← België

INTERVLEES contra SUMP STAMMER GMBH

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231005.1N.4 Rolnummer: C.23.0034.N Zaak: INTERVLEES contra SUMP STAMMER GMBH Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige Invoerdatum: 2024-02-12 Raadplegingen: 251 - laatst gezien 2026-06-15 06:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231005.1N.4 Fiches 1 - 2 Gezien de vraag rijst of de “stabilisatieperiode”, waarna voor invriezing bestemd vlees onverwijld moet worden ingevroren, krachtens bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004, enkel betrekking heeft op de korte periode na slachting waarin het vlees gekoeld wordt conform de vereisten van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1, totdat een pH- en thermische stabilisatie wordt bereikt, zodat het vlees onmiddellijk daarna moet worden ingevroren, dan wel of zij ook betrekking heeft op de daaropvolgende koelingsperiode noodzakelijk voor verdere rijping, zodat het vlees ook na dit rijpingsproces nog kan worden ingevroren, bestaat er grond om het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong - 29-04-2004 - Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1 en 4 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong - 29-04-2004 - Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1 en 4 Tekst van de conclusie C.23.0034.N Conclusie van advocaat-generaal Herregodts: Situering. 1. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan, blijken de volgende feiten
(1)en procedurevoorgaanden. Eiseres is groothandelaar in vleeswaren en kwalificeert zichzelf als toonaangevende importeur van vlees op de Europese markt. Verweerster is groothandelaar in voedingswaren. Partijen sloten een overeenkomst met als voorwerp de levering door eiseres aan verweerster van grote partijen “ex chilled” vlees op afroep. Het betreft vlees dat voorheen werd gekoeld (“chilled”) om het te laten rijpen en aldus de malsheid ervan te bevorderen, en nadien, na rijping, werd ingevroren. Op 8 mei 2019 leverde eiseres een partij vlees aan verweerster voor een totaalbedrag van 101.155,27 euro. Deze goederen zouden bestemd zijn geweest voor de Italiaanse cruisesector. Verweerster verkocht het vlees door aan een Duitse onderneming die deel uitmaakte van een Italiaanse onderneming. De Italiaanse autoriteiten weigerden de levering, omdat zij niet zou voldoen aan de sanitaire normen vervat in bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening (EG) nr. 853/2004 van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, kortweg “Verordening 853/2004”, doordat het vlees niet onmiddellijk na een stabilisatieperiode, maar pas na koeling met het oog op rijping, was ingevroren, en aldus niet bestemd kon worden voor de Europese markt. Verweerster ontbond daarop de overeenkomst buitengerechtelijk en weigerde de navolgende leveringen van “ex chilled” vlees af te nemen.
  1. Eiseres vorderde voor de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, de betaling door verweerster van een vergoeding van 223.498 euro voor de schade die zij zou hebben geleden doordat zij genoodzaakt was de geweigerde partijen vlees tegen een lagere prijs aan een derde te verkopen. Verweerster vorderde de betaling door eiseres van een vergoeding van 145.210,27 euro provisioneel voor de schade die zij zou hebben geleden ten gevolge van de niet-marktconforme levering van de goederen, doordat deze niet geschikt waren voor hun doel, namelijk menselijke consumptie binnen de Europese Unie. Bij vonnis gewezen op 17 juni 2021 werden de hoofd- en de tegenvordering ongegrond verklaard. Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend door eiseres en incidenteel beroep door verweerster. Bij arrest van 27 juni 2022 verklaarde het hof van beroep van Antwerpen het hoger beroep van eiseres ongegrond en het incidenteel beroep van verweerster gegrond, hervormde het hof het beroepen vonnis en veroordeelde het eiseres tot betaling aan verweerster van een bedrag van 145.210,27 euro provisioneel.
  2. Eiseres komt met haar voorziening in cassatie, betekend aan verweerster op 25 januari 2023 en neergelegd op 26 januari 2023, met 1 middel op tegen het arrest van 27 juni
  3. Voor verweerster werd op 10 mei 2023 een memorie van antwoord neergelegd. Bespreking. De aangevochten beslissing
(2).
  1. Eiseres komt op tegen de beslissing van de appelrechter om de vordering van eiseres, die ertoe strekte het bestreden vonnis te horen hervormen en verweerster te horen veroordelen tot betaling van 223.498 EUR, te vermeerderen met de intresten en de gerechtskosten, ongegrond te verklaren, om de vordering van verweerster, die ertoe strekte eiseres te horen veroordelen tot betaling van 145.210,27 EUR provisioneel, te vermeerderen met de gerechtskosten, gegrond te verklaren en om de ondergeschikte vordering van eiseres om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie met betrekking tot de interpretatie van Verordening 853/2004, ongegrond te verklaren, op grond van de volgende motieven: “4.
  2. Over de gegrondheid van de hogere beroepen. Er is geen nood aan een prejudiciële vraagstelling aan het Europees Hof van Justitie. Verordening 853/2004 is duidelijk en bepaalt dat vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onverwijld moet worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode. Die stabilisatieperiode doelt op de PH-stabilisatie en is zoals blijkt uit de voorgelegde stukken - inzonderheid de brief van 20 juni 2019 van het Directoraat Generaal voor de Gezondheid en de Voedselveiligheid van de Europese Commissie - een kwestie van enkele dagen. In geen geval en onder geen enkele interpretatie van de voormelde verordening, kan deze stabilisatieperiode gelijkgesteld worden met een rijpingsperiode. Ingevolge Verordening 853/2004 kan gerijpt vlees bestemt voor de Europese markt, niet ingevroren worden. Het standpunt van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit kan geen afbreuk doen aan de voormelde verordening. Ook de documentatie afkomstig van het FAVV toont niet aan dat gerijpt vlees nadien ingevroren mag worden om te voldoen aan de bepalingen van Verordening 853/
  3. De periode nodig voor de stabilisatie van de PH van het vlees voordat het wordt bevroren of ingevroren (het hof gebruikt deze twee termen als synoniemen, hoewel er technisch een verschil bestaat tussen bevriezen en invriezen), heeft niets te maken met de rijpingsperiode die ertoe strekt het vlees te vermalsen. Het rijpen van (runds-)vlees is inderdaad een courante praktijk, maar [eiseres] toont niet aan dat het bevriezen of invriezen van gerijpt vlees een courante en aanvaardbare praktijk is, noch dat dit toegelaten zou zijn door Verordening 853/2004 voor vlees dat voor de Europese markt bestemd is. [Eiseres] weet als gespecialiseerde professionele verkoper op groothandelsniveau vleeswaren zeer goed dat de voormelde stabilisatieperiode hoegenaamd niets te maken heeft met een rijpingsperiode. [Eiseres] tracht met de argumenten die zij ter zake ontwikkelt, vruchteloos het hof te misleiden. De overeenkomst van partijen had betrekking op voorheen gekoeld ('ex-chilled') vlees, dat nadien was ingevroren en dat dus niet voor de Europese Markt bestemd kon worden. Een eerste partij vlees werd dan ook - conform Verordening 853/2004 - geweerd door de Italiaanse autoriteiten. Als gespecialiseerde onderneming in de import en export van vlees op groothandelsniveau, wist of behoorde [eiseres] te weten dat voorheen gekoeld vlees dat nadien ingevroren was, niet voor de Europese markt bestemd kon worden, temeer daar [eiseres] zich zelf kwalificeert als een toonaangevende of leidinggevende importeur van vlees op de Europese markt. [Eiseres] heeft te kwader trouw gehandeld ten aanzien van [verweerster]. [Verweerster] is weliswaar gespecialiseerd in de groothandel van voedingswaren, maar niet specifiek in vleeswaren. [Eiseres], die een gespecialiseerde professionele verkoper in vleeswaren is, behoorde [verweerster] te informeren dat het verkochte vlees niet voor de Europese markt bestemd kon worden. Deze informatieverplichting drong zich aan [eiseres] op, temeer dat [eiseres] niet betwist dat zij wist dat [verweerster] het gekochte vlees voor de Europese Markt bestemde. Het wordt niet betwist dat [verweerster] wist dat het gekochte ingevroren vlees voorheen gekoeld vlees was. Er wordt echter niet bewezen dat [verweerster] wist of behoorde te weten dat het gekochte vlees niet bestemd kon worden voor de Europese markt. Deze overeenkomst heeft geen ongeoorloofd voorwerp of oorzaak, nu niet wordt aangetoond dat de verkochte goederen niet buiten de Europese Unie verhandeld konden worden. Aangezien het gekochte vlees niet geschikt was voor het doel waarvoor het bestemd was (menselijke consumptie binnen de Europese Unie), is er hier wel degelijk sprake van een verborgen gebrek. Het hoger beroep is ongegrond. De eis van [eiseres] is ongegrond. Ten overvloede stipt het hof aan dat [eiseres] het overschot van het vlees blijkbaar ingevoerd en verkocht heeft op de Europese markt - hoewel zij ingevolge de tussenkomst van de Italiaanse autoriteiten en dit geschil - pertinent wist dat dit in strijd was (of kon zijn) met Verordening 853/
  4. Minstens diende [eiseres] uit voorzorg het overschot van het vlees niet verder te verkopen tot dit geschil beslecht was. Ook hieruit blijkt dat [eiseres] manifest te kwader trouw handelt en er niet voor terugdeinst de Europese sanitaire normen te overtreden, alsook de volksgezondheid in gevaar te brengen. Overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering is het hof gehouden melding te maken aan het Openbaar Ministerie van feiten waarvan het hof kennis krijgt in de uitoefening van zijn ambt en die mogelijks een misdrijf uitmaken. De verkoop van het overschot van het vlees op de Europese markt in strijd met Verordening 853/2004, houdt mogelijks ook een strafrechtelijk gesanctioneerde inbreuk in op het Koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen. Dit arrest moet dan ook ter kennis van het Openbaar Ministerie worden gebracht. [Verweerster] toont aan dat zij gedwaald heeft over de zelfstandigheid van de zaak, nu zij aannam dat de gekochte goederen geschikt waren voor menselijke consumptie in de Europese Markt en [eiseres], als gespecialiseerde professionele verkoper van vleeswaren, haar ter zake niet correct en afdoende heeft geïnformeerd. Deze dwaling is dan ook verschoonbaar, nu niet wordt bewezen dat [verweerster] dit wist of behoorde te weten. De overeenkomst van partijen is nietig omwille van dit wilsgebrek in hoofde van [verweerster]. [Eiseres] dient hetgeen [verweerster] aan haar heeft betaald terug te betalen en dient de schade te vergoeden, die [verweerster] ingevolge deze overeenkomst en de kwade trouw van [eiseres] heeft geleden. Op basis van de voorgelegde stukken dient de eis van [verweerster] ter zake provisioneel op 145.210,27 euro te worden begroot.” (aangevochten arrest, pp. 4-6). Het eerste onderdeel van het middel.
  5. Eiseres voelt zich gegriefd door de beslissing van de appelrechter dat de stabilisatieperiode vermeld in Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004, waarna voor invriezing bestemd vlees onverwijld moet worden ingevroren, slechts doelt op de pH-stabilisatie, wat een kwestie zou zijn van een aantal dagen, en niet kan worden gelijkgesteld met een rijpingsperiode, die ertoe strekt het vlees te vermalsen, zodat met het oog op rijping gekoeld vlees bestemd voor de Europese markt, daarna niet meer kan worden ingevroren. Het onderdeel voert aan dat uit voormelde bepaling geen verbod kan worden afgeleid om met het oog op rijping gekoeld vlees nadien nog in te vriezen. De ontvankelijkheid.
  6. Verweerster voert aan dat met het onderdeel eiseres het Hof verzoekt om de feitelijke beoordeling van het begrip “stabilisatieperiode” te heroverwegen, iets waarvoor het Hof niet bevoegd is, zodat het onderdeel niet ontvankelijk is. Ik meen dat, anders dan verweerster aanvoert, de uitlegging van het begrip “stabilisatieperiode” in de zin van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, Verordening 853/2004 geen feitelijke beoordeling betreft, waartoe het Hof niet bevoegd is over te gaan, zodat de grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. De gegrondheid.
  7. Krachtens artikel 3, lid 1, Verordening 853/2004 dienen exploitanten van levensmiddelenbedrijven te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van bijlage II en III. In bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, met als titel “Opslag en vervoer” wordt bepaald dat “exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor moeten zorgen dat de opslag en het vervoer van vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren geschiedt volgens de volgende eisen:
  8. a) Tenzij andere specifieke bepalingen in een andere regeling voorzien, moet de postmortemkeuring onmiddellijk worden gevolgd door koeling in het slachthuis om via een continue daling van de temperatuur overal in het vlees een temperatuur van niet meer dan 3° C voor slachtafvallen en 7° C voor ander vlees te verzekeren. (…)
  9. Vlees moet de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt en moet die temperatuur behouden tijdens de opslag.
  10. Vlees moet de in punt 1 bedoelde temperatuur hebben bereikt alvorens het kan worden vervoerd, en moet die temperatuur tijdens het vervoer behouden. (…)
  11. Vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, moet onverwijld worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode”. Uit de relevante documenten van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, kortweg “FAVV”, blijkt dat vlees na slachting het volgende proces doormaakt
(3): * onmiddellijk na slachting wordt het vlees in het slachthuis gekoeld totdat overal in het vlees een temperatuur wordt bereikt van max. 3° C (voor slacht afvallen) en max. 7°C (voor ander vlees). Dit is verplicht onder Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 1, bij Verordening 853/2004 van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Tijdens dit proces van doorkoeling daalt ook het pH-gehalte van het vlees. Volgens het FAVV volstaat de termijn die nodig is voor het afkoelen van het karkas en voor de verdeling van het vlees om voldoende mals vlees te verkrijgen, wanneer het gaat om gevogelte of varkensvlees. Bij runderen is die termijn (24 tot 48 uren) daarentegen niet voldoende. * Om de malsheid te verbeteren, wordt het vlees daarom langer gekoeld bewaard dan de termijn die strikt genomen nodig is voor het afkoelen en verdelen. Dit wordt de rijping genoemd. Traditioneel verloopt de rijping in de vorm van karkassen of kwartieren. Deze worden in een kamer met lage temperatuur bewaard (0 – 2° C) en pas in stukken verdeeld wanneer het vlees een voldoende graad van malsheid heeft bereikt (3 tot 10 weken). De stukken (vaak delen van het karkas die over een vetlaag beschikken, zoals rugstukken) worden opgehangen of op rekken gelegd zodat circulatie van de droge lucht mogelijk is, die nodig is voor de korstvorming. Het doel van deze methode is de ontwikkeling van meer uitgesproken smaken en aroma’s en een zachte textuur. Beheersen van het rijpingsproces (en meer in het bijzonder de microbiologische kwaliteit) van het vlees hangt af van de beheersing van goede hygiënetechnieken en van de controle van de toegepaste omgevingsomstandigheden (lage temperatuur en lage luchtvochtigheid). Naarmate het water aan het oppervlak verdampt, wordt een oppervlakkige indroging van het karkas of de kwartieren bekomen. Er vormt zich een korst op de rijpende vleesstukken. Die korst wordt aan het einde van de droogrijping verwijderd. Deze methode wordt “dry aging” of “droge rijping” genoemd. In de huidige praktijk worden in de industriële keten karkassen en kwartieren na volledige doorkoeling (24 tot 48 uur) meteen versneden tot deelstukken, vacuüm verpakt, gekoeld bewaard en verdeeld. Deze deelstukken kunnen verder worden versneden tot verbruiksklare porties en, vacuüm verpakt, te koop worden aangeboden. De proteasen in het spierweefsel blijven actief en het vlees wint geleidelijk aan malsheid: na circa één week bereikt het vlees een voldoende malsheid. Onder deze omstandigheden kan het vlees gedurende weken in de koudeketen worden bewaard of zelfs verschillende maanden. Deze methode wordt “wet aging” of “natte rijping” genoemd. Uit de syntheseberoepsconclusies blijkt dat de vleespartijen waarop de overeenkomst tussen partijen betrekking had, in casu een proces van “wet aging” (natte rijping) hadden doorgemaakt. Het vlees was eerst langdurig gekoeld met het oog op rijping (“chilled meat”) en daarna ingevoren (“ex-chilled meat”). Eiseres benadrukt immers in haar syntheseberoepsconclusie ingediend op 21 april 2022: “laat het nu net het rijpingsproces van wet-aging (natte afrijping) zijn dat het kwestieuze vlees heeft doorstaan”
(4). Ook verweerster vermeldt dat de geleverde vleespartijen vacuüm verpakt waren, wat op “wet aging” wijst
(5). Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004 bepaalt dat “vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onverwijld moet worden ingevroren, zo nodig na een stabilisatieperiode” (cfr. supra). De vraag rijst nu waarop die “stabilisatieperiode” betrekking heeft. Heeft de stabilisatieperiode uitsluitend betrekking op de korte periode van verplichte doorkoeling van het vlees na slachting, conform punt 1 van deze bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, noodzakelijk opdat een pH- en thermische stabilisatie (tot max. 3 of 7 °C) wordt bereikt, zodat het vlees onverwijld daarna (en dus niet pas na rijping) moet worden ingevroren? Dit is het standpunt van de appelrechter en van de Italiaanse autoriteiten, die volgens de vaststellingen van de appelrechter het na rijping ingevroren vlees hadden geweigerd wegens strijdigheid met Verordening 853/2004. Of omvat de stabilisatieperiode ook de daaropvolgende periode van koeling van het vlees onder specifieke omstandigheden (“dry” of “wet aging”), noodzakelijk opdat het vlees verder kan rijpen en de malsheid kan worden verbeterd, zodat het vlees ook nog onmiddellijk na rijping kan worden ingevroren? Dit is het standpunt van eiseres in het middel en lijkt ook dat van de Nederlandse autoriteiten te zijn (zoals blijkt uit de syntheseberoepsconclusie van de eiseres ingediend op 21 april 2022, p. 21 bovenaan). Mijns inziens is het noodzakelijk om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. In de relevante EU-regelgeving en de rechtspraak van het Hof van Justitie, blijkt dat het begrip “stabilisatieperiode” in de zin van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004 nergens wordt gedefinieerd, noch in de voorbereidende werken
(6)noch in de overige relevante verordeningen, met name Verordening (EG) nr. 178/2002 van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden of in Verordening (EG) nr. 852/2004 van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne. In de Mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot EU-richtsnoeren inzake voedseldonatie (2017/C 361/01) wordt in sectie 5.4 weliswaar vermeld dat “om hygiënische redenen Verordening (EG) nr. 853/2004 bepaalt dat levensmiddelen van dierlijke oorsprong die bestemd zijn om te worden ingevroren, onmiddellijk na de productie moeten worden ingevroren.” In voetnoot 2 wordt vermeld dat dit de mogelijkheid uitsluit om dergelijke producten aan het einde van hun houdbaarheidsperiode in te vriezen om hygiënische of kwaliteitsredenen. Hieruit kan echter niet als zodanig worden afgeleid of de invriezing dan moet gebeuren onmiddellijk na de initiële verplichte koelingsperiode noodzakelijk om de pH en de temperatuur te stabiliseren, dan wel onmiddellijk na de daaropvolgende koelingsperiode noodzakelijk om het vlees verder te laten rijpen. In considerans 4 van Verordening (EG) nr. 558/2010 van 24 juni 2010 tot wijziging van bijlage III bij Verordening 853/2004 wordt vermeld dat “het invriezen onmiddellijk na het slachten en koelen de groei van bacteriën minimaliseert en als gevolg daarvan ook de microbiologische belasting bij het ontdooien. Zoals in bepalingen voor vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, moet ook voor invriezen bestemd vlees van pluimvee en haasachtigen onmiddellijk na het slachten en koelen worden ingevroren.” Ook uit de termen “onmiddellijk na het slachten en koelen” kan niet met zekerheid worden afgeleid of het invriezen dan onmiddellijk na de initiële verplichte doorkoeling van het vlees moet gebeuren, noodzakelijk om een pH- en thermische stabilisatie te bereiken, dan wel of het invriezen ook nog kan plaatsvinden na een daaropvolgende periode van koeling (onder specifieke omstandigheden van “dry” of “wet aging”), met het oog op verdere rijping van het vlees. Een belangrijk aanknopingspunt is de hoofddoelstelling van de hygiëneregels, zoals met name geformuleerd in consideransen 2, 4 en 9 van Verordening 853/2004, en zoals die ook blijkt uit Verordeningen 178/2002 en 852/2004, om met betrekking tot de voedselveiligheid een hoog niveau van bescherming van de consument en van de volksgezondheid te garanderen, door alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de gehele Unie aan dezelfde regels te onderwerpen, en zo de goede werking van de interne markt te waarborgen. Ook het Hof van Justitie van de Europese Unie kent aan deze doelstelling een belangrijk gewicht toe bij de uitleg van Bijlage III bij Verordening 853/
  1. Zo oordeelde het Hof van Justitie in zijn arrest T. Boer & Zonen van 2 mei 2019 (C-98/18), in het raam van een uitleg van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punten 1 en 3, immers dat, mede gelet op de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te verzekeren en gelet op de bewoordingen van de betrokken bepalingen, deze aldus moeten worden uitgelegd dat na het slachten het vlees in het slachthuis zelf moet worden gekoeld tot overal in het vlees een temperatuur van ten hoogste 7°C is bereikt, en dan pas naar een koelwagen mag worden verladen (punten 44 tot 47). Het Hof van Justitie heeft de bewoordingen in punt 1 dat “de postmortemkeuring onmiddellijk moet worden gevolgd door koeling in het slachthuis”, dus strikt geïnterpreteerd, mede rekening houdend met het hoofddoel van een maximale bescherming van de consument en de volksgezondheid. In tegenstelling tot het begrip “stabilisatieperiode”, worden de begrippen “slachthuis” en “inrichting” wel expliciet gedefinieerd in respectievelijk bijlage I bij Verordening 853/2004 en artikel 2, lid 1, c), Verordening 852/
  2. Ook uit die bewoordingen leidde het Hof van Justitie af dat een koelwagen niet kon worden vereenzelvigd met een slachthuis of inrichting. Het Hof van Justitie heeft daarentegen nog geen uitspraak gedaan over de uitleg van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004 inzake de verplichting om vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onverwijld in te vriezen, zo nodig na een stabilisatieperiode. Gelet op het hoofddoel van de EU-hygiëneregels om een hoog beschermingsniveau van de volksgezondheid te waarborgen (en op de letterlijke betekenis van het begrip “stabilisatie”) lijkt het aangewezen om Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, bij Verordening 853/2004 in die zin uit te leggen dat de stabilisatieperiode enkel betrekking heeft op de korte periode van verplichte doorkoeling van het vlees na slachting, conform punt 1 van die bijlage, noodzakelijk opdat een pH- en thermische stabilisatie (tot max. 3 of 7 °C) wordt bereikt, zodat het vlees onverwijld daarna (en dus niet pas na rijping) moet worden ingevroren. Zoals reeds gesteld, blijkt echter uit de vaststellingen van de appelrechter dat de nationale autoriteiten inzake voedselveiligheid (met name de Nederlandse en de Italiaanse autoriteiten) hierover tegengesteld standpunt innemen. Zo lijken bepaalde nationale autoriteiten (zoals de Nederlandse autoriteiten) wel aan te nemen dat de stabilisatieperiode mede de koelingsperiode met het oog op rijping kan omvatten. Daarom lijkt de uitleg van bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, punt 4, Verordening 853/2004 niet zo evident dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Er is nood aan een uniforme uitlegging van deze bepaling door het Hof van Justitie van de Europese Unie, zodat het naar ik meen aangewezen is om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen. Die prejudiciële vraag lijkt mij ook belangrijk voor de praktijk. Zij zal immers leiden tot een uniforme houding binnen de EU van alle nationale autoriteiten inzake voedselveiligheid ten overstaan van de invoer van gerijpt vlees dat daarna wordt ingevroren. Conclusie: Het komt mij aangewezen voor dat het Hof de volgende prejudiciële vraag zou stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en in afwachting van een uitspraak daarover, de uitspraak over de voorziening in cassatie zou aanhouden: “Dient het bepaalde in bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, aanhef en punt 4, bij Verordening nr. 853/2004 aldus te worden uitgelegd dat de stabilisatieperiode enkel betrekking heeft op de korte periode na slachting waarin het vlees gekoeld wordt om de vereiste pH- en thermische stabilisatie te bereiken, zodat voor invriezing bestemd vlees onverwijld daarna moet worden ingevroren, en dat zij dus geen betrekking heeft op de daaropvolgende koelingsperiode om het vlees verder te laten rijpen, zodat voor invriezing bestemd vlees na rijping niet meer kan worden ingevroren”. ______________________________________
(1)Bestreden arrest, p. 2, 3 en 4.
(2)Voorziening in cassatie, p. 5, 6 en 7.
(3)Zie met name: “Aanvullend hoofdstuk bij de Gids G-003 – Langdurige droge afrijping of ‘dry-aging’”, versie van 6 september 2017, p. 2-3; Advies 06-2017 inzake “Evaluatie van de autocontrolegids beenhouwerij-spekslagerij voor wat betreft de langdurige droge afrijping van vlees”, goedgekeurd door het Wetenschappelijk Comité op 17 maart 2017, p. 5 e.v.; Advies 14-2015 inzake “Evaluatie van de tweede versie van de autocontrolegids voor de slagerij (G-003 – dossier SciCom 2015/06)”, goedgekeurd door het Wetenschappelijk Comité op 11 september 2015, p. 9-10.
(4)Syntheseberoepsconclusie van eiseres, p. 24 bovenaan.
(5)Syntheseberoepsconclusie van de verweerster van 21 maart 2022, p. 3, nr. 5.
(6)Voorstel van de Commissie, Pb. C 365 E van 19 december 2000, blz. 58; advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, Pb. C 155 van 29 mei 2001, blz. 39). PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231005.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231005.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.