← België

H. contra A.L.G. Genk Noord

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 september 202

Art. 2bis

- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4

- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 6

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 2bis

- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4

- 01 ELI link Pub nr 1921022450 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 6

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de conclusie P.23.0482.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De strafbare deelneming aan teelt en verkoop van cannabis”.

  1. Bestreden arrest.
  2. Eiser werd als vierde beklaagde vervolgd wegens D) het telen van cannabisplanten in vereniging, meermaals, in de periode tussen 1 december 2014 en 30 juni 2015, E) het bezit van cannabis in vereniging, meermaals, in de periode tussen 1 december 2014 en 30 juni 2015, F) de verkoop van cannabis in vereniging, meermaals, in de periode tussen 1 december 2014 en 30 juni 2015, G) het vernielen van magazijnen, loodsen of andere bouwwerken, tussen 31 januari 2015 en 28 mei 2015 en I) diefstal van elektriciteit, meermaals, tussen 1 augustus 2014 en 9 oktober 2015 (I.1 en I.4).
  3. De correctionele rechtbank te Tongeren, afd. Limburg, heeft eiser op 17 februari 2022 vrijgesproken voor feit G en hem voor de overige feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, een geldboete van 6.000 euro en de verbeurdverklaring bij equivalent van een illegaal vermogen van 42.500 euro. Op burgerlijk vlak werd eiser veroordeeld tot een schadevergoeding, hoofdelijk met de andere beklaagden, tot bedragen van 29.204 en 2.600 euro aan tweede verweerster, een elektriciteitsmaatschappij, voor feit I. De correctionele rechtbank nam aan (blz. 46) dat eiser samen met V.L. en S. de plantage te Niel bouwde en/of de planten onderhield en eiser optrad als tussenpersoon voor Y. wat betreft de plantage te Hoeselt (blz. 50).
  4. Op hoger beroep van eiser en een volgappel van het openbaar ministerie heeft het hof van beroep te Antwerpen eiser op 10 maart 2023 veroordeeld voor de feiten D, E en F en vrijgesproken voor de feiten I. In zoverre gericht tegen het onderdeel van vrijspraak, is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang. Hem werd, wegens eenheid van opzet (art. 65, eerste lid, Sw.), een gevangenisstraf van 30 maanden, een geldboete van 6.000 euro en een verbeurdverklaring van 25.000 euro opgelegd, voor het geheel van de bewezen verklaarde feiten.
  5. Gelet op de vrijspraak van eiser voor feiten I.1 en I.4, stelt het hof van beroep niet bevoegd te zijn om kennis te nemen van de burgerlijke vordering van tweede verweerster. In zoverre gericht tegen dit onderdeel, is het cassatieberoep eveneens niet-ontvankelijk.
  6. Eerste verweerster heeft hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak van eiser voor feit G. Het bestreden arrest beslist de afhandeling van de burgerlijke vordering van eerste verweerster af te splitsen van deze zaak en het debat over feit G, louter op burgerlijk vlak

(1), uit te stellen naar de zitting van 19 mei
  1. In zoverre gericht tegen dit onderdeel, is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, omdat deze afsplitsing geen eindbeslissing is of een beslissing is waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat, gelet op art. 420 Sv.
  2. Eiser voerde in beroepsconclusie (al. 40, 44, 51) aan dat er geen bewijs voorligt van concrete handelingen die erop wijzen dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan teelt, bezit en verkoop van cannabis, afkomstig van de plantages te Niel en Hoeselt. De appelrechters stellen op basis van trackingdata van een huurwagen Mercedes Sprinter vast dat deze wagen, gehuurd door S. werd gebruikt voor de cannabisplantages in Niel en Hoeselt, om materiaal en afval te vervoeren (blz. 30-31). Uit de trackingdata blijkt volgens het arrest dat er met de huurwagen werd gereden van de verblijfplaats van eiser in Maastricht naar de locaties Niel en Hoeselt en daarna naar enkele containerparken, alvorens de bestelwagen werd teruggebracht naar de verhuurder Luxauto (st. 31). De verantwoordelijke van Luxauto heeft eiser herkend als de persoon die S. vergezelde bij de huur van lichte vrachtauto’s.
  3. Er is volgens het hof van beroep geen twijfel dat eiser hand- en spandiensten heeft verleend aan ‘teelt en bezit van cannabis in vereniging’, op die manier dat eiser “wetens en willens aan de uitvoering van de feiten D.1, D.5, D.6, E.1, E.5 en E.6 heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat deze misdrijven niet zonder zijn bijstand hadden kunnen worden gepleegd, zoals ze in concreto hebben plaatsgevonden”. Het hof van beroep heeft eiser veroordeeld als ‘minstens’ mededader in de zin van art. 66, tweede lid, Strafwetboek.
  4. Over feiten van verkoop van cannabis in vereniging (F2 en F3) stellen de appelrechters dat er telkens één oogst moet zijn geweest in de ontmantelde cannabisplantages in Niel en Hoeselt, en het op grond van de dossiergegevens vaststaat dat eiser middels het verrichten van hand- en spandiensten deelnam aan de teelt van cannabis louter met het oog op het realiseren van financieel geldgewin uit de verkoop van de oogst. Zijn handelen was noodzakelijk opdat overgegaan kon worden tot de verkoop van cannabis (blz. 33). Het bestreden arrest stelt dat eiser ‘minstens als mededader’ is te beschouwen, in de zin van art. 66, tweede lid, Sw., omdat hij wetens en willens aan de uitvoering van feiten F.2 en F.3 heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat deze misdrijven niet zonder zijn bijstand hadden kunnen worden gepleegd, zoals ze in concreto hebben plaatsgevonden (blz. 33). De appelrechters verwijzen hierbij naar (‘zoals hiervoor reeds uiteengezet’, p. 32) het gebruik van constructies ter afscherming van de initiatiefnemers, onder meer het huren van diverse panden onder verschillende namen, een valse identiteit, het gebruik van huurvoertuigen als werkvoertuigen, waarbij dit alles diende om grote winsten te genereren bij de verkoop van de geoogste cannabis via het illegale circuit (blz. 32).
  5. Middel.
  6. Eiser voert aan dat een persoon die betrokken is bij de uitbating van een cannabisplantage niet noodzakelijk hulp of bijstand verleent bij de verkoop van de opbrengsten van die plantage. De enkele omstandigheid dat een persoon kennis heeft of moet hebben gehad van een misdaad of wanbedrijf, is niet voldoende om hem als mededader aan dit misdrijf te kunnen beschouwen. Het bestreden arrest stelt niet vast waarin concreet de deelnemingsdaad van eiser bestaat voor feit F van de verkoop van cannabis. De positieve daad van deelneming wordt louter afgeleid uit de aan eiser toegeschreven bewezen gedraging van de teelt van cannabis, wat nochtans een onderscheiden misdrijf is. Uit de deelname van eiser aan teelt van cannabis blijkt niet noodzakelijk zijn betrokkenheid bij de verkoop van de opbrengsten van een cannabisplantage. Bovendien blijkt uit de motivering over “zodanige hulp verlenen aan de uitvoering van de misdrijven” dat de appelrechters eiser veroordelen op basis van art. 66, derde lid, Sw. in plaats van het toegepaste art. 66, tweede lid, Sw.
  7. Eiser wijst erop dat het hof van beroep aannam dat de rol van eiser bij de teelt van cannabis niet toelaat hem te veroordelen als deelnemer aan diefstal van elektriciteit. Dezelfde redenering geldt volgens eiser voor het onderscheiden misdrijf van verkoop van cannabis. Teelt van cannabis hoeft niet steeds tot handel in cannabis te leiden, omdat teelt een andere finaliteit kan hebben dan verkoop, zoals teelt voor eigen gebruik of voor medicinaal gebruik. Volgens eiser kon het hof van beroep op basis van zijn vaststellingen niet tot de conclusie komen dat eiser ‘zelf kennis zou hebben gehad van constructies tot afscherming van de initiatiefnemers’ (zoals het gebruik van huurvoertuigen) of dat eiser wist dat de teelt bestemd was voor de verkoop. Het bestreden arrest is volgens eiser in strijd met art. 149 Grondwet (motiveringsplicht) en art. 66 Strafwetboek (mededaderschap).
  8. Beoordeling. 3.
  9. Opzet en daad van deelneming.
  10. Vooreerst komt de vraag aan bod of eenzelfde (positieve) daad van deelneming aan de uitvoering van het misdrijf (art. 66, tweede en derde lid, Sw.) betrekking kan hebben op meerdere misdrijven die met elkaar zijn verbonden door eenheid van opzet en hierdoor een voortgezet of collectief misdrijf vormen, in de zin van art. 65, eerste lid, Strafwetboek.
  11. Artikel 66, eerste, tweede en derde lid, Strafwetboek bepaalt: “Als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft”: “Zij die door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd” en “Zij die door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd”
(2). 13. Het is vaste rechtspraak dat strafbare deelneming als bedoeld in artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan een misdaad of een wanbedrijf verleent, weet dat hij zijn medewerking aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf verleent en het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf mee te werken
(3). De rechter oordeelt onaantastbaar of de als mededader vervolgde beklaagde aan die voorwaarden voldoet en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of daardoor niet kunnen worden verantwoord
(4). Uit de beslissing van de rechter die een beklaagde veroordeelt als deelnemer aan een misdrijf, moet blijken dat die beklaagde voldoet aan de voor die deelneming vereiste constitutieve bestanddelen
(5), in dit geval de voorwaarden van art. 66 Sw. 14. Wat betreft het deelnemingsopzet, is het noodzakelijk dat de deelnemer wetens en willens handelt, wat inhoudt dat hij kennis heeft van zijn medewerking aan een welbepaalde misdaad of een welbepaald wanbedrijf
(6). Hiertoe is vereist maar ook voldoende dat hij kennis heeft van alle omstandigheden die aan een handeling van de hoofddader het kenmerk van een misdaad of wanbedrijf verlenen, maar niet dat hij kennis heeft van alle bijzondere uitvoeringsmodaliteiten van het misdrijf
(7). Het volstaat dat de deelnemer met kennis van zaken bijdroeg tot het plegen van het misdrijf
(8)of dat hij kennis heeft van alle omstandigheden die aan de handeling van de dader het kenmerk van een misdaad of een wanbedrijf verlenen
(9). 15. De term ‘welbepaald’ geeft aan dat de wilsovereenstemming tussen de dader en de deelnemer specifiek moet zijn en betrekking moet hebben op hetzelfde misdrijf
(10). De deelnemer blijft straffeloos wanneer de dader een volstrekt ander misdrijf pleegt dan was vooropgesteld
(11). Daarover oordeelt de rechter onaantastbaar, met controle door het Hof op de wettigheid van de motieven. Dr. Jan VANHEULE stelt als uitgangspunt dat strafbare deelneming “geen absolute congruentie vereist tussen het deelnemingsopzet en het gepleegde misdrijf, in die zin dat de strafbaarheid van de deelneming niet vereist dat het gepleegde misdrijf volledig overeenstemt met het misdrijf waarop het deelnemingsopzet betrekking had. Iemand die beoogt deel te nemen aan een misdrijf, neemt een welbepaald risico en dient o.i. niet vrijuit te gaan om de enkele reden dat het engszins anders loopt dan hij had gedacht”
(12). Nergens is bepaald dat als de hoofddader twee afzonderlijke misdrijven pleegt, de mededader alleen schuldig is als hij voor elk misdrijf een opzettelijke deelnemingshandeling stelde. Er kan een wilsovereenstemming bestaan tussen de dader en de mededader over het plegen van verschillende misdrijven, die al dan niet met elkaar verbonden zijn door eenzelfde opzet en één voortgezet misdrijf uitmaken, in de zin van art. 65, eerste lid, Sw. Eén deelnemingshandeling kan de uiting zijn van het opzet om aan meerdere misdrijven deel te nemen. 16. De enkele omstandigheid dat een persoon kennis heeft of moest hebben van een misdaad of een wanbedrijf, is niet voldoende is om hem als mededader aan die misdaad of dat wanbedrijf te kunnen beschouwen
(13). Art. 66 Sw. vereist eveneens positieve daad die aan de uitvoering van het misdrijf voorafgaat of ermee samengaat
(14). Een voorafgaand akkoord tussen de dader en de deelnemer kan niettemin een strafbare daad van deelneming opleveren
(15). In de regel volstaat een positieve en bewuste daad die aan de uitvoering van een misdaad of wanbedrijf voorafgaat om mededaderschap op te leveren wanneer het misdrijf zonder die daad niet had kunnen worden gepleegd
(16). Het is voor het leveren van noodzakelijke hulp (art. 66, derde lid, Sw.) zonder belang of de medehulp groot of klein was, als zij maar onontbeerlijk was voor de totstandkoming van de misdaad of het wanbedrijf
(17). Verder moet de positieve daad van deelneming niet gericht zijn op alle constitutieve elementen van het hoofdmisdrijf
(18)of deze bestanddelen omvatten
(19). Het is alleen de dader van het misdrijf die alle constitutionele bestanddelen van het misdrijf in zijn persoon verenigt
(20).
  1. Mij lijkt het niet uitgesloten dat eenzelfde positieve handeling een daad van deelneming vormt voor verschillende misdrijven. Het komt de feitenrechter toe na te gaan, aan de hand van concrete omstandigheden, over welke misdrijven er een voorafgaande wilsovereenstemming was tussen de dader en de mededader en op welke misdrijven de positieve daad van deelneming is gericht.
  2. Een concrete positieve daad van deelneming aan teelt van cannabis kan m.i. volstaan als daad van deelneming aan verkoop van de geoogste cannabis, als het vaststaat dat de teelt niet alleen diende voor eigen gebruik, maar ook voor verkoop en het verwerven van een illegaal vermogen. Die band moet blijken uit de motivering van strafbare deelneming aan het afzonderlijke misdrijf van verkoop van cannabis. Het bestreden arrest stelt vast dat de teelt van cannabis in de ruimtes te Niel en Hoeselt er enkel toe strekte grote winsten te genereren (blz. 32) en eiser deelnam aan die teelt louter voor geldgewin, waarbij de verkoop van de oogst van de cannabis niet tot stand kon komen zonder het wetens en willens handelen van eiser en het verstrekken van noodzakelijke hulp (blz. 32).
  3. De motivering over de strafbare deelneming van eiser aan verschillende misdrijven, waaronder het in cassatie betwiste misdrijf van verkoop van cannabis, lijkt mij toereikend en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Voor zover eiser opkomt tegen het onaantastbaar oordeel over feitelijke aspecten, zoals de noodzakelijke hulp voorafgaand aan het misdrijf of de teelt met als enig oogmerk geldgewin, is het middel niet-ontvankelijk. 3.
  4. Vorm van deelneming.
  5. De deelnemingsvormen omschreven in de art. 66, tweede en derde lid, Sw. hebben betrekking op het verlenen van materiële hulp bij het plegen van het misdrijf
(21). De andere daden van mededaderschap (art. 66, vierde en vijfde lid, Sw.) gaan aan het misdrijf begaan door de hoofddader vooraf, als vorm van uitlokking van het misdrijf. Voor de eerste categorie maakt de wet een onderscheid tussen de rechtstreekse medewerking aan de uitvoering van het misdrijf (art. 66, tweede lid, Sw.) en de noodzakelijke hulp of bijstand (art. 66, derde lid, Sw.). In beide gevallen moet de strafrechter vaststellen dat de daad van deelneming noodzakelijk was voor het plegen van het misdrijf, in die zin dat zonder de hulp van de mededader de misdaad of het wanbedrijf niet tot stand kwam, waardoor de betrokkene te beschouwen is als ‘mededader’ en niet als ‘medeplichtige’ (art. 67 Sw.)
(22). 21. Mij komt voor dat de appelrechters, door gebruik van de termen “…meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat de misdrijven niet zonder zijn bijstand hadden kunnen worden gepleegd” (blz. 32) en “elementen … laten er geen twijfel over bestaan dat eiser hand- en spandiensten heeft verricht” eiser schuldig achten aan mededaderschap in de zin van art. 66, derde lid, Sw., maar foutief hebben vermeld dat eiser “minstens als mededader in de zin van art. 66, tweede lid, Sw. moet worden beschouwd”. Gelet op de samenhang van de motieven over de deelneming als (uitsluitend) het verlenen van noodzakelijke hulp, kan de verwijzing naar art. 66, tweede lid, Sw., worden opgevat als een vergissing die geen invloed heeft op de wettigheid van de schuldigverklaring. In zoverre is het middel niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang
(23). 22. Voorts wordt eiser niet specifiek vervolgd als mededader in de zin van art. 66, tweede of derde lid, Sw. In de telastlegging omschreven in blz. 4-11 worden deze onderdelen van mededaderschap niet vermeld. Men kan aannemen dat eiser als dader voor de misdrijven wordt vervolgd. De woorden ‘dader’ en ‘mededader’ hebben in het Belgische strafrecht dezelfde betekenis
(24). Het Hof neemt aan dat de vervolging van een beklaagde als dader van een misdaad of wanbedrijf zowel op een daad van rechtstreekse uitvoering van dit misdrijf als op een van de in artikel 66, tweede en derde lid, Strafwetboek omschreven deelnemingshandelingen betrekking heeft
(25). Ook in dit opzicht heeft de foutieve vermelding van art. 66, tweede lid, Sw. als rechtsgrond voor de strafbaarheid van handelingen die het arrest aanmerkt als het verlenen van noodzakelijke hulp, m.i. geen invloed op de wettigheid van de beslissing. In zoverre is het middel niet-ontvankelijk. 23. Tenslotte lijkt mij het hof van beroep de teelt van cannabis niet zonder meer gelijk te stellen of te laten samenvallen met de verkoop van cannabis. Het bestreden arrest stelt dat eiser hand- en spandiensten verrichtte ‘louter met het oog op het realiseren van financieel geldgewin uit de verkoop van de oogst’. Handelingen die eiser in zijn memorie aanhaalt voor zijn standpunt dat de teelt van cannabis niet steeds tot handel moet leiden, zoals ‘teelt voor eigen gebruik, medicinaal gebruik of isolatiemateriaal voor de bouw’ worden aldus uitgesloten door het bestreden arrest. Bij gebrek aan een daartoe strekkende conclusie was het niet nodig daarover een bijkomende motivering te geven. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Voor zover eiser opkomt tegen het onaantastbaar oordeel over zijn deelname aan de teelt uit geldgewin, is het middel niet-ontvankelijk. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. __________________________________
(1)Het openbaar ministerie stelde geen hoger beroep in tegen de vrijspraak voor feit G.
(2)Het verlenen van noodzakelijke hulp valt volgens het Hof onder art. 66, derde lid, Sw. (Cass. 3 december 2013, AR P.13.1366.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.3, AC 2013, nr. 653; Cass. 28 september 1993, AR P.93.1146.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930928.10, AC 1993,nr. 382).
(3)Cass. 21 maart 2023, AR P.22.1648.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.8, AC 2023, nr. 215; Cass. 20 december 2022, AR P.22.0815.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24, AC 2022, nr. 838; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N, AC 2022, nr. 415; Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1056.N, AC 2021, nr. 37, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.7; Cass. 18 september 2018, AR P.17.1138.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.3, AC 2018, nr. 473, NC 2018, 599; Cass. 24 mei 2016, AR P.15.1604.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2, AC 2016, nr. 342; Cass. 29 september 2015, AR P.14.1169.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.9, AC 2015, nr. 567; Cass. 29 november 2011, AR P.11.1250.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.6, AC 2011, nr. 656. Zie alg. Zie alg. J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia 2010, 1050; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, II, L’auteur de l’infraction pénale, Larcier 2020, 209-363.
(4)Cass. 18 september 2018, AR P.17.1138.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.3, AC 2018, nr. 473, NC 2018, 599; Cass. 24 mei 2016, AR P.15.1604.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2, AC 2016, nr. 342.
(5)Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N, AC 2022, nr. 415, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1.
(6)Cass. 17 april 2013, AR P.13.0148.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130417.4, AC 2013, nr. 243, NC 2015, 113 noot J. VAN HEULE; Cass. 19 september 1995, AR P.94.0377.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950919.1, AC 1995, nr. 388.
(7)Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0583.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.2, AC 2018, nr. 562; Cass. 7 september 2005, AR P.05.0348.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050907.11, AC 2005, nr. 414; Cass. 24 maart 1998, AR P.96.1683.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980324.6, AC 1998, nr. 164; Cass. 9 december 1986, AR 758, AC 1986, nr. 217, RW 1987-88, 856 noot M. DE SWAEF; Th. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 146; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, die Keure 2021, 92; J. VANHEULE, “Commentaar bij art. 66 Sw.”, in Strafrecht. Duiding, Larcier 2016, 106.
(8)Cass. 15 mei 1985, AR 4247, AC 1985, nr. 554, RDPC 1985, 493; Cass. 21 maart 1979, ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790321.14; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 386.
(9)Cass. 21 maart 2023, AR P.22.1648.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.8, AC 2023, nr. 215; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N, AC 2022, nr. 415, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1; Cass. 29 november 2011, AR P.11.1250.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.6, AC 2011, nr. 656.
(10)Cass. 18 mei 2022, AR P.22.0113.F, AC 2022, nr. 359, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220518.2F.3; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 385-386; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge - t. III : l’auteur de l’infraction pénale, Larcier 2020, nr. 2048-2052.
(11)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco 1990, 336; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, II, L’auteur de l’infraction pénale, Larcier 2020, 311-322.
(12)J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia 2010, 467.
(13)Cass. 15 november 2022, AR P.22.0952.N, AC 2022, nr. 732, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15.
(14)Cass. 1 maart 2023, AR P.22.1463.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230301.2F.1, AC 2023, nr. 161; Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10, AC 2023, nr. 27; Cass. 15 november 2022, AR P.22.0952.N, AC 2022, nr. 732; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N, AC 2022, nr. 415; Cass. 8 september 2021, AR P.21.0305.F, AC 2021, nr. 528, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210908.2F.1; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0580.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.9, AC 2020, nr. 734; Cass. 3 november 2020, AR P.20.0672.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5, AC 2020, nr. 676, NC 2021, 174, RABG 2021, 139; Cass. 18 februari 2020, AR P.19.1117.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.3, AC 2020, nr. 137; Cass. 26 juni 2019, AR P.19.0344.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190626.1, AC 2019, nr. 402; Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0583.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.2, AC 2018, nr. 562; Cass. 17 december 2008, AR P.08.1é.F, AC 2008, nr. 737, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 17 januari 2006, AR P.05.1304.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.4, AC 2006, nr. 39, RABG 2006, 883; Cass. 7 september 2005, AR P.05.0348.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050907.11, AC 2005, nr. 414. Zie F. VAN VOLSEM, “Strafbare deelneming is tijdige deelneming”, RABG 2006, 884-888; S. VAN OVERBEKE, “Aanwezig bij het misdrijf als vorm van strafbare deelneming: je was erbij dus je bent erbij?”, RW 2010-11, 367-370; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia 2010, 615-617, nr. 483.
(15)Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10, AC 2023, nr. 27; Cass. 26 april 2017, AR P.17.0184.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.2, AC 2017, nr. 290; Cass. 17 januari 2006, AR P.05.1304.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.4, AC 2006, nr. 39, RABG 2006, 883; F. VAN VOLSEM, “Strafbare deelneming is tijdige deelneming”, RABG 2006, 884-888; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia 2010, 583-620.
(16)Cass. 17 april 2013, AR P.13.0148.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130417.4, AC 2013, nr. 243, NC 2015, 112 noot J. VANHEULE.
(17)Cass. 3 december 2013, AR P.13.1366.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.3, AC 2013, nr. 653; Cass. 2 december 1975, AC 1975, 415 en Cass. 9 april 1974, AC 1974, 873 (wat betreft art. 66, derde lid, Sw.); L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco 1990, 324.
(18)Cass. 29 november 2011, AR.P.11.1250.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.6, AC 2011, nr. 656, “Niet is vereist dat alle bestanddelen van de misdaad of het wanbedrijf begrepen zijn in de deelnemingshandelingen”, Cass. 5 oktober 2005, AR P.05.0444.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051005.17. AC 2005, nr. 481; zie ook advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, conclusie in de zaak Cass. 10 april 2023, AR P.12.2017.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130410.3, AC 2012, nr. 227, op datum in Pas..
(19)Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1292.N, AC 2022, nr. 86, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.2; Cass. 23 december 1998, AR A.94.0001.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9, AC 1998, nr. 534; Cass. 16 april 1980, AC 1980, nr. 521; Cass. 6 februari 1973, AC 1973, 565.
(20)Cass. 10 april 2013, AR P.12.2017.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130410.3, AC 2013, nr. 227, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 5 juni 2012, AR P.11.0902.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.3, AC 2012, nr. 631. J. VANHEULE, “Een aantal beginselen betreffende de deelnemingsvormen omschreven in de artikelen 66 en 67 Sw.”, NC 2007, 153; J. VANHEULE, “Deelnemingsopzet: graden en modaliteiten”, RABG 2014, 984.
(21)J. VANHEULE, “Een aantal beginselen betreffende de deelnemingsvormen omschreven in de artikelen 66 en 67 Sw.”, NC 2007, 154.
(22)F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, II, L’auteur de l’infraction pénale, Larcier 2020, 216-220 en 288-293.
(23)R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Bruylant 2006, 396-397, met verwijzing naar o.a. Cass. 9 maart 2004, AR P.03.1378.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040309.9, AC 2004, nr. 132.
(24)Cass. 15 oktober 1986, AR 5275, AC 1986, nr. 90.
(25)Cass. 24 september 2002, AR P.02.0718.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020924.13, AC 2002, nr.
  1. Over de situatie van vervolging als dader of mededader in de zin van art. 66, tweede en derde lid, Sw., en veroordeling als uitlokker van het misdrijf, in de zin van art. 66, vierde lid, Sw., zie Cass. 22 mei 2018, AR P.17.1261.N, AC 2018, nr. 320, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180522.
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790321.14 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930928.10 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950919.1 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980324.6 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020924.13 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040309.9 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050907.11 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051005.17 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130410.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130417.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180522.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190626.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200218.2N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210908.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220518.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230301.2F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.