id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230619.3N.8 Rolnummer: S.22.0046.N Zaak: VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN contra H. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2023-10-19 Raadplegingen: 630 - laatst gezien 2026-06-18 19:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.8 Fiche Artikel 23 Grondwet impliceert een standstill-verplichting inzake het recht op arbeid en het recht op sociale zekerheid die eraan in de weg staat dat de wetgever en de bevoegde regelgevende overheid de graad van bescherming die de toepasselijke norm biedt aanzienlijk verminderen zonder dat daarvoor redenen zijn die aan het openbaar belang raken; zij geldt voor alle sectoren van de sociale zekerheid en sociale bijstand en dus ook voor de tegemoetkomingen aan personen met een handicap; de vaststelling van een aanzienlijke vermindering van de graad van bescherming vereist een vergelijking van de graad van bescherming die de van toepassing zijnde norm biedt met de graad van bescherming die werd geboden door de eerder van toepassing zijnde norm
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 23 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie S.22.0046.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eisers tot cassatie komen op tegen een arrest van het Arbeidshof Gent, afdeling Brugge, gewezen op 12 april
- Door eisers wordt er één middel aangevoerd.
- Het eerste onderdeel. a) Probleemstelling. De problematiek van het eerste onderdeel betreft de werking van het uit het artikel 23 Grondwet voortvloeiende standstill-beginsel. Dit beginsel houdt, voor het geschil dat voor Uw Hof is gebracht, in dat er niet in aanzienlijke mate afbreuk mag worden gedaan aan een bestaand beschermingsniveau inzake sociale zekerheid en sociale bijstand, hierbij inbegrepen de tegemoetkoming aan personen met een handicap, dus sociale zekerheid in de ruime zin van het woord inzake de sociaal verzekerden
(1), tenzij dat dit plaats heeft op grond van redenen die het algemeen belang betreffen
(2). De appelrechters oordelen dat er sprake is van aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau en dus een schending van het standstill-beginsel van artikel 23 Grondwet. Om hiertoe te komen gaan de appelrechters over tot een vergelijking van het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de administratieve beslissingen van eerste eiser. De schending van het standstill-beginsel wordt vastgesteld op grond van de vermindering van het beschermingsniveau dat naar voorkomt uit de beslissing van 25 september 2019 in vergelijking met de beslissingen van 2 januari 2017 en 12 december 2017 die genomen werden ten aanzien van verweerder
(3). b) Beoordeling. Het standpunt dat door de appelrechters werd ingenomen kan niet onderschreven worden. 1. Principes. Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een schending van het standstill-beginsel dient vooreerst bepaald te worden welk de ijkpunten zijn die hierbij in aanmerking dienen te worden genomen. De rechtspraak van Uw Hof, het Grondwettelijk Hof en de doctrine zijn hierbij richtinggevend. De toetsing die dient te gebeuren heeft plaats op niveau van de regelgeving
(4). Er wordt nagegaan of een nieuwe normatieve regel afbreuk doet aan de bescherming die bestond onder de gelding van het eerder bestaande normatief kader waarbij, in deze toetsing, een evolutief referentiekader wordt gehanteerd
(5). Dit houdt in dat, om na te gaan of er sprake is van regressie van de bescherming, de nieuwe norm dient beoordeeld te worden ten aanzien van de hoogste graad van bescherming die de voorgaande normen hebben bewerkstelligd. Dus de evolutie in de bescherming, zoals die voortvloeit uit de regelgeving, vormt telkens een nieuw referentiekader waaraan een volgende normering dient te worden getoetst
(6). De normadressant in het kader van de standstill-verplichting is de (formele) regelgever en hetgeen aan de rechterlijke controle wordt onderworpen is de regelgeving
(7). De beschermde persoon betreft niet enkel deze die na eerst genoten te hebben van een ruimere bescherming zich plots geconfronteerd ziet met een vermindering van die bescherming door de nieuwe regelgeving. Ook zij die, ab initio, geconfronteerd worden met regelgeving die een beperking van de bescherming tot gevolg heeft in vergelijking met de vorige normen kunnen de schending van het standstill-beginsel inroepen
(8). Het standstill-beginsel is evenwel niet absoluut. Dit blijkt uit de toepassingsprincipes te weten dat opdat er sprake is van een schending moet er een “aanzienlijke afbreuk” zijn zonder dat er redenen zijn die het “algemeen belang” betreffen. Inderdaad, in het kader van de, onder andere, hier ter debatten staande bescherming van personen met een handicap komt het de regelgever toe om te beoordelen hoe dit recht op de meest adequate manier wordt gewaarborgd. Men kan derhalve spreken van een “relatieve standstill”
(9). Zoals hoger aangehaald, is wat moet worden beoordeeld de toegepaste regelgeving. Het naleven van het standstill-beginsel is immers een verplichting die zich richt naar de wetgever in de brede zin van het woord
(10). Het beginsel wordt dan ook niet gehanteerd ter controle een administratieve praktijk
(11)of individuele administratieve beslissingen. De administratieve praktijk en beslissingen dienen immers een gevolg en een uitwerking te zijn van de desbetreffende regelgeving. 2. Toepassing. De basis regelgeving is het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap. Deze regelgeving maakte het voorwerp uit van een toetsing door het Grondwettelijk Hof betreffende een gebeurlijke schending van het standstill-beginsel. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat uit de bestreden bepalingen op zich niet blijkt dat het beschermingsniveau in aanzienlijke mate zou verminderen ten aanzien van het bestaande beschermingsniveau. Of er al dan niet sprake is van vermindering zal pas blijken uit de wijze van tenuitvoerlegging van de in de regelgeving weerhouden maatregelen. De vraag of het standstill-beginsel door deze uitvoeringsmaatregelen geschonden wordt, is een aspect dat beoordeeld dient te worden door de rechtscolleges van de rechtelijke orde
(12). Wat de appelrechters derhalve dienden na te gaan was of, zoals voorgeschreven door de hoger aangehaalde principes inzake de toetsing van het standstill-beginsel, de diverse besluiten van de Vlaamse Regering in “aanzienlijke mate” afbreuk deden aan het beschermingsniveau zonder dat er redenen zijn die het “algemeen belang” betreffen. De appelrechters die om te oordelen dat er sprake is van een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau de diverse door eerste eiser genomen individuele beslissingen ten aanzien van verweerder in ogenschouw nemen, en niet de regelgeving, schenden artikel 23 Grondwet en verantwoorden niet naar recht hun beslissing. 3. Overige grieven. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: Cassatie. ___________________________________
(1)Cass. 14 september 2020, AR S.18.0012.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200914.3F.1, AC 2020, nr. 531 met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal GENICOT, op datum in Pas.; H. MORMONT en K. STANGHERLIN, “Le principe de standstill déduit de l’article 23 de la Constitution en droit de la sécurité sociale. Balises et perspectives, Revue Droits fondamentaux et pauvreté”, 2022, p. 121.
(2)Cass 14 september 2020, AR S.18.0012.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200914.3F.1, AC 2020, nr. 531, o.c.; Cass. 18 mei 2015, AR S.14.0042.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150518.6, AC 2015, nr. 320, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal GENICOT, op datum in Pas.; Cass. 15 december 2014, AR S.14.0011.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.5, AC 2014, nr. 793 met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal GENICOT, op datum in Pas.; L. GOOSSENS, “Het grondrecht op sociale zekerheid en sociale bijstand: dammen tegen de afbouw van de sociale welvaartsstaat? Over de harde kern van deze grondrechten en de proportionaliteitstoets bij een vermindering van het sociale beschermingsniveau”, RW, 2014-15, p. 804; D. VAN EECKHOUTTE en L. BURSSENS, “Het standstill-beginsel houdt een verscherpte materiële en formele motiveringsplicht in voor de regelgever. Een bespreking van arrest nr. 243.760 van 20 februari 2019 van de Raad van State”, RW, 2020-21, p. 1125; H. MORMONT en K. STANGHERLIN, o.c., p. 116.
(3)Bestreden beslissing pagina 30 en 31, randnummer 6.3.2.
(4)GwH 25 februari 2021, nr. 23/2021, RO B133.3; Cass 14 september 2020, AR S.18.0012.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200914.3F.1, AC 2020, nr. 531, o.c.; Cass. 18 mei 2015, AR S.14.0042.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150518.6, AC 2015, nr. 320, o.c.; Cass. 15 december 2014, AR S.14.0011.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.5, AC 2014, nr. 793, o.c.
(5)L. GOOSSENS, o.c., p. 804; G. MAES, “De afdwingbaarheid van sociale grondrechten”, Antwerpen, Intersentia 2003, p. 127.
(6)L. GOOSSENS, o.c., p. 805.
(7)H. MORMONT en K. STANGHERLIN, o.c., p. 116 en 117.
(8)H. MORMONT en K. STANGHERLIN, o.c., p. 121 en 122.
(9)S. PEETERS en J. PUT, “Een (stand)stille overgang: persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap”, in Les grands arrêts en matière de handicap -De belangrijkste arresten inzake handicap, Larcier-Intersentia, Brussel, 2020, p. 536.
(10)GwH 25 februari 2021, nr. 23/2021, RO B133.3; Cass 14 september 2020, AR S.18.0012.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200914.3F.1, AC 2020, nr. 531, o.c.; Cass 15 december 2014, AR S.14.0011.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.5, AC 2014, nr. 793, o.c.
(11)Cass 15 december 2014, AR S.14.0011.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.5, AC 2014, nr. 793, o.c.; H. MORMONT en K. STANGHERLIN, o.c., p. 117.
(12)GwH, 16 maart 2016, nr. 42/2016, B.13.3. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230619.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150518.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200914.3F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div