id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 oktober 2023
Art. 15
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 5 augustus 1992
Art. 15bis
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 5 augustus 1992
Art. 45
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Tekst van de conclusie S.23.0010.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt, gewezen op 3 oktober
- Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
- Het tweede onderdeel. Het geschil betreft de toepassingsvoorwaarden van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel van 3 juli
- De grieven in het tweede onderdeel betreffen het gegeven dat de appelrechters niet wettig zouden oordelen dat de virtuele gezagsverhouding met eiseres tijdens het politieoptreden is blijven bestaan en evenmin dat het ongeval zich tijdens de uitoefening van het ambt heeft voorgedaan. a. Principes. De vraag of het ongeval gebeurde tijdens de uitoefening van het ambt wordt door de rechtspraak op een ruime wijze ingevuld. De noodzakelijke doch voldoende voorwaarde is dat de ambtenaar zich onder het gezag bevindt van de tewerkstellende overheid. Er moet, naar tijd en plaats, de mogelijkheid zijn tot uitoefening van het gezag. Hieraan is voldaan indien deze gezagsuitoefening zelfs maar virtueel is
(1). Betreffende het aspect gezagsuitoefening is er een ruime rechtspraak van uw Hof. Hierbij moet rekening gehouden worden dat, niet tegenstaande deze rechtspraak zich voornamelijk situeert in het kader van de Arbeidsongevallenwet van 1971, deze kan weerhouden worden voor huidig geschil. Immers het aspect uitoefening van het werkgeversgezag, effectief of virtueel, kent, an sich, geen andere invulling in de publieke sector dan in de privésector. De principes die uit uw rechtspraak voortvloeien zijn derhalve mutatis mutandis tevens van toepassing op de arbeidsongevallen in de publieke sector. Het volstaat dat er de mogelijkheid is om het gezag uit te oefenen, en het is aldus niet vereist dat er een effectieve uitoefening plaats heeft
(2). Dus het in potentie de mogelijkheid hebben tot de uitoefening van dit gezag volstaat. Zoals blijkt uit Uw vaste rechtspraak duurt de gezagsverhouding, in beginsel, zolang de werknemer ten gevolge het verrichten van de arbeid in zijn persoonlijke activiteit en vrijheid wordt beperkt
(3). Specifiek aan de zaak die voor uw Hof wordt gebracht is dat de verweerder hoofdinspecteur van politie is. Het ambt van politiefunctionaris van het operationeel kader kent bepaalde specifieke aspecten die hieraan eigen zijn en waardoor deze zich onderscheidt van andere functies in de publieke sector. Dit betreft in het bijzonder het gegeven dat de ambtsplichten zich niet beperken tot een bepaald geografisch gebied van het Rijk, noch dat zij zich situeren in bepaalde tijdsvakken. Uw Hof heeft zich desbetreffend reeds uitgesproken. Ik verwijs daaromtrent naar Uw arrest van 1 februari 2006
(4)en inzonderheid naar de conclusie van advocaat-generaal Damien Vandermeersch. In deze conclusie wordt vooropgesteld: “Bovendien is de bevoegdheid van een politieambtenaar om een misdrijf vast te stellen algemeen en wordt die te allen tijde, zelfs buiten de diensturen en buiten zijn ambt uitgeoefend. Dit volgt met name uit artikel 123, eerste lid van de Wet van 7 december 1998 dat bepaalt dat de politieambtenaren, wanneer de omstandigheden het vereisen, bijdragen tot het doen naleven van de wet en tot het behoud van de openbare orde. Een politieambtenaar houdt m.a.w. niet op politieman te zijn zodra hij zijn dienst verlaat of zijn uniform uittrekt”. Artikel 123, eerste lid, van de Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalt dat de politieambtenaren te allen tijde en in alle omstandigheden bijdragen tot de bescherming van de medeburgers en tot de bijstand die deze laatsten mogen verwachten, alsook, wanneer de omstandigheden het vereisen, tot het doen naleven van de wet en tot het behoud van de openbare orde
(5). Ingevolge de artikelen 15 en 15bis van de Wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, hebben de politieambtenaren een algemene bevoegdheid in zake het opsporen van misdrijven, de daders ervan te vatten en bewijzen ervan te verzamelen
(6). Wat de territoriale bevoegdheid betreft, dient gewezen te worden op artikel 45 van de Wet op het Politieambt. De leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie hebben de bevoegdheid om hun opdrachten uit te oefenen op het geheel van het grondgebied van het Rijk. Samengevat, uit deze bepalingen komt naar voor dat de hoedanigheid van politiefunctionaris van het operationeel kader van de lokale politie en de hieraan verbonden ambtsplichten niet beperkt zijn tot de diensturen
(7), noch tot de geografische omschrijving van de politiezone
(8). Wat betreft de gezagsuitoefening dient de aandacht er op gevestigd te worden dat niettegenstaande een politieambtenaar buiten zijn dienst en buiten zijn zone politioneel zou optreden hij betreffende de gestelde ambtshandelingen onderworpen blijft aan het gezag van zijn korpsleiding, alsook aan het tuchtgezag en de tuchtoverheid van zijn lokale politiezone. b. Beoordeling. De vraag of de politieambtenaar zich op het ogenblik van het ongeval onder het (virtueel)gezag van zijn werkgever bevond, beoordeelt de rechter in feite, Uw Hof oefent desbetreffend een marginale toetsing uit. De appelrechters stellen niet betwist vast dat verweerder tijdens zijn dienst ingelicht werd van strafbare feiten die door zijn neef ten aanzien van diens vader werden gepleegd meer in het bijzonder inbraak en (gebruiks-)diefstal. Overeenkomstig zijn ambtsplichten verwittigt verweerder de lokale politiezone, zijnde CARMA, waar de feiten zich afspelen
(9). Na afloop van zijn dienst werd de verweerder andermaal gecontacteerd en in kennis gesteld van een ernstige evolutie, namelijk feiten met betrekking tot een mogelijke aanslag op personen door zijn neef. Andermaal verwittigt hij de politiezone CARMA. In samenspraak met deze zone begaf verweerder zich ter plaatse
(10). Uit de niet betwiste vaststellingen van de appelrechters en de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan, blijkt dat verweerder eens ter plaatse, in afwachting van de komst van de agenten van de politiezone CARMA, in gesprek ging met zijn neef doch geen ambtshandelingen stelde
(11). Uit dezelfde stukken blijkt dat dit wijzigt op het ogenblik dat de neef, bij het zien aankomen van de politievoertuigen, in paniek slaat en zich aan de nodige vaststellingen wil onttrekken. Hij vlucht richting een verblijf waarover verweerder geïnformeerd was dat er een mes verstopt was en waar twee minderjarigen zich zouden bevinden
(12). De achtervolging en de handelingen die verweerder hierop volgend uitvoerde kaderden, gelet op de vastgestelde feiten, duidelijk in artikel 123 van de hoger aangehaalde wet van 1998, alsook de artikelen 15 en 15bis van de voormelde wet van 1992. Voor de ambtsdaden die de verweerder in het kader van deze wetsbepalingen stelt, staat hij onder het (virtueel) gezag van zijn korpsleiding. De appelrechters oordeelden dan ook terecht dat de virtuele gezagsverhouding met eiseres tijdens het politieoptreden is blijven bestaan
(13). Er was immers, zoals de appelrechters niet betwist vaststelden, sprake van ernstige en hoogdringende feiten
(14). Het is naar aanleiding van de handelingen die plaatsgrepen tijdens deze achtervolging dat verweerder letsels opliep
(15). Met het geheel van deze vaststellingen en beoordelingen van de appelrechters, zoals deze aan te treffen zijn op de bladzijden 7 tot 11 van de bestreden beslissing, oordelen zij derhalve naar recht dat er sprake was van een virtuele gezagsuitoefening. Zij verantwoorden dienvolgens tevens naar recht dat het ongeval plaats had tijdens de uitoefening van het ambt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 3. Eerste onderdeel. (...) 4. Derde onderdeel. (...) Conclusie: Verwerping. ______________________________________
(1)R. JANVIER, Arbeidsongevallen publieke sector, Brugge, Die Keure 2017, p. 93.
(2)Cass. 18 mei 1981, AC, 1980-81, nr. 533.
(3)Cass. 8 november 2015, AR S.15.0039.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151109.3, AC 2015, nr. 662; Cass. 22 februari 1993, AR 9578, AC 1993, nr. 109 met gelijkluidende concl. van toenmalig advocaat-generaal Leclercq, op datum in Pas.
(4)Cass. 1 februari 2006, AR P.05.1355.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060201.5, AC 2005, nr. 63.
(5)Door verweerder wordt in zijn syntheseberoepsbesluiten, pagina 10, artikel 123 van de wet van 1998, alsook artikel 45 van de wet op het Politieambt aangevoerd.
(6)Uit de feiten die de appelrechters, pagina 8 betreden beslissing, vaststellen blijkt duidelijk dat het optreden van de politiediensten zich situeerden in de kader van de “gerechtelijke politie” in de zin van artikel 8 Sv. Het betrof immers feiten van (gebruiks-)diefstal, inbraak en vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen.
(7)G. BOURDOUX en F. GOOSENS, “Politiebeambte is men 24 uur op 24: over de bevoegdheid ratione temporis van de verbalisant”, Vigilis-Tijdschrift voor politierecht, 2007, p. 131-133.
(8)Vr. en Antw. Kamer, 15 mei 2019, nr. 186, (Vr. 3957 Stefaan Van Hecke).
(9)Bestreden beslissing pagina 8.
(10)Bestreden beslissing pagina 8, in fine, en pagina 9.
(11)Bestreden beslissing pagina 9; conclusie in graad van beroep eiseres pagina 5 in fine en 6 bovenaan en vonnis eerste rechter pagina 4.
(12)Bestreden beslissing pagina 10 en conclusie in graad van beroep eiseres pagina 6.
(13)Bestreden beslissing pagina 10.
(14)Bestreden beslissing pagina 10.
(15)Bestreden beslissing pagina 2; conclusie in graad van beroep eiseres pagina 6 bovenaan en vonnis eerste rechter pagina 4. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231002.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231002.3N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060201.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151109.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div