id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230619.3N.7 Rolnummer: S.19.0027.N Zaak: RSZ contra H. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2023-10-31 Raadplegingen: 315 - laatst gezien 2026-06-15 08:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.7 Fiche De opdrachtgever die bij betaling van de aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, de in artikel 30bis, § 4 bedoelde inhouding en storting niet correct heeft uitgevoerd, is hoofdelijk aansprakelijk voor de sociale schulden van de aannemer, ook als de aannemer nog geen sociale schulden had bij het sluiten van de overeenkomst, maar deze voor het eerst ontstaan zijn in de loop van de uitvoering van de overeenkomst
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 30bis, § 4, elfde lid RSZ-wet voor de wijziging bij wet van 20 juli
- Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 30bis, § 3, eerste, vierde en elfde lid, § 4, eerste, derde en vijfde lid, § 5, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de conclusie S.19.0027.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen de arresten van het Arbeidshof te Antwerpen, Afdeling Antwerpen, gewezen op 10 februari 2017 en 16 februari
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Het middel. a. Probleemstelling Het probleem dat aan de orde is in huidige voorziening betreft de toepassing van artikel 30bis, § 3, elfde lid RSZ-wet, in de in deze toepasselijke versie, zijnde vóór de wijziging bij wet van 20 juli
- De vraag betreft in het bijzonder of er enkel sprake is van hoofdelijke gehoudenheid zo de aannemer, waarmee de opdrachtgever een overeenkomst sluit, sociale schulden heeft op het ogenblik dat deze overeenkomst wordt aangegaan dan wel dat er ook een gehoudenheid is indien de aannemer schuldenvrij was op het ogenblik van de sluiting van het contract en er pas daarna sociale schulden ontstaan terwijl de opdrachtgever niet de wettelijk vereiste inhoudingen doet. Het standpunt van de appelrechters is dat de hoofdelijkheid enkel in aanmerking kan worden genomen zo de aannemer op het ogenblik van de sluiting van de overeenkomst sociale schulden heeft. b. Beoordeling. Het standpunt van de appelrechters kan niet overschreven worden. Het gaat immers voorbij aan het gegeven dat de solidaire gehoudenheid van de opdrachtgever voor de schulden van de aannemer, die geregeld wordt in artikel 30bis, § 3, RSZ-wet, twee aanknopingspunten kent. Namelijk deze die men kan aantreffen in het eerste en het elfde lid van de desbetreffende paragraaf. In het eerste lid betreft dit de hoofdelijke gehoudenheid van de opdrachtgever die een overeenkomst afsluit met een aannemer die op het ogenblik dat deze overeenkomst wordt aangegaan, sociale schulden heeft. Het elfde lid regelt het tweede aanknopingspunt. Hier gaat het over de hoofdelijke gehoudenheid voor de schulden die ontstaan zijn tijdens de uitvoering van de overeenkomst. In het elfde lid gaat het niet enkel om de nieuwe schulden van een aannemer die reeds schulden had op het ogenblik dat de overeenkomst gesloten werd, maar tevens om deze aannemers die bij de sluiting vrij van schulden waren doch waar de schulden ontstaan zijn na de sluiting van de overeenkomst. Dit laatste blijkt duidelijk uit het standpunt dat door de regelgever werd ingenomen in reactie op de opmerkingen die geformuleerd werden door de Raad van State
(1). Op grond van artikel 30bis, § 3, eerste en elfde lid, RSZ-wet zal de opdrachtgever die in wettelijke vereiste inhoudingen en doorstortingen niet correct uitvoert gehouden zijn tot de sociale schulden van zijn aannemer zowel deze die bestonden bij het sluiten van de overeenkomst, als deze die ontstaan zijn tijdens de uitvoering ervan of enkel deze laatsten zo de aannemer schuldenvrij was bij het aangaan van de overeenkomst; één en ander beperkt tot de totale prijs van de werken, exclusief BTW. De appelrechters verantwoorden dan ook niet naar recht hun oordeel dat de vordering van eiser niet gegrond is. Conclusie: cassatie. ______________________
(1)Zie de opmerkingen van de Raad van State en het antwoord desbetreffend in de Memorie van toelichting. In het ontwerp van programmawet was dit het tiende lid (MVT, Ontwerp van programmawet, Kamer, 2006-07, 3058/001, p. 145 en p. 20 en 21). PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230619.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div