← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230822.VAK.7 Rolnummer: P.23.1204.N Zaak: C. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-09-26 Raadplegingen: 822 - laatst gezien 2026-06-16 13:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.7 Fiches 1 - 3 Uit het algemeen rechtsbeginsel van eerbiediging van het recht van verdediging met inbegrip van het recht op tegenspraak volgt, eensdeels, dat het onderzoeksgerecht dat te beslissen heeft over de handhaving van de voorlopige hechtenis in beginsel uitspraak moet doen op grond van een volledig dossier, dit is een dossier dat alle stukken van het onderzoek bevat die verband houden met de handhaving van de voorlopige hechtenis van de inverdenkinggestelde en waarover de onderzoeksrechter beschikt, alsook dat de inverdenkinggestelde kennis moet kunnen nemen van dit volledig dossier; wanneer, anderdeels, een inverdenkinggestelde de nietigheid van een onderzoekshandeling of van een ingezameld bewijselement en de daaruit voortvloeiende rechtspleging aanvoert, dient het onderzoeksgerecht dat niet optreedt met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, enkel een prima facie onderzoek van de opgeworpen onregelmatigheid en van de weerslag ervan op de wettelijke voorwaarden tot handhaving van de voorlopige hechtenis uit te voeren

(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 4 De schriftelijke bevestiging van de machtiging tot observatie door de procureur des Konings, zoals bedoeld in artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, dient niet de periode te vermelden tijdens dewelke de observatie kan worden uitgevoerd
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47septies, § 2, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 5 De termijn om de processen-verbaal bedoeld in artikel 47septies, § 2, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering bij het strafdossier te voegen, is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47septies, § 2, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 8 Het recht van verdediging met inbegrip van het recht op tegenspraak vereist als dusdanig niet dat op het moment waarop het onderzoeksgerecht overeenkomstig artikel 21 Voorlopige Hechteniswet oordeelt over de handhaving van de voorlopige hechtenis, de inverdenkinggestelde reeds moet kunnen beschikken over de processen-verbaal bedoeld in artikel 47septies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering of over de in deze processen-verbaal op te nemen gegevens; dit is weliswaar anders wanneer de inverdenkinggestelde enigszins aannemelijk maakt dat de observatie onregelmatig is, maar een loutere speculatie over een dergelijke onregelmatigheid volstaat daartoe niet; het onderzoeksgerecht kan in het kader van een prima facie beoordeling oordelen dat de inverdenkinggestelde geen onregelmatigheid in de uitgevoerde observatie aannemelijk maakt en verder op grond van de gegevens die het vaststelt, oordelen dat de observatie zoals die blijkt uit het dossier van de voorlopige hechtenis regelmatig werd uitgevoerd, zonder dat daarvoor de bedoelde processen-verbaal reeds aan het dossier van de rechtspleging moeten zijn gevoegd
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47septies, § 2, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47septies, § 2, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47septies, § 2, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de conclusie P.23.1204.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De controle bij de eerste handhaving van de voorlopige hechtenis op de wettigheid van de observatie, in geval van ontbrekende vermeldingen over de periode van observatie”. Eiser, aangehouden op verdenking van invoer van verdovende middelen in vereniging, komt vooreerst op tegen de geldigheid van een stelselmatige observatie verricht tijdens het gerechtelijk onderzoek op basis van een machtiging die daarvoor was verstrekt, door de procureur des Konings. Het eerste middel gericht tegen de volledigheid van het strafdossier waarover het onderzoeksgerecht moet oordelen, in het kader van een wettigheidscontrole prima facie, wanneer de verdachte een onregelmatigheid aanvoert betreffende bevestiging van de machtiging en de uitvoering van de observatie. Indien de verdachte stelt dat de ernstige aanwijzingen van schuld steunen op een onregelmatig bevolen of uitgevoerde onderzoeksdaad, moet het onderzoeksgerecht bij zijn wettigheidscontrole (tijdens de eerste handhaving, art. 21 Voorlopige Hechteniswet) alleen nagaan of er op “het eerste gezicht” (prima facie) een onregelmatigheid is begaan, die al dan niet een weerslag heeft op de voorlopige hechtenis
(1). Het debat over de nietigheid en het verwijderen van nietige stukken uit het strafdossier vereist een aparte terechtzitting, overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. Artikel 47septies, § 2 Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer dat 1° het vertrouwelijk dossier de machtiging
(2), aanvulling of verlenging tot observatie bevat, 2° de procureur des Konings die de observatie beveelt aan het ‘open dossier’ een schriftelijke beslissing voegt over het bestaan van de machtiging, 3° het proces-verbaal van uitvoering van de observatie verwijst naar de machtiging tot observatie en naar volgende gegevens: de ernstige aanwijzingen over het misdrijf die de observatie wettigen, de redenen waarom de waarom de observatie onontbeerlijk is om de waarheid aan het licht te brengen, de zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de te observeren persoon of plaatsen en de periode van maximaal drie maand voor uitvoering van de observatie, en 4° de processen-verbaal van uitvoering en de beslissing over het bestaan van een machtiging worden pas na het beëindigen van de observatie bij het strafdossier gevoegd
(3). Eiser voert aan dat de observatie in een loods in B. is verricht op 18 juli 2023, op een moment dat de zaak al het voorwerp was van een gerechtelijk onderzoek, zonder dat uit enig stuk blijkt dat er een rechtsgeldige machtiging is verleend tot observatie tot die datum en er ook geen enkel stuk bestaat over de ‘modaliteiten van de observatie’. Op moment van het bestreden arrest had de politie ook nog geen ‘navolgende akte en het proces-verbaal van de stelselmatige observatie van 18 juli 2023’ gevoegd, hoewel de onderzoeksrechter dit op 25 juli 2023 bij kantschrift heeft bevolen. Mij komt voor dat het onderzoeksgerecht dat bij de eerste handhaving moet oordelen over de wettigheid van het aanhoudingsbevel (art. 21 Wet Voorlopige Hechtenis) in de regel niet moet beschikken over de processen-verbaal van uitvoering van de stelselmatige observatie en de daarin noodzakelijke vermeldingen over de redenen en duur van deze bijzondere opsporingsmethode. De stukken zijn wel nodig als de verdachte enigszins aannemelijk maakt dat er op moment van de observatie een machtiging ontbreekt of dat niet voldaan is aan de voorwaarden om tot (stelselmatige) observatie over te gaan, zoals omschreven in artikel 47sexies Wetboek van Strafvordering
(4). Verder is er geen vaste termijn om na afloop van de observatie de processen-verbaal van uitvoering toe te voegen aan het strafdossier
(5). Hetzelfde geldt voor de beslissing die het bestaan van een machtiging tot observatie bevestigt
(6). In die schriftelijke bevestiging (tot observatie of verlenging ervan) moet overigens niet de periode vermelden tijdens dewelke de observatie kan worden uitgevoerd, zoals het bestreden arrest terecht aangeeft
(7). Het bestreden arrest stelt vast dat het dossier een beslissing tot bevestiging van het bestaan tot observatie bevat van 22 mei 2023 en van de verlenging ervan op 1 juni 2023, uitgaande van de procureur des Konings (blz. 3). Verder bevat het aanvankelijk PV van 17 mei 2023 als informatie “wij vernemen dat de loods Unit 1 te …B. momenteel zou gebruikt worden door een Antwerpse criminele organisatie voor de op- en overslag van verdovende middelen” (blz. 3 en 4). Het arrest oordeelt dat eiser niet concreet noch aannemelijk maakt dat er voor de observatie van de loods verricht op 18 juli 2023 een geldige machtiging ontbreekt, zodat er ‘prima facie’, op basis van het thans voorliggend dossier, de observatie regelmatig is (blz. 4) en in aanmerking komt voor het vaststellen van de ernstige aanwijzingen van schuld. Het bestreden arrest lijkt mij voldoende gemotiveerd en naar recht verantwoord, zodat het eerste middel over de observatie (artikelen 47sexies, 47septies en 56bis Sv.) niet kan worden aangenomen. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, namelijk het aannemelijk maken van een nietigheid, en is het in zoverre niet-ontvankelijk. In het tweede middel komt eiser op tegen de regelmatigheid van de huiszoeking in de loods Unit 1 te B. op 18 juli 2023, na uitvoering van de observatie op die datum. Het bestreden arrest neemt aan dat de zoeking steunt op art. 6bis Drugwet over daartoe aangewezen ambtenaren die “te allen tijde de lokalen mogen bezoeken welke dienen voor onder meer het bewaren of het opslaan van de in de Drugwet genoemde stoffen”, en verwerpt daarmee het verweer over het ontbreken van een heterdaadsituatie. Voor zover eiser een schending aanvoert van artikel 41 Wetboek van Strafvordering over de huiszoeking bij heterdaad, faalt het middel naar recht. Het bestreden arrest neemt op basis van volgende elementen aan dat de huiszoeking in de loods is gebaseerd op “ernstige en objectieve aanwijzingen van opslag van verdovende middelen”
(8)en er prima facie geen reden is om de resultaten van de huiszoeking uit te sluiten voor de beoordeling van de ernstige aanwijzingen van schuld (blz. 4-6), namelijk 1° vermelde informatie in het aanvankelijk proces-verbaal, 2° de observatie van 30 mei 2023 van de loods, waaruit blijkt dat een persoon uit een voertuig stapt en foto’s neemt van de container van een truck die de loods binnenrijdt, 3° beelden van een bewakingscamera van 5 en 16 mei 2023 over gelijkaardige verdachte handelingen en 4°de observatie op 18 juli 2023 over een trekker met container in de loods en de aanwezigheid van personen, die een uithaling van drugs doen vermoeden. Het bestreden arrest lijkt mij over de toepassing van art. 6bis Drugwet voldoende gemotiveerd en naar recht verantwoord, zodat het middel niet kan worden aangenomen. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten en is het niet-ontvankelijk, meer bepaald het verweer over het ontbreken van vermelde ernstige en objectieve aanwijzingen van opslag van drugs (zoals vereist voor de toepassing van art. 6bis Drugwet). Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. _______________________________________
(1)Over de controle ‘prima facie’ op nietigheden, gronden van verval van de strafvordering of gronden van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, aangevoerd voor de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis, zie o.a. Cass. 26 oktober 2022, AR P.22.1355.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221026.2F.26, AC 2022, nr. 686; Cass. 6 september 2022, AR P.22.1158.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312, met concl. OM; Cass. 13 januari 2021, AR P.20.0956.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.1, AC 2021, nr. 21, met concl. van advocaat-generaal. M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0441.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16, AC 2019, nr. 273; Cass. 4 december 2018, AR P.18.1184.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5, AC 2018, nr. 683; Cass. 13 december 2017, AR P.17.1203.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171213.1, AC 2017, nr. 712; Cass. 12 juni 2013, AR P.13.0994.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130612.5, AC 2013, nr. 364; Cass. 11 februari 2004, AR P.04.0203.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040211.10, AC 2004, nr. 74; Cass 20 februari 2001, AR P.01.0235.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.8, AC 2001, nr. 106, en nota M. DE SWAEF. Zie J. DE CODT, Des nullités de l'instruction et du jugement, Larcier 2006, 139-140; M. DE SWAEF en M. TRAEST, “Het gezag van gewijsde van beslissingen van de onderzoeksgerechten: oude wijn in nieuwe zakken?” in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Antwerpen, Intersentia 2010, 99, L. ARNOU, “De nietigheid van de huiszoeking prima en secunda facie” in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Antwerpen, Intersentia 2010, 2-20; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, 436-437; Ph. DAENINCK, Praktische gids voorlopige hechtenis, Kluwer 2015, 71-72; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 936-937 en 1074; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1229.
(2)De inhoud van de machtiging tot stelselmatige observatie en de voorwaarden van toepassing van deze bijzondere opsporingsmethoden zijn geregeld in art. 47sexies Sv.
(3)Zie alg. C. DE VALKENEER, Manuel de l’enquête pénale, Larcier 2018, 366-374.
(4)Over de voorwaarden voor toepassing van de stelselmatige observatie, als bijzondere opsporingsmethode, zie Cass. 4 november 2020, AR P.20.1073.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201104.2F.14, AC 2020, nr. 685; Cass. 29 mei 2018 AR P.17.0762.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2, AC 2018, nr. 340; Cass. 26 februari 2014, AR P.13.1696.F, AC 2014, nr. 153, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.7; Cass. 19 november 2013, AR P.13.1779.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.6, AC 2013, nr. 616, met concl. van procureur-generaal P. DUINSLAEGER, toen advocaat-generaal; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 615-623; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1175-1178.
(5)Cass. 17 juni 2014, AR P.14.0707.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140617.6, AC 2014, nr. 439; Cass. 23 oktober 2012, AR P.12.1002.N, AC 2012, nr. 556; Cass. 18 januari 2005, AR P.05.0037.N, AC 2005, nr. 36, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.24; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 622.
(6)Cass. 20 mei 2014, AR P.14.0746.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.5, AC 2014, nr. 361; Cass. 23 oktober 2012, AR P.12.1002.N, AC 2012, nr. 556, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121023.6.
(7)Cass. 20 mei 2014, AR P.14.0746.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.5, AC 2014, nr. 361; Cass. 7 juni 2011, AR P.11.0898.N, AC 2011, nr. 386, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.4.
(8)Over deze vereiste voortvloeiend uit art. 6bis Drugwet zie Cass. 13 april 2022, AR P.22.0447.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2F.2, AC 2022, nr. 260; Cass. 9 november 2021, AR P.21.1370.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.20, AC 2021, nr. 716, NC 2022, 219; Cass. 2 maart 2021, AR P.21.0250.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.21, AC 2021, nr. 153, RW 2021-22, 997; Cass. 19 november 2019, AR P.19.1107.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.14, AC 2019, nr. 611; Cass. 18 juni 2019, AR P.19.0588.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.4, AC 2019, nr. 378, NC 2021, 32 noot L. ARNOU; Cass. 7 februari 2018, AR P.18.0100.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.2, AC 2018, nr. 82, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 11 maart 2014, AR P.14.0382.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.8, AC 2014, nr. 196, NC 2016, 153; Cass. 3 december 2013, AR P.13.1859.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.6, AC 2013, nr. 656, NC 2016, 141 noot H. BERKMOES en F. GOOSSENS; Cass. 4 januari 2006, AR P.05.1417.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060104.1, AC 2006, nr. 6, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Corr. Limburg, afd. Hasselt, 4 december 2020, RABG 2022, 1321 noot F. VAN VOLSEM, “De huiszoeking op grond van artikel 6bis, derde lid, Drugwet”, RABG 2022, 1322-
  1. Zie ook F. VANNESTE, “De huiszoeking bij ontdekking op heterdaad en op grond van de drugwet”, RW 2008-09, 838-840; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 525-526; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 971 en 1119; E. DE BOCK, “De huiszoeking: enkele topics toegelicht aan de hand van recente rechtspraak”, Politie & Recht, 2023, 67-
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230822.VAK.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040211.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.24 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060104.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121023.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130612.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140520.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140617.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171213.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.14 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201104.2F.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.21 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.20 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2F.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221026.2F.26 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250312.2F.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.