id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 Rolnummer: P.22.0859.N Zaak: AVIS TRANS SRL Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2023-09-08 Raadplegingen: 999 - laatst gezien 2026-06-18 17:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.28 Fiches 1 - 2 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt wat betreft artikel 76, lid 6 Verordening nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsel en artikel 5 Verordening 987/2009/EG van 16 september 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels als volgt: 1°een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst is niet bevoegd de geldigheid na te gaan van een E101-documenten, thans een A1-document, wat betreft de staving van de feiten op grond waarvan een dergelijk document is afgegeven, met name het bestaan van een organische band tussen de onderneming die de werknemer detacheert en de gedetacheerde werknemer (HvJ 26 januari 2006, C-2/05, Herbosch Kiere nv, ro 32); 2°aangezien een E101-document, thans een A1-document, een vermoeden in het leven roept dat de betrokken werknemer regelmatig is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, is het in beginsel bindend voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin die werknemer arbeid verricht (HvJ 10 februari 2000, C-202/97, Fitzwilliam Executive Search Ltd, ro 53-55; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 41; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 39); 3°zolang een E101-document, thans een A1-document, niet is ingetrokken of ongeldig verklaard, dient het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin de werknemer arbeid verricht ermee rekening te houden dat de werknemer reeds is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, zodat dit orgaan de betrokken werknemer niet aan zijn eigen socialezekerheidsregeling mag onderwerpen (HvJ 10 februari 2000, C-202/97, Fitzwilliam Executive Search Ltd, ro 53-55; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 43; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 41); 4°uit het beginsel van loyale samenwerking volgt evenwel dat elk orgaan van een lidstaat de toepassing van zijn eigen socialezekerheidsregeling zorgvuldig dient na te gaan; uit dit beginsel vloeit tevens voort dat de organen van andere lidstaten mogen verwachten dat het orgaan van de betrokken lidstaat deze verplichting naleeft (HvJ 3 maart 2016, C-12/14, Commissie t. Malta, ro 37; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 42); 5°het bevoegde orgaan van de lidstaat dat een E101-document, thans een A1- document, heeft afgegeven, dient bijgevolg de juistheid van die afgifte opnieuw te onderzoeken en dit document zo nodig in te trekken wanneer het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werknemer arbeid verricht twijfels uit over de juistheid van de feiten die aan dat document ten grondslag liggen en dus van de daarin opgenomen gegevens, met name wanneer deze niet voldoen aan de vereisten van artikel 14, punt 1, onder a), Verordening nr. 1408/71 (HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 44; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 43); 6°indien de betrokken organen het niet eens worden over met name de beoordeling van de concrete feiten van een specifieke situatie en derhalve over de vraag of die situatie onder artikel 14, punt 1, onder a), Verordening nr. 1408/71 valt, staat het hen volgens artikel 84bis, lid 3, van deze verordening (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) vrij de zaak voor te leggen aan de Administratieve Commissie bedoeld in artikel 80 van deze verordening (HvJ 27 april 2017, C- 620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 45; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 44); 7°wanneer er sprake is van een vermoeden van fraude, is het van bijzonder belang dat de bij artikel 84bis, lid 3, Verordening nr. 1408/71 (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) ingestelde procedure wordt toegepast vóór de fraude eventueel door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst definitief wordt vastgesteld, aangezien zij ervoor kan zorgen dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte en dat van de lidstaat van ontvangst met elkaar in dialoog treden en nauw samenwerken om door middel van hun respectieve onderzoeksbevoegdheden uit hoofde van het nationale recht alle relevante feitelijke en juridische gegevens te verifiëren en te vergaren aan de hand waarvan de twijfels die door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst zijn geuit betreffende de omstandigheden waarin een E101- document is afgegeven, kunnen worden weggenomen of juist kunnen worden bevestigd (HvJ (Grote Kamer) 2 april 2020, C-370/17 en C-37/18, Vueling Airlines sa, ro 66); 8°het gerecht van de lidstaat van ontvangst, waaraan de vraag is voorgelegd of de E101-documenten geldig zijn, moet eerst nagaan of het is aangezocht nadat de procedure van artikel 84bis, lid 3, Verordening nr. 1408/71 (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst was ingeleid middels de indiening van een verzoek tot heroverweging en intrekking van die documenten bij het orgaan van afgifte ervan en moet, indien dat niet het geval is, alle rechtsmiddelen te zijner beschikking aanwenden om ervoor te zorgen dat deze procedure door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst wordt ingeleid (HvJ (Grote Kamer) 2 april 2020, C-370/17 en C-37/18, Vueling Airlines sa, ro 79); 9°artikel 11, lid 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat de gerechten van een lidstaat waarbij een gerechtelijke procedure is ingeleid tegen een werkgever wegens feiten die kunnen wijzen op frauduleuze verkrijging of frauduleus gebruik van E 101-documenten die op grond van artikel 14, punt 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, zijn afgegeven aan werknemers die hun werkzaamheden in deze lidstaat uitoefenen, het bestaan van fraude slechts kunnen vaststellen en deze verklaringen dientengevolge slechts buiten beschouwing kunnen laten na zich ervan te hebben vergewist: (
- i)ten eerste, dat de procedure van artikel 84bis, lid 3, (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) van deze verordening onverwijld werd ingeleid en het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte dus in staat was gesteld de gegrondheid van de afgifte van die documenten opnieuw te onderzoeken in het licht van de door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens, die erop duiden dat die documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen of ingeroepen, en (
- ii)ten tweede, dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte heeft nagelaten een dergelijke heroverweging te verrichten alsmede binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over deze gegevens en de betrokken documenten in voorkomend geval nietig te verklaren of in te trekken; de rechter oordeelt of is voldaan aan de uit deze rechtspraak voortvloeiende voorwaarden om aan het bindend karakter van een E101-document, thans een A1-document, voorbij te gaan; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 76, zesde lid Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 16-09-2009 - Art. 5 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 76, zesde lid Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 16-09-2009 - Art. 5 Fiches 3 - 6 Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 volgt dat moet worden onderzocht of de Belgische regelgever met de Dimona-aangifteplicht enkel een socialezekerheidsrechtelijke doelstelling heeft dan wel of hij daarnaast ook beoogt de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden worden nageleefd
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 7 - 10 Artikel 4 KB Dimona van 5 november 2002 verplicht de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen een aantal gegevens mee te delen betreffende de werkgever, de werknemer en zijn tewerkstelling en geeft uitlegging aan artikel 38 Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; die regeling heeft in elk geval tot doel te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus de naleving van de wetgeving ter zake te verzekeren; de Sociale documentenwet verplicht de werkgever bepaalde sociale documenten bij te houden; die wet beperkt de controledoelstelling van die documenten niet tot specifieke sociale wetten; bijgevolg is het personeelsregister dat met deze wet wordt verplicht gesteld, bedoeld om zowel de toepassing van de sociale wetten betreffende de sociale zekerheid als die betreffende het arbeidsrecht met inbegrip van de arbeidsreglementering te controleren
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 11 - 14 Uit de artikelen 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis Sociale Documentenwet en art. 3, § 1 KB van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten volgt dat de Dimona-aangifteplicht het bijhouden van een personeelsregister vervangt; daaruit moet worden afgeleid dat de regelgever met de invoering van de Dimona-aangifteplicht niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de ter zake geldende regelgeving, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden; daaruit volgt ook dat de Dimona-aangifteplicht zich niet beperkt tot de tewerkstelling in België van werknemers door ondernemingen die enkel in België een werkelijke en duurzame vestiging hebben
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Fiches 15 - 16 Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken geoordeeld dat: 1°de criteria ter bepaling van de zetel van een vervoersonderneming met het oog op het verkrijgen van een communautaire vergunning voor het wegvervoer verschillen van die welke worden gehanteerd om de zetel van een dergelijke onderneming te bepalen voor de toepassing van artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004 (ro 78); 2°de werkelijke en duurzame vestiging in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), Verordening nr. 1071/2009 en de plaats waar een onderneming of een werkgever de essentiële beslissingen neemt of de centrale bestuurstaken uitoefent, weliswaar kunnen samenvallen, maar dit niet noodzakelijkerwijs het geval hoeft te zijn (ro 79); 3°het begrip „zetel of domicilie” in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004 niet overeenkomt met het begrip “werkelijke en duurzame vestiging” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), Verordening nr. 1071/2009 (ro 80); 4°in die omstandigheden het feit dat een onderneming een communautaire vergunning voor wegvervoer bezit een gegeven kan zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de zetel of het domicilie van deze onderneming teneinde overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b, i), Verordening nr. 883/2004 vast te stellen welke nationale socialezekerheidswetgeving van toepassing is, maar kan dat bezit niet automatisch het bewijs, en a fortiori evenmin het onweerlegbare bewijs daarvan vormen, noch de autoriteiten van de lidstaat binden waar de arbeid wordt verricht (ro 81) en 5°daaruit volgt dat artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004, gelezen in het licht van artikel 3, lid 1, onder a), en artikel 11, lid 1, Verordening nr. 1071/2009, alsook van artikel 4, lid 1, onder a), Verordening nr. 1072/2009, aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een vennootschap een communautaire vergunning voor het wegvervoer bezit die is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, niet het onweerlegbare bewijs vormt dat zij met het oog op de bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling inzake sociale zekerheid overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004 haar maatschappelijke zetel in deze lidstaat heeft (ro 82)
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 - Art. 3, eerste lid,
- a)Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg - 21-10-2009 - Art. 4, eerste lid,
- a)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13, eerste lid, b),
- i)Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 - Art. 3, eerste lid,
- a)Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg - 21-10-2009 - Art. 4, eerste lid,
- a)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13, eerste lid, b),
- i)Fiches 17 - 18 In zijn arrest van 15 maart 2011, C-29/10 (Grote Kamer), Koelzsch t/ Groothertogdom Luxemburg heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat: 1°artikel 6 EVO, dat een passende bescherming van de werknemer beoogt, moet worden opgevat als een waarborg dat het recht van de staat van de tewerkstelling toepasselijk is, eerder dan het recht van de staat van de zetel van de werkgever, aangezien de werknemer in die staat zijn economische en sociale functie uitoefent, en aldaar ook de invloed ondergaat van het politieke en bedrijfsklimaat (ro 42); 2°gelet op dit doel, het criterium van de plaats van de gewoonlijke tewerkstelling vermeld in artikel 6, lid 2.a, EVO ruim moet worden ingevuld, terwijl het criterium van de plaats van aanwerving vermeld in artikel 6, lid 2.b, EVO enkel toepassing moet vinden wanneer de plaats van de gewoonlijke tewerkstelling niet kan worden bepaald (ro 43); 3°hieruit volgt dat ook in de hypothese dat de werknemer zijn arbeid in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het criterium van de staat van de gewoonlijke tewerkstelling toepasselijk is wanneer het voor de rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft (ro 44); en 4°wanneer de arbeid in meer dan één staat wordt verricht, dit criterium ruim moet worden uitgelegd en verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht en bij gebrek aan een centrum van activiteiten, de plaats waar hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht (ro 45); daaruit volgt kennelijk dat de rechter, om het land van de gewoonlijke tewerkstelling te bepalen, aan de hand van deze criteria moet nagaan welk het land is waar of van waaruit de werknemer, rekening houdend met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen tegenover de werkgever vervult
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 8 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 9.1 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 8 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 9.1 Tekst van de conclusie P.22.0859.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het gebruik van een transportfirma gevestigd in een EU-lidstaat voor tewerkstelling van chauffeurs die hoofdzakelijk arbeid in loondienst verrichten in België en beschikken over een A1-document dat niet door het bevoegde orgaan van die EU-lidstaat is ingetrokken. Toepassing van de Dimona-aangifteplicht en de regels inzake het (minimum)loon”.
- Bestreden arrest.
- Eisers moesten zich voor het hof van beroep te Gent verantwoorden voor vier inbreuken van sociaal strafrecht: A) Tewerkstelling van een buitenlandse werknemer (A.C.) door een buitenlandse onderdaan die niet was toegelaten tot een verblijf in België van meer dan drie maanden of tot vestiging, van 1 november 2011 tot 25 juni 2018 (art. 175 § 1 en art. 4, § 1 Wet van 30 april 1999); B) Het ontbreken van een Dimona-aangifte voorafgaand aan de arbeidsprestaties van 27 werknemers, van 1 januari 2011 tot 21 oktober 2017, herhaaldelijk (art. 181 Sociaal Strafwetboek en art. 4, 8 en 9bis KB van 5 november 2002), C) Het niet betalen van loon (van 27 werknemers) op moment dat het loon invorderbaar is, van 1 januari 2011 tot 21 oktober 2017, herhaaldelijk (art. 162, 1e lid Sociaal Strafwetboek en art. 9 Wet van 12 april 1965) en D) met het oogmerk ofwel ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen of te behouden ofwel geen of minder RSZ-bijdragen te betalen dan wettelijk verschuldigd, te doen geloven aan het bestaan van een valse onderneming, van 1 januari 2021 tot 21 juli 2017, herhaaldelijk, door voor te houden dat 27 werknemers onder het Roemeens sociaal zekerheidsrecht vallen, terwijl in Roemenië alleen een brievenbusfirma is gevestigd en alle activiteiten vanuit België worden aangestuurd (art. 235, 1e lid, Sociaal Strafwetboek).
- Het bestreden arrest bevestigt het vonnis van de correctionele rechtbank van West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van veroordeling van eisers voor feiten B, C en D. Op de straftoemeting brachten de appelrechters een aanpassing aan het bedrag van de geldboete met uitstel, in het voordeel van eisers (van 2/3 naar 4/5 met uitstel). Eiseressen 1 en 2 werden elk veroordeeld tot een geldboete van 648.000€ (27 keer (aantal werknemers) 500€ maal 6 en vermeerderd met de opdeciemen), voor beiden met uitstel voor 4/5 voor een termijn van drie jaar. Hen werd conform art. 42, 3°, en 43bis Sw. een verbeurdverklaring opgelegd van resp. 141.750€ en 136.378,69€. Eiser 3 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met uitstel van vijf jaar en een geldboete van 129.600€ met uitstel voor 4/5 voor een termijn van drie jaar. De drie eisers werden in eerste aanleg vrijgesproken voor de feiten van telastlegging E (mensenhandel) en eisers 1 en 3 werden vrijgesproken voor feit A
- Het bestreden arrest stelt vast dat het openbaar ministerie in zijn grievenformulier deze vrijspraken niet heeft betwist (blz. 21) dat deze feiten A1 en E niet meer het voorwerp zijn van de strafprocedure in hoger beroep.
- Het grievenformulier over schuld.
- Eisers voeren in een eerste middel aan dat het hof van beroep stelt dat zij geen betwisting hebben gevoerd over de feiten en daarover geen grieven hebben gevoerd, terwijl de feiten wel werden betwist, wat blijkt uit hun grievenformulier en synthese-beroepsconclusie. Hierdoor schendt het bestreden arrest de artikelen 6.2 EVRM (vermoeden van onschuld) en 204 Wetboek van Strafvordering (grievenschrift).
- Beoordeling. Het bestreden arrest neemt aan (blz. 28) dat het beroepen vonnis (blz. 8-14) ‘enkele feiten weergeven’ en dat het hof van beroep eveneens uitgaat ‘van deze feiten’, omdat ‘partijen ter zake geen grieven hebben aangevoerd’. Mij komt voor dat het arrest alleen stelt dat eisers geen (nauwkeurige) grieven hebben aangevoerd over de feitelijke vaststellingen van de eerste rechter, niet over de beoordeling van de schuld aan de telastleggingen. Dit oordeel sluit m.i. aan bij het grievenformulier en de synthese-beroepsconclusie, zodat het middel niet kan worden aangenomen.
- De bindende kracht van het A1-attest van de werknemer voor instanties van de EU-lidstaat van effectieve tewerkstelling.
- Eisers voeren in een tweede middel, eerste en tweede onderdeel, aan dat het hof van beroep in strijd met art. 4 Verdrag betreffende de Europese Unie en artikelen 5 en 19 EG-Verordening 987/2009 geen bindende kracht toekent aan de A1-attesten van 25 van de 27 buitenlandse werknemers, die op de terechtzitting werden overgemaakt. Zelfs indien de A1-attesten frauduleus zouden zijn bekomen of gebruikt, moest het hof van beroep nagaan of de dialoogprocedure tussen de EU-lidstaten (art. 5 EG-Verordening 987/2009) correct werd toegepast, om de bindende kracht van de A1-documenten te ontnemen. Aangezien de administratieve procedure niet volledig is doorlopen, mocht het hof van beroep de A1-attesten niet ter zijde schuiven, zelfs in geval van vermeende fraude (eerste onderdeel). Vanwege de bindende kracht van de A1-documenten is de veroordeling van eisers in strijd met art. 235 Sociaal Strafwetboek (tweede onderdeel, feit D).
- Beoordeling. Een A1-document is een attest waaruit blijkt dat een werknemer in geval van detachering of vanuit een andere lidstaat of tewerkstelling in twee of meer lidstaten onderworpen is aan de sociale zekerheid van één lidstaat (art. 12 en 13 EG-Verordening 883/2004)
(1). Het A1-document wordt uitgereikt voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de werknemer is aangesloten bij de sociale zekerheid en is bindend voor instanties van lidstaten waar de werknemer effectief arbeid verricht, zolang het A1-attest niet is ingetrokken of ongeldig verklaard
(2).
- Art. 76, van de EG-Verordening 883/2004 bepaalt: - De organen en de personen die onder deze verordening vallen, zijn met het oog op de goede toepassing van deze verordening verplicht elkaar inlichtingen te verstrekken en samen te werken (lid 4, eerste zin); - De organen reageren, overeenkomstig het beginsel van goed bestuur, binnen een redelijke termijn op alle aanvragen en verstrekken de betrokkenen daartoe alle informatie die nodig is om de hun door deze verordening verleende rechten uit te oefenen (lid 4, tweede zin). - Als zich bij de uitleg en de toepassing van deze verordening moeilijkheden voordoen die de rechten van onder de Verordening vallende personen in gevaar kunnen brengen, neemt het orgaan van de bevoegde lidstaat of van de lidstaat van de woonplaats, contact op met het orgaan of de organen van de andere betrokken lidstaat of lidstaten. Als er binnen een redelijke termijn geen oplossing wordt gevonden, kunnen de betrokken autoriteiten de Administratieve Commissie inschakelen (lid 6).
- Het ingeroepen art. 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 bepaalt over de bindende kracht
(3): “Juridische waarde van in een andere lidstaat afgegeven documenten en bewijsstukken”.
- De door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie en de bewijsstukken op grond waarvan de documenten zijn afgegeven, zijn voor de organen van de andere lidstaten bindend zolang de documenten of bewijsstukken niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven, zijn ingetrokken of ongeldig verklaard.
- Bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, verzoekt het orgaan van de lidstaat dat het document ontvangt, het orgaan van afgifte om opheldering en eventueel om intrekking van het document. Het orgaan van afgifte heroverweegt de gronden voor de afgifte van het document en, indien noodzakelijk, de intrekking van het document.
- Overeenkomstig lid 2, wordt, bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of ondersteunend bewijs of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, voor zover dit mogelijk is, de noodzakelijke verificatie van deze informatie of dit document op verzoek van het bevoegde orgaan uitgevoerd door het orgaan van de woon- of verblijfplaats.
- Worden de betrokken organen het niet eens, dan kan door de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie worden voorgelegd, zulks op zijn vroegst één maand na de datum waarop het orgaan dat het document heeft ontvangen zijn verzoek heeft ingediend. De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop de zaak aan haar is voorgelegd, een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden”.
- Art. 19 EG-Verordening 987/2009 regelt de verstrekking van informatie over wetgeving van Titel II van de Basisverordening (dit is art. 11-16 EG-Verordening 883/2004) als volgt: “
- Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving op grond van titel II van de basisverordening van toepassing wordt, informeert de betrokkene en eventueel zijn werkgever over de in die wetgeving neergelegde verplichtingen. Het verleent hun de nodige hulp bij het vervullen van de op grond van die wetgeving verplichte formaliteiten.
- Op verzoek van de betrokkene of de werkgever verstrekt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving op grond van een bepaling van titel II van de basisverordening van toepassing is, een verklaring dat die wetgeving van toepassing is en vermeldt het eventueel tot welke datum en onder welke voorwaarden”.
- Het beginsel van EG-Verordening 987/2009 is dat een werknemer slechts aan de wetgeving over sociale zekerheid van één lidstaat onderworpen kan zijn
(4). Het Hof van Justitie oordeelde meermaals dat de A1-detacheringsdocumenten (voordien E101-documenten), zolang ze niet zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard in de lidstaat van uitgifte, een bindende kracht hebben voor rechtbanken in de ontvangststaat (of werkstaat), gelet op de beginselen van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten
(5). Er is aldus een vermoeden dat de werknemer op regelmatige wijze is aangesloten bij het sociale zekerheidsstelsel van de zendstaat (de lidstaat van vestiging van de tewerkstellende onderneming) en de A1-documenten zijn ‘in beginsel bindend’ voor de rechterlijke instanties van de lidstaat waar die werknemer arbeid verricht
(6). 11. Zolang een A1-document niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard in de lidstaat van de zetel van de tewerkstellende onderneming, dient het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werknemer effectief arbeid verricht er rekening mee te houden dat die werknemer reeds is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, zodat het orgaan van de staat van effectieve tewerkstelling de betrokken werknemer niet aan zijn eigen socialezekerheidsregeling mag onderwerpen
(7). 12. Enkel in geval van fraude kan de rechterlijke instantie van de lidstaat van effectieve tewerkstelling het A1-document uitgereikt in een andere lidstaat ter zijde schuiven, onder strikte voorwaarden. In de zaken CRPNPAC en Bouygues oordeelde het Hof van Justitie (in 2020) dat “een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst” A1-verklaringen buiten beschouwing mag laten als tegelijk aan drie voorwaarden is voldaan: 1° aan het bevoegde orgaan van de EU-lidstaat van afgifte is een verzoek tot intrekking van de A1-attesten gericht, conform de dialoog- en bemiddelingsprocedure van art. 5 EG-Verordening 987/2009, 2° het bevoegde orgaan van de EU-lidstaat van afgifte heeft niet binnen een redelijke termijn adequaat gereageerd op het verzoek tot intrekking van de A1-documenten, en 3°de rechterlijke instantie van de ontvangststaat is, met respect voor het recht op een eerlijk proces, in staat vast te stellen dat de A1-documenten op bedrieglijke wijze zijn verkregen of ingeroepen
(8).
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, (ro 78-82) zijn rechtspraak over de bindende waarde van de A1-attesten en de noodzaak van een voorafgaande dialoog-en bemiddelingsprocedure bevestigd, in geval van vaststellingen van sociale fraude (§ 59-62). Het Hof van Justitie nam op 2 maart 2023 aan dat: - een A1-verklaring haar bindende kracht alleen kan worden ontnomen door een besluit tot intrekking ervan dat het orgaan van afgifte heeft genomen overeenkomstig de dialoog-en bemiddelingsprocedure van art. 5 EG-Verordening 987/2009, en dus nadat het opnieuw heeft onderzocht of een dergelijke verklaring terecht is afgegeven en het op de betrokken werknemer toepasselijke socialezekerheidsstelsel heeft vastgesteld (§ 51). - Het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten, dat voortvloeit uit de artikelen 76 EG-Verordening 83/2004 en art. 20 EG-Verordening 987/2009 en waarop de dialoog-en bemiddelingsprocedure is gebaseerd van art. 5 EG-Verordening 987/2009, wordt geschonden door de niet-inachtneming van deze procedure (§ 54-55). - Een A1 verklaring, ook al is deze voorlopig opgeschort bij het orgaan van afgifte, blijft bindend voor de rechterlijke instanties van lidstaten (§ 59), wat niet wegneemt dat een rechterlijke instantie van de lidstaat waar de arbeid wordt verricht en waarbij een strafzaak is aanhangig gemaakt tegen personen die ervan verdacht worden de A1-verklaring op frauduleuze wijze hebben verkregen of gebruikt, kan vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring bijgevolg buiten beschouwing kan laten (§ 60). - De rechtelijke instantie van de lidstaat van ontvangst waarbij een zaak is aanhangig gemaakt tegen een werknemer wegens feiten die kunnen wijzen op frauduleuze verkrijging of frauduleus gebruik van A1-verklaringen, kan slechts definitief uitspraak doen over de vraag of er sprake is van een dergelijke fraude en kan deze verklaringen slechts buiten beschouwing laten indien zij vaststelt, zo nodig na schorsing van de gerechtelijke procedure overeenkomstig haar nationaal recht, dat de procedure van art. 76, lid 6 EG-Verordening 883/2004 onverwijld was ingeleid en dat het orgaan van afgifte van de A1-verklaringen heeft nagelaten deze verklaringen opnieuw te onderzoeken en binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over de gegevens verstrekt door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst van de werknemers, met de bedoeling de A1-verklaringen nietig te verklaren of in te trekken (§ 61). - De dialoog- en bemiddelingsprocedure van art. 76, lid 6 EG-Verordening 883/2004 is een verplichte voorafgaande voorwaarde voor de vaststelling of is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen spreken van fraude en om daaraan bijgevolg alle nuttige gevolgen te verbinden voor de geldigheid van de betrokken A1-verklaringen en de op de betrokken werknemers toepasselijke socialezekerheidsregeling (§ 62). Een rechterlijke instantie van de gastlidstaat waarbij een strafrechtelijke procedure aanhangig is wegens fraude bij het bekomen of gebruik van A1-verklaringen mag dus niet voorbijgaan aan die dialoog-en bemiddelingsprocedure (§ 62). - Ter eerbiediging van de waarborgen verbonden aan het recht op een eerlijk proces moeten de personen aan wie in een gerechtelijke procedure wordt verweten onder de dekmantel van frauduleus verkregen A1-verklaringen een beroep te hebben gedaan op gedetacheerde werknemers, over de mogelijkheid beschikken om de gegevens waarop deze procedure is gebaseerd te weerleggen, voordat de nationale rechter in voorkomend geval besluit om die verklaringen buiten beschouwing te laten en uitspraak te doen over de vraag of deze personen volgens het toepasselijke nationale recht aansprakelijk zijn (§ 66, met verwijzing naar het arrest van 6 februari 2018, Altun e.a., C 359/16, punt 56). - een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht en waarbij een strafprocedure aanhangig is tegen personen die ervan worden verdacht een A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, kan het bestaan van fraude vaststellen en bijgevolg deze verklaring buiten beschouwing laten, voor zover de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen die aan die personen moeten worden verleend, worden geëerbiedigd, indien het bevoegde orgaan van afgifte de A1-documenten voorlopig introk omdat het twijfelde aan de feiten die ten grondslag lagen aan de afgifte van die verklaringen en over de socialezekerheidsregeling die van toepassing was op de betrokken werknemers (§ 67).
- Het is bij effectieve tewerkstelling in België van een werknemer met een A1-attest, verbonden aan een buitenlandse firma, aan de Belgische rechter om na te gaan of overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie over de EG-Verordeningen 883/2004 en 987/2009 de A1-attesten wegens fraude buiten beschouwing kunnen blijven en of daardoor de werknemers onderworpen zijn aan de verplichtingen van de Belgische sociale zekerheid. Het Hof gaat dan na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Het bestreden arrest stelt vast dat eisers op de terechtzitting voor alle werknemers, met uitzondering van S.B. en A.G. A1-documenten (uitgereikt in Roemenië) hebben ingediend en de administratieve procedure van overleg en controle op de A1-documenten niet volledig is afgerond, wegens onenigheid tussen de Belgische en de Roemeense administratieve instantie (blz. 49, 65-66 en 76). Er ligt geen beslissing voor van de administratieve commissie over de geldigheid van de A1-documenten. Evenwel moet in de administratieve procedure, bepaald in de coördinatieverordeningen, het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten steeds toepassing vinden (blz. 65). In deze zaak weigerde de Roemeense bevoegde instelling blijkbaar informatie vrijwillig ter beschikking te stellen van de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, minstens werd niet geantwoord op verzoeken gericht aan de Roemeense instelling (blz. 65).
- Mij komt voor dat de beslissing van het hof van beroep om de door eisers voorgelegde A1-documenten buiten beschouwing te laten naar recht is verantwoord, omdat wordt vastgesteld dat 1° de administratieve procedure voorgeschreven door art. 76 EG-Verordening 883/2004 en art. 5 EG-Verordening 987/2009 niet tot resultaat hebben geleid, ondanks voldoende inspanning van de RSZ om de geldigheid van de A1-attesten te laten beoordelen door de bevoegde Roemeense instantie en 2° er na een tegensprekelijk debat is vastgesteld dat de A1-attesten op frauduleuze wijze zijn bekomen of gebruikt. Het eerste en tweede onderdeel kunnen bijgevolg niet worden aangenomen.
- De Dimona-aangifteplicht voor werknemers met een A1-attest.
- Art. 181, § 1, 1° Sociaal strafwetboek bepaalt: “ Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels: (1°) de gegevens die opgelegd zijn door voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002 niet elektronisch heeft meegedeeld aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvat, en uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de beëindiging van de aangegeven tewerkstelling”
(9). 18. Artikel 4 KB van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (BS 22 november 2002) bepaalt dat de werkgever aan de instelling, die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, hierna de instelling genoemd, een aantal gegevens moet meedelen, zoals het nummer waaronder de werkgever is ingeschreven bij de instelling (1°), het identificatienummer van de sociale zekerheid van de werknemer of, zo dit nummer niet bestaat, de naam, de voornamen, de geboorteplaats en -datum en de hoofdverblijfplaats van de werknemer (2°) en de datum van indiensttreding van de werknemer (°4)
(10). De gegevens moeten worden meegedeeld uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvat (art. 8 KB 5 november 2002).
- De appelrechters namen voor telastlegging B aan (blz. 76 en 136) dat de Dimona-plicht (KB 5 november 2002) eveneens geldt voor buitenlandse werknemers die zijn tewerkgesteld door een buitenlandse onderneming, zelfs als zij beschikken over een A1-document, wanneer zij effectief arbeid in loondienst hebben verricht voor een Belgische onderneming. Reden is dat de Dimona-plicht niet uitsluitend betrekking heeft op verplichtingen inzake het (Belgische) socialezekerheidsrecht, maar (mede) tot doel heeft “controles door de inspectiediensten en de administratie mogelijk te maken” en toelaat “de werknemers te identificeren en de band met de werkgever vast te stellen”, zodat de Dimona-plicht “ook een instrument van personeelsbeleid en handhaving” uitmaakt aldus een “hybride karakter” heeft, waardoor er geen rekening moet worden gehouden met de rechtspraak aangehaald door de beklaagden (arresten Altun en Vueling) over het bindend karakter van A1-attesten en vaststellingen van fraude.
- Eisers stellen in het tweede middel, derde onderdeel dat de appelrechters ten onrechte hebben geoordeeld, wat betreft feit B, dat de Dimona-aangifteplicht toepasselijk is op werknemers die beschikken over A1-documenten die niet zijn ingetrokken of ongeldig verklaard, gelet op de bindende verklaring van deze documenten voor de Belgische rechter. De Dimona-aangifte is volgens eisers ‘een onderdeel van de Belgische sociale zekerheid’. Het feit dat het Dimona-systeem bruikbaar is voor andere wetgeving, over het personeelsbeleid, doet geen afbreuk aan het feit dat het Dimona-KB van 5 februari 2002 uitsluitend dient voor de toepassing van de Belgische sociale zekerheid.
- Beoordeling. Voor de telastlegging van de Dimona-inbreuk (art. 181 Sociaal Strafwetboek en KB 5 november 2002) is het niet meer van belang na te gaan of de niet-ingetrokken A1-documenten voor werknemers verbonden aan een onderneming gevestigd in een EU-lidstaat ter zijde kunnen worden geschoven wegens fraude, onder de voorwaarden vooropgesteld door het Hof van Justitie in vermelde arresten CRNPAC, Bouygues en Intertrans.
- Ter ondersteuning van hun visie verwijzen eisers naar het standpunt van uw Hof op 2 februari 2016 dat uit de Dimona-reglementering (art. 38 Wet 26 juli 1996 en het KB van 5 november 2002) volgt dat: “de DIMONA-reglementering de toepassing beoogt van de Belgische sociale zekerheidsbepalingen en enkel geldt voor de tewerkstelling van de personen waarop die bepalingen van toepassing zijn. Zij geldt niet ten aanzien van personen die beschikken over een A1-attest van een lidstaat van de Europese Unie op grond waarvan de toepassing van de Belgische sociale zekerheid wordt uitgesloten”
(11). Bijkomend stelde het Hof dat de Dimona-meldingsplicht een aangelegenheid is zoals bedoeld in art. 580, 1° Ger.W., namelijk een verplichting van de werkgever opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid
(12). 23. Deze restrictieve interpretatie van de Dimona-aangifte is inmiddels verlaten. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 (ro 42-54) geoordeeld dat de E101- en A1-verklaringen geen bindende gevolgen hebben ten aanzien van verplichtingen die door het nationale recht worden opgelegd op andere gebieden dan de sociale zekerheid in de zin van de verordeningen nr. 1408/71 en nr. 883/2004, zoals verplichtingen die verband houden met de arbeidsverhouding tussen werkgevers en werknemers, in het bijzonder met de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor werknemers. Het staat volgens het arrest Bouygues aan de nationale rechter om vast te stellen of de in de nationale regelgeving neergelegde verplichting tot aanmelding voor indienstneming uitsluitend tot doel heeft te waarborgen dat de betrokken werknemers bij één van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en er dus enkel toe strekt de naleving van de wetgeving inzake sociale zekerheid te waarborgen (in welk geval de A1-attesten in beginsel in de weg staan van deze aangifteplicht), dan wel of met deze verplichting tevens, zij het gedeeltelijk, wordt beoogd de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden worden nageleefd. In die laatste interpretatie hebben de A1-verklaringen geen enkele invloed de vervolging wegens het ontbreken van de aangifte van tewerkstelling, omdat die aangifte niet kan leiden tot de aansluiting van de betrokken werknemers bij één van de takken van het socialezekerheidsstelsel
(13). 24. Uw Hof nam met verwijzing naar het arrest Bouygues aan, op 19 april 2022, dat de Dimona-verplichting “niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de ter zake geldende regelgeving, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden”
(14). Het bestreden arrest lijkt mij in overeenstemming met deze (nieuwe) rechtspraak. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Zetel van de onderneming.
- Artikel 14, 5bis, eerste lid, EG-verordening 987/2009 bepaalt dat voor de toepassing van EG-Verordening 883/2004 (coördinatie van de stelsels van sociale zekerheid) de term ‘zetel of domicilie’ inhoudt: “de zetel of domicilie waar de voornaamste beslissingen betreffende de onderneming worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend”. Het is aan de feitenrechter om aan de hand van deze criteria uit te maken waar de zetel of domicilie is gevestigd van de onderneming, waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven.
- Het bestreden arrest stelt, wat betreft telastlegging C, (blz. 122) dat de bedrijfsactiviteiten van de Roemeense transportfirma op duurzame wijze en voor het overgrote deel gebeurden vanuit een bijkantoor in Zeebrugge, zodat het gewone ‘werkland’ van de werknemers van die firma België en niet Roemenië is. Het werkland is de plaats waar de sociale zekerheidsregeling van toepassing is (blz. 123). Het oordeel dat de zetel van de onderneming zich bevindt in het land waar de activiteiten van de werknemer minstens hoofdzakelijk opgestart of georganiseerd en uitgevoerd worden, dit is België (blz. 123), lijkt mij verenigbaar met het begrip zetel of domicilie van de onderneming zoals bedoeld in art. 14, 5bis EG-Verordening 987/2009, zodat het derde middel over deze rechtsnorm niet kan worden aangenomen.
- De lokalisatie van het sociale zekerheidsstelsel voor vrachtwagenbestuurders in loondienst die in meerdere EU-lidstaten arbeid verrichten.
- Eisers voerden ten gronde het verweer dat de Roemeense firma Avis Trans srl beschikt over een Europese wegvervoersvergunning, uitgereikt conform Verordening (EG) 1071/2009, en dat die vergunning wel degelijk het bestaan aantoont van een reële en duurzame vestiging in de EU-lidstaat waar deze is verkregen. Het bestreden arrest heeft dit verweer beantwoord door aan te nemen (blz. 53-55) dat de onderneming gevestigd in Roemenië alleen een ‘brievenbusfirma’ was, geen werkelijke activiteiten verrichtte, en de vervoersvergunning afgeleverd aan Avis Trans Slr geenszins automatisch inhoudt dat de strafrechter verplicht zou zijn om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomsten die deze onderneming met haar werknemers heeft afgesloten, onderworpen zijn aan het Roemeense sociaal recht, weze het arbeidsrecht of sociaal zekerheidsrecht. Verder oordeelden de appelrechters dat de EG-Verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 over de vervoersvergunning 1° alleen zijdelings aandacht besteden aan de naleving van het sociaal recht, 2° de plaats van de tewerkstellende onderneming niet bepalend is om te oordelen waar de werknemer arbeidsprestaties verricht en 3° de vereiste van de duurzame vestiging verder wordt ingevuld in art. 5 EG-Verordening 1071/2009 “waarin enkele criteria worden gesteld waaruit moet blijken dat er sprake is van een duurzame vestiging en bijvoorbeeld geen postbusbedrijf”. Door de invoering van de vereiste rond duurzame vestiging is het volgens het arrest (blz. 56) duidelijk dat de EU-wetgever postbusbedrijven in de transportsector onwenselijk acht.
- Het vierde middel, eerste en derde onderdeel, heeft betrekking op een communautaire vervoersvergunning, vereist ingevolge de Verordeningen (EG) 1071/2009 en 1072/2009 voor een onderneming die intracommunautair vervoer aanbiedt, als aanknopingspunt voor het bepalen van het sociale zekerheidsstelsel (overeenkomstig art. 13 EG-Verordening 883/2004) voor de tewerkgestelde vrachtwagenbestuurders en aansluitend de veroordeling van eisers wegens feiten B (geen Dimona-aangifte) en D (sociale oplichting). Gelet op het beginsel van loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten (art. 4 EU-Verdrag), oordeelt het bestreden arrest volgens eisers ten onrechte dat de informatie van de Roemeense instellingen of de communautaire vervoersvergunning uitgereikt in Roemenië niet van belang is voor de toepassing van de wetgeving inzake sociale zekerheid.
- Ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen moeten volgens art. 3 EG-Verordening 1071/2009 werkelijk en op duurzame wijze in een EU-lidstaat gevestigd zijn, betrouwbaar zijn, over voldoende financiële draagkracht beschikken en de vereiste vakbekwaamheid bezitten. Om aan de eis van ‘duurzame vestiging’ te voldoen, moet een onderneming in de betrokken lidstaat beschikken over een vestiging in die lidstaat met ruimtes voor de bewaring van documenten over boekhouding, personeelsbeleid en rij- en rusttijden van de werknemers. Daarnaast moet de onderneming voertuigen bezitten (eventueel gehuurd) die zijn ingeschreven of toegelaten tot het verkeer in de lidstaat van vestiging (art. 5, a en b EG-Verordening 1071/2009). Tenslotte moet de transportonderneming daadwerkelijk en permanent haar activiteiten verrichten met de nodige administratieve uitrusting en adequate technische voorzieningen en faciliteiten in de lidstaat van vestiging (art. 5.c EG-Verordening 1071/2009).
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, geoordeeld dat: “Artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, gelezen in het licht van artikel 3, lid 1, onder a), en van artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad, alsook van artikel 4, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, moet aldus worden uitgelegd dat: “het feit dat een vennootschap een communautaire vergunning voor het wegvervoer bezit die is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, niet het onweerlegbare bewijs vormt dat zij met het oog op de bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling inzake sociale zekerheid overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, haar maatschappelijke zetel in deze lidstaat heeft”. Het eerste onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt aldus naar recht. Gelet op het arrest in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, is er geen reden om de in het vijfde onderdeel geformuleerde prejudiciële vragen (1 en 2) over de reële en duurzame transportonderneming en de toekenning van de communautaire vervoersvergunning te stellen aan het Hof van Justitie.
- Art. 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek bepaalt: “Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft eenieder die, met het oogmerk ofwel ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden, ofwel geen of minder bijdragen te betalen of te doen betalen dan die welk hij of een ander verschuldigd is, gebruik heeft gemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen, of enige andere frauduleuze handeling aangewend heeft om te doen geloven aan het bestaan van een valse persoon, een valse onderneming, een fictief ongeval of enige andere fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen”.
- De feitenrechter oordeelt onaantastbaar over de gegrondheid van een strafvervolging wegens sociale fraude (art. 235 Sociaal Strafwetboek) en het ontbreken van een Dimona-aangifte voor werknemers (art. 181 Sociaal Strafwetboek en KB 5 november 2002), waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven. De motivering over de schuld van eisers wat betreft de telastlegging B en D lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kunnen het eerste en derde onderdeel niet worden aangenomen.
- Het oordeel dat art. 235 Sociaal Strafwetboek erop gericht is het bestaan van postbusbedrijven uit te sluiten, voor toepassing van de sociale zekerheid, en de toekenning van een communautaire vervoersvergunning irrelevant is voor toepassing van deze wetsbepaling, lijkt mij verenigbaar met het vermoeden van onschuld (art. 6.2 EVRM) en geen tegenstrijdige motieven te bevatten. Het tweede onderdeel kan aldus niet worden aangenomen.
- Het land van de gewone tewerkstelling.
- Het vierde middel, vierde onderdeel komt op tegen de veroordeling wegens telastlegging C. Volgens eisers is het recht bepalend van de EU-lidstaat waar de onderneming is gevestigd die de werknemer in dienst neemt, niet de EU-lidstaat waar de werknemer effectief arbeid verricht. Door geen rekening te houden met de communautaire vervoersvergunning uitgereikt aan de Roemeense firma die de vrachtwagenbestuurders tewerkstelt, is de veroordeling volgens eisers in strijd met de artikelen 8 en 19 Rome-I-Verordening.
- Beoordeling. Ter bescherming van werknemers in de Europese Unie is voor de dwingende bepalingen inzake loon het recht van het land van de gewone tewerkstelling van toepassing (werkland). Artikelen 6.1 en 6.2.a Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) bepaalt dat de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe kan leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij in een ander land is tewerk gesteld. Deze regel geldt niet in geval de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht (art. 6.2.b EVO, het recht van het land waar zich de vestiging bevindt) of uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land van gewone tewerkstelling (art. 6.2, laatste alinea, EVO)
(15). 36. Dezelfde beginselen zijn opgenomen in de artikelen art. 8 en 9.1 EG-Verordening 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst
(16). Art. 8 EG-Verordening 593/2008 bepaalt: “
- Een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 hebben gekozen. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.
- Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.
- Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.
- Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 2 of lid 3 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing”. Art. 9.1 EG-Verordening 593/2008 stelt: “Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst”.
- Artikel 8, lid 1, van de Rome I verordening 593/2008 moet volgens het Hof van Justitie zo worden uitgelegd dat wanneer het recht dat de individuele arbeidsovereenkomst beheerst, door de partijen bij die overeenkomst is gekozen en dat recht verschilt van het krachtens artikel 8, lid 2, 3 of 4, toepasselijke recht, de toepassing van laatstgenoemd recht moet worden uitgesloten, met uitzondering van “bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken” op grond van dat recht in de zin van artikel 8, lid 1, van die verordening, waartoe in beginsel regels inzake minimumlonen kunnen behoren
(17). Voor de toepassing van de verordening 593/2008 is de gewone verblijfplaats van vennootschappen, de plaats van hun hoofdbestuur (art. 19.1 EG-Verordening 593/2008). 38. In de zaak C-29/10 (Koelzsch) oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de plaats van gewone tewerkstelling van de werknemer ruim moet worden ingevuld en, wat betreft de sector van het internationale transport, de rechter voor het bepalen van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht rekening moet houden met o.a. de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht en instructies voor die opdrachten ontvangt, de plaats waar het werk wordt georganiseerd, de plaatsen waar de goederen worden gelost en de plaats waarnaar de werknemer terugkeert na uitvoering van de transportopdracht. Wanneer de werknemer zijn werkzaamheden in meerdere EU-lidstaten verricht, is het land van de gewone tewerkstelling in de zin van art. 6.2.a EVO het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, dit is ‘waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle opdrachten die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult’
(18). Het vierde middel, vierde onderdeel, dat aanvoert dat inzake de uitbetaling van loon (feit C) het recht van het land van vestiging van de onderneming doorslaggevend is, en niet het land van gewone tewerkstelling, faalt aldus naar recht.
- Voor het overige is het vierde onderdeel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde grieven (eerste, tweede en derde onderdeel) over de communautaire vervoersvergunning als bewijs van een duurzame onderneming in een andere EU-lidstaat, waaraan de Belgische strafrechter volgens eisers is gebonden. Het lijkt mij ook niet nodig de in het vijfde onderdeel geformuleerde prejudiciële vragen (3 en 4) over het begrip ‘zetel van de werkgever in de sector van het wegtransport’ te stellen.
- De rechter oordeelt onaantastbaar, op basis van de criteria van art. 6.1 en 6.2 EVO en van art. 8 en 11 EG-Verordening 593/2008 en de interpretatie die het arrest C-29/10 daaraan geeft, in welk land een vrachtwagenbestuurder die transporten uitvoert in loondienst zijn arbeid gewoonlijk verricht, waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven. Het bestreden arrest neemt aan (blz. 126-130) dat de vaste inrichting in Zeebrugge van AVIS TRANS srl en AVIS MMM srl het knooppunt was in West-Europa van de transportactiviteiten van deze firma’s, gelet op onder meer de uitbetaling van lonen, het uitlezen van tachograafschijven, het herstel van de vrachtwagens en het afleveren van vervoersdocumenten, het feit dat de werknemers meteen na het ondertekenen van hun arbeidscontract in Roemenië en Moldavië naar België vertrokken om vanuit België goederen te vervoeren, het vervoer dat hoofdzakelijk werd verricht in België, Nederland, Frankrijk en Duitsland in opdracht van Belgische bedrijven en het feit dat de enige rustplaats voor de werknemers zich in Zeebrugge bevond. Het was slechts occasioneel dat de werknemers met de vrachtwagens naar Roemenië reden, niet om te laden en lossen, maar om de technische keuring in orde te brengen (blz. 130).
- Deze redenen om België aan te duiden als de plaats van de gewone tewerkstelling van de werknemers, voor de beoordeling van feit C, lijken mij toereikend en naar recht verantwoord. Het vijfde middel, dat schending aanvoert van art. 8, tweede lid, Verordening 593/2008, kan bijgevolg niet worden aangenomen.
- Overschrijding van de redelijke termijn.
- Het bestreden arrest nam voor de straftoemeting aan (al. 155-161) dat mocht de vereiste van de redelijke termijn zijn nageleefd, een hogere (effectieve) geldboete passender zou zijn geweest, zonder daarbij een concrete geldboete aan te geven.
- Artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat als de strafrechter een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, waarbij de rechten van verdediging niet ernstig en onherstelbaar zijn aangetast, hij een eenvoudige schuldigverklaring of een lagere straf kan uitspreken. Voor dit laatste moet het gaan om een reële en meetbare strafvermindering
(19). Dit betekent niet dat de rechter een concrete straf moet vermelden die hij zou hebben opgelegd in geval het strafproces zonder onverantwoorde vertraging zou zijn verlopen. Het Hof nam aan dat: “De rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd bij niet-overschrijding. De verplichting houdt evenwel niet in dat de rechter uitdrukkelijk melding moet maken van de laatste straf. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter vaststelt dat de door hem opgelegde straf lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding”
(20). Het zesde middel over de strafvermindering wegens miskenning van de redelijke termijn-vereiste van art. 6.1 EVRM, dat uitgaat van het tegendeel, faalt bijgevolg naar recht.
- Overige middelen.
- Het oordeel dat het openbaar ministerie geen partij is in de administratieve procedure tot intrekking van de A1-attesten, lijkt mij geen machtsoverschrijding in te houden die in strijd zou zijn met artikel 151, § 1 Grondwet over de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in de individuele opsporing en vervolging, onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om bindende richtlijnen van opsporings-en vervolgingsbeleid vast te leggen
(21). In zoverre faalt het zevende middel over art. 151, § 1 GW naar recht. 45. Verder blijkt uit de stukken waarmee het Hof mag rekening m.i. niet dat het hof van beroep aan het openbaar ministerie een ‘bevel’ gaf om informatie over de administratieve procedure (de dialoogprocedure van art. 5 EG-Verordening 971/2009) op te vragen
(22). De appelrechters hebben in hun tussenarrest van 20 mei 2021 alleen een verzoek geformuleerd aan het openbaar ministerie om informatie aan te brengen over de administratieve procedure tot intrekking van de A1-documenten (st. 37 dossier rechtspleging in hoger beroep). In zoverre kan het zevende middel niet worden aangenomen. 46. Het bestreden arrest stelt vast dat de feiten van de telastleggingen A, B en C onachtzaamheidsmisdrijven zijn (blz. 152). Dit oordeel sluit niet uit dat de te laste gelegde feiten ook wetens en willens kunnen worden gepleegd
(23). Het bestreden arrest sluit niet uit dat de feiten van deze telastleggingen in het concrete geval wetens en willens werden gepleegd (blz. 152) en leidt de schuld van eisers aan de feiten A, B en C af uit de omstandigheid dat zij niet op geloofwaardige en aanneembare wijze een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond hebben aangebracht (blz. 153). 47. Anders dan eisers aanvoeren, stelt het bestreden arrest m.i. wel het moreel bestanddeel vast dat voor deze feiten is vereist. Het achtste middel over onder meer art. 6.2 EVRM en de artikelen 162, 175, § 1, en 181, § 1 Sociaal Strafwetboek mist aldus feitelijke grondslag. Bijkomend lijkt mij de motivering in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof over het moreel bestanddeel van het misdrijf wanneer de strafbaarstelling geen melding maakt van opzet of onachtzaamheid
(24).
- Het negende middel komt op tegen het oordeel over de plaats van tewerkstelling (relevant voor de feiten B en C), meer bepaald de overweging dat uit de instructienota van eiseres I blijkt dat “de navigatie wordt vooropgesteld van en naar Zeebrugge” en de transportactiviteiten in West-Europa gebeurde vanuit het knooppunt Zeebrugge. Volgens eisers verwijst de instructienota ook naar andere steden en blijkt daaruit niet dat de transportactiviteiten of de navigatie uitsluitend verbonden zijn met Zeebrugge.
- Mij komt voor dat het bestreden arrest (blz. 128) uit de instructienota alleen afleidt dat de vervoersopdrachten werden gegeven door Belgische bedrijven en de transportactiviteiten in West-Europa gebeurden vanuit Zeebrugge als knooppunt. Daarmee wordt geen uitlegging gegeven in strijd met de bewoordingen van de instructienota, zodat het middel dat miskenning van de bewijskracht van die nota aanvoert (art. 8.17 en 8.18 BW) feitelijke grondslag mist.
- Voor het overige verduidelijkt het middel niet welke de ‘andere stukken van het strafdossier’ zijn waarvan het bestreden arrest de bewijskracht zou miskennen, zodat het middel in zoverre niet-ontvankelijk is. Daarbij komt dat mocht het Hof de overweging (iv) “in de instructienota van Avis Trans srl wordt enkel uitgegaan van Belgische bedrijven die ook bij naam werden genoemd’ (blz. 128) in strijd achten met de bewoordingen van die akte, het middel m.i. niet tot cassatie kan leiden, omdat de plaats van gewone tewerkstelling van de werknemers in België niet alleen uit de instructienota wordt afgeleid, maar uit (bijkomend) acht andere vaststellingen, zoals het goederentransport dat haast exclusief vanuit West-Europa werd verricht door de chauffeurs (ii) en het tanken in België (v).
- Advies. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping van de cassatieberoepen. _________________________________
(1)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 april 2004, www.eur-lex.europa.eu Zie alg. K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Intersentia 2017, 181-184.
(2)T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1108.
(3)Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 oktober 2019, www.eur-lex.europa.eu Over de interpretatie van deze bepaling zie Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N, AC 2021, nr. 485, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.5.
(4)HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics, Elco construct Bucarest en Welbond armatures, RO 39, www.curia.europa.eu. Over de bindende waarde van A1-attesten en de toepasselijke sociale zekerheid zie L. ELIAERTS, “Detachering binnen de Europese Economische Ruimte en bestrijding van sociale fraude”, RW 2013-14, 396-398; Y. STOX, “De dimona-aangifte en de detachering van (schijn)zelfstandigen”, JTT 2016, 471-474; K. NEVENS, “De aard en de draagwijdte van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (dimona)”, JTT 2017, 244-251; K. DECRUYENAERE, “Blijft ook na Altun de loyauteit nog steeds zoek?”, RABG 2019, 264-271; L. ELIAERTS, “Het Europees detacheringsattest is niet bindend in geval van fraude”, RW 2017-18, 1682; M. MORSA, “La Cour de Justice de l’Union européenne contribue à la lutte contre la fraude sociale transfrontalière et le dumping social”, Dr. Pen. Entr. 2018, 193-209; T. PERDIEUS, “Quo vadis A1?”, in Expat News, Kluwer, januari 2019, 5-8; G. VAN DE MOSSELAER, “Erkenning fraudeverbod in een grensoverschrijdende sociaalrechtelijke context”, in Sociale wegwijzer, Kluwer, april 2018, 14-17; J. LORRE, “Sociale zekerheidscoördinatie, fraude- en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak”, JTT 2021, 3-13; T. VAN DE CALSEYDE, “Op zoek naar de juiste reikwijdte van het A1-attest”, RABG 2021, 1078-1089; W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium. Sociaalzekerheidsrecht, Kluwer 2021, 89-116; T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1107-1114.
(5)HvJ 10 februari 2000, Fitzwilliam Executive Search Ltd, C-202/97, al. 53-58; HvJ 26 januari 2006, Herbosch Kiere, C-2/05, al. 30-33; HvJ 27 april 2017, A-Rosa Flussschiff, C-620/15, al. 44; HvJ 6 februari 2018, Altun e.a., C-359/16, al. 40-41; HvJ 6 september 2018, HvJ 6 september 2018, Salzburger Gebietskrankenkasse e.a., C-527/16 al. 47; HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l’aéronautique civile t/Vueling Airlines SA, C-370/17, al. 62-63, www.curia.europa.eu Zie J. LORRE, “Sociale zekerheidscoördinatie, fraude- en misbruikbestrijding : nieuwe Europese rechtspraak”, JTT 2021, 3-8; W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium. Sociaalzekerheidsrecht, Kluwer 2021, 107-108. Over de plicht tot loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten zie alg. K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Intersentia 2017, 95-100.
(6)HvJ 2 maart 2023, FU DRV Intertrans BV en Verbraeken J en Zonen BV, gevoegde zaken C-410/21 en C-66/21, al. 45; HvJ 14 mei 2020, Bouygues travaux publics, Elco construct Bucarest en Welbond armatures, C-17/19, al. 40, www.curia.europa.eu Zie T. VAN DE CALSEYDE, “Op zoek naar de juiste reikwijdte van het A1-attest”, RABG 2021,1084-1087; T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1108.
(7)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N, AC 2021, nr. 485, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, met verwijzing naar HvJ 10 februari 2000, C-202/97, Fitzwilliam Executive Search Ltd. RO 53-55; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, RO 43; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, RO 41; HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics Elco construct Bucarest en Welbond armatures, RO 39-40, www.curia.europa.eu.
(8)HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l’aéronautique civile t/Vueling Airlines SA, C-370/17, al. 78; HvJ 14 mei 2020, Bouygues travaux publics, C-17/19, al. 43, www.curia.europa.eu Zie ook J. LORRE, “Sociale zekerheidscoördinatie, fraude- en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak”, JTT 2021, 3-13; Zie ook Cass. 19 juni 2018, AR P.15.1275.N, AC 2018, nr. 379, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180619.1 en T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1101-1108.
(9)Over deze inbreuk en berekening van de geldboete Zie T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1107-1108.
(10)Over de toepassing van de DIMONA-melding voor werknemers en gelijkgestelde personen die in België arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, en het verschil met de LIMOSA-melding voor gedetacheerde werknemers die slechts tijdelijk werken in België (art. 137 Programmawet I van 27 december 2006, BS 28 december 2006), zie T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1111-1112.
(11)Cass. 2 februari 2016, AR P.15.0846.N, AC 2016, nr. 73, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.4, JTT 2016, 470 noot Y. STOX en RW 2016-17, 189, RO 8 en 9, In dezelfde zin Arbeidshof Antwerpen 3 juni 2020, Rolnr. 2019/AA/299, in een zaak van niet-ingetrokken A1-attesten, p. 14, “De Belgische sociale zekerheid is niet van toepassing in geval van een internationale detachering”, aangehaald door T. VAN DE CALSEYDE, “Op zoek naar de juiste reikwijdte van het A1-attest”, RABG 2021, 1087; Contra: Gent 19 oktober 2017, NJW 2017, 801 noot P. PECINKOVSKY; zie eveneens K. NEVENS, “De aard en de draagwijdte van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (dimona)”, JTT 2017, 244-251; J. LORRE, “Sociale zekerheidscoördinatie, fraude en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak”, JTT 2021, p.11, nr. 14.
(12)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N, AC 2021, nr. 485, met concl. OM, en Cass. 26 oktober 2021, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2021, nr. 681, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5, T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1109 en 1110.
(13)HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics Elco Construct Bucarest en Welbond armatures, RO 44 en 48, www.curia.europa.eu, zoals aangehaald door Cass. 19 april 2022, AR P.21.1232.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11, AC 2022, nr. 263, met andersluidende concl. OM, RW 2022-23, 1097 noot T. VAN DE CALSEYDE.
(14)Cass. 19 april 2022, AR P.21.1232.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11, AC 2022, nr. 263, met concl. OM, RW 2022-23, 1097, noot T. VAN DE CALSEYDE.
(15)Over de criteria van art. 6.2 EVO zie HvJ 12 september 2013, Schlecker t./Boedeker, zaak C-64/12, www.curia.europa.eu. Over de loonbescherming in België zie F. VERBRUGGE, Gids voor sociale reglementering in ondernemingen, Kluwer 2021, 593-602.
(16)De Verordening 593/2008 is van toepassing op overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn afgesloten (HvJ 15 maart 2011, Koelzsch, zaak C-29/10, § 6, www.curia.europa.eu).
(17)HvJ 15 juli 2021, DG en EH t/ SC Gruber Logistics SRL (zaak C 152/20) en Sindicatul Lucrtorilor din Transporturi, TD t/ SC Samidani Trans SRL, (zaak C-218/20), § 32, www.curia.europa.eu.
(18)HvJ 15 maart 2011, Koelzsch t/Groothertogdom Luxemburg, C-29/10, www.curia.europa.eu; T. VAN DE CALSEYDE, “Toepasselijk recht en fraude m.b.t internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan”, RW 2022-23, 1112. Zie eveneens HvJ 15 december 2011, Voogsgeerd t/Navimer SA, zaak C-384/10, § 33-42, www.curia.europa.eu.
(19)Cass. 1 maart 2023, AR P.22.1432.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230301.2F.2, AC 2023, nr. 160, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1363.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1, AC 2023, nr. 147; Cass. 22 november 2022, AR P.22.1116.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.10, AC 2022, nr. 750; Cass. 28 november 2017, AR P.17.0830.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171128.5, AC 2017, nr. 680; Cass. 20 september 2016, AR P.16.0231.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.6, AC 2016, nr. 509; Cass. 8 juni 2016, AR P.16.0236.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160608.1, AC 2016, nr. 384; Cass. 30 april 2013, AR P.12.1133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2, AC 2013, nr. 269; Zie P. HOET, “Het uitstel van tenuitvoerlegging van de straf als sanctie voor de overschrijding van de redelijke termijn?”, RABG 2020, 664, J. MEESE, Overschrijding van de redelijke termijn, Larcier 2008, 50-53; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 60.
(20)Cass. 18 oktober 2022, AR P.22.0913.N, AC 2022, nr. 643, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.17.
(21)Over deze bepaling zie K. RIMANQUE, De grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia 2004, 331-338.
(22)Over het verbod van de vonnisrechter om aan het openbaar ministerie een bevel te geven, wat voortvloeit uit art. 151 GW over de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie en het verbod op machtsoverschrijding, Cass. 3 oktober 2017, AR P.15.1398.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171003.1, AC 2017, nr. 446; Cass. 21 mei 2014, AR P.14.0094.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140521.2, AC 2014, nr. 366; Cass. 21 juni 1974, AC 1974, 1176; J. MATTHIJS, Openbaar ministerie, APR 1983, nr. 149; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 171.
(23)Op dit punt oordeelde het Hof reeds “Strafbare deelneming is mogelijk aan misdrijven, waarvoor onachtzaamheid een voldoende moreel bestanddeel is, maar die ook opzettelijk kunnen worden gepleegd” (Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1081.N, AC 2023, nr. 27, RO 33, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10).
(24)Cass. 15 december 2020, AR P.20.0693.N, AC 2020, nr. 776, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.14; Cass. 13 december 1994, AR P.94.0736.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941213.8, AC 1994, nr. 553; Cass. 12 mei 1987, AR 728, AC 1987, nr. 531, met concl. van procureur generaal J. DU JARDIN, toen advocaat generaal; Concl. van advocaat generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas. in de zaak Cass. 21 februari 2018, AR P.16.1199.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180221.2, AC 2018, nr. 111; L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, APR 2002, 117; J. ROZIE, “De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de geestesgestoorde delinquent”, in Verantwoordelijkheid en recht, Kluwer 2008, 221. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.28 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941213.8 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140521.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160608.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171003.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171128.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180221.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180619.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.14 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.17 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230301.2F.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div