet rechtstreeks onder de overheid vallen maar die hun werkzaamheden met een soortgelijk doel als de Staat verrichten. Anderzijds heeft het Hof van Justitie reeds herhaaldelijk opgemerkt dat uitzonderingen — en de vrijstelling moet worden aangemerkt als een uitzondering op de algemene regel van belastingheffing — in beperkende zin moet worden uitgelegd. Artikel 45 van onderhavig ontwerp beoogt een betere omzetting van de communautaire bepalingen en heeft tot doel zich te schikken naar de grondwettelijke regels benadrukt door de Raad van State. Deze bepaling verbindt derhalve de vrijstelling aan het ontbreken van een winstoogmerk. Onderwijs verstrekt door andere organisaties dan publiekrechtelijke lichamen, is immers maar van de belasting vrijgesteld als deze organisaties soortgelijke doelstellingen hebben als de publiekrechtelijke lichamen, m.a.w. als zij onderwijs verstrekken en hierbij niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht”.
(7)Parl.St., Kamer 2012-2013, DOC 53 2756/001 en DOC 53 2757/001, p. 153-154.
(8)Zie Cass. 12 maart 2014, AR P.14.0314.F, AC 2014, nr. 203, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140312.5.
(9)HvJ 10 april 1984, 14/83, Von Colson en Kamann, r.o. 26; HvJ 8 oktober 1987, 80/86, Kolpinghuis Nijmegen, r.o. 12; HvJ 13 november 1990, C-106/89, Marleasing, r.o. 8; HvJ 14 juli 1994, C-91/92, Faccini Dori, r.o. 26; HvJ 26 september 2000, C-262/97, Engelbrecht, r.o. 38-40; HvJ 27 oktober 2009, C-115/08, Land Oberösterreich / CEZ as, r.o. 138; K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2017, 97, nr. 131 en 515, nr. 678.
(10)HvJ 4 februari 1988, 157/86, Murphy, r.o. 11; HvJ 22 juni 2010, gevoegde zaken C-188/10 en C-189/10, Melki, r.o. 43.
(11)HvJ 24 januari 2012, C 282/10, Dominguez, r.o. 41; HvJ 6 maart 2014, C 595/12, Napoli, r.o. 50; HvJ 24 januari 2019, C-573/17, Poplawski, r.o. 65.
(12)HvJ 3 mei 2005, C 387/02, C 391/02 en C 403/02, Berlusconi e.a., r.o. 72 en 73; HvJ 17 juli 2008, C 152/07–C 154/07, Arcor e.a., r.o. 35 44; HvJ 24 januari 2019, C-573/17, Poplawski, r.o. 67.
(13)HvJ, 28 november 2013, C-319/12, Minister Finansów t. MDDP sp. z 0.
  1. Akademia Biznesu, sp. komandytowa, r.o. 27-
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000217.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140312.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180322.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.9 Verbonden dossier: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.