← België

V. contra 3D DIAMONDS nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 september 202

Art. 2230

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2268

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2279

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2230

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2268

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2279

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Fiche 3 Een kennelijk onredelijke situatie in de zin van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, veronderstelt niet noodzakelijk dat een partij procesrechtsmisbruik begaat

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 De rechter kan de proceshouding van een partij in de zaak zelf of in andere gedingen in overweging nemen bij de beoordeling van het criterium van de kennelijk onredelijke situatie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.21.0421.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts: (...) Tweede middel.
  1. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van de appelrechter ten gronde inzake het eigendomsrecht van de aandelen. (...) Derde onderdeel.
  2. Het derde onderdeel verwijt in essentie aan de appelrechter dat hij, tot afwijzing van de eigendomsvordering van eisers, steunt op het vermoeden dat voortvloeit uit het tussenarrest van 14 september 2017, waarin wordt geoordeeld dat de “familie V.L.-P.” eigenaar zijn van de aandelen. Aangezien uit de vaststellingen van de appelrechter zou blijken dat eisers het bezit hadden over de aandelen, menen eisers dat ze zich konden beroepen op het bezitsvermoeden, waarmee het vermoeden dat het tussenarrest oplevert, zou zijn weerlegd, en waarna het aan verweerders toekwam om te bewijzen dat het bezit niet te goeder trouw of gebrekkig was. Bijgevolg zou de appelrechter de eigendomsvordering van eisers niet hebben kunnen afwijzen op grond van de overweging dat zij “op geen enkele wijze de beweerde eigendomsoverdracht” noch “het voortdurende bezit” van de aandelen aantonen, nu de bewijslast van deze elementen niet bij hen zou liggen. De appelrechter beoordeelt het door eisers ingeroepen bezitsvermoeden als volgt: * de appelrechter hanteert het tussenarrest van 14 september 2017 als uitgangspunt van zijn redenering. Hij stelt vast dat (i) het hof in dat arrest het “bewezen [acht] dat de eigendomsrechten van de aandelen in Quiet & Peace toebehoorden aan (de familie) V.L.-P.”, dat (ii) de argumenten die thans worden aangevoerd “dezelfde [zijn] als deze die werden aangevoerd” in de eerdere procedure en dat (iii) hij “bij gebreke aan geslaagd derdenverzet datgene wat beslist […] als waar [dient] aan te nemen, onder voorbehoud van de mogelijkheid van [eisers] om het tegenwijs te leveren door alle middelen van recht”
(1); * de appelrechter stelt vast dat eisers – in tegenstelling tot hetgeen is beslist in voormelde procedure – menen dat zij als eigenaar moeten worden beschouwd en dat ze zich, tot staving van hun eigendomsvordering, beroepen op “de artikelen 2230 en 2279 oud burgerlijk wetboek”
(2); * de appelrechter oordeelt dat eisers zich niet op die bepalingen kunnen beroepen omdat hun bezit in het tussenarrest van 14 september 2017 “niet te goeder trouw noch ondubbelzinnig werd beschouwd” en dus “zonder enige twijfel als precair” beoordeeld werd
(3); * vervolgens overweegt de appelrechter dat ook uit de overige door eisers aangevoerde argumenten en voorgelegde stukken niet de beweerde eigendomsoverdracht en het beweerde voortdurende bezit blijkt
(4). Het derde onderdeel betreft het samenspel van twee vermoedens: het vermoeden dat een rechterlijke beslissing oplevert ten aanzien van derden versus het bezitsvermoeden. Een eerste vraag die hierbij rijst, betreft de aard/kwalificatie van deze vermoedens. Wat de bewijswaarde van rechterlijke uitspraken ten aanzien van derden betreft, lijkt er thans
(5)consensus te zijn dat een rechterlijke beslissing ten aanzien van derden die geen (geslaagd) derdenverzet hebben ingesteld, een weerlegbaar vermoeden oplevert dat door de derde kan worden weerlegd met alle middelen van recht. Het lijkt echter wel nog onduidelijk of het een wettelijk dan wel feitelijk weerlegbaar vermoeden betreft. In zijn conclusie voor het arrest van het Hof van 21 januari 2011 zet advocaat-generaal A. VAN INGELGEM uiteen dat, hoewel het gezag van gewijsde betrekkelijk is en slechts tussen partijen kan worden opgeworpen, zulks niet belet dat de beslissing ten opzichte van derden, die geen partij bij het geding waren, bewijswaarde heeft (onder voorbehoud van het rechtsmiddel dat de wet hen toekent, namelijk derdenverzet). Hij spreekt in zijn conclusie van een “feitelijk vermoeden”.
(6)In zijn arrest neemt het Hof hierover geen uitdrukkelijk standpunt in, maar oordeelt: “Hoewel het gezag van gewijsde als onweerlegbaar vermoeden betrekkelijk is, in de zin dat het slechts tussen de partijen kan worden ingeroepen, belet zulks niet dat de betrokken beslissing bewijswaarde heeft ten aanzien van derden als weerlegbaar vermoeden. Dit heeft niet tot gevolg dat wanneer de beslissing wordt ingeroepen tegen een derde, deze beslissing ten aanzien van die derde een wettelijke bewijswaarde heeft die de rechter bindt. Het middel dat erop is gesteund dat een rechterlijke beslissing ten aanzien van derden een wettelijke bewijswaarde heeft, zodat deze beslissing de rechter bindt, tenzij deze beslissing door het aanwenden van een rechtsmiddel werd vernietigd, gaat uit van een andere rechtsopvatting
(7)”. In zijn conclusie voor het arrest van het Hof van 12 mei 2016
(8)stelt advocaat-generaal Ch. VANDEWAL tevens dat het zou gaan om een feitelijk weerlegbaar vermoeden: “Het Hof bevestigde aldus (in zijn voormeld arrest van 21 januari 2011) dat het gaat om een feitelijk vermoeden dat door de derde kan worden weerlegd, zelfs wanneer hij geen derdenverzet heeft ingesteld. (…) Men kan naar mijn mening die oplossing alleen maar bijtreden. Het derdenverzet laat de derde toe de beslissing ten aanzien van hem te vernietigen. In dat geval is er geen sprake meer van een vermoeden ten aanzien van die derde en draagt de partij die iets aanvoert daarvan de bewijslast. Het derdenverzet is weliswaar facultatief. De derde kan niet verplicht worden om derdenverzet in te stellen. Zolang echter die rechterlijke beslissing blijft bestaan, levert zij een weerlegbaar vermoeden op dat door de derde alsnog met alle middelen van recht kan worden weerlegd in een latere procedure. (…) Het voordeel van het instellen van (geslaagd) derdenverzet, is dat de beslissing ten aanzien van de derde geen vermoeden oplevert en de bewijslast dus ook niet wordt omgekeerd, terwijl dat wel het geval is wanneer de derde geen (geslaagd) derdenverzet heeft ingesteld. Aan het instellen van derdenverzet is evenwel een termijn verbonden wanneer de rechterlijke beslissing aan de derde werd betekend. In dat geval moet hij binnen drie maanden na de betekening derdenverzet instellen (art. 1129 Ger.W.). Als hij dat niet doet, geldt de beslissing ten aanzien van hem als een weerlegbaar vermoeden. Hij draagt dan de bewijslast en kan in een latere procedure nog proberen om het tegenbewijs te leveren met alle middelen van recht”. Dit sluit aan bij de kritiek die P. TAELMAN uitte op de stelling dat het zou gaan om een wettelijk weerlegbaar vermoeden (wat volgens hem niet verenigbaar zou zijn met het principe van de wapengelijkheid). Volgens deze auteur moet de bewijswaarde die aan een ten aanzien van derden gewezen gerechtelijke uitspraak toekomt steeds ter vrije beoordeling staan van de rechter die het (tweede) geding moet beslechten: “De ernst waarmee een rechter zich van zijn taak kwijt, mag m.a.w. niet doen vergeten dat het voor hem gevoerde debat principieel uitsluitend gevoed wordt door gegevens die hem door of via de gedingvoerende partijen zijn verstrekt. De vrije bewijswaardering van een op een eerder gewezen uitspraak gebaseerd bewijsmiddel doet zich eveneens gelden nu de (eerste) rechter niet steeds bij machte is de voor hem aangevoerde feiten en bewijsmiddelen daadwerkelijk op hun waarde te beoordelen: de bewijswaarde van een verstekvonnis in een navolgend geding zal veeleer gering zijn; die van een vonnis gewezen na een uitvoerig debat zal redelijkerwijs veel groter zijn. Daartussen zijn er nog vele schakeringen, telkens door de tweede rechter van geval tot geval te beoordelen”
(9). Andere auteurs zijn van mening dat het wel degelijk gaat om een wettelijk weerlegbaar vermoeden: “Alors qu’ainsi que le rappelle expressis verbis la Cour de cassation, si l’autorité de chose jugée constitue une présomption irréfragable, l’opposabilité de la décision à l’égard des tiers joue, quant à elle, comme une présomption juris tantum – en d’autres termes, une présomption simple et légale –, laquelle peut être circonvenue par deux biais distincts, étant, soit la tierce opposition (qui n’opère pas de renversement de la charge de la preuve), soit la preuve contraire apportée par toutes voies de droit par le tiers à qui la décision est opposée dans un procès ultérieur (au prix, ici, d’un renversement de la charge de la preuve)”
(10). Volgens hen moet het (praktische) belang van het onderscheid met een feitelijk vermoeden evenwel worden gerelativeerd, aangezien het in beide gevallen aan de derde toekomt om het tegenbewijs te leveren: “Si la distinction entre les deux notions ne fait pas de doute en termes théoriques, il convient de ne point se méprendre sur les incidences pratiques de celle-ci: présomption de l’homme ou présomption légale, les plaideurs prêteront toujours au juge, à tort ou à raison, une propension à rejoindre la décision qui a été antérieurement rendue, quoique celle-ci ne soit pas revêtue de l’autorité de la chose jugée, en sorte que, quand bien même on considérerait que serait plutôt en jeu une présomption de l’homme, ledit juge attendrait sans doute du tiers qui entend remettre en cause cette décision qu’il apporte la preuve contraire des éléments de fait et de droit y inclus, plutôt que de balayer de sa propre autorité ces mêmes éléments. À la lumière de cette réflexion, le débat consistant à déterminer s’il eût mieux valu que la Cour de cassation considère que la décision joue à l’égard des tiers comme une présomption de l’homme, plutôt qu’une présomption légale, apparaît extrêmement théorique et bien peu en phase avec la réalité des prétoires”
(11). Wat het bezit als vermoeden van eigendom betreft, vervult, onder het oude goederenrecht – zoals in casu van toepassing
(12)– het bezit, althans bij lichamelijke, roerende goederen
(13), zoals bijvoorbeeld de toenmalige toonderaandelen
(14), een bewijsfunctie
(15)in de zin dat de bezitter het bewijs van eigendom niet hoeft te leveren. Het volstaat dat de bezitter aantoont dat hij de materiële heerschappij over het goed heeft; bewijs dat hij mag leveren door alle wettelijke bewijsmiddelen
(16). Eenmaal hij dat aantoont, kan hij zich beroepen op een veelvoudig vermoeden:
(1)de bezitter wordt vermoed die heerschappij voor eigen rekening uit te oefenen (art. 2230 oud BW = wettelijk vermoeden)
(17);
(2)de bezitter wordt vermoed te goeder trouw te zijn (art. 2268 oud BW = wettelijk vermoeden)
(18)en
(3)het bezit wordt vermoed deugdelijk (= feitelijk bewijsvermoeden)
(19)te zijn. Op grond hiervan wordt de bezitter vermoed over een geldige eigendomstitel te beschikken (art. 2279 oud BW = wettelijk vermoeden)
(20). Het betreffen allemaal weerlegbare vermoedens. Het is aan de revindicant om aan te tonen dat het bezit ondeugdelijk of gebrekkig is of dat de bezitter geen eigendomstitel heeft. Het Hof bevestigde dit in uitdrukkelijke bewoordingen in een arrest van 24 september 2007
(21). De tweede vraag die rijst betreft de (bewijs)waarde en de (rechts)gevolgen van weerlegbare vermoedens. Wettelijke vermoedens hebben een wettelijke bewijswaarde, dit wil zeggen dat de rechter verplicht wordt uit een vaststaand feit een ander ongekend en te bewijzen feit af te leiden. Deze gevolgtrekking wordt niet aan het beleid van de rechter overgelaten; hij moet het aanvaarden. Feitelijke vermoedens hebben een vrije bewijswaarde, wat wil zeggen dat ze worden overgelaten aan het oordeel en beleid van de rechter. Op voorwaarde dat blijkt dat de toepassingsvoorwaarden voor dat vermoeden zijn vervuld, hebben zowel wettelijke als feitelijke weerlegbare vermoedens tot gevolg dat de bewijslast verschuift: diegene in wiens voordeel het vermoeden geldt, wordt vrijgesteld van bewijs en het is aan de tegenpartij om het tegenbewijs te leveren. Dat tegenbewijs is toegelaten met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen. Zo stellen ALLEMEERSCH et al.: “Vermoedens die de wet instelt, zijn wettelijke vermoedens. Vermoedens die de rechter formuleert, zijn feitelijke of rechterlijke vermoedens. Beide hebben gemeenschappelijk dat ze degene in wiens voordeel het vermoeden geldt, vrijstellen van bewijs. In geval van wettelijke onweerlegbare vermoedens is dat definitief, want dan is er geen tegenbewijs meer toegelaten. Wettelijke weerlegbare en feitelijke vermoedens houden slechts een omkering van de bewijslast in, aangezien tegenbewijs nog steeds toegelaten is met alle middelen van recht”
(22). Zo stelt ook Eerste advocaat-generaal R. MORTIER in haar conclusie voor het arrest van het Hof van 3 mei 2010 dat “een feitelijk vermoeden de bewijslast verschuift, net zoals een wettelijk weerlegbaar vermoeden dit doet”. Het enige verschil ligt volgens de Eerste advocaat-generaal in het feit dat bij een wettelijk weerlegbaar vermoeden de gewone toestand of de normale gang van zaken door de wetgever in abstracto wordt aangeduid tot bewijs van het tegendeel. Bij een feitelijk vermoeden van overeenstemming met de gewone gang van zaken beoordeelt de rechter dat in concreto op basis van zijn menselijke en rechterlijke ervaring
(23). Met het nieuwe bewijsrecht
(24)heeft de wetgever de regels inzake de werking van vermoedens bijgespijkerd. Zo heeft de bepaling inzake wettelijke vermoedens een plaats gekregen in het hoofdstuk inzake de bewijslast. De wetgever wil daarmee duidelijk maken dat wettelijke, respectievelijk feitelijke vermoedens spelen op een ander niveau in de zin dat het wettelijk vermoeden geen bewijsmiddel is, maar een aanpassing vormt van de normale bewijsrisicoverdeling. Het eerste lid van artikel 8.7 BW regelt de werking van een wettelijk vermoeden als volgt: een wettelijk vermoeden “wijzigt het voorwerp van het bewijs of stelt, in voorkomend geval, degene ten voordele van wie het bestaat, ervan vrij het bewijs ervan te leveren”. Artikel 8.1.9° BW definieert feitelijk vermoedens als “een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten”. In essentie verschilt het nieuwe bewijsrecht niet in die mate van het oude dat het een invloed lijkt te hebben op de inhoudelijke beoordeling van huidige zaak. Ook onder het nieuwe recht geldt dat beide types van vermoedens weerlegbaar zijn met alle middelen van recht (waaronder andere vermoedens). Tevens wordt met betrekking tot de feitelijke vermoedens ook nog steeds aangenomen dat wanneer de rechter een feitelijk vermoeden als bewijsmiddel aanvaardt, degene in wiens voordeel dat feitelijk vermoeden geldt, wordt vrijgesteld van bewijslast en het aan de tegenpartij is om het tegenbewijs te leveren
(25). Uit wat voorafgaat, volgt dat zowel het bezitsvermoeden als het vermoeden dat een rechterlijke uitspraak oplevert ten aanzien van derden, een omkering inhoudt van de bewijslast. Het tegenbewijs kan worden geleverd met alle middelen van recht. Het bezitsvermoeden ex artikel 2279 oud Burgerlijk Wetboek is onbetwist een wettelijk vermoeden; het vermoeden dat een rechterlijke uitspraak oplevert is volgens sommigen een feitelijk en volgens anderen een wettelijk vermoeden. Zelfs echter wanneer men aanneemt dat het slechts zou gaan om een feitelijk vermoeden, betekent dit niet dat het bezitsvermoeden zou primeren. De memorie van antwoord van verweerders betoogt mijns inziens terecht dat er geen hiërarchie bestaat tussen de vermoedens. Een wettelijk vermoeden kan worden weerlegd door een feitelijke vermoeden in andersluidende zin, indien de rechter dit feitelijk vermoeden geloofwaardiger of overtuigender acht. Gelet op hetgeen voorafgaat, faalt mijns inziens zodoende het onderdeel naar recht. Het onderdeel stelt immers dat de appelrechter niet wettig kon oordelen “dat het ter weerlegging van het vermoeden dat het tussenarrest van 14 september 2017 oplevert niet volstaat als eigendomstitel het bewijs van het bezit der aandelen aan te tonen”. Hiermee lijkt het onderdeel ten onrechte ervan uit te gaan dat het vermoeden dat het tussenarrest oplevert ipso facto wordt weerlegd door het bezitsvermoeden, terwijl het ene vermoeden geen prioriteit heeft boven het andere en de rechter op grond van een feitelijke beoordeling kan beslissen dat het bezitsvermoeden wordt weerlegd door (het ‘sterker’ geachte) vermoeden dat voortvloeit uit het tussenarrest. (...) Derde middel. 11. Het derde middel komt op tegen de veroordeling van eisers tot betaling van een maximale rechtsplegingsvergoeding, wegens een kennelijk onredelijke situatie in hun hoofde. De appelrechter overweegt dat: - huidige procedure een zoveelste aflevering is in de saga van een reeds jarenlang bestaande vete tussen wijlen de heer M. V.L. en eerste eiser; - huidige procedure werd geïnitieerd door eerste verweerster en wijlen de heer M. V.L., nadat (in het kader van de andere procedure) in eerste aanleg was gebleken dat eerste eiser in het bezit was van de aandelen; - de wijze waarop de eisers bewust niet zijn tussengekomen in de eerste procedure, geen derdenverzet hebben aangetekend tegen de in het kader van deze procedure gewezen arresten, waarvan zij nochtans uitdrukkelijk de inhoud willen aanvechten, in plaats daarvan ervoor kiezen om na het (voor hen negatief uitgevallen) tussenarrest van 14 september 2017 de huidige procedure in eerste aanleg te heractiveren met gelijktijdig verzoek om de (parallelle) beroepsprocedure op te schorten, thans de verzending van de huidige zaak vragen naar het hof van beroep van Gent, waar zij ondertussen verweerders in gemeenverklaring hebben gedagvaard, getuigt van een aanhoudende obstructie met het oog op het vertragen en ingewikkeld maken van de hangende procedure, wat een kennelijk onredelijke situatie veroorzaakt in hoofde van de verweerders. Uit de syntheseconclusie van eisers blijkt dat zij verweer hebben gevoerd over het verzoek van de verweerders om hen te veroordelen tot een maximale rechtsplegingsvergoeding
(26). Wanneer de rechter besluit af te wijken van het basisbedrag op verzoek van een partij, dient hij die beslissing met bijzondere redenen te omkleden. Hij moet daarbij verwijzen naar de criteria vervat in artikel 1022, derde lid, Ger.W.
(27). Het gaat om precieze criteria die als doel hebben de rechterlijke beoordeling in goede banen te leiden teneinde de toegang tot de rechter te behouden en te bevorderen
(28). De criteria zijn: de financiële draagkracht van de verliezende partij, de complexiteit van de zaak, de contractueel bepaalde vergoedingen en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. De criteria hebben een limitatief karakter
(29). De rechter mag geen andere criteria in aanmerking nemen
(30). Het eerste criterium kan enkel worden gebruikt om een verlaging van het basisbedrag te verantwoorden, terwijl de drie overige kunnen worden gebruikt als motivering voor een verhoging of verlaging
(31). Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter één criterium aanwezig acht om af te wijken van het basisbedrag
(32). De vereiste van “bijzondere redenen” is erop gericht puur vormelijke motiveringen tegen te gaan
(33). De eenvoudige verklaring volgens welke rekening dient te worden gehouden met het bijzondere karakter van de zaak, geldt dan ook niet als een met bijzondere redenen omklede beslissing in de zin van artikel 1022, derde lid Gerechtelijk Wetboek
(34). Voor het overige is de inhoudelijke controle op de motivering van de rechter beperkt. Uit de rechtspraak van het Hof kan worden afgeleid dat: - Het behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter om te oordelen of aan de criteria is voldaan. Bij arrest van 12 november 2013
(35)oordeelde het Hof dat de rechter “onaantastbaar met een met redenen omklede beslissing [oordeelt] of er grond is om overeenkomstig artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen of verminderen. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ontvankelijk”. - Het Hof enkel nagaat of de rechter aan die criteria hun gebruikelijke betekenis geeft en of hij uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. Bij arrest van 23 april 2013
(36)oordeelde het Hof: “Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het gaat om precieze criteria die de rechterlijke beoordeling in goede banen moeten leiden met de bedoeling een waarborg te bieden opdat de toegang tot het gerecht behouden zou blijven en bevorderd zou worden. De rechter beoordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar, deze criteria voor zover hij aan die begrippen hun gebruikelijke betekenis toekent en hij uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen”. Bij arrest van 3 september 2019
(37)oordeelde het Hof: “De rechter oordeelt onaantastbaar over de invulling van de vier in artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek vermelde criteria. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Het arrest oordeelt dat de eerste rechter noch de verweerder kunnen worden gevolgd waar ze stellen dat dit een eenvoudige zaak is die noopt tot de herleiding van de rechtsplegingvergoeding en dat het argument dat de verweerder zich liet bijstaan door een kantoorgenote niet als dusdanig in de wet wordt bepaald als criterium om de rechtsplegingsvergoeding te herleiden en uiteraard niet inhoudt dat de verdediging van de verweerder geen kosten met zich zou hebben meegebracht. Op grond van die redenen konden de appelrechters beslissen de rechtsplegingsvergoeding niet te herleiden tot het minimumbedrag”. De rechter oordeelt aldus in feite, en bijgevolg onaantastbaar, over de invulling van de wettelijke criteria waarmee de rechter rekening kan houden bij het aanpassen van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Het Hof grijpt slechts in wanneer de door de rechter vastgestelde feiten geen enkele grond bieden voor zijn conclusie (marginale toetsing)
(38). Het middel voert aan dat de appelrechter zijn beslissing tot toekenning van een maximale rechtsplegingsvergoeding op grond van het “kennelijk onredelijk karakter van de situatie” niet naar recht verantwoordt in de mate dat hij hierbij steunt op, enerzijds, het feit dat de eisers geen derdenverzet hebben ingesteld, maar de huidige procedure hebben gereactiveerd, terwijl het derdenverzet facultatief is en de derde niet kan beletten andere procedurele middelen te benutten, mits hiervan geen misbruik te maken en, anderzijds, het feit dat een tweede procedure (tussen (deels) andere partijen) hangende is en de procedurele initiatieven die in het kader van die tweede procedure worden ontplooit, terwijl het ‘kennelijk onredelijk karakter van de situatie’ uitsluitend mag worden beoordeeld in het licht van de procedure die aanleiding geeft tot de toekenning van de maximale RPV. Wat het eerste verwijt betreft, ben ik het met de met de memorie van antwoord eens dat het feit dat het derdenverzet facultatief is, niet belet dat de rechter, op grond van een feitelijke beoordeling, kan beslissen dat het niet aanwenden van dit rechtsmiddel in de gegeven omstandigheden een kennelijk onredelijke situatie uitmaakt, ook wanneer deze processtrategie geen rechtsmisbruik uitmaakt. Zoals de memorie van antwoord aanvoert, vereist een kennelijk onredelijke situatie niet dat de rechter vaststelt dat er (proces)rechtsmisbruik voorhanden is. S. SOBRIE en B. VAN DEN BERGH schrijven hierover: “Het vierde en laatste criterium dat de wet voorziet, is ‘het kennelijk onredelijk karakter van de situatie’. De wetgever heeft bewust geen gewag gemaakt van procesrechtsmisbruik bij de omschrijving van dit criterium.
(39)Procesrechtsmisbruik is een vlag die een welomschreven lading dekt en waarbij de drempel vrij hoog ligt.
(40)Een kennelijk onredelijke situatie, daarentegen, laat de rechter veel meer beoordelingsvrijheid. Procesrechtsmisbruik kan een kennelijk onredelijke situatie doen ontstaan in de zin van artikel 1022, derde lid Ger.W., maar dat is niet noodzakelijk zo.
(41)Omgekeerd kan er sprake zijn van een kennelijk onredelijke situatie zonder dat daarom procesrechtsmisbruik voorhanden is”
(42). Bij arrest van 29 maart 2019
(43)oordeelde het Hof uitdrukkelijk, op gelijkluidende conclusie van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM: “Een kennelijk onredelijke situatie in de zin van voormeld artikel 1022 veronderstelt niet noodzakelijk dat een partij misbruik heeft gemaakt van haar recht om te procederen”. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechter de keuze van eisers om geen derdenverzet in te stellen tegen het tussenarrest maar in plaats daarvan andere procedurele wegen te bewandelen (inzonderheid door de inhoud van dit arrest in het kader van de huidige procedure te betwisten) slechts als een kennelijk onredelijke situatie kon beschouwen voor zover er wordt vastgesteld dat er sprake is van misbruik, kan het mijns inziens dan ook niet worden aangenomen. Voor het overige behoort het tot de soevereine appreciatie van de feitenrechter om te beslissen of de voormelde keuze van eisers een kennelijk onredelijke situatie doet ontstaan. Wat het tweede verwijt betreft, kan in de eerste plaats worden gewezen op een cassatiearrest van 23 april 2013
(44), waarin het Hof oordeelt: “De proceshouding van een partij in de zaak zelf of in andere gedingen zijn elementen die de rechter in overweging kan nemen bij de beoordeling van het criterium van de kennelijk onredelijke situatie om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, te verhogen of te verlagen. In zoverre het middel aanvoert dat het opstarten van een strafrechtelijke procedure, eventueel in het licht van nog hangende burgerlijke procedures, geen element van een kennelijk onredelijk situatie kan vormen, faalt het naar recht”. In dezelfde zin oordeelde het Hof bij arrest van 24 juni 2010
(45): “De proceshouding van een van de partijen in andere gedingen maakt geen deel uit van de elementen die de rechter bij de beoordeling van de hoegrootheid van de rechtsplegingsvergoeding mag betrekken tenzij als een element van een onredelijke situatie” en bij arrest van 23 november 2017
(46): “De proceshouding van een van de partijen in een vroegere fase van het geding maakt geen deel uit van de elementen die de rechter bij de beoordeling van de hoegrootheid van de rechtsplegingsvergoeding mag betrekken tenzij als een element van een onredelijke situatie”. Het komt mij dan ook voor dat het middel niet kan worden aangenomen in zoverre het ervan uitgaat dat het kennelijk onredelijk karakter van de situatie uitsluitend mag worden beoordeeld in het licht van de procedure die aanleiding geeft tot de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding, zonder met andere woorden rekening te mogen houden met de ruimere procedurele context. Mijns inziens kon de appelrechter wel degelijk rekening houden met onder meer het feit dat eisers geen derdenverzet hebben ingesteld tegen een in het raam van een andere procedure gewezen uitspraak en dat zij bewust niet zijn tussengekomen in die andere procedure. Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. ________________________________________
(1)Bestreden arrest, p. 13, nr. 22.
(2)Bestreden arrest, p. 13, nr. 23.
(3)Bestreden arrest, p. 14, nr. 23.
(4)Bestreden arrest, p. 16, nr. 27.
(5)Zie voor een uitgebreide bespreking van de historiek en evolutie van de cassatierechtspraak terzake, de concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL voor Cass. 12 mei 2016, AR C.14.0561.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160512.7, AC 2016, nr. 318.
(6)Concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM voor Cass. 21 januari 2011, AR C.10.0100.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110121.5, AC 2011, nr. 61.
(7)Cass. 21 januari 2011, AR C.10.0100.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110121.5, AC 2011, nr. 61.
(8)Bij arrest van 12 mei 2016, AR C.14.0561.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160512.7, AC 2016, nr. 318 oordeelde het Hof dat ook in het geval de beslissing – zoals in casu – werd betekend aan de derde en de derde geen (geslaagd) derdenverzet heeft ingesteld, de beslissing slechts een weerlegbaar vermoeden oplevert ten aanzien van de derde aan wie de beslissing werd betekend: “Uit de omstandigheid dat een persoon geen derdenverzet heeft aangetekend nadat de beslissing hem werd betekend, volgt in beginsel niet dat deze beslissing ten aanzien van die derde de bewijswaarde heeft van een onweerlegbaar vermoeden dat de rechter bindt”.
(9)P. TAELMAN, “Werkzaamheid van gerechtelijke uitspraken ten aanzien van derden”, RW 1993-94,
(1156)1174, nr. 60.
(10)G. DE LEVAL et al., Droit judiciaire, T. 2, Procédure civile, Vol. 2, Voies de recours, Brussel, Larcier 2021, 436, nr. 9.263, vn. 1960, met verwijzing naar de uitvoerige analyse in dat verband van O. CAPRASSE, “L’effet des décisions judiciaires à l’égard des tiers” , in Le contentieux interdisciplinaire, CIDJ Bruxelles, Bruylant 1996,
(265)286 ev. In dezelfde zin: H. BOULARBAH en C. MARQUET, Tierce opposition, RPDB 2012, 13, nr. 4.
(11)G. DE LEVAL et al., Droit judiciaire, T. 2, Procédure civile, Vol. 2, Voies de recours, Brussel, Larcier 2021, 438, nr. 9.263, vn. 1960.
(12)Het nieuwe goederenrecht trad in werking op 1.9.2021, dit is na uitspraak van het bestreden arrest. De overgangsbepalingen voorzien dat de nieuwe regels slechts van toepassing zijn op rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na hun inwerkingtreding (zie art. 37, § 1, j° 39, Wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek, BS 17 maart 2020).
(13)R. DEKKERS en E. DIRIX, Handboek burgerlijk recht, II, Antwerpen, Intersentia 2005, nr. 214.
(14)F. VAN NESTE, Zakenrecht, Boek I, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, 1990, 498, nr. 297.
(15)Vgl. NBW: art. 3.23-3.24: bewijsfunctie van het bezit.
(16)A. HEYVAERT, “Bezit geeft verscheidene titels”, TPR 1983,
(169)179, nr. 15.
(17)A. HEYVAERT, “Bezit geeft verscheidene titels”, TPR 1983,
(169)179, nr. 15.
(18)A. HEYVAERT, “Bezit geeft verscheidene titels”, TPR 1983,
(169)179, nr. 15.
(19)B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, in APR, Mechelen, Kluwer 2013,447, nr. 807: “Op basis van artikel 1315 BW zou normalerwijze de eiser de deugdelijkheid van zijn bezit moeten aantonen. Er wordt evenwel aangenomen dat uit het systeem van de bezitsbescherming een feitelijk vermoeden van deugdelijkheid volgt dat de eiser vrijstelt van bewijs”.
(20)Hoewel bepaalde auteurs stellen dat de regel van het bezit als vermoeden van eigendom nergens in de wet staat geschreven (F. VAN NESTE, Zakenrecht, Boek I, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, 1990, 499, nr. 297), nemen andere auteurs aan dat het gaat om een wettelijk vermoeden dat voortvloeit uit artikel 2279 BW (A. HEYVAERT, “Bezit geeft verscheidene titels”, TPR 1983,
(169)187, nr. 27; B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, in APR, Mechelen, Kluwer 2013, 235-236, nr. 440). Dit spoort niet alleen met de tekst van artikel 2279 oud BW, alsook met het nieuwe artikel 3.24 BW, dat (nog duidelijker) bevestigt dat het gaat om een weerlegbaar wettelijk vermoeden (“De bezitter te goeder trouw van een zakelijk recht op roerende goederen wordt vermoed over een titel te beschikken, behoudens tegenbewijs”). De memorie van toelichting bij artikel 3.24 BW stelt overigens ook over het oude artikel 2279 dat deze bepaling “tot gevolg [heeft] dat wettelijk wordt vermoed dat er in hoofde van de bezitter een geldige titel van overdracht bestaat”.
(21)Cass. 24 september 2007, AR C.06.0094.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070924.2, AC 2007, nr. 428: In een geschil tussen de laatste levensgezellin van de overledene en zijn algemene legataris beslissen de appelrechters dat de levensgezellin het bestaan van een handgift van kasbons in haar voordeel moet aantonen. Zij kan niet volstaan met de bewering dat zij op de datum van het overlijden in het bezit was van de kasbons. En zelfs al bewijst ze dat de kasbons in haar bezit waren, dan nog moet ze volgens de appelrechters aantonen dat dit bezit niet dubbelzinnig was. Het Hof van Cassatie verbreekt die beslissing: “In een geschil tussen de huidige bezitter van een lichamelijk roerend goed en de bezitter die hem onmiddellijk voorafging of diens rechthebbenden, vormt het bezit een vermoeden van titel ten voordele van de bezitter die te goeder trouw is.
(22)B. ALLEMEERSCH, I. SAMOY en W. VANDENBUSSCHE, Overzicht van rechtspraak – Het burgerlijk bewijsrecht, TPR 2015
(597)840, nr. 841.
(23)Cass. 3 mei 2010, AR S.09.0024.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100503.2, AC 2010, nr. 303, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER.
(24)De vraag welke bewijsregels van toepassing zijn zal enkel moeten worden beantwoord in de mate dat die bepalingen nodig blijken voor de redactie van het arrest. Het nieuwe bewijsrecht trad in werking op 1 november 2020 (zie art. 75, eerste lid, van de wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 "Bewijs" in dat Wetboek, BS 14 mei 2019). Het bestreden arrest dateert van na die datum (10.6.2021). Het door de eisers ingeroepen bezit (en de stukken waarop ze zich in dat verband beroepen), alsook het tussenarrest waaruit de appelrechter een weerlegbaar vermoeden afleidt, dateren evenwel van voordien. De wet bevat geen overgangsregeling, zodat de gemeenrechtelijke regels inzake de werking in de tijd van de nieuwe wet gelden. De meeste auteurs verdedigen dat hierbij een onderscheid gemaakt moet worden tussen de regels inzake het materiële bewijsrecht en de regels inzake het bewijsprocesrecht (P. THIRIAR, De toepassing van het nieuwe bewijsrecht in de tijd – een moeilijke puzzel”, NJW 2022, 32; B. VANLERBERGHE, Het nieuwe burgerlijke bewijsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 54, nr. 82; B. ALLEMEERSCH en A.-S. HOUTMEYERS, “De onderzoeksmaatregelen en het nieuwe burgerlijk bewijsrecht”, in P. TAELMAN en B. ALLEMEERSCH (eds.), Het burgerlijk proces opnieuw hervormd, Antwerpen, Intersentia, 2019,
(97)120-121, nrs. 61-62). In de mate dat het nieuwe bewijsrecht een zuivere procedureregel inhoudt of verband houdt met de taak van de rechter (bv. een wijziging van de regels inzake de bewijsvoering (art. 8.11 BW), de bewijslast (art. 8.4) of de bewijsstandaard (art. 8.5-8.6)) is het nieuwe recht van toepassing, zelfs op feiten en rechtshandelingen die zich hebben voorgedaan vóór 1 november 2020 (F. GEORGE, “La réforme du droit de la preuve: droit transitoire”, in D. MOUGENOT (ed.), La réforme du droit de la preuve, CUP, Luik, Anthemis 2019,
(255)286, nr. 44; B. VANLERBERGHE, Het nieuwe burgerlijke bewijsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 54, nr. 82). Verder wordt vrij algemeen aangenomen dat voor de zogenaamde “preconstitutieve bewijsmiddelen” – i.e. bewijsmiddelen die op voorhand (met andere woorden voor elke betwisting) worden opgesteld om als bewijs van een bepaalde rechtshandeling of feit te dienen – moet worden vastgeknoopt aan de wet die van toepassing was op het ogenblik waarop het bewijsmiddel werd opgesteld (J. BAECK, “Het nieuwe bewijsrecht in burgerlijke en ondernemingszaken, in I. CLAEYS (ed.), Recente wetgevende hervormingen: nieuw en beter?, Mechelen, Kluwer 2021,
(219)253, nr. 59; zie ook: Cass. 4 februari 2021, AR C.20.0399.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2, AC 2021, nr. 99, waarin het Hof oordeelt dat de toelaatbaarheid van het bewijs van een overeenkomst in de regel wordt bepaald door de wet die van toepassing is op de datum waarop de overeenkomst werd gesloten, nu het bewijs van de overeenkomst geen verband houdt met de rechtspleging maar met het recht zelf). Hetzelfde wordt aangenomen wat betreft wettelijke vermoedens (art. 8.7 BW). Ook in dit geval moet de nieuwe wet niet onmiddellijk worden toegepast, maar moet de wet worden toegepast die van toepassing was op het ogenblik waarop het feit waaraan het vermoeden wordt vastgeknoopt, zich voordeed. De regels inzake wettelijke vermoedens krijgen immers hun uitwerking krachtens de wet zelf, zonder tussenkomst van de rechter en onafhankelijk van het bestaan van enig geschil (F. GEORGE, “La réforme du droit de la preuve: droit transitoire”, in D. MOUGENOT (ed.), La réforme du droit de la preuve, CUP, Luik, Anthemis 2019,
(255)284-285, nr. 41). Wat betreft de regels inzake de toelaatbaarheid en bewijswaarde van feitelijke vermoedens (art. 8.29 BW) verdedigt een auteur dat deze regels onmiddellijk van toepassing zijn op hangende gedingen, ook wanneer het feit waaraan het vermoeden wordt vastgeknoopt zich voordeed onder gelding van de oude wet. Dit zou verantwoord zijn op grond van het feit dat deze regels eerder betrekking hebben op de activiteit/taak van de rechter. De auteur maakt evenwel een uitzondering voor het geval het feitelijk vermoeden wordt ingezet in een geding aangaande het bewijs van een overeenkomst (F. GEORGE, “La réforme du droit de la preuve: droit transitoire”, in D. MOUGENOT (ed.), La réforme du droit de la preuve, CUP, Luik, Anthemis 2019,
(255)290, nr. 44). Hieruit zou dan moeten worden afgeleid dat in huidige zaak tegelijk zowel het oude als het nieuwe bewijsrecht van toepassing zijn: het oude voor wat betreft de beoordeling van het wettelijke bezitsvermoeden en het nieuwe voor wat betreft de beoordeling van het feitelijk vermoeden dat het tussenarrest van 14.9.2017 oplevert. Zou echter niet kunnen worden verdedigd dat beide aspecten nog worden beheerst door het oude bewijsrecht? Het tussenarrest is, net zoals een overeenkomst, een akte zodat het verdedigbaar is te stellen dat voor de bewijswaarde ervan moet worden vastgeknoopt aan de datum waarop het arrest werd uitgesproken.
(25)B. CATTOIR, Nieuw burgerlijk bewijsrecht, Mechelen, Kluwer 2020, 177, nr. 348.
(26)Syntheseberoepsconclusie eisers, p. 53.
(27)B. VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, Wie zal dat betalen? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed, Mechelen, Kluwer, 2021, 111, nr. 125, met verwijzing naar o.a. Cass. 19 december 2016, AR C.16.0133.N, arrest niet gepubliceerd: “Krachtens [artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek] kan de rechter een partij niet veroordelen om aan de tegenpartij een rechtsplegingsvergoeding te betalen die hoger is dan het door de Koning vastgestelde basisbedrag, zonder die beslissing met bijzondere redenen te omkleden, zelfs als de veroordeelde partij het door de tegenpartij gevorderde bedrag niet heeft betwist”.
(28)Cass. 23 april 2014, AR P.12.0871.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 23 april 2013, AR P.12.1190.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130423.2, AC 2013, nr. 250; Cass. 24 juni 2010, AR C.09.0425.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.5, AC 2010, nr. 458.
(29)F. VAN VOLSEM, “De rechtsplegingsvergoeding en de strafrechter: een ietwat moeilijk huwelijk”, NC 2008,
(379)397, nr. 99.
(30)F. VAN VOLSEM, “De hardnekkigheid van een burgerlijke partij als grond om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding niet te herleiden” (noot onder Antwerpen 3 juni 2013), RABG 2015,
(1028)1032, nr. 13.
(31)F. VAN VOLSEM, “De hardnekkigheid van een burgerlijke partij als grond om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding niet te herleiden” (noot onder Antwerpen 3 juni 2013), RABG 2015,
(1028)1032, nr. 13.
(32)F. VAN VOLSEM, “De rechtsplegingsvergoeding en de strafrechter: een ietwat moeilijk huwelijk”, NC 2008,
(379)397, nr. 102.
(33)B. VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, Wie zal dat betalen? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed, Mechelen, Kluwer 2021, 112, nr. 126.
(34)Cass. 6 oktober 2010, AR P.10.0661.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101006.6, AC 2010, nr. 578.
(35)Cass. 12 november 2013, AR P.13.0976.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.6, AC 2013, nr. 599: in deze zaak werd aangevoerd dat het bestreden arrest ten onrechte oordeelde dat er geen redenen zijn om af te wijken van het basisbedrag.
(36)Cass. 23 april 2013, AR P.12.0871.N, arrest niet gepubliceerd.
(37)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0142.N, arrest niet gepubliceerd; in dezelfde zin Cass. 3 september 2019, AR P.19.0205.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.4, AC 2019, nr. 431.
(38)B. VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, Wie zal dat betalen? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed, Mechelen, Kluwer 2021, 105, nr. 120.
(39)Met verwijzing naar Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1686/4, 5, waar m.b.t. de invoering van de 4 criteria in artikel 1022 Ger.W. wordt gesteld: “In overeenstemming met het voorstel van de Orden, wordt niet meer verwezen naar het begrip manifest onrecht of procesrechtsmisbruik in het kader van de verhaalbaarheid”.
(40)Zie Cass. 28 juni 2013, P&B 2013, 215: “Procesrechtsmisbruik is voorhanden wanneer een procespartij procedeert zonder redelijk of afdoende belang dan wel op een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtige en zorgvuldige procespartij te buiten gaat, zoals bij het aanwenden van de rechtspleging voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden, waardoor zowel het belang van de partijen als een behoorlijke en efficiënte rechtsbedeling in het gedrang komen”.
(41)Met verwijzing naar Cass. 4 juni 2015, AR F.12.00098.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150604.2, AC 2015, nr. 371, waarin het Hof oordeelt dat het dilatoir karakter van een rechtsmiddel de situatie kan onredelijk maken, zodat het middel dat uitgaat van de veronderstelling dat zulks niet het geval kan zijn, faalt naar recht.
(42)Met verwijzing naar Cass. 30 mei 2018, AR P.18.0034.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.1, AC 2018, nr. 343, waarin het Hof oordeelt dat artikel 1022 Ger.W. “ne limite pas l’appréciation du caractère manifestement déraisonnable de la situation aux cas d’abus de procédure, de plainte déposée de mauvaise foi ou de constitution de partie civile vouée d’emblée à l’échec, à l’exclusion d’autres situations manifestement déraisonnables”; en Cass. 4 juni 2009, AR F.08.0088.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090604.10 AC 2009, nr. 374, waarin de eiser aanvoerde dat er geen sprake was van een kennelijk onredelijke situatie die de maximale RPV kon rechtvaardigen, aangezien de eiser “geen misbruik gemaakt (had) van de rechtspleging”. Het Hof verwerpt het middel en oordeelt dat het bestreden arrest naar recht zijn beslissing verantwoordt waarbij de eiser tot de maximale rechtsplegingsvergoeding wordt veroordeeld op grond van de vaststelling “dat hij niet op loyale wijze heeft meegewerkt aan de bewijsvoering en dat hij voor het hof (van beroep) volhardt in een houding die reeds door de eerste rechter was gelaakt”.
(43)Cass. 29 maart 2019, AR C.18.0323.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.3, AC 2019, nr. 197.
(44)Cass. 23 april 2013, AR P.12.0871.N, niet gepubliceerd.
(45)Cass. 24 juni 2010, AR C.09.0425.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.5, AC 2010, nr. 458.
(46)Cass. 23 november 2017, AR C.17.0389.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171123.8, AC 2017, nr. 672. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230907.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230907.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070924.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090604.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100503.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101006.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110121.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130423.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150604.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160512.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171123.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.