← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.17 Rolnummer: P.23.0939.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Unierecht Invoerdatum: 2024-01-26 Raadplegingen: 592 - laatst gezien 2026-06-16 23:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.17 Fiches 1 - 2 Uit het arrest C-806/18, zaak JZ, van het Hof van Justitie volgt dat een constitutief bestanddeel van het in artikel 76 bepaalde misdrijf erin bestaat dat de vreemdeling het Rijk binnenkomt of er na zijn binnenkomst verblijft nadat hij eerst het Rijk heeft verlaten ter uitvoering van een te zijnen aanzien genomen terugkeermaatrege

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 76 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 2 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 8 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 11 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 76 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 2 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 8 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 11 Tekst van de conclusie P.23.0939.N Conclusie van advocaat-generaal DE SMET: “De bestraffing van een vreemdeling wegens illegaal verblijf (art. 75-76 Vreemdelingenwet)”. Vervolging en schuldigverklaring.
  1. Eiser wordt vervolgd wegens feiten van ongeoorloofde binnenkomst of ongeoorloofd verblijf na terugwijzing of uitzetting (art. 76 Vreemdelingenwet), met de concrete omschrijving: “als vreemdeling die sedert minder dan tien jaar uit het grondgebied teruggewezen of uitgezet is geweest, bij Ministerieel Besluit van 18 maart 2013, ter kennis gebracht op 19 maart 2013, het Rijk te zijn binnengekomen of er te hebben verbleven zonder bijzondere machtiging van de Minister”, in staat van wettelijke herhaling wegens een correctionele veroordeling in 2013 tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan de helft met uitstel, wegens handel en bezit van verdovende middelen, “Te Antwerpen en/of, bij samenhang, elders in het Rijk, in de periode van 3 mei 2013 tot en met 14 december 2020”.
  2. De correctionele rechtbank te Antwerpen, afd. Antwerpen heeft op 11 augustus 2022, op verzet, eiser op basis van deze telastlegging veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van drie maanden en een geldboete van 800 euro (incl. opdeciemen). Het hof van beroep te Antwerpen bevestigde de schuldigverklaring van eiser aan de inbreuk op artikel 76 Vreemdelingenwet en legde alleen een effectieve geldboete op van 500 euro, met opdeciemen gebracht op 4.000 euro, of een vervangende gevangenisstraf van 60 dagen. Met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (o.a. de zaak HvJ 17 september 2020, zaak JZ, C-806/18) stelde het hof van beroep dat “echter geen gevangenisstraf kan worden opgelegd maar wel een geldboete aan een onwettig verblijvende derdelander die niet bereid is om het grondgebied vrijwillig te verlaten, maar op wie de dwangmaatregelen van de Terugkeerrichtlijn niet zijn toegepast en voor wie, in geval van administratieve detentie, de maximale duur ervan nog niet verstreken is” (blz. 10). Strafbaarstellingen voor illegaal verblijf.
  3. Vreemdelingen die illegaal in België verblijven riskeren niet alleen een gedwongen repatriëring op bevel van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie (o.a. art. 7 en 27 Vreemdelingenwet van 15 december 1980), maar ook een bestraffing door de gewone rechtscolleges
(1). Twee strafbaarstellingen zijn op de vreemdeling van toepassing, al naar gelang hij nog niet is verwijderd van het grondgebied of na een maatregelen van uitwijzing terugkeert naar België. Artikel 75 Vreemdelingenwet bestraft de vreemdeling die onwettig het Rijk binnenkomt of er verblijft (eerste lid) en de vreemdeling die zich zonder geldige reden onttrekt aan een hem opgelegde verplichting van het verlaten van bepaalde plaatsen, verwijderd blijven van bepaalde plaatsen of in een bepaalde plaats te verblijven (tweede lid), telkens met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro of met een van die straffen alleen
(2). Volgens artikel 1, 4°, Vreemdelingenwet moet onder illegaal verblijf worden verstaan de aanwezigheid op het grondgebied van een vreemdeling die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de toegang tot of het verblijf op het grondgebied
(3). Het misdrijf van illegaal verblijf (art. 75) kan los van een verwijderingsmaatregel bestaan
(4). 4. Artikel 76 Vreemdelingenwet bestraft de sedert minder dan tien jaar uit het grondgebied teruggewezen of uitgezette vreemdeling die het Rijk binnenkomt of er verblijft zonder bijzondere machtiging van de Minister, met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend euro
(5). EG Terugkeerrichtlijn. 5. Beide strafbaarstellingen moeten worden geïnterpreteerd in functie van de EG-Richtlijn 2008/115 van Het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Publ. 24 december 2008, L 348/98, www.eur-lex.eu). Deze richtlijn is volgens artikel 2.1 van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Volgens artikel 2.2 kunnen lidstaten besluiten deze richtlijn niet toe te passen op onderdanen van derde landen:
  1. a)aan wie de toegang is geweigerd overeenkomstig artikel 13 van de Schengengrenscode, of die door de bevoegde autoriteiten zijn aangehouden of onderschept wegens het op niet reguliere wijze overschrijden over land, over zee of door de lucht van de buitengrens van een lidstaat, en die vervolgens geen vergunning of recht heeft verkregen om in die lidstaat te verblijven en
  2. b)die verplicht zijn tot terugkeer als strafrechtelijke sanctie of als gevolg van een strafrechtelijke sanctie overeenkomstig de nationale wetgeving, of jegens wie een uitleveringsprocedure loopt
(6). Verder is de richtlijn volgens art. 2.3 niet van toepassing op personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen in de zin van artikel 2, punt 5, van de Schengengrenscode. 6. Artikel 8.4 EG-Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten als laatste redmiddel dwangmaatregelen kunnen toepassen op een onderdaan van een derde land die zich verzet tegen de verwijdering van het grondgebied, voor zover ze proportioneel zijn en binnen redelijke grenzen worden toegepast, met inachtneming van de grondrechten en met eerbiediging van de waardigheid en fysieke integriteit van de betrokken onderdaan van een derde land. Artikel 11 van die EG-Terugkeerrichtlijn laat EU-lidstaten toe om onder bepaalde voorwaarden een inreisverbod op te leggen aan illegale of uitgeprocedeerde derdelanders. Voor toepassing van deze bepalingen in de nationale rechtsorde geldt als uitgangspunt dat het strafrecht en het strafprocesrecht weliswaar in beginsel tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, doch dit rechtsgebied desalniettemin kan worden beïnvloed door het Unierecht
(7). Lidstaten mogen volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) strafsancties verbinden aan het negeren van een bevel om het grondgebied te verlaten, binnen bepaalde grenzen, temeer daar de Terugkeerrichtlijn betrekking heeft op de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen
(8). Uit de overwegingen 2 en 4 van de EG-Terugkeerrichtlijn volgt immers dat een terugkeerbeleid dat humaan is, voldoet aan de grondrechten en de waardigheid van vreemdelingen, een onmisbaar onderdeel uitmaakt van een gedegen migratiebeleid. Bestraffing of de vrees voor bestraffing kan de illegaal verblijvende vreemdeling ertoe aanzetten om het grondgebied te verlaten. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) stelt dat Staten over een beleidsmarge beschikken inzake de controle, het verblijf en de uitwijzing van vreemdelingen die illegaal op hun grondgebied verblijven
(9). Zo mogen zij ter bescherming van de openbare orde een vreemdeling uitwijzen die voor een strafbaar feit is veroordeeld, voor zover dit in overeenstemming is met een wet die een wettig doel nastreeft en noodzakelijk is in een democratische samenleving
(10). Bovendien moeten een aantal procedurele vereisten worden nageleefd, opgenomen in artikel 1 Zevende Protocol EVRM
(11). 7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie bracht evenwel beperkingen aan het penaliseren van illegaal verblijf. Vrijheidsbeneming in de vorm van een gevangenisstraf doet naar haar aard in beginsel afbreuk aan het doel van EG-Terugkeerrichtlijn, die een ordelijke terugkeer van de betrokkene beoogt te verzekeren
(12). Lidstaten beschikken over een beoordelingsmarge bij de toepassing van het strafrecht op illegaal verblijf. Het Hof van Justitie nam meermaals aan dat de lidstaten geen strafrechtelijke bepalingen mogen toepassen die de verwezenlijking van de door die richtlijn nagestreefde doelstellingen in gevaar kunnen brengen en deze derhalve haar nuttig effect kunnen ontnemen
(13). Het Hof van Justitie stelt wel dat de EG-Terugkeerrichtlijn de lidstaten toelaat om illegaal verblijf tegen te gaan met strafrechtelijke sancties, op voorwaarde dat er geen gevangenisstraf wordt opgelegd aan onderdanen van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijven en niet bereid zijn dit grondgebied vrijwillig te verlaten, maar niet onderworpen zijn van een maatregel van gedwongen repatriëring (art. 8 EG-Terugkeerrichtlijn) of voor wie de maximale duur van de opsluiting (bewaring) met het oog op repatriëring nog niet is verstreken
(14). De lidstaten mogen de gedraging van illegaal verblijf strafbaar stellen met een gevangenisstraf als het gaat om een onderdaan van een derde land tegen wie reeds de terugkeerprocedure is toegepast en opnieuw illegaal op hun grondgebied verblijft, zonder geldige reden
(15). 8. Verder maakt het Hof van Justitie een onderscheid tussen het terugkeerbesluit met al dan niet een maatregel van verwijdering als annex en het inreisverbod als aanvulling op het terugkeerbesluit. Het inreisverbod dient om de vreemdeling te verbieden gedurende een bepaalde tijd na zijn terugkeer, en dus na zijn vertrek van het grondgebied van de lidstaten, dat grondgebied opnieuw te betreden en er vervolgens te verblijven. Een eventueel inreisverbod vormt aldus een middel om de doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de Unie te vergroten, door te waarborgen dat gedurende een bepaalde periode na de verwijdering van een illegaal verblijvende derdelander, deze persoon niet legaal kan terugkeren op het grondgebied van de lidstaten. Voor het ingaan van een dergelijk verbod wordt dus verondersteld dat de betrokkene dat grondgebied eerst heeft verlaten
(16). Daaruit volgt dat het illegaal verblijf van een onderdaan van een derde land tot het tijdstip van de vrijwillige of gedwongen uitvoering van de terugkeerverplichting wordt beheerst door het terugkeerbesluit en niet door het inreisverbod, dat pas rechtsgevolgen teweegbrengt vanaf het tijdstip dat die onderdaan het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk verlaat
(17). 9. In de zaak C-806/18 verklaarde het Hof van Justitie voor recht: “Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, met name artikel 11 ervan, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die bepaalt dat een gevangenisstraf kan worden opgelegd aan een illegaal verblijvende derdelander jegens wie de stappen van de bij die richtlijn ingestelde terugkeerprocedure zijn doorlopen zonder dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk heeft verlaten, wanneer het strafbaar gestelde gedrag is omschreven als illegaal verblijf terwijl de betrokkene kennis heeft van een inreisverbod dat is uitgevaardigd met name vanwege de strafrechtelijke antecedenten van de betrokkene of vanwege het gevaar dat hij vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, mits het strafbaar gestelde gedrag niet is omschreven door verwijzing naar schending van dat inreisverbod en deze regeling voldoende toegankelijk en nauwkeurig is en de toepassing ervan voldoende voorzienbaar is, teneinde willekeur te voorkomen”. Aan de vreemdeling wordt eveneens rechtsbescherming geboden door de strikte voorwaarden die gelden voor het opleggen van een inreisverbod, uitgevaardigd op basis van artikel 11 EG-Terugkeerrichtlijn
(18). 10. Uw Hof oordeelde op 17 oktober 2017 dat: “De Terugkeerrichtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft enkel betrekking op de terugkeer van illegaal in een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen en heeft dus niet tot doel alle nationale voorschriften inzake het verblijf van vreemdelingen te harmoniseren. Bijgevolg verzet deze richtlijn zich er niet tegen dat illegaal verblijf in het recht van een lid-staat wordt aangemerkt als een strafbaar feit en dat daarop strafrechtelijke sancties worden gesteld om het plegen van een dergelijke inbreuk op de nationale verblijfsvoorschriften tegen te gaan en te bestraffen. Meer in het bijzonder verzet de Terugkeerrichtlijn zich niet tegen een regeling van een lidstaat waarbij illegaal verblijf wordt tegengegaan met strafrechtelijke sancties, voor zover die regeling toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land op wie een terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal op dat grondgebied verblijft”
(19).
  1. Uit de aangehaalde rechtspraak kan men afleiden dat het voortzetten van illegaal verblijf zonder toepassing van enige dwangmaatregel van terugkeer geen aanleiding kan geven tot vrijheidsberovende straffen en die straffen wel mogelijk zijn voor de onderdaan van een derde land die België heeft verlaten na een terugkeermaatregel en er ondanks een inreisverbod terug verblijft, zoals bepaald in artikel 76 Vreemdelingenwet. De situatie van een onafgebroken verblijf in België na een Ministerieel Besluit tot terugwijzing valt bijgevolg niet onder deze strafbepaling. Motivering van het bestreden arrest.
  2. Eiser voerde in beroepsconclusie als verweer dat hij geen inbreuk pleegde op artikel 76 Vreemdelingenwet gelet op de EG-Terugkeerrichtlijn 2008/115 zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in o.a. de zaak JR van 17 september 2020 (C-806/18). Reden is dat tegen eiser op 18 maart 2013 een Ministerieel Besluit werd uitgevaardigd met het verzoek binnen een bepaalde termijn het grondgebied vrijwillig te verlaten, maar er werden niet de nodige maatregelen getroffen om de terugkeer en de verwijdering van eiser te bewerkstelligen, als dwangmaatregelen waarvan sprake in artikel 8.1 EG-Terugkeerrichtlijn (blz. 10 arrest).
  3. Het hof van beroep verwierp deze argumentatie op basis van volgende redenen (blz. 10-11): 1° De Terugkeerrichtlijn verzet er zich er niet tegen dat illegaal verblijf in het recht van een lidstaat wordt aangemerkt als een strafbaar feit en dat daarop strafsancties worden gesteld om het plegen van een dergelijke inbreuk op de nationale verblijfsvoorschriften tegen te gaan en te bestraffen, 2° het gegeven dat de Dienst Vreemdelingenzaken geen dwangmaatregelen ten aanzien van beklaagde heeft genomen en steeds een afwachtende houding innam, neemt niet weg dat de feiten in hoofde van eiser bewezen zijn gebleven, 3° het gegeven dat de wettelijke mogelijkheid tot het nemen van een Ministerieel Besluit tot terugwijzing en een Koninklijk Besluit tot uitzetting bij wet van 24 februari 2017 werd afgeschaft, neemt niet weg dat artikel 76 van de Vreemdelingenwet nog kan worden toegepast tot 10 jaar na het laatste in dat verband genomen besluit en 4° (zie hoger, al. 2) de mogelijkheid die de EU-Terugkeerrichtlijn aan lidstaten biedt om alleen een geldboete (geen gevangenisstraf) op te leggen aan een onwettig verblijvende derdelander die het grondgebied niet vrijwillig wil verlaten maar op wie er geen dwangmaatregel is toegepast of ten aanzien van wie de maximale duur van administratieve detentie voor gedwongen repatriëring nog niet is verstreken. Het hof van beroep heeft de ten laste gelegde feiten niet heromschreven als een inbreuk op artikel 75 Vreemdelingenwet. Beoordeling.
  4. In zijn memorie tot cassatie brengt eiser aan dat artikel 76 Vreemdelingenwet alleen van toepassing is op de vreemdeling die een inreisverbod als bedoeld in artikel 11 EG-Terugkeerrichtlijn miskent door na uitvoering van een terugkeermaatregel opnieuw België binnen te komen of er te verblijven, terwijl eiser niet was onderworpen een maatregel van gedwongen repatriëring en sinds het MB van uitwijzing van 18 maart 2013 het Belgisch grondgebied niet heeft verlaten. Eiser stelt eveneens dat de redenering van het hof van beroep over illegaal verblijf en het niet doorlopen van de terugkeerprocedure eventueel kan gelden bij toepassing van artikel 75 Vreemdelingenwet, maar eiser voor dit afzonderlijk misdrijf niet is vervolgd of veroordeeld.
  5. Het eerste middel gesteund op de artikelen 2, 8 en 11 Terugkeerrichtlijn en art. 76 Vreemdelingenwet komt mij gegrond voor. Het bestreden arrest stelt niet vast dat eiser na het bevel om het grondgebied te verlaten van 18 maart 2013, met een inreisverbod van 10 jaar, België heeft verlaten (vrijwillig of gedwongen) en kan bijgevolg niet naar recht oordelen dat eiser schuldig is aan het misdrijf zoals omschreven in artikel 76 Vreemdelingenwet. Het verlaten van België gevolgd door een onwettige terugkeer of onwettige verblijfsituatie in België is nochtans een constitutief bestanddeel van dit misdrijf. Het tweede middel dat dezelfde bepalingen aanvoert en opkomt tegen de vervangende gevangenisstraf kan niet tot een ruimere cassatie leiden en behoeft geen antwoord. Besluit: Cassatie met verwijzing van de zaak, met uitzondering van de beslissingen ten gunste van eiser over de ontvankelijkheid van zijn hoger beroep tegen het vonnis op verzet van veroordeling en over de omvang van zijn hoger beroep tot de beschikkingen op strafgebied die betrekking hebben op de procedure, de schuld en de strafmaat. ________________________________
(1)Over deze samenhang zie Cass. 6 januari 2021, AR P.20.1246.F, AC 2021, nr. 9, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210106.2F.11.
(2)Over art. 75 VW en de interpretatie ervan zie E. VANDENNIEUWENHUYSEN, “Strafrecht als instrument van het migratiebeleid, of omgekeerd?”, NC 2020, 14-37.
(3)Cass. 11 maart 2015, AR P.14.1709.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150311.4, AC 2015, nr. 184, met concl. van advocaat-generaal. D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., RW 2016-17, 900, JLMB 2015, 1358 noot J. MARTENS; L. DENYS, Overzicht van het vreemdelingenrecht, Heule, Inni, 2019,774.
(4)Cass. 11 maart 2015, AR P.14.1709.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150311.4, AC 2015, nr. 184, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; E. VANDENNIEUWENHUYSEN, “De strafbaarstelling van de onwettig verblijvende Unieburger”, T. Vreemd. 2022, 44.
(5)Over art. 76 Vreemdelingenwet, ook ‘banbreuk’ genoemd, en het inreisverbod zie S. BOUCKAERT, P. BAEYENS en N. VANDERSCHEUREN, Handboek verblijfsrecht, Kluwer 2016, 621 en 695.
(6)Over dit art. 2.2.b Terugkeerrichtlijn zie Cass. 5 november 2014, AR P.14.1271.F, AC 2014, nr. 669, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141105.3.
(7)HvJ 28 april 2011, El Dridi, C 61/11, punt 53, www.curia.europa.eu.
(8)HvJ 6 december 2011, Achughbabian, C 329/11, punt 28; HvJ 6 december 2012, Sagor, C 430/11, punt 31 en HvJ 17 september 2020, JZ, C-806/18, punt 25, www.curia.europa.eu. Zie S. SAROLEA en P. D’HUART, La réception du droit européen de l’asile en droit belge: la directive retour, Louvain-la Leuve, 2014, 102-105; J.Y. CARLIER en S. SAROLEA, Droit des étrangers, Larcier 2016, 237-238; L. DENYS, Overzicht van het vreemdelingenrecht,Heule, Inni, 2019, 896; E. VANDENNIEUWENHUYSEN, “De strafbaarstelling van de onwettig verblijvende Unieburger”, T. Vreemd. 2022, 45. Over het arrest Achughbabian zie Cass. 5 november 2014, AR P.14.1271.F, AC 2014, nr. 669 en Cass. 14 december 2011, AR P.11.1623.F, AC 2011, nr. 685, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111214.3.
(9)EHRM 15 oktober 2020, Muhammad en Muhammad t/Roemenië, §114; EHRM 21 november 2019, Ilias en Ahmed t/Hongarije, § 125, www.echr.coe.int.
(10)EHRM 13 december 2012, De Souza Ribeoro t/Frankrijk, § 77, www.echr.coe.int.
(11)Over deze waarborg zie EHRM 15 oktober 2020, Muhammad en Muhammad t/Roemenië, www.echr.coe.int.
(12)HvJ 28 april 2011, El Dridi, C 61/11, punten 53 55; HvJ 6 december 2011, Achughbabian, C 329/11, punt 33; HvJ 7 juni 2016, Affum, C-47/15, punt 63, www.curia.europa.eu.
(13)HvJ 28 april 2011, El Dridi, C 61/11, punt 55; HvJ 6 december 2011, Achughbabian, C 329/11, punt 33; HvJ 6 december 2012, Sagor, C 430/11, punt 32; HvJ 1oktober 2015, Celaj, C 290/14, punt 21; HvJ 7 juni 2016, Affum, C-47/15, punt 63, zoals aangehaald in de conclusie van advocaat-generaal M. SZPUNAR in de zaak JR C-806/18, punt 23, www.curia.europa.eu.
(14)HvJ 6 december 2011, Achughbabian, C 329/11, punt 50; HvJ 7 juni 2016, Affum, C-47/15, punt 63; HvJ 17 september 2020, JZ, C-806/18, punt 27, www.curia.europa.eu.
(15)HvJ 6 december 2011, Achughbabian, C 329/11, punt 46-50; HvJ 17 september 2020, JZ, C-806/18, punt 28, www.curia.europa.eu.
(16)HvJ 17 september 2020, JZ, C-806/18, punt 32, www.curia.europa.eu.
(17)HvJ 17 september 2020, JZ, C-806/18, punt 33, www.curia.europa.eu.
(18)Vb. HvJ 3 juni 2021, B.Z. t/Westwaldkreis, C-546/19 en HvJ 27 april 2023, M.D., C-528/21, www.curia.europa.eu.
(19)Cass. 17 oktober 2017, AR P.17.0573.N, AC 2017, nr. 568, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.
  1. Voor toepassing van deze rechtspraak zie Corr. Brussel 10 maart 2022, nr. 22F001110, RDPC 2022,
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.17 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111214.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141105.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150311.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210106.2F.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.