Obsah (5)
Art. 1319Art. 1320Art. 1709Art. 1719Art. 1720id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 juni 2023 ECL
Art. 1319
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1320
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 2 - 4 Aangezien een ondernemer, enerzijds, niet het rustig genot van zijn cliënteel en de daarmee samenhangende lopende overeenkomsten die hij met zijn cliënten heeft gesloten, van zijn commerciële en zakelijke relaties en van zijn naambekendheid kan verschaffen in de zin van artikel 1719, 3°, Oud Burgerlijk Wetboek en, anderzijds, deze vermogensbestanddelen na verhuring aan een derde niet in een goede staat kan onderhouden in de zin van artikel 1719, 2°, Oud Burgerlijk Wetboek, kunnen zij niet los van de handelszaak waarvan zij deel uitmaken het voorwerp zijn van een huurovereenkomst
(1).
(1). Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1709
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1719
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1720
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1709
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1719
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1720
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1709
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1719
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1720
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie F.21.0118.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. De betwisting betreft aanslagen in de personenbelasting die werden gevestigd in hoofde van eisers voor de aanslagjaren 2014, 2015 en
- Eisers hebben in hun aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2014 In het vak van de roerende inkomsten onder de code 1156 'netto-inkomen van verhuring, verpachting, gebruik of concessie van roerende goederen' een bedrag van 45.900,00 euro vermeld, voor het aanslagjaar 2015 een bedrag van 49.029,18 euro en voor het aanslagjaar 2016 een bedrag van 48.845,58 euro. Deze aldus aangegeven bedragen werden door eiser ontvangen uit hoofde van een overeenkomst tot verhuur van een architectenpraktijk aan de vennootschap BVDL architecten. De taxatiedienst ging niet akkoord met de aangifte, meer bepaald waar de vernoemde sommen als roerende inkomsten werden aanzien. De taxatiedienst stelde dat de overeenkomst tot verhuring van de architectenpraktijk gesimuleerd was en dat de door eerste eiser ontvangen vergoedingen als bezoldigingen wegens het besturen van de vennootschap BVDL moeten worden beschouwd (art. 32, 2de lid, 1° WIB92). De betwisting van de aanvullend gevestigde aanslagen leidde tot een vonnis dd. 29 mei 2019 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, waarin werd geoordeeld dat de belastingadministratie terecht het roerend inkomen heeft geherkwalificeerd als bezoldigingen van bedrijfsleiders. Het vonnis van de eerste rechter werd bevestigd door het hof van beroep te Gent bij arrest dd. 22 december
- Eisers komen op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. EERSTE ONDERDEEL. 2.
- Eisers voeren in essentie aan dat in zoverre in het bestreden arrest niet de in de huurovereenkomst beschreven en door partijen beoogde architectenpraktijk als algemeenheid, inzonderheid de goodwill in de ruimste zin begrepen, aan de verhuurbaarheid werd getoetst doch wel de onderscheiden bestanddelen daarvan, de beslissing dat er sprake zou zijn van een gesimuleerde huurovereenkomst teruggaat op een miskenning van de bewijskracht van de voorliggende huurovereenkomst. In het bestreden arrest zouden de appelrechters de betrokken huurovereenkomst hebben “doen liegen door ze uit te leggen niet als de verhuur van een architectenpraktijk als algemeenheid maar wel als een verhuur van de onderscheiden bestanddelen van de architectenpraktijk.” (Schending artikel 170 G.W., artikel 1134 Oud B.W., artikel 1156 Oud B.W, artikelen 1319-1322 Oud B.W.). Tegelijk zou in het bestreden arrest dan ook op die gronden niet naar recht geoordeeld zijn dat de huurvergoedingen kwalificeren als een bedrijfsleidersbezoldiging in plaats van als een roerend inkomen uit verhuring (Schending artikel 17 § 1, 3° WIB92 en artikel 32, tweede lid, 1° WIB92) 2.
- In zoverre de schending van de bewijskracht van de huurovereenkomst wordt aangevoerd, kan het onderdeel naar mijn mening niet worden aangenomen. Het Hof oordeelde reeds dat de bewijskracht van een overeenkomst niet wordt miskend door het arrest dat die overeenkomst ter zijde laat omdat ze fictief en gesimuleerd is
(1). Door uit de overeenkomst af te leiden dat beide partijen niet de bedoeling hebben gehad een huurovereenkomst te sluiten en dat de huurovereenkomst fictief is, spreken de appelrechters derhalve niet tegen dat die akte vermeldt dat een huurovereenkomst met betrekking tot een architectenpraktijk als algemeenheid werd gesloten en miskennen zij de bewijskracht van die akte niet. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 170 Grondwet, artikel 1156 Oud B.W. en de artikelen 17, § 1, 3°, 32, tweede lid, 1°, WIB92, lijkt het mij afgeleid te zijn uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de huurovereenkomst en is het bijgevolg niet ontvankelijk. TWEEDE ONDERDEEL. 2.
- Eisers voeren aan dat in het kader van de voorliggende overeenkomst tot verhuur van het recht op de uitbating van een architectenpraktijk de “rustighuurgenotverplichting” in essentie een niet-concurrentieverbod betekent in hoofde van de verhuurder jegens de huurder. In het bestreden arrest zou met miskenning van de huurregels beslist zijn dat de “rustighuurgenotverplichting” dient te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de verhuurder nog invloed of controle kan uitoefenen op de onderdelen van de verhuurde architectenpraktijk. Bijgevolg zou op grond van deze miskenning van de huurregels ten onrechte geoordeeld zijn dat er sprake is van simulatie (Schending artikel 1134 Oud B.W., artikel 1156 oud B.W, artikelen 1319-1322 Oud B.W., en de artikelen 1709 en 1719 1720 Oud B.W.). 2.
- Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat enerzijds wordt aanvaard dat cliënteel (los van een handelszaak) vatbaar is voor overdracht en inbreng in een vennootschap
(2), maar anderzijds dat cliënteel (los van een handelszaak) niet vatbaar is voor verhuring
(3). 2.4.1. De schijnbare tegenstelling in de rechtspraak van het Hof volgens dewelke cliënteel vatbaar is voor verkoop en inbreng, maar niet voor verhuring, gaf in een voornamelijk fiscale rechtsleer aanleiding tot nogal wat kritiek die als volgt kan worden samengevat: * Een overeenkomst waarbij het genot van cliënteel ter beschikking wordt gesteld, zou voldoen aan de constitutieve voorwaarden van een huurovereenkomst van artikel 1709 Oud B.W.:
(1)overdracht van genot gedurende een zekere tijd
(2)tegen betaling van prijs. Dat geen vrijwaring mogelijk zou zijn, zou geen afbreuk doen aan het feit dat van een huurovereenkomst sprake is. De vrijwaringsverbintenis van de verhuurder is immers slechts van aanvullend recht
(4). * Het zou niet consequent zijn enerzijds te oordelen dat cliënteel vatbaar is voor overdracht en inbreng, maar anderzijds te oordelen dat cliënteel niet vatbaar is voor verhuring
(5). Ook voor de verkoper van cliënteel zou gelden dat hij niet de garantie kan geven dat het cliënteel zal blijven, doch zulks neemt niet weg dat cliënteel wel kan worden verkocht
(6). * Een verhuurder dient (net zoals de verkoper en de inbrenger) in het kader van zijn vrijwaringverbintenis enkel in te staan voor eigen daden en rechtsstoornissen door derden en niet voor feitelijke stoornissen door derden. Het feit dat één of meerdere cliënten na verhuring mogelijkerwijs niet bij de huurder zal blijven, zou geen rechtsstoornis, maar een feitelijke stoornis zijn
(7). * Het oordeel van het Hof in het arrest van 19 september 2013 zou een verkeerde opvatting van het begrip cliënteel voorstaan. Er wordt geargumenteerd dat cliënteel niet de macht omvat over de individuele cliënten die erin vervat zijn, maar dat cliënteel veeleer de belichaming vormt van
(1)de in geld waardeerbare verwachting dat de individuele cliënten inkomsten voor de onderneming zullen genereren en
(2)de eveneens in geld waardeerbare met het cliënteel verbonden naambekendheid en netwerk
(8). Aangezien de notie cliënteel (in die laatste zin opgevat) een reële economische waarde vertegenwoordigt, zou een onderneming zijn cliënteel te gelde moeten kunnen maken, ook – gelet op het principe van contractvrijheid – middels een huurovereenkomst
(9), die dan niet zozeer het materiële cliënteel tot voorwerp heeft, maar wel de economische waarde die dat cliënteel vertegenwoordigt. Dat bij verhuur van cliënteel de mogelijkheid bestaat dat één of meerdere cliënten niet bij de verhuurder zullen blijven, zou niet wegnemen dat de huurder nog steeds het genot heeft van de waarde die het cliënteel vertegenwoordigt
(10). 2.4.
- Geen van de voormelde samengevatte kritieken overtuigt evenwel. 2.4.2.
- De verhuur en de overdracht van cliënteel kunnen niet zomaar worden gelijkgesteld. Er bestaat een fundamenteel onderscheid tussen de beide. Zo heeft de overdracht van cliënteel tot gevolg dat de overdrager definitief uit de markt treedt. De verhuurder van cliënteel daarentegen treedt slechts tijdelijk terug uit de markt
(11). 2.4.2.2. Er is wel degelijk niet voldaan aan de constitutieve voorwaarden van een huur wanneer de verhuurder de huurder het rustig genot van het gehuurde goed niet kan garanderen. De overdracht van het genot gedurende een zekere tijd is een constitutieve voorwaarde van een huurovereenkomst, hetgeen logischerwijs het rustig huurgenot veronderstelt. De verbintenis van de verhuurder om het rustig huurgenot te garanderen, is niet zomaar integraal van suppletief recht. De vrijwaringsverbintenis van de verhuurder is dan wel vatbaar voor contractuele modulering, maar het contractueel uitsluiten van die verbintenis raakt wel degelijk aan het wezen van de huurovereenkomst en dwingt om tot een andersoortige overeenkomst te besluiten
(12). In fiscale zaken is er sprake van veinzing wanneer een belastingplichtige met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden een inbreuk pleegt op de fiscale wet door de veruitwendiging van een juridische akte die niet overeenstemt met een andere geheim gehouden overeenkomst. De veinzing blijkt uit de vaststelling dat de veruitwendigde akte in werkelijkheid niet is gesteld of dat de partijen niet alle gevolgen ervan aanvaarden
(13). 2.4.2.3. Bij verkoop is er een verplichting om het genot als eigenaar te verschaffen, maar deze verbintenis geldt in principe slechts op het moment van de verkoop zelf. Daarna heeft de verkoper geen verplichting meer om het verder genot bij de koper te verzekeren, onverminderd zijn verbintenis tot vrijwaring voor eigen daad en daden van derden
(14). Derhalve is de verkoper er na de verkoop niet toe gehouden te garanderen dat het cliënteel bij de huurder zal blijven. Bij verhuur is dat anders en geldt een instandhoudingsverbintenis. 2.4.2.4. De verhuring van cliënteel is niet alleen problematisch omdat de verhuurder, gelet op de fluctuaties in de omvang en de precieze samenstelling van het cliënteel, de huurder het rustig genot van zijn cliënteel niet kan garanderen, maar ook omdat – om diezelfde reden – de concrete invulling van de teruggaveplicht van de huurder op het einde van de huurovereenkomst moeilijk is
(15). 2.4.2.5. Ook wanneer het cliënteel wordt opgevat als de kans op toekomstige bestellingen of als de belichaming van de in geld waardeerbare verwachting dat de individuele cliënten inkomsten voor de onderneming zullen genereren, valt niet in te zien hoe de verhuurder het rustig huurgenot ervan kan waarborgen, gelet op de fluctuaties eigen aan een cliëntenportefeuille. Bovendien is de kans op toekomstige bestellingen onlosmakelijk verbonden aan de algemeenheid. Het cliënteel kan niet los worden gezien van de onderneming of handelszaak. Wat verhuurd wordt, zijn immers niet de klanten zelf, maar de kans dat zij met de handelszaak of onderneming zullen blijven contracteren. Die kans is net verbonden aan de samenstellende delen van de handelszaak of onderneming. Van de huurder van het cliënteel wordt verwacht dat hij de nodige inspanningen levert om het cliënteel, dat blijft toebehoren aan de verhuurder, te behouden en verder te ontwikkelen. Zonder de nodige tools – i.e. de overige bestanddelen van de handelszaak of onderneming – kan de huurder deze verplichting nochtans onmogelijk nakomen
(16). 2.4.2.
- Ten slotte lijken de in de rechtsleer geformuleerde kritieken grotendeels voorbij te gaan aan het feit dat tussen koop en inbreng enerzijds en verhuur anderzijds, op vlak van de verplichtingen van de verkoper/inbrenger/verhuurder, bijkomende onderscheiden bestaan. Naast de vrijwaringsverbintenis is er ook de onderhoudsplicht. De verkoper en inbrenger zijn verplicht een zaak in goede staat van onderhoud te leveren, maar zijn na de eigendomsoverdracht niet meer tot enige onderhoudsplicht gehouden. Op de verhuurder daarentegen rust op grond van artikel 1719, 2°, Oud B.W. na het sluiten van de huurovereenkomst wel nog steeds een onderhoudsplicht (zij het dat die verbintenis van suppletief recht is, de partijen bij een huurovereenkomst anders kunnen overeenkomen en die verbintenis derhalve niet tot het wezen van de huurovereenkomst behoort). De verhuurder beschikt na verhuring van zijn cliënteel niet meer over de mogelijkheid/bevoegdheid om die verbintenis na te komen. 2.
- Hetgeen geldt voor cliënteel, geldt m.i. onvermijdelijk voor de bestaande commerciële en zakelijke relaties van de ondernemer, maar ook voor zijn naambekendheid en voor het voordeel van de op het ogenblik van de verhuring lopende overeenkomsten met cliënteel, die nauw met het cliënteel verbonden zijn: aangezien de ondernemer na de terbeschikkingstelling aan een derde van zijn naambekendheid, van zijn bestaande commerciële en zakelijke relaties en van het voordeel van de lopende overeenkomsten, de controle over deze vermogensbestanddelen verliest, en bijgevolg noch het rustig huurgenot ervan kan garanderen noch hen in een goede staat van onderhoud kan onderhouden, zijn deze vermogensbestanddelen niet vatbaar voor verhuring. Een gelijkaardige redenering kan worden gemaakt met betrekking tot architectenovereenkomsten. Hiervoor geldt enerzijds dat zij door de opdrachtgever op elk ogenblik eenzijdig kunnen worden opgezegd op grond van artikel 1794 Oud B.W., mits vergoeding voor de gemaakte kosten, de gepresteerde arbeid en de gederfde winst, en anderzijds dat zij een principieel intuitu personae karakter hebben, als gevolg waarvan de architect niet zomaar eenzijdig uit de architectenovereenkomst kan terugtreden, zonder zich aan een wanprestatie schuldig te maken. Overigens geldt voor de overdracht van een contract (en dus ook voor de zogenaamde verhuring van een contract) door een contractspartij (hier de architect) aan een derde steeds de regel dat de wederpartij (hier de opdrachtgever) zijn instemming dient te verlenen opdat de overdracht van de contractuele verbintenissen door eerstgenoemde contractspartij aan de derde, aan de wederpartij tegenstelbaar zou zijn, instemming dewelke steeds kan worden geweigerd. 2.
- Aangezien het niet mogelijk is om het rustig genot van het cliënteel en de daarmee samenhangende lopende overeenkomsten die met de cliënten werden gesloten, van de commerciële en zakelijke relaties en van de naambekendheid te verschaffen in de zin van artikel 1719, 3°, Oud B.W. en, evenmin deze vermogensbestanddelen na verhuring aan een derde niet in een goede staat kunnen worden onderhouden in de zin van artikel 1719, 2°, Oud B.W., kunnen zij niet apart het voorwerp uitmaken van een huurovereenkomst. Het lijkt mij dat de appelrechters, in acht genomen de vaststellingen p. 3 van het bestreden arrest, en met de overwegingen pag. 6, 2de lid tot en met pag. 9, 1ste lid, hun beslissing naar recht verantwoorden dat er sprake is van simulatie, aangezien het reeds in de overeenkomst zelf begrepen is dat de partijen de gevolgen van hun naar buiten gebrachte keuze niet zullen kunnen respecteren, en de contractanten in werkelijkheid geen andere bedoeling hebben gehad dan, eenmaal beslist was om de architectenactiviteit in de vennootschap BVDL uit te oefenen, een extra vergoeding uit de vennootschap te ontvangen onder het mom van een roerend inkomen. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 1709, 1719 en 1720 Oud B.W. en anderzijds van de artikelen 1134, 1156 en 1319 tot 1322 Oud B.W., kan het onderdeel m.i. niet worden aangenomen. Voor het overige lijkt het onderdeel mij geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 1709 en 1719, 3°, Oud B.W. en komt het bijgevolg niet ontvankelijk voor.
- Besluit: Verwerping. _____________________________________
(1)Zie Cass. 20 februari 1986, AR F699F, AC 1986, nr. 405, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860220.15: “Overwegende dat, anderzijds, de bewijskracht van een akte niet wordt miskend door het arrest dat die akte ter zijde laat omdat ze fictief en gesimuleerd is; Overwegende dat het arrest bijgevolg, door de in het middel weergegeven overwegingen, (…) de bewijskracht van de notulen van de algemene vergadering niet miskent (…).” Zie ook Cass. 14 februari 1980, AC 1980, nr. 371, ECLI:BE:CASS:1980:ARR.19800214.7: “Overwegende dat, anderzijds, een beslissing dat de bewoordingen van een akte niet overeenstemmen met de werkelijke bedoeling van de ondertekenaars, daardoor de bewijskracht van die akte niet miskent; dat, door uit de briefwisseling af te leiden dat beide partijen de bedoeling hadden een koopovereenkomst te sluiten en dat de in de huurceel vastgelegde huurovereenkomst fictief is, het vonnis geenszins zegt dat de akte niet vermeldt dat een huurovereenkomst werd gesloten en dus de bewijskracht van die akte niet miskent.”
(2)Cass. 23 april 2010, AR F.09.0036.F, AC 2010, nr. 279, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100423.5.
(3)Cass. 19 september 2013, AR F.11.0165.N, AC 2013, nr. 462, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130919.2, met gelijkluidende concl. van toenmalig advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130919.2, met betrekking tot de ‘verhuring’ door een verzekeraar van zijn cliënteel en van zijn lopende overeenkomsten aan de vennootschap waarvan hij een van de bestuurders is: “Aangezien een ondernemer niet het rustig genot van zijn cliënteel kan verschaffen, kan het cliënteel niet het voorwerp zijn van een huurovereenkomst”.
(4)P. HAAGDORENS, “Verhuur van cliënteel is onmogelijk volgens het Hof van Cassatie”, T.Not., 2014, 109; C. LARDENOIT, “Cliënteel wel verkoopbaar, niet verhuurbaar”, RABG 2014, 689-690; J. DE SCHRYVER, “(Pyrrus)overwinning voor fiscus? Cassatie verwerpt verhuur cliënteel”, Fisc.Act. 2013, nr. 35, p. 1-4.
(5)J. DE SCHRYVER, “(Pyrrus)overwinning voor fiscus? Cassatie verwerpt verhuur cliënteel”, Fisc.Act. 2013, nr. 35, p. 1-4; S. VAN CROMBRUGGE, “Geen verhuring van cliënteel mogelijk”, Fisc. 2014, nr. 1377, p. 13.
(6)C. LARDENOIT, “Cliënteel wel verkoopbaar, niet verhuurbaar”, RABG, 2014, 690.
(7)C. LARDENOIT, “Cliënteel wel verkoopbaar, niet verhuurbaar”, RABG, 2014, 691.
(8)J. DE SCHRYVER, “(Pyrrus)overwinning voor fiscus? Cassatie verwerpt verhuur cliënteel”, Fisc.Act. 2013, nr. 35, p. 1-4.
(9)S. VAN CROMBRUGGE, “Geen verhuring van cliënteel mogelijk”, Fisc. 2014, nr. 1377, p. 13.
(10)P. HAAGDORENS, “Verhuur van cliënteel is onmogelijk volgens het Hof van Cassatie”, T.Not. 2014, 109; C. LARDENOIT, “Cliënteel wel verkoopbaar, niet verhuurbaar”, RABG 2014, 687-688.
(11)F. PARREIN, “Verhuring van cliënteel”, RW 2014-15, 583.
(12)Vergelijk J. VAN BESIEN, “’Verhuur’ van cliënteel. Einde verhaal.” TFR 2014, 963.
(13)Zie o.a. Cass. 25 juni 2020, AR F.19.0052.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.13, AC 2020, nr. 455, met gelijkluidende concl. OM, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.13.
(14)J. VAN BESIEN, “’Verhuur’ van cliënteel. Einde verhaal.” TFR 2014, 963.
(15)F. PARREIN, “Verhuring van cliënteel”, RW 2014-15, 583.
(16)F. PARREIN, “Verhuring van cliënteel”, RW 2014-15, 583. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1980:ARR.19800214.7 ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860220.15 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100423.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130919.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130919.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.13 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div