← België

H. contra I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.3 Rolnummer: P.23.0492.N Zaak: H. contra I. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-17 Raadplegingen: 515 - laatst gezien 2026-06-18 17:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.3 Fiches 1 - 3 Het moreel element van het misdrijf bepaald in artikel 2 Seksismewet bestaat in het opzet om misprijzen voor een bepaalde persoon te uiten of die persoon als minderwaardig te beschouwen, wetende dat het gebaar of de handeling van aard is om ernstige schade toe te brengen aan de waardigheid van die persoon; bij afwezigheid van specifieke betwisting die daarover bij conclusie is gevoerd, moet de rechter dat opzet niet uitdrukkelijk of in welbepaalde bewoordingen bewezen verklaren; dat opzet kan bovendien blijken uit feitelijke elementen die de rechter vermeldt, zoals de aard en de context van bepaalde gezegden van de dader, die redelijkerwijze voor geen andere uitlegging vatbaar zijn

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Thesaurus CAS: RACISME. XENOFOBIE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Fiches 4 - 6 Om strafbaar te zijn, moeten de in artikel 2 Seksismewet beschreven gedragingen voldoen aan het openbaarheidsvereiste bepaald in artikel 444 Strafwetboek; dat artikel vereist in zijn tweede en derde lid dat de telastlegging geschiedt, hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen, hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet uitdrukkelijk te motiveren waarom hij bij de toepassing van artikel 2 Seksismewet het openbaarheidsvereiste van artikel 444 Strafwetboek vervuld acht; in dat geval kunnen de feitelijke omstandigheden op grond waarvan aan dit vereiste is voldaan, bovendien blijken uit de vaststellingen van de rechter
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Thesaurus CAS: RACISME. XENOFOBIE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Fiches 7 - 9 Artikel 27, 3° en 4°, Genderwet vereist eenzelfde openbaarheid als artikel 2 Seksismewet, dat in zijn tweede en derde lid vereist dat de telastlegging geschiedt, hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen, hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet uitdrukkelijk te motiveren waarom hij het openbaarheidsvereiste van artikel 444 Strafwetboek vervuld acht; in dat geval kunnen de feitelijke omstandigheden op grond waarvan aan dit vereiste is voldaan, bovendien blijken uit de vaststellingen van de rechter
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 27, 3° en 4° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Thesaurus CAS: RACISME. XENOFOBIE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 27, 3° en 4° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 27, 3° en 4° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Tekst van de conclusie P.23.0492.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het moreel bestanddeel van het misdrijf seksisme (art. 2 wet van 22 mei 2014) en de vereiste van openbaarheid van strafbare meningen”.
  1. Het bestreden arrest heeft eiser veroordeeld, wat betreft feit A 2 van seksisme, voor misprijzende uitlatingen voor een publiek in de aula van de Universiteit Gent (op 4 december 2019) ten aanzien van wetenschapster V.B, zoals “een voorbeeld van hoe het misloopt”, “als ge een normale vrouw zijt is wetenschap niets voor u, laat het gewoon aan de venten”, “als ge met de vrouwen wetenschap moet doen, da wordt een groot probleem”, “da was ook zo’n triestig wijf, zo met die grijze korte haarkes, …ne blinde zou ervan gaan lopen”. Het hof van beroep te Gent heeft eiser voor de feiten A2, D.2 en E.2 veroordeeld tot één straf, wegens eenheid van opzet (art. 65, eerste lid, Sw.), namelijk een geldboete van 1.000 euro (incl. opdeciemen). Voor andere uitlatingen ten aanzien van niet nader gespecifieerde vrouwen en de uitlating over Gretha Thunberg als voorbeeld van het ‘Foetal Alcohol Syndrome’, zoals omschreven in telastlegging A1, A3 en A.4, besloot het hof van beroep tot de vrijspraak.
  2. Artikel 2 Wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen, BS 24 juli 2014 (hierna Seksismewet) bepaalt: “Voor de toepassing van deze wet wordt begrepen onder seksisme elk gebaar of handeling die, in de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, klaarblijkelijk bedoeld is om minachting uit te drukken jegens een persoon wegens zijn geslacht, of deze, om dezelfde reden, als minderwaardig te beschouwen of te reduceren tot diens geslachtelijke dimensie en die een ernstige aantasting van de waardigheid van deze persoon ten gevolge heeft”
(1).
  1. De strafbaarstelling sluit aan op artikel 40 Verdrag van Istanbul van 11 mei 2011, dat bepaalt: “De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat elke vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek seksueel getint gedrag met het doel of gevolg de waardigheid van een persoon te schenden, in het bijzonder door het creëren van een intimiderende, vijandige, onterende, vernederende of beledigende omgeving, onderworpen is aan strafrechtelijke of andere juridische sancties” (Wet van 1 maart 2016 houdende instemming met het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, gedaan te Istanbul op 11 mei 2011, BS 9 juni 2016).
  2. Met de term ‘persoon’ in artikel 2 Wet 22 mei 2014 wordt een welbepaalde persoon bedoeld. De Minister van Justitie stelde dat: “de definitie preciseert dat het moet gaan om een ernstige aantasting van de persoonlijke waardigheid en dat er sprake moet zijn van bijzonder opzet. Het is dus niet de bedoeling al dan niet smakeloos geflirt of nafluiten op straat strafrechtelijk strafbaar te stellen. Het seksismemisdrijf behelst evenmin situaties waarbij het vrouwelijk geslacht in zijn geheel wordt geviseerd, zoals aan machogedrag appellerende reclame, maar wel de gevallen waarbij een welbepaalde persoon of een welbepaalde groep van personen betrokken is”
(2). Onder de termen ‘gebaren of handeling’ kunnen ook mondelinge of schriftelijke mededelingen worden verstaan, als ‘verbale daad’
(3). Tijdens de parlementaire voorbereiding van de Wet van 22 mei 2014 werd als voorbeeld van seksisme aangegeven “het publiek eraan twijfelen of een vrouw in haar werk een bepaalde taak kan uitvoeren omdat zij een vrouw is”
(4). 5. Het Grondwettelijk Hof nam aan, op 25 mei 2016, dat: “De tekst van het bestreden artikel 2 kan slechts in die zin worden begrepen dat het ertoe strekt elk gebaar te bestraffen dat of elke handeling te bestraffen die de bedoeling van de steller ervan uitdrukt om een persoon wegens zijn geslacht als minderwaardig te beschouwen. Het gebruik van het woord ‘beschouwen’ doet dienaangaande geen enkele dubbelzinnigheid ontstaan. Daarenboven blijkt uit de memorie van toelichting duidelijk dat de bedoeling van de wetgever erin bestaat de strafrechtelijke bestraffing te beperken tot “de ernstigste gevallen van seksisme”, waarin het gedrag ‘een vernederend effect’ heeft (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3297/001, p. 7). Daarom komt het misdrijf pas tot stand wanneer het gebaar of de handeling een ernstige aantasting van de waardigheid van de beoogde persoon tot gevolg heeft. Bovendien moet het strafbaar gestelde gebaar of de strafbaar gestelde handeling een of meer bepaalde personen beogen, en niet de leden van het ene of het andere geslacht op onbepaalde wijze. Daaruit kan worden afgeleid dat het loutere uiten van meningen met betrekking tot de respectieve plaats of rol van de geslachten in de samenleving niet het in het bestreden artikel 2 beoogde misdrijf kan uitmaken”
(5). 6. Over het moreel element van het misdrijf stelde het Grondwettelijk Hof: “De combinatie van de bewoordingen van die bepaling geeft aan dat zij de intentie vereist om “misprijzen” uit te drukken jegens een persoon of om deze als minderwaardig te beschouwen in de wetenschap dat het gebaar of de handeling kan leiden tot een aantasting van de waardigheid van die persoon. Bovendien moet dat gebaar of die handeling, om strafbaar te zijn, daadwerkelijk zulk een ernstige aantasting tot gevolg hebben gehad. Het mag dus niet gaan om een misdrijf waarvan het bestaan zou worden aangenomen vanaf het ogenblik dat de materiële elementen ervan aanwezig zijn. Het staat aan de vervolgende partij het bestaan van het vereiste bijzonder opzet te bewijzen”
(6).
  1. Verder gaf het Grondwettelijk Hof aan dat: “Door de vereiste, enerzijds, van een bijzonder opzet en, anderzijds, dat het misdrijf tot gevolg heeft gehad ernstig afbreuk te hebben gedaan aan de waardigheid van welbepaalde personen, wordt uitgesloten dat, indien geen sprake is van zulk een opzettelijk element of van zulk een effect ten aanzien van een welbepaalde persoon, pamfletten, grappen, spottende uitlatingen, meningen en, in het bijzonder, meningen met betrekking tot de verschillende plaats en rol binnen de samenleving van personen naar gelang van hun geslacht, reclame en elke uiting die, bij gebrek aan het vereiste bijzonder opzet, behoort tot de vrijheid van meningsuiting, strafbaar zouden kunnen worden gesteld (B.23.4)” en verder “Zoals in B.23.4 is gepreciseerd, komt het bij de bestreden bepalingen ingestelde misdrijf slechts tot stand wanneer het strafbaar gestelde gebaar of de strafbaar gestelde handeling ten aanzien van een welbepaalde persoon een ernstige aantasting van diens waardigheid met zich meebrengt. Daaruit volgt dat het uiten van meningen in het algemeen over de plaats en de rol van vrouwen en mannen in de samenleving niet onder de toepassing van de artikelen 2 en 3 van de bestreden wet valt (B.26.1)”.
  2. Uw Hof nam aan, op 8 juni 2022 dat het moreel element van het misdrijf bepaald in artikel 2 Seksismewet bestaat in het opzet om misprijzen jegens een persoon te uiten of die persoon als minderwaardig te beschouwen, wetende dat het gebaar of de gedraging van aard is om ernstige schade toe te brengen aan de waardigheid van die persoon. Voor zover het middel steunt op de veronderstelling dat het misdrijf van seksisme een bijzonder opzet vereist, faalt het naar recht
(7). De rechter beoordeelt onaantastbaar de feiten waaruit hij het bestaan afleidt van het moreel element van een misdrijf, waarbij het Hof zich ertoe beperkt na te gaan of hij vanuit die vaststellingen wettig die beslissing kon afleiden
(8).
  1. Bij afwezigheid van een specifiek verweer over het wetens en willens begaan van het misdrijf omschreven in artikel 2 Seksismewet, lijkt mij dat de rechter het misdrijf bewezen kan verklaringen in bewoordingen van de wet, zonder het opzet uitdrukkelijk vast te stellen. Het is aan uw Hof om na te gaan of de strafrechter het opzet heeft afgeleid uit feitelijke elementen die hij aanhaalt en die voldoende concreet en duidelijk zijn.
  2. Het Hof oordeelde dat als het schuldbestanddeel bestaat in opzet, dit is het wetens en willens aannemen van een strafbare gedraging, de rechter het bestaan van dit opzet vermag af te leiden uit het door de dader gepleegde materiële feit en de vaststelling dat dit feit hem kan worden toegerekend, met dien verstande dat de dader vrijuit gaat wanneer hij rechtvaardiging, schuldontheffing en niet-toerekeningsvatbaarheid enigszins aannemelijk maakt
(9). Een kwaadwillige bedoeling moet dan niet worden bewezen. Verder nam het Hof aan dat: “Het willens aannemen van een strafbare gedraging veronderstelt dat de betrokkene de bedoeling had om de materiële gedraging te stellen waarvan hij weet dat ze strafbaar is. Het volstaat dat de dader de strafbare handeling stelt terwijl hij beseft dat die handeling wederrechtelijk is. Niet vereist is dat de wil van de dader ook betrokken is op de wederrechtelijkheid van zijn gedraging”
(10).
  1. Het bestreden arrest vermeldt een aantal gezegden van eiser over de wetenschapster V.B. en oordeelt (blz. 15): “Deze contextuele gezegden later er niet de minste redelijke twijfel over bestaan dat het onbetwistbaar minachtende gezegde van beklaagde (eiser) met betrekking tot V.B.… te kaderen was in zijn overtuiging dat vrouwen niet in staat zijn om wetenschappen te bedrijven, en deze overtuiging beoogden kracht bij te zetten. Eiser heeft daarmee zijn minachting uitgedrukt jegens V.B. omwille van haar geslacht en in bewoordingen die haar waardigheid aantastten” en verder “Het stond de beklaagde vrij om vrouwen in het algemeen niet in staat te achten om wetenschappen te bedrijven en deze overtuiging ook uit te dragen, maar niet om in dit verband een geïdentificeerde vrouw om een minachtende wijze te beschrijven in beschimpende bewoordingen omwille van haar geslacht”.
  2. Mij komt voor dat met deze redenen het bestreden arrest het opzet (wetens en willens handelen) vaststelt van eiser ten aanzien van een welbepaalde persoon, zoals vereist door artikel 2 Seksismewet, en de bewoordingen van het arrest uw Hof toelaten een wettigheidscontrole uit te oefenen. De redenen zijn m.i. toereikend als antwoord op het verweer (in beroepsconclusie, blz. 20) dat eiser V.B. allerminst met een bijzonder opzet minachtend heeft bejegend louter omwille van haar geslacht
(11). (Van)uit de minachtende, kwetsende bewoordingen in hun geheel beschouwd mocht het hof van beroep oordelen dat eiser heeft gehandeld in strijd met artikel 2 Seksismewet. Het eerste middel, eerste onderdeel, dat schending aanvoert van de artikelen 149 Grondwet (motiveringsplicht) en 2 Seksismewet, kan bijgevolg niet worden aangenomen. 13. Handelingen of gezegdes die onder de noemer vallen van seksisme, zoals een handeling de klaarblijkelijk is bedoeld om een persoon wegens zijn geslacht als minderwaardig te beschouwen, zijn alleen strafbaar als ze in de openbaarheid zijn gesteld of geuit. Art. 2 Seksismewet verwijst voor de openbaarheid naar artikel 444 Strafwetboek (laster en eerroof), dat als omstandigheden aanmerkt: openbare bijeenkomsten of plaatsen, of in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken, of om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen of geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden; of door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden
(12). 14. Bij gebrek aan een verweer in conclusie op dit punt, moet de strafrechter niet precies aangeven welke vereiste van openbaarheid van artikel 444 Sw. van toepassing is op een handeling die getuigt van seksisme. Uw Hof ziet wel toe of de motivering over schuld melding maakt van feitelijke omstandigheden waaruit blijkt dat de handelingen of gezegdes een openbaar karakter hebben, in de zin van artikel 444 Sw. en artikel 2 Seksismewet
(13).
  1. Het bestreden arrest stelt vast (blz. 13) dat de aangehaalde minachtende uitlatingen over wetenschapster V.B. naar voor zijn gebracht in een lokaal van de Universiteit Gent tijdens een voordracht op uitnodiging van een Gentse studentenvereniging, waarvan eiser de schriftelijke weergave heeft bijgebracht. Daarmee geeft het arrest naar mijn mening voldoende duidelijk aan dat de minachtende bewoordingen omschreven in telastlegging A2 zijn uitgesproken hetzij in een openbare bijeenkomst of plaats, hetzij in een plaats die toegankelijk was voor een aantal personen die er aanwezig waren. Het bestreden arrest lijkt mij voldoende gemotiveerd en naar recht verantwoord. Het tweede onderdeel over artikel 149 Grondwet en artikel 2 Seksismewet kan bijgevolg niet worden aangenomen.
  2. Eiser werd bijkomend veroordeeld wegens inbreuk op de artikelen 27, 3°, en 27, 4° Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen (BS 30 mei 2007), in de versie van voor de wijziging bij wet van 15 november 2022 (BS 9 januari 2023)
(14), die strafbaar stellen: “hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot discriminatie of tot segregatie jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens het geslacht, en dit, zelfs buiten de in artikel 6 bedoelde domeinen” (art. 27, 3°) en “hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens het geslacht, en dit, zelfs buiten de in artikel 6 bedoelde domeinen”. De domeinen bedoeld in artikel 6 zijn onder meer de sociale bescherming, met inbegrip van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg en arbeidsbetrekkingen (art. 6, § 1 Wet 10 mei 2007). Meer bepaald wordt eiser verweten in zijn toespraak in een lokaal van de Universiteit Gent vrouwen te hebben vergeleken met ‘honden’ (feit D.2, art. 27, 3° Wet 10 mei 2007)
(15)en kinderen van alleenstaande moeders ‘uitschot’ hebben genoemd (feit E.2, art. 27, 4° Wet 10 mei 2007)
(16). 17. Meningen omschreven in de artikelen 27, 3°, en 27, 4° Wet 10 mei 2007 over strafbare meningen van discriminatie en haat jegens een gemeenschap wegens het geslacht vereisen eveneens een openbaarheid in de zin van artikel 444 Sw
(17). Het tweede en derde middel dat opkomt tegen de motivering over de openbaarheid van de uitlatingen heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het eerste middel, en kunnen om dezelfde redenen worden verworpen. 18. Er zijn geen ambtshalve middelen in cassatie aan te voeren. Mijn advies is verwerping van het cassatieberoep. ___________________________________
(1)F. KUTY, “L’incrimination du sexisme”, RDPC, 2015, 41-60; J. VRIELINK et S. VAN DYCK, “Seksismeverbod in de strafwet. Baat niet, schaadt wel”, NJW, 2015, 770-793 en 834-843; P. BORGHS, “Smaad en seksisme tegenover ordehandhavers”, NJW 2017, 902; J. ROZIE, “Genderneutraliteit in het strafrecht: utopie of realiteit ?”, in la CVDW. Liber amicorum Chris Van den Wyngaert, Antwerpen, Malu 2017, 416-419; T. VANDROMME, “Seksisme”, in Comm. Strafr. 2017, Kluwer, 20p.; J. DE HERDT, “Veroordeling voor seksisme tegen een politieambtenaar”, in Politie en Recht, 2019, 43-48; T. VANDROMME, “De zin of onzin van de Seksismewet van 22 mei 2014”, RW 2021-22, 1010; F. VAN VOLSEM, “De seksismewet: geen louter symbolische wet, maar een handhavingsinstrument zeker indien andere strafbaarstellingen tekortschieten”, RABG 2021, 1700-1712; J.M. HAUSMAN, “Logiques et éléments de l’incrimination de sexisme par la loi du 22 mai 2014: analyse législative et jurisprudentielle”, RDPC 2022, 953-984; P. BORGHS, “Misprijzen tegenover vrouwen als strafbare vorm van seksisme”, NJW 2022, 197-198.
(2)Wetsontwerp van 28 maart 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte et tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen teneinde de daad van discriminatie te bestraffen, Verslag namens de Commissie Justitie, Parl. St. Kamer, DOC 53-3297/003, p.11, www.dekamer.be.
(3)F. VAN VOLSEM, “De seksismewet: geen louter symbolische wet, maar een handhavingsinstrument zeker indien andere strafbaarstellingen tekortschieten”, RABG 2021, 1704 en 1709, met verwijzing naar DOC 53-3297/001, p. 7
(4)F. VAN VOLSEM, “De seksismewet: geen louter symbolische wet, maar een handhavingsinstrument zeker indien andere strafbaarstellingen tekortschieten”, RABG 2021, 1707, met verwijzing naar DOC 53-3297/003, p. 16 (een voorbeeld aangehaald door de Minister van Justitie).
(5)GwH 25 mei 2016, arrest 72/2016, B.12.2 en B.12.3, www.const-court.be.
(6)GwH 25 mei 2016, arrest 72/2016, B.23.2, www.const-court.be.
(7)Cass. 8 juni 2022, AR P.22.0306.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220608.2F.8, AC 2022, nr. 407, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220608.2F.8, RDPC 2022, 952 noot J.M. HAUSMAN (vrije vertaling van de rechterlijke overweging “Le demandeur soutient que la motivation de l’arrêt est inapte à établir l’existence du dol spécial exigé à l’article 2 de la loi du 22 mai 2014, lequel se caractérise par l’intention de nuire. L’élément moral du délit imputé au demandeur se définit par l’intention d’exprimer un mépris à l’égard d’une personne ou de la considérer comme inférieure en sachant que le geste ou le comportement est susceptible d’entraîner une atteinte grave à la dignité de cette personne. En tant qu’il repose sur la prémisse que l’infraction de sexisme requiert un dol spécial, le moyen manque en droit.”. Zie eveneens Luik 20 december 2021, JLMB 2022, 439; Corr. West-Vlaanderen, afd. Kortrijk 13 januari 2021, RABG 2021, 1694 noot F. VAN VOLSEM; Corr. Luik, 4 maart 2021, JLMB 2021, 1129; Corr. Brussel 27 mei 2021, JLMB 2021, 1146; Corr. Luik 9 juni 2022, JLMB 2022, 1210.
(8)Cass. 8 juni 2022, AR P.22.0306.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220608.2F.8, AC 2022, nr. 404, met concl. van advocaat-generaal. D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220608.2F.8 (vrije vertaling van de rechterlijke overweging “Le juge constate souverainement les faits dont il déduit l’existence de l’élément moral d’une infraction, la Cour se bornant à vérifier si, de ces constatations, il a pu légalement déduire cette décision”).
(9)Cass. 19 oktober 2021, AR P.21.0246.N, AC 2021, nr. 652, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.27; Cass. 10 oktober 2017, AR P.16.0639.N, NC 2018, 213, noot; Cass. 3 mei 2016, AR P.14.1273.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160503.5, AC 2016, nr. 295, NC 2017, 363, noot J. DE GROOTE; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, die Keure 2021, 40; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 176-181; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 328-329.
(10)Cass. 19 oktober 2021, AR P.21.0246.N, AC 2021, nr. 652, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.27.
(11)Zoals gesteld in de memorie van antwoord, heeft eiser in zijn beroepsconclusie (blz. 20-21) niet aangevoerd dat hij niet uit vrije wil en met kennis van zaken zou hebben gehandeld, toen hij de uitspraken deed over wetenschapster V.B.
(12)T. VANDROMME, “Seksisme”, in Comm. Strafr. 2017, 11; F. VAN VOLSEM, “De seksismewet: geen louter symbolische wet, maar een handhavingsinstrument zeker indien andere strafbaarstellingen tekortschieten”, RABG 2021, 1047; K. DENENBURG, M. DILLEN, F. VAN VOLSEM en P. KEMPS, Zakboekje strafrecht, Kluwer 2020, 2022, 580-581; P. LAMBERT, “Calomnie”, in Postal Memorialis. Lexique du droit pénal et des lois spéciales, Kluwer 2023, C-40, 27-31.
(13)Over de term ‘openbare plaats’ zie Cass. 16 maart 1842, Pas. 1842, I, 158-159.
(14)Art. 14 Wet 15 november 2022 houdt een beperkte wijziging in, in die zin dat de woorden “het geslacht" in art. 27, 3° en 27, 4° Genderwet worden vervangen door de woorden "een beschermd criterium".
(15)Het gaat om de uitspraak (telastlegging D), blz. 21 arrest: “Gij weet niet hoe vuil een wijf is. Hebt gij al eens een hond in huis gehad. Awel, voor wat een wijf vuilmaakt, moet ge vijf honden in huis hebben. Da bijt u voor minder geld kapot”.
(16)Het gaat om de uitspraak (telastlegging E), blz. 25 arrest: “Johnson heeft zelf vorige week nog gezegd, iets in de trant van ‘kinderen van alleenstaande moeders’, enfin, soit, dat was het uitschot van de maatschappij”.
(17)Over deze misdrijven zie A. ALEN en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Kluwer 2011, 890-897; T. VANDROMME, “Seksisme”, in Comm. Strafr. 2017, 15-17; A. FRANCOIS, “La lutte contre les discriminations en matière pénale”, RDPC 2020, 991-1020; P. BORGHS, “Misprijzen tegenover vrouwen als strafbare vorm van seksisme”, NJW 2022, 197-198. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160503.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.27 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220608.2F.8 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220608.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.