id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230907.1N.2 Rolnummer: C.23.0019.N Zaak: BELGIAN NEW FRUIT WHARF nv contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige Invoerdatum: 2024-01-12 Raadplegingen: 275 - laatst gezien 2026-06-17 13:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230907.1N.2 Fiches 1 - 2 De artikelen 2, 5, § 1, 10 Taaldecreet zijn slechts in strijd met artikel 35 VWEU en dienen door de nationale rechter slechts buiten toepassing te worden gelaten, in zoverre zij aan ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied van België de verplichting opleggen om voor alle vermeldingen op facturen betreffende grensoverschrijdende transacties binnen de Europese Unie uitsluitend het Nederlands te gebruiken, op straffe van door de rechter ambtshalve vast te stellen nietigheid van de facturen, doch niet in zoverre zij een dergelijke verplichting opleggen betreffende zuiver interne transacties binnen België
(1).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artt. 2 en 5, § 1, Taaldecreet vóór de wijziging bij Decreet van 7 juli 2017 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het beleidsdomein Werk en Sociale Economie. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 35 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet van de Vlaamse Overheid 7 juli 2017 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het beleidsdomein Werk en Sociale Economie - 07-07-2017 - Art. 2 - 19 ELI link Pub nr 2017030840 Decreet van de Vlaamse Overheid 7 juli 2017 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het beleidsdomein Werk en Sociale Economie - 07-07-2017 - Art. 5, § 1 - 19 ELI link Pub nr 2017030840 Decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik der talen voor de sociale betrekking tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de onderneming - 19-07-1973 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1973071902 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - SOCIALE BETREKKINGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 35 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet van de Vlaamse Overheid 7 juli 2017 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het beleidsdomein Werk en Sociale Economie - 07-07-2017 - Art. 2 - 19 ELI link Pub nr 2017030840 Decreet van de Vlaamse Overheid 7 juli 2017 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het beleidsdomein Werk en Sociale Economie - 07-07-2017 - Art. 5, § 1 - 19 ELI link Pub nr 2017030840 Decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik der talen voor de sociale betrekking tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de onderneming - 19-07-1973 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1973071902 Nota: Artt. 2 en 5, § 1, Taaldecreet vóór de wijziging bij Decreet van 7 juli 2017 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het beleidsdomein Werk en Sociale Economie. Tekst van de conclusie C.23.0019.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts: Situering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende.
- Eiseres factureerde op 31 mei 2017 en op 7 juli 2017 aan tweede verweerder bedragen voor het gebruik van een kaai waar het schip “ms City of Antwerp” was afgemeerd, dat te koop was gesteld door tweede verweerder, nadat deze was aangesteld om tot de openbare verkoop van het schip over te gaan. De beide facturen bleven onbetaald, zodat eiseres overging tot dagvaarding van eerste en tweede verweerders voor de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. De aansprakelijkheidsverzekeraars van eerste en tweede verweerders kwamen vrijwillig tussen in de procedure. Derde verweerder kwam, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de verkoopopbrengst van het ms City of Antwerp, eveneens vrijwillig tussen in de procedure. Bij vonnis gewezen op 10 maart 2020 werd de vordering van eiseres tegen eerste en tweede verweerders ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De rechtbank zegde voor recht dat de vordering van eiseres tot betaling van de gefactureerde liggelden beoordeeld dient te worden met toepassing van de artikelen 1655-1675 Gerechtelijk Wetboek in een andere procedure hangend voor de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Recht doende op het hoger beroep van eiseres tegen het vonnis van 10 maart 2020 werd door het hof van beroep van Antwerpen op 15 november 2021 een tussenarrest gewezen, waarin wordt vastgesteld dat de beide facturen van eiseres, een vennootschap met zetel in het Vlaams Gewest, integraal, dit wil zeggen wat alle vermeldingen betreft, in het Engels zijn opgesteld. Het hof oordeelde dat het ertoe gehouden was ambtshalve de mogelijke nietigheid op te werpen van de facturen waarvan eiseres de betaling vordert, dit bij toepassing van artikel 10 van het Decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, kortweg “het Taaldecreet”. Het hof beval de heropening van het debat teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de ambtshalve gestelde vraag en over de rechtsgevolgen van de mogelijke nietigheid van de twee facturen van eiseres. Bij arrest gewezen op 5 september 2022 verklaarde het hof van beroep van Antwerpen de in het Engels door eiseres opgestelde facturen van 31 mei en 7 juli 2017 nietig en bepaalde het hof dat deze facturen dienen vervangen te worden overeenkomstig de bepalingen van het Taaldecreet. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, alsook het verzoek tot het bevelen van een getuigenverhoor werden afgewezen. Het hoger beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en het vonnis van de eerste rechter werd bevestigd.
- Eiseres komt met haar voorziening in cassatie met 1 middel op tegen de arresten van het hof van beroep van Antwerpen van 15 november 2021 en 5 september
- Voor eerste en tweede verweersters werd op 31 maart 2023 een memorie van antwoord neergelegd. Bespreking.
- Eiseres voert een schending aan van de artikelen 35 en 288 tot 292 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, kortweg “VWEU”, van het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het internationaal en supranationaal recht, van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, van artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van artikel 1.2, eerste lid Burgerlijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, thans ingeschreven in artikel 1.2 Burgerlijk Wetboek, en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 2, eerste alinea, 5, § 1, en 10 van het Taaldecreet. Samengevat stelt eiseres dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 juni 2016, inzake C-15/15, New Valmar, zou voortvloeien dat de oude versie van de artikelen 2, 5 en 10 van het Taaldecreet strijdig zijn met artikel 35 VWEU, zodat deze van rechtswege in hun totaliteit buiten toepassing zijn getreden en de appelrechters daarvan derhalve niet wettig toepassing konden maken. Dat het Taaldecreet mogelijkerwijze wél verzoenbaar zou zijn met artikel 35 VWEU indien de decreetgever de vereiste van een in het Nederlands opgestelde factuur beperkt had tot “binnenstatelijke transacties” is volgens eiseres niet relevant. Nog steeds volgens eiseres is de aanwijzing tot aanpassing in voormeld arrest van het Hof van Justitie enkel gericht aan de wetgevende macht maar biedt het geenszins de mogelijkheid voor de rechterlijke macht om zelf te bepalen in welke gevallen zij toepassing van de nietigheidsregeling in het Taaldecreet kan maken en in welke niet. Volgens eiseres staat het niet aan de rechterlijke macht om aan de vastgestelde onwettigheid te remediëren wanneer de tekst van de wet dit niet toelaat. Door dit wel te doen zouden de appelrechters het rechtsbeginsel houdende de scheiding der machten hebben miskend. Tevens zouden de appelrechters aldus in werkelijkheid een retroactieve toepassing hebben gemaakt van artikel 5 van het Taaldecreet, zoals gewijzigd bij Decreet van 7 juli
- In het arrest Simmenthal van 9 maart 1978, 106/77 oordeelde het Hof van Justitie reeds dat “krachtens het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht, de Verdragsbepalingen en de rechtstreeks toepasselijke handelingen der instellingen, in hun verhouding tot het nationale recht der lidstaten tot gevolg hebben, niet alleen dat zij door het enkele feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de bestaande nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden, maar ook – daar die bepalingen en handelingen onderdeel van hogere rang vormen van de op het grondgebied van elk der lidstaten geldende rechtsorde – dat zij in de weg staan aan de geldige totstandkoming van nieuwe nationale wetgevende handelingen, voor zover die onverenigbaar met de gemeenschapsregels zouden zijn”
(1). In het arrest Poplawski II van 24 juni 2019 (Grote Kamer), C-573/17 heeft het Hof van Justitie gepreciseerd dat de verplichting om een met het Unierecht strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten enkel bestaat als de bepaling van Unierecht rechtstreekse werking heeft
(2). Het beginsel van voorrang van Unierecht doet immers geen afbreuk aan het wezenlijk onderscheid tussen bepalingen van Unierecht met rechtstreekse werking en bepalingen zonder rechtstreekse werking
(3). In een onder het Unierecht vallend geding kan een bepaling van Unierecht zonder rechtstreekse werking als zodanig niet worden ingeroepen om een daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten
(4). In dat geval blijft de nationale rechter wel verplicht om de nationale bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming met de Unieregel uit te leggen. Unienormen hebben rechtstreekse werking wanneer particulieren hieruit rechtstreeks rechten kunnen putten, jegens de overheid (verticale rechtstreekse werking) of jegens andere particulieren (horizontale rechtstreekse werking). Zij kunnen die rechten voor de nationale rechter inroepen
(5). De inhoudelijke voorwaarde voor de rechtstreekse werking van een Unienorm is dat zij voldoende precies is (duidelijk) en geen verdere uitvoering nodig heeft door Unie- of nationale overheden met een zekere beoordelingsvrijheid (onvoorwaardelijk)
(6)De ratio achter de precisering in Poplawski II is aldus dat slechts Unienormen met een rechtstreekse werking, en die dus subjectieve rechten kunnen scheppen die de justitiabelen kunnen afdwingen voor de nationale rechter, in het interne recht kunnen worden toegepast om elke hiermee strijdige nationale regel terzijde te stellen. Een justitiabele kan zich dan rechtstreeks op die Unienorm beroepen (en op de rechten die hij hieraan ontleent) om de strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten verklaren. Indien justitiabelen ook Unienormen zonder rechtstreekse werking in het interne recht zouden kunnen inroepen om een strijdige nationale bepaling terzijde te stellen, zou hierdoor de facto toch een rechtstreekse werking aan die Unienormen worden toegekend – hieruit zouden dan namelijk toch rechtstreeks subjectieve rechten (of verplichtingen) voor particulieren worden afgeleid. Hierdoor zou het beginsel van voorrang van Unierecht, zoals gezegd, het wezenlijk onderscheid tussen Uniebepalingen mét en zonder rechtstreekse werking ondermijnen
(7). In casu staat de strijdigheid van de bepalingen van het Taaldecreet met artikel 35 VWEU ter discussie (te weten het verbod op kwantitatieve uitvoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten), wat een Verdragsbepaling betreft (primair Unierecht). In dit verband moet worden gewezen op het onderscheid tussen de rechtstreekse toepasselijkheid van de Verdragen of verordeningen en de rechtstreekse werking van de bepalingen ervan. Enerzijds betekent de rechtstreekse toepasselijkheid van de Verdragen of verordeningen dat deze, als rechtsinstrument, kunnen worden toegepast zonder dat een omzetting in de interne rechtsorde vereist is. Anderzijds betekent de rechtstreekse werking van de bepalingen ervan dat zij inhoudelijk kunnen worden ingeroepen door de justitiabelen om een vordering in rechte in te stellen. Hiertoe moeten de bepalingen, zoals gezegd, voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn
(8). Wat de rechtstreekse werking van primair Unierecht betreft, zijn de Verdragen als rechtsinstrument rechtstreeks toepasselijk. Voor Verdragsbepalingen moet dus enkel nog inhoudelijk worden nagegaan of zij rechtstreekse werking hebben. In dat geval kan een particulier zich hierop tegenover Unie- en nationale overheden beroepen (te weten verticaal) of, in bepaalde gevallen, tegenover andere particulieren (te weten horizontaal)
(9). Met andere woorden de rechtstreekse werking van een Verdragsbepaling kan niet automatisch worden afgeleid uit de rechtstreekse toepasselijkheid van het rechtsinstrument (doordat dit geen omzetting vereist in de interne rechtsorde). Indien een particulier zich op een Verdragsbepaling (in casu art. 35 VWEU) beroept om de toepassing van een strijdige nationale bepaling (in casu het Taaldecreet) terzijde te stellen, moet de rechter dus steeds inhoudelijk nagaan of die Verdragsbepaling rechtstreekse werking kan hebben
(10). Zoals reeds vermeld, kunnen particulieren op grond van Poplawski II immers slechts bepalingen van Verdragen of verordeningen inroepen voor de nationale rechter teneinde een strijdige nationale regel buiten toepassing te laten, indien die bepalingen inhoudelijk rechtstreekse werking hebben
(11). Met betrekking tot artikel. 35 VWEU (te weten het verbod op kwantitatieve uitvoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten) erkent het Hof van Justitie dat deze bepaling rechtstreekse werking heeft, zodat particulieren het recht op vrij verkeer van goederen voor de nationale rechter kunnen afdwingen
(12). Zij kunnen dit niet enkel doen ten aanzien van de lidstaten (te weten verticaal), maar ook in een geschil met andere particulieren (te weten horizontaal), zoals het Hof van Justitie uitdrukkelijk erkent in het arrest Delhaize en Le Lion
(13). Conform de leer in Poplawski II volgt uit de rechtstreekse werking van artikel 35 VWEU – ook in een geschil tussen particulieren, zoals in casu het geval is – dat deze Unienorm kan worden ingeroepen om een hiermee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te verklaren. In de rechtsleer wordt verduidelijkt dat “de voorrang van het Unierecht inhoudt dat de nationale rechtsregels moeten wijken voor normen van Unierecht waarmee zij in conflict komen. Om een dergelijk conflict vast te stellen, moeten de inhoud en de strekking van de Unienorm worden beoordeeld aan de hand van wat in deze norm staat en van wat er – al dan niet bewust – niet in staat. De nationale rechtsregel behoudt haar gelding dan alleen voor die aspecten die de Unienorm onaangeroerd heeft gelaten”
(14). Bij een (al dan niet door het Hof van Justitie) vastgestelde strijdigheid van een nationale bepaling met het Unierecht, wordt de strijdige nationale bepaling niet als zodanig vernietigd. De voorrang van het Unierecht houdt daarentegen de verplichting in voor de nationale rechter om een nationale bepaling buiten toepassing te laten, voor zover deze in conflict is met een Unieregel met rechtstreekse werking. Die nationale rechtsregel zal wel haar uitwerking behouden met betrekking tot de (zuiver internrechtelijke) elementen, die niet geviseerd worden door de regels van Unierecht. In zijn oude versie (vóór de wijziging bij decreet van 7 juli 2017) bepaalde artikel 5, § 1, Taaldecreet in algemene termen – dit is zowel met betrekking tot binnenlandse als met betrekking tot grensoverschrijdende transacties – dat de te gebruiken taal voor de (…) wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen (…) het Nederlands is. Artikel 2, eerste lid, Taaldecreet bepaalt dat dit decreet van toepassing is op alle natuurlijke personen en rechtspersonen die een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied hebben. Krachtens art. 10, eerste lid, Taaldecreet zijn de stukken of handelingen die in strijd zijn met de bepalingen van het decreet, nietig. De nietigheid wordt ambtshalve door de rechter vastgesteld. Krachtens het derde lid beveelt het vonnis ambtshalve de vervanging van de betrokken stukken. Krachtens het vierde lid heeft de opheffing van de nietigheid slechts uitwerking vanaf de dag van de vervanging. Op grond van die regeling had een onderneming met zetel in het Nederlands taalgebied van België dus steeds de verplichting om voor alle vermeldingen op de facturen uitsluitend het Nederlands te gebruiken, onverschillig of die facturen gericht waren aan een onderneming gevestigd in België (dit is in het raam van binnenlandse transacties) dan wel aan een onderneming gevestigd in een andere lidstaat van de EU (dit is in het raam van grensoverschrijdende transacties). Op prejudiciële vraagstelling door de rechtbank van koophandel te Gent bij vonnis van 18 december 2014 oordeelde het Hof van Justitie in zijn arrest van 21 juni 2016, 15/15, New Valmar, dat: * in casu uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat facturen – ook betreffende grensoverschrijdende transacties – die worden afgegeven door ondernemingen met hun exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied van België, op grond van het Taaldecreet verplicht in het Nederlands, als enige authentieke taal, moeten worden opgesteld, op straffe van door de rechter ambtshalve vast te stellen nietigheid (r.o. 38); * door de betrokken marktdeelnemers de mogelijkheid te ontnemen voor hun facturen vrij een taal te kiezen die zij beiden beheersen, een dergelijke regeling het risico op betwisting en niet-betaling van facturen kan verhogen, aangezien de ontvangers van de facturen zich mogelijk aangespoord voelen zich te verzetten tegen betaling ervan door aan te voeren dat zij in de – al dan niet voorgewende – onmogelijkheid zijn om de inhoud ervan te begrijpen (r.o. 40); * omgekeerd de ontvanger van een factuur die is opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, gelet op de absolute nietigheid van een dergelijke factuur, ertoe kan worden aangezet de geldigheid ervan louter op die grond te betwisten, zelfs wanneer die factuur is opgesteld in een taal die hij begrijpt (r.o. 41); * zulke regeling bijgevolg, ofschoon zij betrekking heeft op de verplichte taalversie van de vermeldingen op de factuur en niet op de inhoud van de contractuele verhouding die daaraan ten grondslag ligt, wegens de rechtsonzekerheid die zij teweegbrengt, beperkende gevolgen heeft voor het handelsverkeer die het sluiten of voortzetten van contractuele verhoudingen met een onderneming die is gevestigd in het Nederlandse taalgebied van België, kunnen ontmoedigen (r.o. 42); * een dergelijke regeling weliswaar een weerslag kan hebben zowel op de interne handel van de betrokken lidstaat als op de grensoverschrijdende handel, aangezien zij zonder onderscheid van toepassing is op elke factuur die wordt afgegeven door een onderneming met haar exploitatiezetel in dat taalgebied, maar dat niet wegneemt dat de kans groter is dat zij laatstbedoelde handel beïnvloedt, daar het minder waarschijnlijk is dat een koper die is gevestigd in een andere lidstaat dan België Nederlands begrijpt dan een koper die is gevestigd in België, waar die taal een van de officiële talen is (r.o. 43); * de regeling bijgevolg een beperking is in de zin van art. 35 VWEU (r.o. 47); * geen rechtvaardiging voor deze regeling bestaat, nu zij verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van de vooropgestelde doelstellingen van algemeen belang (nl. het stimuleren van het gebruik van de officiële taal van het betrokken grondgebied en het waarborgen van de doeltreffendheid van de controle inzake btw door de bevoegde diensten) (r.o. 53 e.v.); * in casu een regeling van een lidstaat die niet alleen voorschrijft dat zijn officiële taal moet worden gebruikt voor facturen betreffende grensoverschrijdende transacties maar bovendien voorziet in de mogelijkheid om daarnaast een rechtsgeldige versie van dergelijke facturen op te stellen in een door de betrokken partijen begrepen taal, minder zou ingrijpen in het vrije verkeer van goederen dan de regeling in het hoofdgeding, maar toch geschikt zou zijn om de doelstellingen van die regeling te waarborgen (r.o. 54); * artikel 35 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een regeling van een gefedereerde eenheid van een lidstaat, zoals de Vlaamse Gemeenschap van het Koninkrijk België, die elke onderneming die haar exploitatiezetel op het grondgebied van deze eenheid heeft, de verplichting oplegt om voor alle vermeldingen op facturen betreffende grensoverschrijdende transacties uitsluitend de officiële taal van deze eenheid te gebruiken, op straffe van door de rechter ambtshalve vast te stellen nietigheid van deze facturen (r.o. 57). Uit het arrest New Valmar volgt kennelijk dat het Hof van Justitie de oude regeling van het Taaldecreet – namelijk de verplichting voor ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied van België om voor alle vermeldingen op de facturen uitsluitend het Nederlands te gebruiken – enkel in strijd achtte met art. 35 VWEU met betrekking tot. grensoverschrijdende transacties binnen de Europese Unie, dit is met betrekking tot transacties waarin de facturen gericht zijn aan ondernemingen gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie. De verplichting om facturen uitsluitend in het Nederlands op te stellen, kan de handel tussen lidstaten dan immers ongunstig beïnvloeden, in strijd met het vrij verkeer van goederen. Logischerwijze lijkt het Hof van Justitie met dit arrest daarentegen geen uitspraak gedaan met betrekking tot zuiver interne transacties binnen de betrokken lidstaat, dit is m.b.t. transacties waarin de facturen gericht zijn aan ondernemingen gevestigd binnen het grondgebied van België. Zulke zuiver binnenlandse transacties zijn immers vreemd aan artikel 35 VWEU, dat het vrij verkeer van goederen tussen lidstaten betreft. Voor deze binnenlandse transacties blijft de internrechtelijke verplichting voor ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied van België om voor alle vermeldingen op facturen uitsluitend het Nederlands te gebruiken, onverkort bestaan. Met andere woorden de nationale rechter moet de bepalingen van het Taaldecreet (in hun oude versie), die aan ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België de verplichting opleggen om voor alle vermeldingen op facturen uitsluitend het Nederlands te gebruiken, slechts buiten toepassing laten met betrekking tot grensoverschrijdende transacties binnen de Europese Unie, waarbij de facturen gericht zijn aan een onderneming met zetel in een andere lidstaat, maar niet met betrekking tot binnenlandse transacties, waarbij de facturen gericht zijn aan een onderneming met zetel in België. De feitelijke context bevatte in New Valmar – anders dan in de voorliggende zaak – ook een duidelijk grensoverschrijdend element. In die zaak richtte een onderneming met exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied van België (New Valmar) facturen aan een Italiaanse onderneming. Alle vermeldingen op de facturen waren in een andere taal dan het Nederlands opgesteld, namelijk het Italiaans (dus in strijd met het Taaldecreet). De Italiaanse onderneming voerde de nietigheid van de facturen aan wegens strijdigheid met het Taaldecreet, om de facturen niet te moeten betalen. De Belgische onderneming voerde daarentegen aan dat zij het Taaldecreet niet moest toepassen wegens strijdigheid met artikel 35 VWEU en dat zij op grond van die Unierechtelijke bepaling verplicht was om de facturen in een begrijpelijke taal op te stellen. Zoals hierboven is gebleken, bevestigt het arrest New Valmar dat de voormelde vereisten van het Taaldecreet in deze grensoverschrijdende context strijdig zijn met artikel 35 VWEU. In casu is een grensoverschrijdend element echter volledig afwezig. De eiseres, een onderneming met exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied van België, richt haar facturen aan de verweerders, eveneens gevestigd in het Nederlandse taalgebied van België. Alle vermeldingen op de facturen zijn ook hier in een andere taal dan het Nederlands opgesteld, namelijk het Engels (dus opnieuw in strijd met het Taaldecreet). De verweerders voeren de nietigheid van de facturen aan wegens strijdigheid met het Taaldecreet. De eiseres beroept zich echter op de strijdigheid van het Taaldecreet met artikel 35 VWEU om dit decreet buiten werking te stellen, zodat de facturen wel geldig zouden zijn. Het lijkt mij evenwel al te gemakkelijk voor een afzender van facturen die het Taaldecreet in een zuiver interne context heeft geschonden, om zich vervolgens op artikel 35 VWEU te beroepen om aan de strenge vereisten van het Taaldecreet te ontsnappen en zo de nietigheid van de facturen te omzeilen. Deze strenge taalvereisten – die eigen nationale doelstellingen van algemeen belang dienen – blijven in een nationale context gelden. Zoals reeds vermeld, is deze context vreemd aan artikel 35 VWEU. De ratio van het buiten toepassing laten van het Taaldecreet – namelijk een verbod op kwantitatieve uitvoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking, die de grensoverschrijdende handel tussen lidstaten negatief kunnen beïnvloeden – is hier immers volledig afwezig. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat het arrest New Valmar steunt op een belangrijk precedent, namelijk het arrest van het Hof van Justitie van 16 april 2013, C-202/11, Las, dat ook een grensoverschrijdende situatie betrof. In deze zaak was een Nederlandse werknemer op basis van een in het Engels opgesteld arbeidscontract in dienst getreden van een onderneming met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België (maar met hoofdzetel in Singapore – de werkgever was het Nederlands niet machtig). De Nederlandse werknemer werd ontslagen en kreeg een opzeggingsvergoeding overeenkomstig het arbeidscontract. De Nederlandse werknemer voerde evenwel aan dat het arbeidscontract nietig was wegens strijdigheid met het Taaldecreet, nu het niet in het Nederlands was opgesteld, hoewel de werkgever zijn exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België had. Ten gevolge van de nietigheid van het arbeidscontract zou de werknemer recht hebben op een hogere opzeggingsvergoeding. De werkgever voerde daarentegen aan dat dit decreet buiten toepassing moest worden gelaten wegens strijdigheid met artikel 45 VWEU, nu het arbeidscontract een persoon betrof die gebruikmaakte van zijn recht van vrij verkeer van werknemers. Het Hof van Justitie oordeelde in dit arrest Las dat artikel 45 VWEU niet alleen door de werknemers zelf, maar ook door hun werkgevers kan worden ingeroepen, die het recht hebben om werknemers met inachtneming van de regels betreffende het vrije verkeer in dienst te nemen
(15). Het Hof van Justitie oordeelde op grond van een redenering die analoog is aan die in New Valmar dat artikel 45 VWEU in de weg staat aan een regeling van een gefedereerde eenheid van een lidstaat, zoals het Taaldecreet, die elke werkgever die zijn exploitatiezetel op het grondgebied van deze eenheid heeft, de verplichting oplegt om arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter uitsluitend op te stellen in de officiële taal van deze gefedereerde eenheid, op straffe van door de rechter ambtshalve aan te voeren nietigheid van deze overeenkomsten
(16). Het Hof van Justitie oordeelde ook hier dat de regeling niet evenredig was met haar doelstellingen. Een regeling van een lidstaat die niet alleen zou voorschrijven dat zijn officiële taal moet worden gebruikt voor arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter maar bovendien zou voorzien in de mogelijkheid om daarnaast in een door alle betrokken partijen begrepen taal een rechtsgeldige versie van dergelijke overeenkomsten op te stellen, zou immers minder ingrijpen in het vrije verkeer van werknemers dan de regeling van het Taaldecreet, maar toch geschikt zijn om de doelstellingen van die regeling te waarborgen
(17). Ten gevolge van dit arrest Las werd bij decreet van 14 maart 2014 een § 2 in artikel 5 Taaldecreet ingevoegd. Dit artikel 5, § 2, eerste lid, bepaalt dat, met behoud van de toepassing van paragraaf 1, voor individuele arbeidsovereenkomsten bijkomend een rechtsgeldige versie kan worden opgemaakt in een van volgende door alle betrokken partijen begrepen talen: 1° een officiële taal van de EU; 2° een officiële taal van een van de lidstaten van de EER maar die geen lid zijn van de EU. Het tweede lid bepaalt dat dit eerste lid enkel van toepassing is indien de werknemer zich in een van onderstaande gevallen bevindt: 1° hij heeft zijn woonplaats op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de EU of van de EER; 2° hij heeft zijn woonplaats op het Belgische grondgebied en heeft gebruikgemaakt van zijn recht op vrij verkeer van werknemers of van vrijheid van vestiging; 3° hij valt onder het vrij verkeer van werknemers op grond van een internationaal of supranationaal verdrag. Deze regeling komt overeen met de oplossing die het Hof van Justitie had gesuggereerd in Las, r.o.
- Het is dus mijns inziens duidelijk dat ook in het arrest Las de strijdigheid van het Taaldecreet met artikel 45 VWEU – en dus de verplichting om de oude versie van artikel 5 Taaldecreet buiten toepassing te laten – uitsluitend betrekking had op arbeidscontracten met een grensoverschrijdend karakter. Uiteraard liet ook dit arrest de internrechtelijke taalvereisten met betrekking tot zuiver nationale arbeidscontracten onverlet. Ten gevolge van het arrest New Valmar werd artikel 5 Taaldecreet bij decreet van 7 juli 2017 opnieuw gewijzigd. Er werd een § 2/1 ingevoegd, dat de regeling met betrekking tot grensoverschrijdende transacties binnen de Europese Unie heeft gewijzigd, om deze in overeenstemming te brengen met artikel 35 VWEU. Krachtens dit artikel 5, § 2/1, eerste lid, Taaldecreet kan, met behoud van de toepassing van paragraaf 1 (dit is naast de verplichting voor ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied om voor alle vermeldingen op facturen het Nederlands te gebruiken), voor facturen bijkomend een rechtsgeldige versie worden opgemaakt in een van volgende door alle betrokken partijen begrepen talen: 1° een officiële taal van de EU; 2° een officiële taal van een van de lidstaten van de EER die geen lid zijn van de EU. Krachtens het tweede lid is het eerste lid alleen van toepassing als de natuurlijke persoon of de exploitatiezetel van de onderneming waaraan de factuur gericht is, gevestigd is in een van de lidstaten van de EU of EER, met uitzondering van België. Deze nieuwe regeling komt overeen met de oplossing die het Hof van Justitie had gesuggereerd in New Valmar, r.o.
- Zij is in werking getreden op 11 augustus
- Op het ogenblik van de feiten in de voorliggende zaak, gold dus nog de oude regeling, zoals vóór de wijziging bij decreet van 7 juli
- Wat de oude regeling betreft (vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling op 11 augustus 2017), geldt dus mijns inziens het volgende: * met betrekking tot binnenlandse transacties, waarbij de facturen gericht zijn aan ondernemingen met exploitatiezetel in België, blijft voor ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België de verplichting gelden om voor alle vermeldingen op de facturen uitsluitend het Nederlands te gebruiken, krachtens art. 5, § 1, Taaldecreet. Dit deel van de oude regeling blijft van toepassing; * met betrekking tot grensoverschrijdende transacties, waarbij de facturen gericht zijn aan ondernemingen met exploitatiezetel in een andere lidstaat van de EU, wordt de verplichting voor ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België om voor alle vermeldingen op de facturen uitsluitend het Nederlands te gebruiken, terzijde gesteld wegens strijdigheid met artikel 35 VWEU (New Valmar). Slechts met betrekking tot die grensoverschrijdende transacties bestaat dus een vacuüm in de nationale regeling, in afwachting van een optreden door de decreetgever. Enkel dit deel van de oude regeling wordt buiten toepassing gesteld: enkel in die mate moest de decreetgever aan de strijdigheid met artikel 35 VWEU remediëren, wat hij heeft gedaan door § 2/1 in artikel 5 Taaldecreet in te voegen. Wat de nieuwe regeling betreft (na de inwerkingtreding ervan op 11 augustus 2017), geldt het volgende: * met betrekking tot binnenlandse transacties, waarbij de facturen gericht zijn aan ondernemingen met exploitatiezetel in België, geldt voor ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België de verplichting om voor alle vermeldingen op de facturen uitsluitend het Nederlands te gebruiken, krachtens artikel 5, § 1, Taaldecreet (in de nieuwe regeling blijft deze verplichting ongewijzigd ten opzichte van de oude regeling); * met betrekking tot grensoverschrijdende transacties, waarbij de facturen gericht zijn aan ondernemingen met exploitatiezetel in een andere lidstaat van de EU, kunnen ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België, naast hun verplichting om voor alle vermeldingen op de facturen het Nederlands te vermelden, bijkomend een rechtsgeldige versie opmaken in een andere officiële taal van de EU, krachtens artikel 5, § 2/1, Taaldecreet. Ik meen dat het middel geheel berust op de onjuiste rechtsopvatting dat het arrest New Valmar als gevolg heeft dat de oude versie van artikel 5, § 1, Taaldecreet juncto artikel 2 en 10 Taaldecreet in haar totaliteit strijdig is met artikel 35 VWEU, zodat zij geheel buiten toepassing is getreden – namelijk zowel met betrekking tot grensoverschrijdende als met betrekking tot binnenlandse transacties – zodat een volledig juridisch vacuüm in de nationale regelgeving zou zijn ontstaan. Zoals blijkt uit bovenstaande analyse, faalt mijns inziens dit middel naar recht. Het middel lijkt in zekere zin ervan uit te gaan dat de bepalingen van het Taaldecreet ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie volledig zouden zijn vernietigd. De eiseres verwijst in de toelichting bij het middel immers naar de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake gedeeltelijke vernietiging van EU-handelingen en naar het criterium van scheidbaarheid
(18). Deze rechtspraak lijkt hier evenwel niet relevant te zijn. Het gaat hier immers niet om een (gedeeltelijke) nietigverklaring, maar wel om de verplichting voor de nationale rechter – op grond van het beginsel van voorrang van het Unierecht – om een nationale bepaling buiten toepassing te laten, logischerwijze uitsluitend voor zover die strijdig is met een Unienorm. Zo men wil, kan in de terminologie van de rechtspraak waarnaar de eiseres verwijst, worden gesteld dat de aspecten van de nationale regeling die het Unierecht onaangeroerd heeft gelaten, “scheidbaar” zijn van de rest, zodat de nationale regeling voor die aspecten van toepassing blijft. In casu is de taalregeling met betrekking tot de binnenlandse transacties in elk geval perfect afsplitsbaar van de taalregeling met betrekking tot grensoverschrijdende transacties, zonder dat hierdoor de kern van de regeling in het Taaldecreet zou worden aangetast. Dit blijkt ook uit het feit dat de decreetgever de oude taalregeling met betrekking tot de binnenlandse transacties behouden heeft en enkel met betrekking tot de grensoverschrijdende transacties een paragraaf heeft toegevoegd om aan de strijdigheid met artikel 35 VWEU te remediëren. Het middel voert op grond van voornoemd en naar ik meen onjuist uitgangspunt aan dat het niet aan de rechterlijke macht toekomt om vooruit te lopen op een decretaal ingrijpen en om de verplichting om facturen in het Nederlands uit te schrijven, te beperken tot binnenlandse transacties. Het zou immers niet aan de rechterlijke macht staan om aan de vastgestelde onwettigheid van een wettelijke bepaling te remediëren, wanneer de tekst van de wet dit niet toelaat. Door dit wel te doen, zouden de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten hebben miskend. Deze grief is afgeleid uit het tevergeefs gevoerde verweer dat de oude regeling van het Taaldecreet volledig buiten werking zou zijn gesteld ten gevolge van een strijdigheid met artikel 35 VWEU. Deze oude regeling is echter, zoals reeds gesteld, van toepassing gebleven betreffende binnenlandse transacties, zodat wat dit aspect betreft, in de nationale regelgeving geen vacuüm is ontstaan dat het ingrijpen van de decreetgever vereiste. De appelrechters hebben zich dus niet in de plaats gesteld van de decreetgever en zijn niet zelf vooruitgelopen op een nieuwe regeling, door aan ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België, bij binnenlandse transacties, de verplichting op te leggen om facturen uitsluitend in het Nederlands op te stellen. Zij hebben daarentegen gewoon de oude regeling van het Taaldecreet toegepast (namelijk de oude versie van artikel 5, § 1, juncto de artikelen 2 en 10 Taaldecreet, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten), die is blijven gelden wat de binnenlandse transacties betreft (waarop het geschil betrekking heeft). Het middel voert op naar ik meen onjuiste wijze aan dat indien wordt aangenomen dat de beslissing van de appelrechters naar recht verantwoord is, hieruit volgt dat het optreden van de decreetgever overbodig zou zijn
(19). Het past hier te benadrukken dat het optreden van de decreetgever sowieso niet overbodig is. Zoals gezegd, was de noodzaak tot ingrijpen van de decreetgever, op grond van het arrest New Valmar, beperkt tot grensoverschrijdende transacties – enkel wat die transacties betreft, was de oude regeling immers in strijd met artikel 35 VWEU. Vóór het ingrijpen van de decreetgever op 7 juli 2017 gold met betrekking tot grensoverschrijdende transacties dus een vacuüm in de nationale regelgeving, ten gevolge van de verplichting om de oude regeling van het Taaldecreet buiten toepassing te laten wegens strijdigheid met artikel 35 VWEU. Voor ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België gold dus niet langer enige verplichting om hun facturen in het Nederlands op te stellen, wanneer die gericht waren aan ondernemingen met zetel in een andere lidstaat. Zo kon New Valmar (een Belgische onderneming met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied) rechtsgeldig haar facturen uitsluitend in het Italiaans opstellen ter attentie van een Italiaanse onderneming (op grond van artikel 35 VWEU met rechtstreekse horizontale werking en het buiten toepassing laten van het Taaldecreet). Sinds het ingrijpen van de decreetgever op 7 juli 2017 geldt met betrekking tot grensoverschrijdende transacties echter artikel 5, § 2/1, Taaldecreet dat, conform de New Valmar rechtspraak, in overeenstemming is met artikel 35 VWEU. Krachtens die nieuwe regeling hebben ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied van België ook met betrekking tot grensoverschrijdende transacties de verplichting om hun facturen in het Nederlands uit te stellen, maar kunnen zij bijkomend de officiële taal van een andere lidstaat gebruiken. Op grond van die nieuwe regeling kan een factuur dus niet rechtsgeldig uitsluitend in de officiële taal van een lidstaat opgesteld worden, indien zij gericht is aan een onderneming die haar zetel in die lidstaat heeft (bijvoorbeeld het Italiaans: New Valmar). Dit is slechts een bijkomende mogelijkheid, naast de verplichting om een factuur in het Nederlands uit te geven. De appelrechters hebben geen toepassing gemaakt van het nieuwe artikel 5, § 1 en § 2/1, Taaldecreet (zoals gewijzigd bij decreet van 7 juli 2017). Zij hebben integendeel de oude regeling toegepast (namelijk de oude versie van artikel 5, § 1, Taaldecreet, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten), die niet strijdig was met artikel 35 VWEU en dus niet terzijde diende te worden gesteld met betrekking tot binnenlandse transacties, waarop het geschil betrekking heeft. Ik meen zodoende dat in zoverre het middel ervan uitgaat dat de bepalingen van het Taaldecreet in hun geheel strijdig zijn met artikel 35 WVEU en dus geheel buiten toepassing zijn getreden, zodat de verplichtingen voor ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied van België om voor alle vermeldingen op de facturen uitsluitend het Nederlands te gebruiken evenmin nog zou gelden met betrekking tot zuiver interne transacties binnen België, het faalt naar recht. In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikel 288 tot 292 VWEU en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, lijkt het mij afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk. In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 1 Oud Burgerlijk Wetboek, 1.2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van wetten, meen ik dat het berust op een onjuiste lezing van de bestreden arresten en mitsdien feitelijke grondslag mist. Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. ___________________________________
(1)HvJ 9 maart 1978, 106/77, Simmenthal, r.o. 17.
(2)HvJ (Grote Kamer) 24 juni 2017, C-573/17, Poplawski II, r.o. 60-63 en 68; zie K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2023, 557, nr. 693; A. LENAERTS, “La primauté du droit de l’Union dans la jurisprudence de la Cour de cassation en matière civile”, JT 2021, 629 e.v.)
(3)HvJ (Grote Kamer) 24 juni 2017, C-573/17, Poplawski II, r.o. 60.
(4)HvJ (Grote Kamer) 24 juni 2017, C-573/17, Poplawski II, r.o. 62-68.
(5)HvJ 5 februari 1963, Van Gend & Loos, 26/62, r.o. 21-25; K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2023, 571, nr. 711.
(6)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2023, 571-572, nr. 712.
(7)HvJ (Grote Kamer) 24 juni 2017, C-573/17, Poplawski II, r.o. 60; zie hierover A. LENAERTS, “La primauté du droit de l’Union dans la jurisprudence de la Cour de cassation en matière civile”, JT 2021, 631, nr. 7.
(8)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2023, 574, nr. 715.
(9)ibid., 572, nr. 713.
(10)N. CARIAT en J. VAN MEERBEECK, “L’invocation du droit de l’Union européenne devant les cours et tribunaux de l’ordre judiciaire belge: potentialités et limites” in Actualités de la protection juridictionnelle dans et par l’Union europeénne, Brussel, Larcier 2016, 67; A. LENAERTS, “La primauté du droit de l’Union dans la jurisprudence de la Cour de cassation en matière civile”, JT 2021, 635-636, nr. 17.
(11)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2023, 642, nr. 793.
(12)HvJ 29 november 1978, 83/78, Redmond, r.o. 66-67; HvJ 9 juni 1992, C-47/90, Delhaize en Le Lion, r.o. 28; HvJ 3 maart 2011, C-161/09, Kakavetsos-Fragkopoulos, r.o. 22; K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2023, 150, nr. 184.
(13)HvJ 9 juni 1992, C-47/90, Delhaize en Le Lion, r.o. 29.
(14)(K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2023, 554-555, nr. 690; P. VAN NUFFEL, “Doorwerking van Europees Gemeenschapsrecht in de Belgische rechtsorde” in J. WOUTERS en D. VAN EECKHOUTTE (eds.), Doorwerking van internationaal recht in de Belgische rechtsorde, Antwerpen, Intersentia 2006, 349, nr. 21; met verwijzing naar bv. HvJ 18 februari 1970, 40/69, Hauptzollamt Hamburg, r.o. 4-5; HvJ 18 mei 1977, 111/76, Van den Hazel, r.o. 13-27; HvJ 4 februari 1988, 255/86, Commissie t. België, r.o. 8-11; HvJ 20 september 1988, 190/87, Moormann, r.o. 11-13, waarin wordt nagegaan in hoeverre een nationale regeling in strijd is met de betreffende EU-verordeningen inzake de gemeenschappelijke landbouw rekening houdend met de strekking van de Unienorm).
(15)HvJ 16 april 2013, C-202/11, Las, r.o. 18.
(16)HvJ 16 april 2013, C-202/11, Las, r.o. 34.
(17)HvJ 16 april 2013, C-202/11, Las, r.o. 32.
(18)Voorziening in cassatie, p. 17-18.
(19)Voorziening in cassatie, p. 15 onderaan. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230907.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230907.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div