← België

B. contra WOONINSPECTEUR

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230905.2N.16 Rolnummer: P.23.0220.N Zaak: B. contra WOONINSPECTEUR Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 671 - laatst gezien 2026-06-17 09:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.16 Fiche 1 De herstelmaatregelen van artikel 3.43 Vlaamse Codex Wonen van 2021 beogen als een bijzondere vorm van teruggave de gevolgen van de door artikel 20, § 1, Vlaamse Wooncode bedoelde misdrijven, thans artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021, teniet te doen en de krachtens artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van 2021 vastgestelde vereisten en normen te verwezenlijken; uit de tekst van de artikelen 5, 20 en 20bis Vlaamse Wooncode en de artikelen 3.1, 3.34 en 3.43 Vlaamse Codex Wonen van 2021, hun ontstaansgeschiedenis en de doelstellingen van de decreetgever volgt dat het gevorderde herstel in hoofdorde tot integraal herstel moet strekken, dit wil zeggen tot het wegwerken van alle gebreken aan het onroerend goed teneinde het te laten voldoen aan de vereisten en normen vastgesteld krachtens artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van 2021; behoudens een vastgesteld integraal herstel, mag de vordering slechts worden afgewezen in het geval van kennelijke onredelijkheid; indien dit integraal herstel als principiële herstelmaatregel volgens de rechter niet mogelijk is, dient de rechter de alternatieve maatregel van de herbestemming of de sloop te bevelen

(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 5 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 20 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 20bis - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.1 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.34 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.43 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Fiche 2 Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van het Vlaams Gewest van 29 april 2011 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen blijkt dat, wanneer de rechter vaststelt dat de herstelvordering tot herbestemming of sloop dient te worden ingewilligd, de overtreder de keuze heeft om het herstel uit te voeren door naar eigen goeddunken één van beide maatregelen te nemen; de overtreder die kiest voor herbestemming van het goed en vervolgens een vergunning verkrijgt die de woonfunctie toelaat, kan het onroerend goed opnieuw voor bewoning bestemmen, mits hij ook de woongebreken herstelt overeenkomstig de vereisten en normen voorgeschreven krachtens artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van 2021; het effect van de principiële herstelmaatregel kan aldus worden bereikt wanneer het goed, na de herbestemming ervan, in overeenstemming zal zijn gebracht met de stedenbouwkundige vereisten; het bevelen van de subsidiaire herstelmaatregel betekent dan ook niet noodzakelijk dat het in het geding zijnde goed niet meer zal kunnen worden bestemd voor bewoning; de herbestemming van een onroerend goed waardoor de woonfunctie ongedaan wordt gemaakt, heeft tot gevolg dat het pand niet meer onder de woningkwaliteitsvereisten en -normen valt en het integraal herstel geen voorwerp heeft; wanneer de uitvoering van de bevolen herbestemming van een onroerend goed overeenkomstig de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening evenwel niet tot gevolg heeft dat de woonfunctie ervan ongedaan wordt gemaakt, moet de rechter behalve de alternatieve maatregel ook het integraal herstel bevelen, bestaande in het wegwerken van alle gebreken aan het onroerend goed teneinde het te laten voldoen aan alle vereisten en normen vastgesteld krachtens artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van 2021; dit is met name het geval wanneer een pand werd opgesplitst in meerdere woongelegenheden zonder dat hiervoor een vergunning werd verleend zoals voorgeschreven door artikel 4.2.1, 7°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de strafrechter bij toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, Vlaamse Wooncode, thans artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021, de beklaagde veroordeelt wegens het verhuren van die woongelegenheden omdat ze niet voldoen aan de in artikel 5 Vlaamse Wooncode, thans artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 bedoelde vereisten en normen; in dat geval dient de rechter behalve de herbestemming of de sloop ook het integraal herstel te bevelen, bestaande in het wegwerken van alle gebreken aan het onroerend goed teneinde het te laten voldoen aan de normen en vereisten vastgesteld krachtens artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.1, 7° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 5 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 20 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 20bis - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.1, § 1 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.34 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.43 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Tekst van de conclusie P.23.0220.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De gevolgen van de alternatieve herstelmaatregel van herbestemming of sloop van het pand voor de overtreder die zonder vergunning het aantal woonentiteiten heeft uitgebreid (artikelen 3.1, 3.34 en 3.43 Vlaamse Codex Wonen van 2021)”. 1. Het hof van beroep te Gent had ingevolge het hoger beroep van de Wooninspecteur alleen te oordelen over de herstelvordering voor het pand gelegen te O., ingediend wegens het verhuren van wooneenheden die niet aan de kwaliteitsnormen voldoen. 2. Uit de stukken waarmee het Hof mag rekening houden, blijkt niet dat de wijziging van het aantal woongelegenheden plaatsvond vóór 1 mei 2000, dit is de datum waarop de vergunningsplicht geldt voor die aanpassing van woongelegenheden, gelet op artikel 99 Decreet (Vl.) ruimtelijke ordening van 18 mei 1999. Het eerste middel, eerste onderdeel dat verplicht tot een onderzoek van feiten, is bijgevolg niet ontvankelijk
(1). 3. Uit het beroepen vonnis en de synthesebesluiten van eisers in tweede aanleg blijkt dat de problematiek van het “vermoeden van vergunning” betreffende de vastgestelde stedenbouwinbreuken
(2)(waaronder de inbreuk op artikel 4.2.1, 7°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening over de woongelegenheden), wel degelijk in het debat was. Het tweede onderdeel berust op een onjuiste lezing van deze stukken en mist feitelijke grondslag.
  1. Het derde onderdeel stelt dat de motivering onduidelijk is over het aantal woongelegenheden dat niet vergund is of vermoed wordt te zijn vergund, terwijl de woonfunctie schijnbaar wel wordt vermoed vergund te zijn, waarbij de redenering hierover ‘zeer ambigue’ is.
  2. Voor zover eiser zonder verdere toelichting de motivering bestempelt als “zeer ambigue”, is het onderdeel onnauwkeurig en niet ontvankelijk. Het arrest (blz. 14-15) vermeldt trouwens waarom het vermoeden van vergunning niet kan worden aangenomen, zoals het feit dat het brandpreventieverslag nog geen vertrouwen opwekt van een reglementaire situatie over het aantal wooneenheden. Op dit punt mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  3. Het arrest (blz. 14 ) stelt vast dat het aantal woongelegenheden bestemd voor huisvesting van een gezin of een alleenstaande werd gewijzigd zonder vergunning. Bij gebrek aan een verweer (in conclusie) op dit punt was geen verdere toelichting nodig, zodat het onderdeel niet kan worden aangenomen.
  4. Artikel 3.43, eerste lid, Vlaamse Codex Wonen van 2021, bepaalt: “Naast de straf kan de rechtbank de overtreder bevelen om werken uit te voeren om de woning of het pand dat het gebouw met de aanwezige woonentiteiten omvat, conform te maken en om overbewoning te beëindigen”. Als de rechtbank vaststelt dat de woning niet in aanmerking komt voor werkzaamheden, of het gaat om bewoning van een goed dat niet hoofzakelijk voor bewoning geschikt is (art. 3.35), beveelt zij als alternatieve herstelmaatregel, desnoods ambtshalve
(3), dat de overtreder een andere bestemming geeft aan de woning of sloopt, voor zover die sloop is toegelaten (art. 3.43 Vlaamse Codex Wonen 2021)
(4). 8. Deze herstelmaatregelen beogen als een bijzondere vorm van teruggave
(5)de gevolgen van een inbreuk op de wooncode (van toevoeging van wooneenheden) teniet te doen en de doelstellingen van artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van 2021 te realiseren, zoals een wasgelegenheid met stromend water en veilige elektrische apparaten. De alternatieve maatregelen van herbestemming of sloop zijn aan de orde als het integraal herstel niet (meer) mogelijk is. 9. Uit de artikelen 5, 20 en 20bis Vlaamse Wooncode en de artikelen 3.1, 3.34 en 3.43 Vlaamse Codex Wonen en hun wetsgeschiedenis volgt dat het gevorderde herstel in hoofdorde strekt tot integraal herstel, wat neerkomt op het wegwerken van alle gebreken om te voldoen aan vermelde doelstellingen van veilig, gezond en comfortabel wonen. Het Hof oordeelde in die zin op 11 mei 2021
(6). 10. Is een integraal herstel (in een toestand die voldoet aan de woonvereisten) niet mogelijk, dan mag de alternatieve maatregel van herstel van herbestemming of sloop slechts worden afgewezen bij kennelijke onredelijkheid, wat betreft de gevolgen voor de overtreder
(7). Verder mag na een uitvoerbare alternatieve herstelmaatregel de overtreder kiezen tussen de herbestemming of sloop van de woning, rekening houdend met de decretale bepalingen. 11. De overtreder die kiest voor herbestemming van het goed en vervolgens een vergunning verkrijgt die de woonfunctie toelaat, kan het onroerend goed opnieuw gebruiken en verhuren voor bewoning, voor zover alle woongebreken zijn weggewerkt. Anders geformuleerd, betekent herbestemming van een onroerend goed waardoor de woonfunctie niet verdwijnt dat gebruik voor bewoning toch mogelijk is, als door (vergunde) aanpassingswerken aan alle vereisten van woningkwaliteit is voldaan (regularisatie), waardoor het doel van de eerste, principiële herstelmaatregel uiteindelijk is gerealiseerd
(8). De veroordeling tot herstel is immers geen straf met een vergelingsfunctie, maar streeft naar de verbetering van de woonkwaliteit van het pand dat gebreken vertoont
(9). 12. Specifiek voor het opsplitsen van een pand bestemd voor bewoning in meerdere woongelegenheden zonder vergunning
(10), en verhuur ervan, dient de rechter naast de herbestemming of sloop het integraal herstel te bevelen, bestaande in het wegwerken van alle gebreken, zodat het onroerend goed voldoet aan alle vereisten van comfort, gezondheid en veiligheid. Die maatregel van integraal herstel vereist nog wel dat de woning in aanmerking komt voor werkzaamheden.
  1. Voor zover eisers artikel 3.43 Vlaamse Codex Wonen zo interpreteren dat herbestemming het integraal herstel uitsluit, faalt hun tweede middel bestaande uit twee onderdelen naar recht.
  2. Met de redenen die het arrest bevat, lijken mij de appelrechters naar recht te oordelen dat de herstelvordering niet kennelijk onredelijk is, het integraal herstel als herstelmaatregel niet kan worden opgelegd (bij gebrek aan vergunning voor de ontstane wooneenheden) en de alternatieve maatregel van herbestemming of sloop ook het integraal herstel van de gebrekkige woonst niet uitsluit, als de overtreder daarvoor over een geldige omgevingsvergunning beschikt. Het arrest stelt uitdrukkelijk dat eisers een stedenbouwkundige vergunning kunnen aanvragen en desgevallend bekomen, “waardoor het beletsel voor een volledig herstel zou wegvallen” (blz. 14). In het beschikkend gedeelte is ook vermeld: het desnoods uitvoeren van verbeteringswerken, zodat het gebouw en de erin ondergebrachte wooneenheden voldoen aan de woonkwaliteitsvereisten van de Vlaamse Codex Wonen
(2021)”. In zoverre kan het middel (met beide onderdelen van dezelfde strekking), gesteund op artikel 149 Grondwet, niet worden aangenomen.
  1. Uit de redenen die het arrest bevat (op bladzijde 15), volgt dat de appelrechters de proportionaliteit van de herstelmaatregel hebben beoordeeld rekening houdend met de daaruit voor de eisers voortvloeiende nadelen. Het derde middel, eerste onderdeel, dat het tegendeel aanvoert, mist bijgevolg feitelijke grondslag.
  2. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een vormvoorschrift, waaruit volgt dat aan de verplichting is voldaan indien een verweer wordt beantwoord, ongeacht de kwaliteit van dit antwoord
(11). In zoverre het tweede onderdeel over de kennelijk onredelijke herstelmaatregel steunt op een andere opvatting, faalt het naar recht. 17. Verder blijkt uit het arrest (blz. 15) dat er voldoende nauwkeurig is geantwoord op het verweer van eisers over de kennelijk onredelijke gevolgen die zij zouden ondervinden van de herstelmaatregel, zodat het onderdeel feitelijke grondslag mist. Er zijn geen ambtshalve middelen. Mijn conclusie is verwerping van de cassatieberoepen. _____________________________________
(1)Eisers hebben in hun conclusie opgeworpen dat er geen stedenbouwkundige inbreuk was, zonder aan te voeren dat de beweerde inbreuk op het actuele artikel 4.2.1, 7°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening slechts mogelijk was vanaf 1 mei 2000 (zie p. 15 arrest). Uit het arrest valt niet af te leiden dat er voor die datum woonheden werden toegevoegd aan het pand.
(2)Over het vermoeden van vergunning zie Cass. 31 januari 2023, AR P.22.0392.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.8, AC 2023, nr. 78; Cass. 23 april 2019, AR P.18.0990.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3, AC 2019, nr. 236; Cass. 18 september 2018, AR P.18.0136.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.5, AC 2018, nr. 475.
(3)Cass. 11 mei 2021, AR P.20.1220.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.7, AC 2021, nr. 341; RW 2021-22, 823 noot T. VANDROMME, “De herstelvordering woningkwaliteit in geval van stedenbouwkundige inbreuken: schenkt het Hof van Cassatie klare wijn?’, 826-829.
(4)Zie alg. T. VANDROMME, Woningkwaliteitsbewaking in het Vlaamse Gewest, Kluwer 2016, 341p.; T. VANDROMME, “Verhuur van krotwoningen (inbreuken op de Vlaamse Codex Wonen van 2021), in Comm. Sr. 2021, p. 77.
(5)Zie hierover Cass. 6 mei 2014, AR P.12.0355.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140506.1, AC 2014, nr. 316, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN; T. VANDROMME, “Enkele korte beschouwingen over het misdrijf krotverhuur anno 2021”, RW 2020-21, 1508-1509; T. VANDROMME, “De onmogelijkheid om een veroordeling tot herstel van de woningkwaliteit uit te voeren”, RW 2020-21, 222-223; T. VANDROMME, “Verhuur van krotwoningen (inbreuken op de Vlaamse Codex Wonen van 2021), in Comm. Sr. 2021, 53.
(6)Cass. 11 mei 2021, AR P.20.1220.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.7, AC 2021, nr. 341, RW 2021-22, 823 noot T. VANDROMME, “De herstelvordering woningkwaliteit in geval van stedenbouwkundige inbreuken: schenkt het Hof van Cassatie klare wijn?’, 826-829. Zie ook Cass. 2 december 2014, AR P.14.1254.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.5, AC 2014, nr. 745.
(7)Cass. 11 mei 2021, AR P.20.1220.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.7, AC 2021, nr. 341, RW 2021-22, 823 noot T. VANDROMME, Cass. 5 april 2016, AR P.16.0001.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.2, AC 2016, nr. 232, RW 2017-18, 669; Cass. 4 oktober 2011, AR P.11.0312.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111004.3, AC 2011, nr. 520, AR P.11.0312.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111004.3, T. Strafr. 2012, 90 noot T. VANDROMME. Zie ook T. VANDROMME, “Verhuur van krotwoningen (inbreuken op de Vlaamse Codex Wonen van 2021), in Comm. Sr. 2021, 65: “ook een vordering tot herbestemming of sloop kan worden afgewezen wegens kennelijke onevenredigheid. De rechter dient dit evenwel te doen door in concreto vast te stellen in welk opzicht net nadeel voor de betrokkene niet opweegt tegen het voordeel voor het algemeen belang”.
(8)De principiële herstelmaatregel is het herstel van de gebreken van het onroerend goed bestemd voor bewoning (Parl. St. Vl. Parl. 2010-11, nr. 854/1, p.11; aangehaald door T. VANDROMME, “Verhuur van krotwoningen (inbreuken op de Vlaamse Codex Wonen van 2021), in Comm. Sr. 2021, 58, die stelt: “De invoering van een alternatieve herstelmaatregel (herbestemming of sloop) doet geen afbreuk aan de principiële verplichting voor een overtreder van een verkrotte (kamer) woning om de gebreken te herstellen. Met de invoering van de herstelmaatregel wou de decreetgever immers de verbetering van de kwaliteit van het woningpatrimonium in het Vlaamse Gewest nastreven en deze doelstelling wordt het beste bereikt via het herstel van de gebreken. Enkel indien de rechter vaststelt dat het herstel niet meer mogelijk is, zal hij de alternatieve herstelmaatregel moeten bevelen … zal een veroordeling tot herbestemming of sloop niet verhinderen dat de veroordeelde de verkrotte woonentiteiten toch herstelt, wanneer hij daarvoor de vereiste omgevingsvergunning aanvraagt en bekomt”; zie ook T. VANDROMME, “Verhuur van krotwoningen (inbreuken op de Vlaamse Codex Wonen van 2021), in Comm. Sr. 2021, 16-19.
(9)T. VANDROMME, “Verhuur van krotwoningen (inbreuken op de Vlaamse Codex Wonen van 2021), in Comm. Sr. 2021, p. 59. Over de herstelvordering als maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt, zie Cass. 26 november 2019, AR P.19.0604.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.1, AC 2019, nr. 625, met concl. OM; Cass. 15 oktober 2019, P.19.0329.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.1, AC 2019, nr. 517, JLMB 2021, 1121; Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0321.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2, AC 2015, nr. 452.
(10)In strijd met artikel 4.2.1, 7°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de strafrechter bij toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, Vlaamse Wooncode, thans artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen.
(11)A. SMETRYNS, De motiveringsverplichting van de strafrechter, Larcier, reeks CABG 2005, 2.J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 106-107. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230905.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111004.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140506.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.