id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231019.1N.4 Rolnummer: C.23.0073.N Zaak: V. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-01-30 Raadplegingen: 787 - laatst gezien 2026-06-18 18:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.4 Fiche 1 De rechtsplegingsvergoeding is gekoppeld aan een procesverhouding, waarbij de in het gelijk gestelde partij wordt bijgestaan door een advocaat; een procesverhouding onderstelt dat een partij ten aanzien van een wederpartij een veroordeling nastreeft, minstens een constitutieve of declaratieve rechterlijke uitspraak
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 30 september 2022, AR C.22.0007.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.3, AC 2022, nr. 591; Cass. 11 september 2020, AR C.19.0195.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0390.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2, AC 2015, nr. 354; Cass. 25 januari 2013, AR C.12.0202.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130125.3, AC 2013, nr. 244 met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal met opdracht André VAN INGELGEM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 2 Wanneer in het raam van een gerechtelijke vereffening-verdeling in de zin van de artikelen 1207 en volgende Gerechtelijk Wetboek een geschil omtrent de notariële werkzaamheden wordt gebracht voor de vereffeningsrechter waarbij de partijen tegenovergestelde standpunten innemen dan wel vorderingen instellen teneinde de vereffeningsrechter in de ene of andere zin te doen recht spreken, verkeren zij in een procesverhouding die aanleiding kan geven tot een rechtsplegingsvergoeding
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1027 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 3 Het hoger beroep dat uitsluitend betrekking heeft op de in eerste aanleg toegekende rechtsplegingsvergoeding, is in geld waardeerbaar, ook wanneer voor de eerste rechter een niet in geld waardeerbaar geschil voorlag
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1018, eerste lid, 6° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Annotaties Publicaties: PB-Tijdschrift voor procesrecht en bewijsrecht - 2024, nr. 1, p. 13-
- - SCHELKENS, Matthias; Noot'Een nieuwe episode over de verhouding tussen het insolventieprocesrecht en het gemeen procesrecht' Juristenkrant-De Juristenkrant - 2024, nr. 484, p.
- - THIRIAR, Pierre; Noot'Cassatie voegt nieuwe aflevering toe aan saga over rechtsplegingsvergoedingen' T.Vred.-Tijdschrift van de vrede-(en politierechters) - 2024, nr. 3-4, p. 199-
- - VANDENBUSSCHE, Wannes; BELAEY, Niels; Noot'Het begrip procesverhouding in de context van gedingkosten: quo vadis?' Tekst van de conclusie C.23.0073.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Deconynck: Situering. De aan uw Hof voorgelegde discussie betreft verschillende elementen die een rol spelen in het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding, met name het concept procesverhouding alsook het al dan niet in geld waardeerbaar zijn van de vordering. Het eerste middel betreft de rechtsplegingsvergoeding waartoe de eisers in eerste aanleg werden veroordeeld en die door de appelrechter bevestigd werd. Het tweede middel betreft de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep waartoe de eiser veroordeeld werd.
- Bespreking. EERSTE MIDDEL.
- Opdat een partij tot de gedingkosten zou kunnen worden veroordeeld, moet er enerzijds een procesverhouding
(1)voorhanden zijn en moet die partij anderzijds ook veroordeeld zijn ten opzichte van een andere partij
(2). Er is overeenkomstig vaststaande rechtspraak van uw Hof sprake van een procesverhouding wanneer een partij ten aanzien van een wederpartij een veroordeling nastreeft, minstens een constitutieve of declaratieve rechterlijke uitspraak. Het louter tegen elkaar concluderen door partijen die niets van elkaar vorderen, doet geen daadwerkelijke procesverhouding ontstaan die een veroordeling tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding door de ene partij aan de andere wettigt
(3). Het is hierbij irrelevant dat er ten onrechte een veroordeling tot de kosten gevorderd wordt of de rechter één van de partijen ten onrechte tot een rechtsplegingsvergoeding veroordeelt
(4). De veroordeling van een partij houdt dan weer in dat die partij op één of ander vlak in het ongelijk werd gesteld
(5). 2. De appelrechter stelt op pagina 18 van de bestreden beslissing vast dat de eerste rechter zich niet enkel diende uit te spreken over een verzoek tot vervanging van de notaris-vereffenaar
(6)maar ook onder meer over een verzoek tot uitkering van een provisie aan de verweerster alsook op pagina 19 van de bestreden beslissing over een vordering tot wering van de stukken van de verweerster uit het debat. Het is op de afwijzing van deze laatste vordering dat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg gegrond werd. De vordering tot wering van de stukken van een partij is naar het oordeel van mijn ambt een vordering waarbij wordt gevraagd dat er een rechterlijke beslissing zou genomen worden tegen die partij. Uit een dergelijke vraag vloeit het bestaan van een procesverhouding voort
(7). Hieruit volgt dat de partijen zich wat die vordering betreft in een procesverhouding bevonden die aanleiding geeft tot het verschuldigd zijn van een rechtsplegingsvergoeding. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. TWEEDE MIDDEL. Eerste onderdeel. Uit de stukken waarop uw Hof acht kan slaan, blijkt dat de discussie tussen de partijen in hoger beroep enkel het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding betrof waartoe de eisers in eerste aanleg werden veroordeeld. Overeenkomstig vaststaande rechtspraak van uw Hof
(8)betreft de vordering tot betwisting van de rechtsplegingsvergoeding waartoe een partij in eerste aanleg werd veroordeeld een in geld waardeerbare vordering. Aangezien een discussie over het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding onmiskenbaar een discussie over geld uitmaakt, kan een vordering in hoger beroep tot aanpassing van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding waartoe de eiser in eerste aanleg werd veroordeeld inderdaad enkel als een in geld waardeerbare vordering beschouwd worden. Het is hierbij irrelevant dat de zaak in eerste aanleg een niet in geld waardeerbare vordering betrof
(9). Nu de rechtsplegingsvergoeding per aanleg bekeken wordt, kan de aard van de zaak in eerste aanleg inderdaad niet als een argument worden gebruikt om de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te bepalen, hoe vreemd het ergens ook moge zijn dat een zaak op het ogenblik van het hoger beroep van aard verandert. Waar een rechtsplegingsvergoeding normaal gezien de aard van het geschil volgt, wordt de rechtsplegingsvergoeding waartoe een partij in eerste aanleg werd veroordeeld dan het (enige) voorwerp van het geschil in hoger beroep zelf indien de discussie in hoger beroep enkel hierom draait en dus een in geld waardeerbare vordering. Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep had dan ook moeten berekend worden overeenkomstig artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding van toepassing op in geld waardeerbare vorderingen. De appelrechter die op pagina 19 van de bestreden beslissing oordeelt dat het geschil niet in geld waardeerbaar is niettegenstaande het feit dat dit enkel de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg betrof en de eiser overeenkomstig artikel 3 Tarief Rechtsplegingsvergoeding van toepassing op niet in geld waardeerbare vorderingen zodoende op pg. 22 van de bestreden beslissing veroordeelt tot een verhoogde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 13.895 EUR gelet op het kennelijk onredelijk karakter van de situatie, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: gedeeltelijke cassatie. _______________________________
(1)Gelet op artikel 1, 2de lid van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding dat bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan.
(2)S. VOET, “Gedingkosten -en de rechtsplegingsvergoeding in het bijzonder- in civiele zaken. Stand van zaken en actuele ontwikkelingen” in B. ALLEMEERSCH en S.VOET (eds.), Themis Gerechtelijk Recht, Intersentia 2023, pg. 134.
(3)Zie Cass. 30 september 2022, AR C.22.0007.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.3, AC 2022, nr. 591, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.3, Cass. 11 september 2020, AR C.19.0195.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0390.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2, AC 2015, nr. 354; Cass. 25 januari 2013, AR C.12.0202.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130125.3, AC 2013, nr. 64. met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal met opdracht VAN INGELGEM. Zie uitgebreid S. VOET, “Gedingkosten -en de rechtsplegingsvergoeding in het bijzonder- in civiele zaken. Stand van zaken en actuele ontwikkelingen” in B. ALLEMEERSCH en S.VOET (eds.), Themis Gerechtelijk Recht, Intersentia 2023, pg.’s 161 e.v. alsook S. MOSSELMANS, Tussenvorderingen in APR, Mechelen, Kluwer 2007, pg’s 23-25.
(4)Zie Cass. 11 september 2020, AR C.19.0195.N, arrest niet gepubliceerd, met gelijkluidende concl. van eerste advocaat-generaal MORTIER, en Cass. 9 januari 2020, AR C.19.0213.N, AC 2020, nr. 27, met gelijkluidende concl. van eerste advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.4.
(5)Dit is bijvoorbeeld niet het geval bij een louter bewarende tussenkomst: hierbij wordt immers noch een veroordeling, noch een constitutieve dan wel een declaratieve rechterlijke beslissing tegen een van de partijen nagestreefd. De vrijwillig tussenkomende derde sluit zich louter aan bij één of meerdere partijen wanneer diens eigen belangen in het gedrang zouden kunnen komen ingevolge een veroordeling van die partij of partijen. Zie Cass. 25 januari 2013, AR C.12.0202.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130125.3, AC 2013, nr. 64, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal André VAN INGELGEM.
(6)Hetgeen zoals de appelrechter terecht opmerkt geen geschil tussen de partijen uitmaakt maar wel een incident in de procedure vereffening-verdeling.
(7)Zie Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0390.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2, AC 2015, nr. 354.
(8)Zie Cass. 9 juni 2017, AR C.16.0339.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.1, AC 2017, nr. 377 met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal Ria MORTIER en Cass. 30 juni 2016, AR C.15.0482.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.21, AC 2016, nr. 436.
(9)In die zin ook S. VOET, “Gedingkosten -en de rechtsplegingsvergoeding in het bijzonder- in civiele zaken. Stand van zaken en actuele ontwikkelingen” in B. ALLEMEERSCH en S.VOET (eds.), Themis Gerechtelijk Recht, Intersentia 2023, pg. 159. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231019.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130125.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.21 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250103.1N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251009.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div