id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230623.1N.4 Rolnummer: C.22.0384.N Zaak: H. contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-01-25 Raadplegingen: 556 - laatst gezien 2026-06-15 06:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4 Fiche Artikel 1022, zevende lid, Gerechtelijk Wetboek bevat een grond tot afwijking van het basisbedrag door het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op dat van de minimumvergoeding wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen; in voorkomend geval dient de rechter bij verstek ambtshalve die grond tot afwijking toe te passen en zodoende de met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte minimumvergoeding te bepalen
(1)
(2).
(1)Zie Cass. 3 maart 2023, AR C.22.0258.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8, AC 2023, nr. 168; Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0193.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1, AC 2023, nr. 41 met concl. van advocaat-generaal H. MORMONT op datum in Pas.; Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0158.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4, AC 2023, nr. 38; Cass. 9 juni 2022, AR C.21.0352.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 25 september 2020, AR F.18.0170.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2, AC 2020, nr. 580; Cass. 26 april 2018, AR C.17.0420.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.11, AC 2018, nr. 272; Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0390.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2, AC 2015, nr. 354; Cass. 18 september 2014, AR C.12.0237.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140918.5, AC 2014, nr. 533 en Cass. 22 april 2010, AR C.09.0270.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14, AC 2010, nr. 274.
(2)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, zevende lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.22.0384.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht M. Deconynck:
- Situering. In eerste aanleg werd de vordering van de eiser deels gegrond verklaard, waarop hij hoger beroep instelde tegen het tussengekomen vonnis. Hij liet evenwel verstek op de inleidingszitting in hoger beroep waarop tegen hem verstek werd gevorderd en verleend. De appelrechter verklaarde het verzoekschrift tot hoger beroep nietig en de vordering van de eiser onontvankelijk. Daarop stelde de eiser beperkt verzet in tegen het tussengekomen arrest en vorderde hij de hervorming wat betreft de veroordeling tot de kosten. De appelrechter wees die vordering vervolgens af. De aan uw Hof voorgelegde discussie betreft de vraag of de rechter zo nodig ambtshalve het correcte bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dient vast te stellen.
- Bespreking. DERDE ONDERDEEL.
- Uw Hof is in een aantal recente arresten teruggekomen op de eerdere rechtspraak van uw Hof
(1)overeenkomstig dewelke de rechter bij het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding steeds gebonden was door het beschikkingsbeginsel. In het arrest van uw Hof van 13 januari 2023
(2)wordt geoordeeld dat de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag dient te bepalen behoudens wanneer er sprake is van een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Het arrest van uw Hof van 3 maart 2023
(3)luidt identiek. Ten slotte is er nog het arrest van uw Hof van 16 januari 2023
(4)waarin werd geoordeeld dat uit artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat in elke einduitspraak de verliezende partij desnoods ambtshalve in de kosten dient veroordeeld te worden en dat uit dit principe volgt dat de rechter onafhankelijk van enige vraag vanwege de partijen oordeelt over wie de kosten ten laste dient te nemen. In diens gelijkluidende conclusie bij dit arrest voert advocaat-generaal MORMONT aan dat artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek moet beschouwd worden als een uitdrukkelijke wettelijke afwijking op het beschikkingsbeginsel wat de veroordeling in de kosten betreft. De rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien door artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek maakt gelet op artikel 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek deel uit van die kosten. 2. Uit de stukken waarop uw Hof acht kan slaan, blijkt dat de eiser in diens verzetsakte had aangevoerd dat hij slechts tot het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding kon veroordeeld worden nu hij werd toegelaten tot de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand. De appelrechter oordeelde dat de eiser hiervan niet het bewijs leverde en bevestigde diens veroordeling tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in het verstekvonnis. Hierbij heeft de appelrechter echter geen rekening gehouden met artikel 1022, 7de lid, Gerechtelijk Wetboek dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding op het minimumbedrag bepaalt wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing op verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen. Dit artikel laat geen enkele ruimte voor beoordelingsvrijheid gelet op de gebruikte bewoordingen dat de rechtsplegingsvergoeding in die omstandigheden het bedrag is van de minimumvergoeding. Er wordt niet voorzien in een mogelijkheid tot afwijking. De appelrechter die op verzet oordeelde, had gelet op de duidelijke wettekst dan ook ambtshalve het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding moeten corrigeren dat door de rechter op verstek verkeerdelijk op het basisbedrag werd bepaald. Door te oordelen dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding terecht werd toegekend nu de eiser niet aantoont dat hij geniet van juridische tweedelijnsbijstand en ook geen andere redenen aanhaalt tot vermindering van de rechtsplegingsvergoeding, verantwoordt de appelrechter diens beslissing niet naar recht. Conclusie: vernietiging. _______________________________
(1)Zie onder meer Cass. 9 juni 2022, AR C.21.0352.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 25 september 2020, AR F.18.0170.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2, AC 2020, nr. 580, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2; Cass. 26 april 2018, AR C.17.0420.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.11, AC 2018, nr. 272; Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0390.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2, AC 2015, nr. 354; Cass. 18 september 2014, AR C.12.0237.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140918.5, AC 2014, nr. 533 en Cass. 22 april 2010, AR C.09.0270.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14, AC 2010, nr. 274.
(2)Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0158.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4, AC 2023, nr. 38, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4.
(3)Cass. 3 maart 2023, AR C.22.0258.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8, AC 2023, nr. 168, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8
(4)Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0193.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1, AC 2023, nr. 41, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal H. MORMONT, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230623.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140918.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div