← België

VANDEPUTTE-VALCKE nv c. BELGISCHE STAAT FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231026.1N.1 Rolnummer: F.21.0129.N Zaak: VANDEPUTTE-VALCKE nv c. BELGISCHE STAAT FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-01-17 Raadplegingen: 456 - laatst gezien 2026-06-15 06:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231026.1N.1 Fiche 1 Uit de tekst zelf van artikel 537 WIB92 volgt dat de wetgever de tijdelijke gunstmaatregel van het verlaagd tarief van de personenbelasting en de roerende voorheffing slechts heeft willen verlenen op voorwaarde dat de uit de belaste reserves uitgekeerde dividenden waarvoor het verlaagd tarief geldt, worden aangewend voor een kapitaalverhoging die het kapitaal van de vennootschap, minstens gedurende een zekere tijd, versterkt; het doorvoeren van een kapitaalvermindering net voor of gelijktijdig met de dividenduitkering en kapitaalverhoging met toepassing van artikel 537 WIB92, frustreert de doelstelling van deze wetsbepaling

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 537 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Wanneer de belastingplichtige een geheel van rechtshandelingen heeft gesteld dat tot gevolg heeft dat hij een belastingvoordeel geniet of zich buiten het toepassingsgebied van een fiscale bepaling plaatst, kan de strijdigheid van die verrichting met de doelstellingen van de betrokken fiscale bepaling in de zin van artikel 344, § 1, WIB92 enkel worden vastgesteld wanneer die doelstellingen op voldoende duidelijke wijze blijken uit de tekst en, in voorkomend geval, uit de parlementaire voorbereiding van de van toepassing zijnde wetsbepaling; in dat opzicht moet rekening worden gehouden met, onder meer, de algemene context van de relevante fiscale wetgeving, de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan zij het misbruik aanvoert, alsook met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 344 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.21.0129.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering. De betwisting betreft een aanslag in de roerende voorheffing voor het aanslagjaar 2014 en meer bepaald de vraag of verweerster kon genieten van de overgangsmaatregel van artikel 537 WIB92 die voorziet in een tarief van 10 pct. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat notaris De Maere op 3 februari 2014 de verrichtingen van de buitengewone algemene vergadering van eiseres heeft opgenomen waarin onder referte naar een verslag van de bijzondere algemene vergadering van 28 januari 2014 ‘met betrekking tot de dividenduitkering en kapitaalsverhoging’ achtereenvolgens de volgende beslissingen werden genomen: * vermindering van het maatschappelijk kapitaal van 856.000 EUR naar 62.000 EUR (een vermindering met 794.000 EUR), aangerekend op het gestort kapitaal; * uitkering aan de aandeelhouders van een netto dividend van 1.674.000 EUR, zijnde een bruto bedrag van 1.860.000 EUR verminderd met 10pct. roerende voorheffing (186.000 EUR); in toepassing van het artikel 537 WIB92; * verhoging van het maatschappelijk kapitaal met 1.674.000 EUR. Wegens de kapitaalvermindering onmiddellijk voorafgaand aan de kapitaalverhoging meende de fiscus dat niet het ganse als dividend uitgekeerde bruto bedrag van 1.860.000 EUR aan het gunsttarief van 10pct. roerende voorheffing had mogen worden onderworpen. Volgens de belastingadministratie kon het tarief van 10pct. enkel toegepast worden op het deel van de uitgekeerde dividenden dat overeenkwam met de effectieve verhoging van het maatschappelijk kapitaal (verhoging van initieel 856.000 EUR naar uiteindelijk 1.736.000 EUR, dus een verhoging van 880.000 EUR). Het andere deel van de dividenden (zijnde 794.000 EUR) diende, volgens de administratie, belast te worden aan het (in 2014 van kracht zijnde) (nieuwe) normale tarief van de roerende voorheffing, namelijk 25pct. De belastingadministratie vestigde vervolgens lastens eiseres voor het aanslagjaar 2014 voor het tekort aan betaalde roerende voorheffing een bijkomende aanslag ten bedrage van 132.333,33 EUR (voor het verschil tussen de betaalde 10pct. roerende voorheffing en de volgens de fiscus verschuldigde 25pct. op de uitgekeerde netto dividenden van 794.000 EUR gebruteerd met de ingehouden 10pct. roerende voorheffing). De gerechtelijke betwisting van de aanslag leidde tot een vonnis van 4 februari 2019 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, waarin de vordering van eiseres tot ontheffing van de aanslag ongegrond werd verklaard. Het vonnis van de eerste rechter werd bevestigd bij arrest van 24 november 2020 van het hof van beroep te Gent. Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  2. Bespreking van het enig middel. EERSTE ONDERDEEL. Eerste subonderdeel. 2.
  3. Eiseres komt op tegen het oordeel van de appelrechter dat alle kapitaalbewegingen die door eiseres zijn uitgevoerd op datum van 3 februari 2014, met inbegrip van de kapitaalvermindering (met 794.000 EUR), moeten worden beschouwd als een geheel en dat dit geheel een fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 344, § 1, WIB
  4. De appelrechter oordeelt in dit verband dat de belastingadministratie het op haar rustende bewijs geleverd had van het feit dat het de doelstelling van de wetgever was dat bij de toepassing van artikel 537, eerste lid WIB92 enkel die dividenden die correspondeerden met de effectieve kapitaalverhoging, het verlaagde tarief van de roerende voorheffing genoten (en dat dus geen abstractie mocht gemaakt worden van een kapitaalvermindering die onmiddellijk voorafging aan de daarop volgende kapitaalverhoging). Waar de appelrechter oordeelt dat dit de doelstelling van de wetgever was bij de invoering van artikel 537, eerste lid WIB92, is dit volgens eiseres niet naar recht verantwoord vermits noch uit de tekst van artikel 537 WIB92 noch uit de parlementaire voorbereiding van deze wetsbepaling blijkt dat dit de werkelijke en zekere bedoeling van de wetgever was. In de laatste leden van artikel 537 WIB92 is een specifieke antimisbruikbepaling opgenomen om, in wat de tweede fase van de vastklikregeling (de uitkeringsfase) is genoemd, latere verminderingen van het kapitaal dat met toepassing van artikel 537 WIB92 werd gevormd, doorgevoerd binnen de vier tot acht jaar, aan een bijkomende heffing te onderwerpen. Uit de tekst van dit artikel 537 WIB92 en uit de bespreking van dit artikel in de memorie van toelichting blijkt volgens eiseres echter niet dat de wetgever met dit artikel beoogde om tevens het voorheen fiscaal gestort kapitaal dat zich reeds in de vennootschap bevond, te blokkeren gedurende de in artikel 537 WIB92 opgenomen periode. De appelrechter kon op grond van de vaststelling dat artikel 537 WIB92 zelf een specifieke antimisbruikbepaling bevat, bijgevolg niet wettig oordelen dat het bewijs geleverd was dat de doelstelling van de wetgever bij de toepassing van artikel 537, eerste lid WIB92 was dat enkel die dividenden die correspondeerden met de effectieve kapitaalverhoging, het verlaagde tarief van de roerende voorheffing genoten; aldus eiseres.(Schending artikel 344, § 1, WIB92) 2.
  5. Krachtens artikel 344, § 1, eerste lid, WIB92 kan aan de administratie niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 WIB92 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik. Krachtens artikel 344, § 1, tweede lid, WIB92 is er sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt: 1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of 2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft. 2.
  6. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof
(1)volgt dat, wanneer de belastingplichtige een geheel van rechtshandelingen heeft gesteld dat tot gevolg heeft dat hij een belastingvoordeel geniet of zich buiten het toepassingsgebied van een fiscale bepaling plaatst, de strijdigheid van die verrichting met de doelstellingen van de betrokken fiscale bepaling in de zin van artikel 344, § 1, WIB92 enkel kan worden vastgesteld wanneer die doelstellingen op voldoende duidelijke wijze blijken uit de tekst en, in voorkomend geval, uit de parlementaire voorbereiding van de van toepassing zijnde wetsbepaling. In dat opzicht moet rekening worden gehouden met, onder meer, de algemene context van de relevante fiscale wetgeving, de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan de administratie het misbruik aanvoert alsook met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan. Er dient derhalve te worden nagegaan welke doelstellingen de wetgever met artikel 537 WIB92 (in het bijzonder met het zesde en zevende lid van dat artikel) op voldoende duidelijke wijze met zekerheid beoogde. 2.
  1. Krachtens artikel 537, eerste lid, WIB92, zoals hier toepassing, wordt in afwijking van de artikelen 171, 3°, en 269, § 1, 1°, het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing vastgesteld op 10 pct. voor de dividenden die overeenkomen met de vermindering van de belaste reserves zoals deze ten laatste op 31 maart 2013 zijn goedgekeurd door de Algemene Vergadering op voorwaarde dat en in de mate dat minstens het verkregen bedrag onmiddellijk wordt opgenomen in het kapitaal en dat deze opneming plaatsvindt tijdens het laatste belastbaar tijdperk dat afsluit voor 1 oktober
  2. Krachtens het vijfde lid van die wetsbepaling wordt bij een latere kapitaalvermindering die geacht eerst uit de volgens dit regime ingebrachte kapitalen voort te komen. Krachtens het zesde lid wordt, wanneer deze kapitaalvermindering volgens dit regime tot stand komt binnen acht jaar na de laatste inbreng in kapitaal, zij in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, beschouwd als een dividend. Het tarief van de personenbelasting en van de roerende voorheffing bedraagt, voor de verleende of toegekende dividenden: 1° tijdens de eerste vier jaar volgend op de inbreng, 15 pct.; 2° tijdens het vijfde en zesde jaar volgend op de inbreng, 10 pct.; 3° tijdens het zevende en achtste jaar volgend op de inbreng, 5 pct. In afwijking van het zesde lid wordt de voormelde termijn, krachtens het zevende lid, voor de vennootschappen die op grond van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng is gedaan, op vier jaar gebracht en het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing, bedraagt voor de verleende of toegekende dividenden: 1° tijdens de eerste twee jaar volgend op de inbreng, 15 pct.; 2° tijdens het derde jaar volgend op de inbreng, 10 pct.; 3° tijdens het vierde jaar volgend op de inbreng, 5 pct. 2.
  3. Artikel 537 WIB92 werd ingevoerd bij artikel 6 Programmawet van 28 juni
  4. Deze programmawet voerde op fiscaal vlak twee belangrijke wijzigingen door: * Eerste maatregel – een verhoging van de roerende voorheffing op liquidatieboni van 10 pct. naar 25 pct. (artikel 5, a, van de programmawet, door aanpassing van artikel 269, § 1, WIB92). Artikel 537 WIB92 (artikel 6 van de programmawet) voorziet in een overgangsmaatregel die deze tariefverhoging verzacht door de mogelijkheid te bieden om onder bepaalde voorwaarden belastbare reserves om te zetten in kapitaal tegen een tarief van 10 pct., dat dan later belastingvrij kan worden terugbetaald. Om misbruik te voorkomen, werd in het vijfde en zesde lid van artikel 537 WIB92 wel voorzien dat toch een hoger tarief verschuldigd is indien een welbepaalde wachttijd niet wordt nageleefd. * Tweede maatregel – een verlaging van de roerende voorheffing op dividenden uit aandelen verkregen uit inbrengen na 1 juli 2013, toegekend aan de aandeelhouders van kleine vennootschappen, de zgn. VVPRbis-regeling (artikel 5, b, van de programmawet, door invoeging van een artikel 269, § 2, WIB92). 2.
  5. Met betrekking tot de eerste maatregel blijkt naar mijn mening noch uit de tekst van het zesde en zevende lid van artikel 537 WIB92, noch uit de memorie van toelichting bij het wetsartikel de (in de zin van artikel 344 WIB92) voldoende duidelijke bedoeling van de wetgever om een duurzame en zelfs blijvende verhoging van de eigen middelen van de vennootschap te bevoorrechten en te stimuleren (die het doorvoeren van een kapitaalvermindering voorafgaand aan het doorvoeren van een kapitaalverhoging middels incorporatie van de belaste reserves verhindert)
(2). M.i. blijkt enkel de (duidelijke) bedoeling van de wetgever dat de uitgekeerde reserves duurzaam binnen de vennootschap zouden aangewend, doch hij spreekt zich hierbij niet uit over het aan de kapitaalverhoging voorafgaand bestaand kapitaal. De regeling van het zesde en zevende lid van artikel 537 WIB92 betreft uitsluitend kapitaalverminderingen die na de kapitaalverhoging worden doorgevoerd en die interen op die kapitaalverhoging. In de parlementaire voorbereidingen van het nieuwe artikel 537 WIB92 wordt op geen enkel ogenblik gesteld dat het zesde en zevende lid van dat artikel ertoe moeten strekken een duurzame verhoging van het bestaande kapitaal te bewerkstelligen. Er wordt enkel overwogen dat het artikel in het kader van de verhoging van de roerende voorheffing en van het afzonderlijk tarief van de personenbelasting op liquidatieboni, een overgangsmaatregel invoert
(3). Met betrekking tot het onderscheid tussen grote ondernemingen en kmo’s voor wat betreft de termijn gedurende dewelke de doorgevoerde kapitaalverhoging moet worden aangehouden, wordt wel overwogen dat “het verschil in termijn ten voordele van kmo’s wordt verantwoord door de vaste en volgehouden wil van de regering om specifiek ten aanzien van kmo’s in een milder fiscaal klimaat te voorzien. Bovendien bestaat de vrees dat kleinere vennootschappen, gelet op de forse verhoging van de belasting op liquidatieboni (van 10 naar 25 pct.) eerder dan grotere vennootschappen geneigd kunnen zijn om hun zaak nog snel, vóór 1 oktober 2014 te vereffenen, zeker wanneer de zaakvoerder de pensioengerechtigde leeftijd nadert”
(4). Uit die passage wordt in de rechtsleer afgeleid dat de wetgever met de overgangsregeling van artikel 537 WIB92 als dusdanig (zowel voor grote ondernemingen als voor kmo’s) de bedoeling had te vermijden dat vennootschappen nog snel, vóór de inwerkingtreding van de verhoogde roerende voorheffing op liquidatieboni, zouden ontbinden en vereffenen, om alsnog de lagere roerende voorheffing te kunnen genieten
(5). 2.7. Met betrekking tot de tweede maatregel (verlaging van de roerende voorheffing op dividenden toegekend aan de aandeelhouders van kleine vennootschappen) wordt in de memorie van toelichting wel uitdrukkelijk overwogen dat zij tot doel heeft een duurzame verhoging van het kapitaal van kleine vennootschappen te promoten: “Met het punt 2° van dit artikel wenst de Ministerraad, in het kader van het relanceplan van de economie en meer bepaald van de kmo’s, het onderschrijven van verhogingen van het maatschappelijk kapitaal van kmo’s aan te moedigen door het toekennen van een verlaagde roerende voorheffing (en van het tarief van de personenbelasting) op dividenden uitgekeerd aan de houders van nieuwe aandelen gecreëerd in het kader van deze verhogingen van het kapitaal mits meerdere voorwaarden worden nageleefd”
(6). Om te vermijden dat vennootschappen geneigd zouden zijn hun kapitaal voorafgaand te verlagen, om vervolgens een verhoging door te voeren die zou toelaten dat de dividenden onderworpen worden aan een verlaagde voorheffing, werd beslist de verhogingen van het maatschappelijk kapitaal die worden gerealiseerd na een vermindering van het kapitaal uitgevoerd vanaf 1 mei 2013, buiten beschouwing te laten
(7). Daartoe werd in artikel 269, § 2, WIB92 een specifiek lid toegevoegd. De appelrechter transponeert de overwegingen uit de parlementaire voorbereidingen van artikel 269, § 2, WIB92 naar de overgangsregeling die door artikel 6 van de programmawet, ingevolge de verhoging van de roerende voorheffing op liquidatieboni, in artikel 537 WIB92 werd ingevoegd: hij argumenteert dat artikel 537 WIB92, en in het bijzonder het vijfde tot zevende lid, WIB92, er eveneens op is gericht een duurzame verhoging van het kapitaal van de betrokken vennootschappen te bewerkstelligen en dat bijgevolg geen rekening mag worden gehouden met kapitaalverminderingen die vanaf 31 maart 2013 worden doorgevoerd, voorafgaand aan een kapitaalverhoging ingevolge artikel 537, eerste lid, WIB92. Echter blijkt uit de memorie van toelichting van de programmawet geenszins dat de overwegingen die schuil gaan achter het nieuwe artikel 269, § 2, WIB92 ook gelden voor het vijfde tot zevende lid van artikel 537 WIB92. Het betreft twee volledig van elkaar onderscheiden maatregelen
(8). Integendeel, uit de memorie van toelichting lijkt naar voren te komen dat de wetgever enkel het gedeelte van het kapitaal dat voortkomt uit een kapitaalverhoging ingevolge artikel 257, eerste lid, WIB92 heeft willen blokkeren: “De belaste reserves die op 31 maart 2013 bestaan, zullen kunnen worden uitgekeerd met toepassing van slechts 10 pct. roerende voorheffing (en overeenstemmende personenbelasting) op voorwaarde dat de aandeelhouder of vennoot de aldus verworven dividenden onmiddellijk aanwendt voor het verhogen van het maatschappelijk kapitaal van de betreffende vennootschap en die kapitaalverhoging minstens gedurende een bepaalde termijn behouden blijft”
(9). (eigen onderlijning) En verder: “Bij een vermindering van het in het kader van deze regeling onderschreven kapitaal, wordt deze kapitaalvermindering bij toepassing van art. 18, eerste lid, 2°, WIB92 geacht geen dividend te zijn, en is derhalve geen roerende voorheffing of personenbelasting verschuldigd, op voorwaarde dat deze kapitaalvermindering ten vroegste plaatsvindt na verloop van een termijn van acht jaar”
(10). (eigen onderlijning) 2.
  1. De appelrechter oordeelt op blz. 13 van het bestreden arrest dat: * verweerder zich wel degelijk kan beroepen op de bedoeling van de wetgever die blijkt uit de antimisbruikbepaling die werd opgenomen in de laatste leden van artikel 537 WIB92, ook al slaan deze uitsluitend op een andere scenario dan hier het geval is; * uit de laatste leden van artikel 537 WIB92 de doelstelling van de wetgever blijkt, toen hij de verlaagde roerende voorheffing voorzag, om een duurzame en zelfs blijvende verhoging van de eigen middelen van de betrokken vennootschap te bevoorrechten en te stimuleren; * het om deze doelstelling te verwezenlijken is dat de wetgever de voorwaarde in artikel 537 WIB92 heeft opgenomen dat het netto dividend dat werd uitgekeerd in het kader van artikel 537 WIB92 moest worden opgenomen in kapitaal en daar diende te blijven gedurende een bepaalde periode; * door eerst het kapitaal te verminderen en finaal dus op een beperktere kapitaalverhoging uit te komen dan voor het bedrag van de dividenden die overeenstemmen met de vermindering van de belaste reserves, eiseres een operatie deed die niet beantwoordt aan de bedoeling van de wetgever, althans voor het in de bestreden aanslag bijkomend belast deel van de dividenduitkering; * het juist is dat de wetgever een specifieke antimisbruikbepaling voorzag maar dat eiseres een scenario heeft gevolgd dat niet onder die bepaling valt en dat zulks niet belet dat de administratie de algemene antimisbruikbepaling van artikel 344, § 1, WIB92 inroept. Door op die gronden te oordelen dat de doelstellingen van artikel 537 WIB92 zijn miskend en dat derhalve aan het objectieve element voor toepassing van artikel 344, § 1, WIB92 is voldaan verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing niet naar recht. Het subonderdeel lijkt mij gegrond. EERSTE ONDERDEEL. Derde subonderdeel. 2.
  2. Eiseres voert aan dat het aangevochten arrest niet naar recht is verantwoord en artikel 344 § 1, WIB92 schendt in zoverre het de doelstelling van de wetgever bij de invoering van artikel 537 WIB92 (vastklikregeling) bepaalt aan de hand van de parlementaire voorbereiding van artikel 269 § 2 WIB92 (VVPRbis) en niet aan de hand van de tekst en/of de parlementaire voorbereiding van het litigieuze artikel 537, eerste lid WIB
  3. 2.
  4. Gelet op wat hoger werd uiteengezet onder 2.6 en 2.7, komt het subonderdeel mij gegrond voor.
  5. Besluit: Vernietiging. ________________________________
(1)GwH 30 oktober 2013, nr. 141/2013, B.21.2.
(2)S. VAN CROMBRUGGE, “Interne liquidatie: voorafgaande kapitaalvermindering wijst niet op misbruik”, Fiscoloog 2020, nr. 1673, p. 5; S. VERTOMMEN, “Commentaar bij Marche-en-Famenne dd. 13.03.2019”, Fisc. Koerier 2019, 457-460.
(3)Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van Programmawet, 3 juni 2013, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2012-2013, DOC 53 2853/001, pag. 8.
(4)Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van Programmawet, 3 juni 2013, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2012-2013, DOC 53 2853/001, pag. 12-13.
(5)S. VAN CROMBRUGGE, “Interne liquidatie: voorafgaande kapitaalvermindering wijst niet op misbruik”, Fiscoloog 2020, nr. 1673, p. 5; S. VERTOMMEN, “Commentaar bij Marche-en-Famenne dd. 13.03.2019”, Fisc. Koerier 2019, 457-460.
(6)Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van Programmawet, 3 juni 2013, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2012-2013, DOC 53 2853/001, pag. 5.
(7)Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van Programmawet, 3 juni 2013, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2012-2013, DOC 53 2853/001, pag. 7.
(8)S. VAN CROMBRUGGE, “Interne liquidatie: toch misbruik bij voorafgaande kapitaalvermindering?”, Fiscoloog 2020, n. 1682, p. 10; S. VAN CROMBRUGGE, “Interne liquidatie: voorafgaande kapitaalvermindering wijst niet op misbruik”, Fiscoloog 2020, nr. 1673, p. 5; S. VERTOMMEN, “Commentaar bij Marche-en-Famenne dd. 13.03.2019”, Fisc. Koerier 2019, 457-460.
(9)Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van Programmawet, 3 juni 2013, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2012-2013, DOC 53 2853/001, pag. 8.
(10)Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van Programmawet, 3 juni 2013, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2012-2013, DOC 53 2853/001, pag. 11. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231026.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231026.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.