← België

Controleorgaan op de politionele informa c. POLITIEZONE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231106.3N.8 Rolnummer: C.23.0092.N Zaak: Controleorgaan op de politionele informa c. POLITIEZONE Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-23 Raadplegingen: 613 - laatst gezien 2026-06-15 17:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231106.3N.8 Fiche 1 Het Controleorgaan op de politionele informatie, die is opgericht als onafhankelijke toezichthoudende autoriteit die ter uitvoering van Richtlijn 2016/680, is een administratieve overheid, waarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPENBARE DIENST Wettelijke bepalingen: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het ... - 27-04-2016 - Art. 41, eerste lid Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het ... - 27-04-2016 - Art. 46, eerste lid, a) Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het ... - 27-04-2016 - Art. 47, tweede en vierde lid Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het ... - 27-04-2016 - Art. 53, eerste lid Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens - 30-07-2018 - Art. 26, 15° - 46 ELI link Pub nr 2018040581 Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens - 30-07-2018 - Art. 71, § 1, eerste en derde lid, en § 2, tweede lid - 46 ELI link Pub nr 2018040581 Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens - 30-07-2018 - Art. 247 - 46 ELI link Pub nr 2018040581 Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens - 30-07-2018 - Art. 248, § 1, eerste lid - 46 ELI link Pub nr 2018040581 Fiche 2 De algemene beginselen van behoorlijk bestuur mogen niet worden toegepast tegen de duidelijke wettelijke regeling in; in het bijzonder het beginsel van structurele onpartijdigheid, krachtens hetwelk leden van een administratief orgaan die het onderzoek hebben gevoerd en een sanctie hebben voorgesteld in beginsel niet aan de beslissing ten gronde mogen deelnemen, geldt slechts indien die toepassing verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van de administratieve overheid en dus niet ingaat tegen een duidelijk wettelijk voorschrift
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPENBARE DIENST Wettelijke bepalingen: Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens - 30-07-2018 - Art. 231, § 1, eerste lid, § 4, eerste en tweede lid - 46 ELI link Pub nr 2018040581 Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens - 30-07-2018 - Art. 244, § 1, eerste, tweede en derde lid, § 2, eerste lid, en § 3, eerste lid - 46 ELI link Pub nr 2018040581 Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens - 30-07-2018 - Art. 245, § 1, eerste lid - 46 ELI link Pub nr 2018040581 Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens - 30-07-2018 - Art. 246, eerste lid - 46 ELI link Pub nr 2018040581 Wet 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens - 30-07-2018 - Art. 247 - 46 ELI link Pub nr 2018040581 Tekst van de conclusie C.23.0092.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen gewezen op 12 december
  2. Door eiser worden er drie middelen aangevoerd.
  3. Het eerste middel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is in het middel betreft de vraag of eiser een administratieve of organieke overheid is waarop de beginselen van behoorlijk bestuur op van toepassing zijn. Standpunt van eiser is dat hij niet zo een dergelijke instelling is daar hij behoort tot de wetgevende macht. Dit gelet op het gegeven dat artikel 71 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens bepaalt dat eiser bij de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt opgericht. Het gegeven dat hij een onafhankelijk orgaan is, houdt, in het standpunt van eiser, in dat er geen sprake is van toezicht of controle door de overheid. b. Beoordeling. Ik deel de opvatting van eiser niet. Uit de vaste rechtspraak van Uw Hof blijken de vier criteria waaraan voldaan dient te worden opdat er sprake is van een administratieve overheid
(1)waarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Deze zijn opgericht of erkend door de overheid, belast met een openbare dienst, de werking wordt door de overheid bepaald of gecontroleerd en bovendien is bepaald dat ze eenzijdig bindende beslissingen kan nemen. Voor drie van de vier voorwaarden kan er geen discussie zijn en staan deze ook niet ter debat tussen partijen. Het probleem stelt zich betreffende het criterium “toezicht van de overheid”. Eiser stelt dat er geen sprake kan zijn van een controle of toezicht van de overheid daar hij behoort tot de wetgevende macht met een wettelijk verankerde onafhankelijkheid. Vooreerst dient er te worden opgemerkt dat indien een instelling bij wet wordt opgericht bij de Kamer van volksvertegenwoordigers dit niet betekent dat het een onderdeel is van de wetgevende macht is met alle prerogatieven ervan zoals, bijvoorbeeld, het niet onderworpen zijn aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser kan niet beschouwd worden als deel van de wetgevende vergaderingen of hun organen. De beslissingen van eiser hebben immers geen politiek karakter, noch houden ze verband met wetgevend optreden, beide aspecten die wel degelijk eigen zijn aan de kerntaak van de wetgevende macht
(2). Uit de voorbereidende werken blijkt dat eiser bij de wetgevende macht werd geplaatst om zijn autonomie te versterken
(3)en niet omdat hij intrinsiek beschouwd dient te worden als een deel van de wetgevende macht. Voorheen situeerde eiser zich immers bij de uitvoerende macht. Deze autonomie en dus de onafhankelijkheid van eiser, die verankerd is in artikel 71, § 1 van de wet van 2018, is een verwoording van de verplichting die aan de lidstaten werd opgelegd zoals bepaald door artikel 41, eerste lid van Richtlijn 2016/680
(4). Het belang en de strekking van deze onafhankelijkheid wordt in de verf gezet door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 9 maart 2010
(5)waar gesteld wordt dat zij vrij dient te zijn van beïnvloeding van buitenaf, daaronder begrepen de – rechtstreekse of indirecte – beïnvloeding door de staat. De Richtlijn 2016/680 stelt evenwel niet dat deze onafhankelijkheid in die zin moet geconcipieerd worden dat er geen sprake is van een mogelijk toezicht. Integendeel, in artikel 53 van deze Richtlijn wordt immers aangegeven benevens de mogelijkheid om een voorziening in rechte, die verplicht dient voorzien te zijn, er tevens andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep mogen worden bepaald. De federale regelgever heeft de mogelijkheden van toezicht beperkt tot dat wat de Richtlijn als minimumdrempel voorziet, namelijk een voorziening in rechte voor wat betreft de juridisch bindende besluiten van eiser. Er is dus sprake van een wettelijk geregeld toezicht betreffende de juridische bindende besluiten van eiser, zij het dat toezicht rechterlijk van aard is. Dit betreft, overeenkomstig artikel 248 van de wet van 2018 het Hof van beroep van de woonplaats of de zetel van diegene die het besluit van eiser wenst aan te vechten. Er is derhalve sprake van een toezicht van de overheid op het handelen van eiser. Eiser dient dan ook beschouwd te worden als een administratieve overheid waarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Volledigheidshalve dient, zoals terecht opgemerkt in de memorie van antwoord, de aandacht gevestigd te worden op het functioneren van de Gegevensbeschermingsautoriteit die gecreëerd werd bij wet van 3 december 2017, in uitvoering van Verordening 2016/679. Ingevolge artikel 3 van deze wet wordt hij, net zoals eiser, bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers opgericht. Het betreft tevens een onafhankelijke overheidsinstantie, zoals vereist door artikel 51 van de Verordening 2016/679. De taakinhoud van de Gegevensbeschermingsautoriteit en eiser zijn gelijklopend van aard zij het dat eiser zich specifiek richt op verwerking van persoonsgegevens door de politie. De censurerende bevoegdheden van eiser worden in het kader van de wet van 2017 uitgeoefend door de geschillenkamer
(6), dewelke tot op een zekere hoogte, vergelijkbaar zijn met die van eiser, desbetreffend kan verwezen worden naar artikel 100 van de wet van 2017 in vergelijking met artikel 247 van de wet van 2018. De geschillenkamer is een administratieve overheid waarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Dit blijkt niet enkel uit de rechtspraak van het Marktenhof
(7), maar tevens uit documenten die uitgaan van de Gegevensbeschermingsautoriteit zelf die de geschillenkamer omschrijft als een administratieve overheid waarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn
(8), alsook uit de eigen beslissingen van deze geschillenkamer die oordeelt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de Gegevensbeschermingsautoriteit, en dus ook door hemzelf, dienen nageleefd te worden
(9). Er zijn, in de gegeven omstandigheden, geen objectieve redenen die zouden rechtvaardigen dat eiser niet en de geschillenkamer wel een administratieve overheid is waarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Het standpunt van eiser faalt dan ook naar recht.
  1. Tweede middel. (…)
  2. Derde middel. Het middel is gegrond. Vooraf dient opgemerkt te worden dat de beginselen van behoorlijk bestuur niet kunnen toegepast worden indien deze ingaan tegen een duidelijk wettelijke bepaling. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen een wettelijke bepaling aanvullen, doch kunnen geen werking contra legem hebben
(10)
(11). Zo men de bepalingen van de wet van 2018 overloopt, inzonderheid de artikelen 231 en 244 tot 246, dient er vastgesteld te worden dat eiser enerzijds over de dienst onderzoeken, die exclusief van hem afhangt, het gezag uitoefent en opdrachten kan geven
(12)en anderzijds dat de leden die eiser samenstellen zelf de bevoegdheid hebben om onderzoeksdaden te stellen
(13). Uit deze bepalingen komt derhalve naar voor dat het aspect onderzoek geen exclusieve aangelegenheid is voor de van eiser afhangende dienst onderzoeken. Uit het gegeven dat de leden van eiser zelf onderzoeksdaden kunnen stellen en de dienst onderzoeken onder hun gezag handelt, volgt dat de leden die eiser samenstellen aan de dienst onderzoeken injuncties kunnen geven. Zoals terecht opgemerkt in de voorziening “qui peut le plus, peut le moins”. Eén en ander staat er niet aan in de weg dat eiser, niettegenstaande de leden die haar samenstellen onderzoeksdaden of injuncties daartoe hebben gegeven, overeenkomstig artikel 247 juridisch bindende beslissingen neemt in de desbetreffende aangelegenheid. Dit is de duidelijke wil van de regelgever
(14). Uit de niet betwiste verstellingen van de appelrechters blijkt dat er een actief optreden was in de fase van het onderzoek door leden van eiser, die vervolgens deelgenomen hebben aan de beslissing
(15). De appelrechters oordelen ter zake dat: “De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sensu lato, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, het recht van verdediging, het onpartijdigheidsbeginsel en het fair play-beginsel zich ertegen verzetten dat een administratieve overheid of een orgaan ervan eerst zelf opwerpt dat een rechtsonderhorige een bepaalde inbreuk heeft gepleegd om daarna, in dezelfde samenstelling, die inbreuk te beoordelen en te sanctioneren”
(16). Het standpunt van de appelrechters kan, in casu, niet worden bijgetreden. Het aspect dat door de appelrechters, in hun oordeel wordt aangekaart, betreft eigenlijk enkel het beginsel van onpartijdigheid. De overige opgesomde beginselen kunnen als dusdanig niet vereenzelvigd worden met het door de appelrechters, in hun oordeel, weerhouden problematiek van rechter en (onderzoeks-)partij en deze zijn dan ook niet aan de orde. Zoals gesteld kan een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet tegen een duidelijke wettelijke bepaling ingaan. Dit geldt tevens voor het onpartijdigheidsbeginsel. Dit beginsel dient te wijken voor een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift. Eén en ander is het gevolg dat dit beginsel, in bestuurszaken, het een ongeschreven regel van behoorlijk bestuur is die ondergeschikt is aan de wet
(17). Voor de casus die voor Uw Hof is gebracht moet bovendien gewezen worden op de structuur en de samenstelling van de organen die krachtens de wet gelast zijn met het toezicht/onderzoek op de politionele informatie. Het controle orgaan bestaat uit drie werkende leden terwijl de dienst onderzoeken ook uit drie werkende leden bestaat
(18). Het onpartijdigheidsbeginsel weerhouden zou derhalve onverenigbaar zijn met de aard en de structuur van deze controle instantie gelet op de onderzoeksbevoegdheden die de wetgever aan de leden van het controle orgaan heeft toevertrouwd
(19). Hij zou niet in staat zijn om zijn wettelijke opdracht uit te voeren. Het gebeurlijke euvel van het gebrek aan scheiding tussen onderzoeks- en beoordelingsbevoegdheid wordt ondervangen door het gegeven dat er een beroep mogelijk is bij een onafhankelijk rechtscollege dat met volheid van rechtsmacht optreedt
(20). De appelrechters die oordelen dat de beslissing van eiser dd. 2 juni 2021 dient vernietigd te worden wegens de miskenning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daar leden van eiser actief zijn tussengekomen in de onderzoeksfase en vervolgens hebben deelgenomen aan de beoordeling van de inbreuken en het sanctioneren hiervan verantwoorden niet naar recht hun beslissing. Conclusie: Cassatie. __________________________________
(1)Cass. 30 mei 2011, AR C.10.0508.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110530.1, AC 2011, nr. 363 met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal G. DUBRULLE; Cass. 10 juni 2005, AR C.04.0278.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.15, AC 2005, nr. 332.
(2)Vergelijk desbetreffend de redenen die in aanmerking werden genomen om bepaalde administratieve handelingen van het Parlement te onderwerpen aan het toezicht van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wetvoorstel, Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1733/1, p. 3 en GwH, 29 januari 2004, 17/2004, RO B.4.3 en B.6.1.
(3)Wetsontwerp, Parl. St., Kamer 2013-14, 53-3105, p. 16-17.
(4)Richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
(5)HvJ, 9 maart 2010, Commissie t. Bondsrepubliek Duitsland, C-518/07, RO 25. Dit arrest werd weliswaar gewezen onder de gelding van de Richtlijn 95/46/EG. Doch de principes die het arrest verwoordt zijn mutaties mutandis van toepassing op de voorschriften van de Richtlijn 2016/680.
(6)De geschillenkamer heeft, in tegenstelling tot eiser, geen eigen onderzoeksbevoegdheden.
(7)Marktenhof, 2 september 2020, 2020/AR/329, p. 20; Marktenhof 28 oktober 2020, 2020/AR/721, p. 17; Marktenhof, 4 januari 2023, 2022/AR/767, p. 7-13.
(8)NOTA TALENBELEID gehanteerd door de Geschillenkamer dd. 7 januari 2021 nota-talenbeleid-gehanteerd-door-de-geschillenkamer.pdf (gegevensbeschermingsautoriteit.be)
(9)Geschillenkamer, beslissing ten gronde 21/2022 dd. 2 februari 2022, randnummer 255.
(10)J. DUJARDIN, M. VAN DAMME, J. VANDE LANOTTE en A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer 2021, 51-52, nr. 45; I. OPDEBEEK en S. DE SOMER, Algemeen bestuursrecht. Grondslagen en beginselen, Antwerpen, Intersentia 2019, 364, nrs. 778-779.
(11)Voor een toepassing betreffende het recht op rechtszekerheid zie Uw arrest van 1 maart 2010, AR C.09.0390.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100301.4, AC 2010, nr. 139, met gelijkluidende concl. van toenmalig advocaat-generaal R. MORTIER.
(12)Artikel 231, § 4, tweede lid.
(13)Artikelen 244 tot 246.
(14)Hiermee neemt de regelgever een andere optie dan die hij weerhouden heeft in de wet van 2017 waar werd geopteerd voor een functionele en organieke scheiding tussen onderzoeks- en beslissingsbevoegdheid.
(15)Bestreden beslissing pagina 13, randnummer 4.22.
(16)Bestreden beslissing pagina 13, randnummer 4.20.
(17)A. COOLSAET, “Hoofdstuk 6. Het onpartijdigheidsbeginsel” in Beginselen van behoorlijk bestuur, Brugge, die Keure 2006, 308-309, nr. 405.
(18)Artikel 231, § 1 en § 4, wet van 2018.
(19)A. COOLSAET, oc, p. 310, nr. 406.
(20)P.-J. VAN DE WEYER, “Rechterlijke toetsing van bestuurshandelen: hoe vol moet die rechtsmacht juist zijn?”, TBP 2021, 83-84, nr. 50. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231106.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231106.3N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.15 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100301.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110530.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.