← België

D. contra B.

Obsah (6)Art. 61Art. 63Art. 66Art. 67Art. 135Art. 235

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 november 2023

Art. 61

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 63

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 66

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 67

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 61

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 63

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 66

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 67

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 61

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 63

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 66

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 67

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 61

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 63

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 66

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 67

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 Overeenkomstig artikel 235 Wetboek van Strafvordering kunnen de kamers van inbeschuldigingstelling in alle zaken, zolang zij niet beslist hebben of de inbeschuldigingstelling dient te worden uitgesproken, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort; de kamer van inbeschuldigingstelling oefent deze bevoegdheid naar eigen goedvinden uit; een partij kan dit niet vorderen, zodat die kamer niet hoeft te beslissen over een door een partij gevorderde toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering, noch redenen moet vermelden waarom ze op een desbetreffende vraag niet ingaat; neemt de kamer van inbeschuldigingstelling over een dergelijke vraag toch een gemotiveerde beslissing, dan mag zij niettemin uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleiden

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.23.0739.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “1° Het proces-verbaal van de klacht met burgerlijke partijstelling, niet de eraan gehechte bijlage, als grondslag voor de strafvordering en inverdenkingstelling (art. 63 Sv.) en 2° De facultatieve bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling om de vervolging uit te breiden (art. 235 Sv.)”.

  1. De inhoud van de klacht met burgerlijke partijstelling.
  2. Eisers zijn burgerlijke partijen die opkomen tegen de onderdelen van het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) te Gent van 18 april 2023 waarbij bepaalde personen, niet vermeld in het proces-verbaal van de onderzoeksrechter bij ontvangst van hun klacht met burgerlijke partijstelling, niet zijn verwezen naar de correctionele rechtbank. Van de personen vermeld in dit proces-verbaal zijn de eerste, tweede en derde inverdenkinggestelden (verweerders in cassatie) verwezen naar de correctionele rechtbank voor enkele telastleggingen en werden de vierde, vijfde en zesde inverdenkinggestelden volledig buiten vervolging gesteld. In deze zaak van beleggingsfraude nam de procureur des Konings geen vordering tot een gerechtelijk onderzoek.
  3. Elke eiser vermeldt in zijn akte van cassatieberoep dat dit rechtsmiddel is gericht tegen alle beschikkingen van het bestreden arrest. Voor zover gericht tegen de onderdelen waarbij verweerders 1, 2 en 3 zijn verwezen naar de correctionele rechtbank, is het cassatieberoep van elke eiser niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang.
  4. Eisers I tot IV voeren in hun eerste middel aan dat de personen die bij naam zijn genoemd in de schriftelijke toelichting bij de klacht met burgerlijke partijstelling ook in de eindvordering van het openbaar ministerie moesten voorkomen, temeer daar die eindvordering namen bevat van personen die tijdens het gerechtelijk onderzoek in verdenking zijn gesteld. Zij stellen dat hun klacht met burgerlijke partijstelling ook gericht was tegen CAPTRA INVEST, met zetel in Lovendegem, en de Spaanse vennootschap CAPTRA INVEST EUROPE Sl., gelet op de inhoud van de stukken die bij die klacht werden gevoegd.
  5. Beoordeling. Hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld, kan daarover bij de bevoegde onderzoeksrechter klacht doen en zich burgerlijke partij stellen (art. 63 Sv.)

(1). Het verschil met een gewone klacht of een klacht door de geregistreerde benadeelde (art. 5bis V.T. Sv.) is dat de klacht met burgerlijke partijstelling de strafvordering op gang brengt
(2). Het openbaar ministerie kan vanaf dat moment de zaak niet meer seponeren en moet zijn visie over de vervolging weergeven in de eindvordering (art. 127, § 1 Sv.). De klacht met burgerlijke partijstelling kan voor het openbaar ministerie een reden zijn om zelf een (bijkomend) gerechtelijk onderzoek te vorderen, in elke fase van dat onderzoek, voor dezelfde of voor bijkomende strafbare feiten (art. 47 en 70 Sv.). 5. Aan de wilsverklaring van de burgerlijke partij, in de zin van artikel 63 Sv., is geen bijzondere vormvereiste verbonden
(3). Het is gebruikelijk dat de burgerlijke partij die een gerechtelijk onderzoek opent een document overhandigt aan de onderzoeksrechter met daarin de omschrijving van de klacht (feiten, misdrijven en beweerde schade) en aanduiding van verdachten. Het is niet deze toelichting of de betaling van de borgsom (art. 108-112 KB 28 december 1950) die het beginpunt vormt van het gerechtelijk onderzoek of de strafvordering, maar wel de akte opgesteld door de onderzoeksrechter die de klacht ontvangt
(4). Op 3 mei 2016 nam het Hof aan dat: “Ter gelegenheid van de burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter en het opstellen van het proces-verbaal van die stelling kan de burgerlijke partij aan de onderzoeksrechter stavingsstukken overhandigen die de geacteerde klacht kunnen toelichten, aanvullen of ondersteunen. De loutere neerlegging van die stukken stelt de strafvordering niet in werking”
(5). Bij een verschil tussen het proces-verbaal van de klacht met burgerlijke partijstelling en de documenten die de burgerlijke partij daaraan heeft toegevoegd, als toelichting, primeert de inhoud van dit proces-verbaal
(6). Hierover oordeelde het Hof, op 5 oktober 2021: “De onderzoeksrechter stelt van de klacht met burgerlijkepartijstelling een proces-verbaal op waaruit onder meer moet blijken voor welke feiten de onderzoeksrechter werd geadieerd. Indien ter gelegenheid van de burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter een schriftelijke klacht werd ingediend waarvan de inhoud niet of niet geheel overeenstemt met het door de onderzoeksrechter opgestelde proces-verbaal, is het dit proces-verbaal dat de draagwijdte van de klacht met burgerlijkepartijstelling bepaalt”
(7). 6. De akte van de onderzoeksrechter als grondslag voor het gerechtelijk onderzoek, wat betreft de te onderzoeken strafbare feiten (saisine in rem), geldt eveneens voor de inverdenkingstelling (art. 61bis Sv.) en het bepalen van de personen tegen wie het gerechtelijk onderzoek is gericht (saisine in personam). De persoon tegen wie de strafvordering wordt ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek heeft de hoedanigheid van inverdenkinggestelde, zonder dat daarvoor een bijkomende akte nodig is (art. 61bis, tweede lid, Sv.)
(8). Het openbaar ministerie dient deze persoon als inverdenkinggestelde in zijn eindvordering op te nemen, aangezien de raadkamer niet bevoegd is iemand zelf in verdenking te stellen
(9). Om uit te maken wie al van bij aanvang van het gerechtelijk onderzoek de hoedanigheid heeft van inverdenkinggestelde, lijkt mij niet het document van de burgerlijke partij zelf van belang te zijn, maar wel het proces-verbaal opgesteld door de onderzoeksrechter die de klacht met burgerlijke partijstelling ontvangt. Het bestreden arrest oordeelt terecht (blz. 37) dat de inverdenkingstelling door een burgerlijke partij enkel wettig kan gebeuren in het proces-verbaal van de burgerlijke partijstelling dat zowel door de onderzoeksrechter als door de burgerlijke partij wordt ondertekend. Voor zover eisers uitgaan van een andere rechtsopvatting, faalt hun middel over de artikelen 61bis en 63 Sv. m.i. naar recht.
  1. Het proces-verbaal van akte van de klacht met burgerlijke partijstelling wordt ondertekend door de onderzoeksrechter en de burgerlijke partij. Mij komt voor dat bij een discussie over de omvang van het gerechtelijk onderzoek, naar aanleiding van een klacht met burgerlijke partijstelling (art. 63 Sv.), het onderzoeksgerecht zich mag beperken tot de bewoordingen van het proces-verbaal opgesteld door de onderzoeksrechter. Het is dit proces-verbaal dat de grondslag van de vervolging vormt. Daarbij mag men aannemen dat de burgerlijke partij de akte heeft nagelezen alvorens ze te ondertekenen, en dus tijdig opmerkingen kon formuleren over telastleggingen of namen van verdachten die erin zouden ontbreken. Het feit dat het onderzoeksgerecht rekening kan houden met de gegevens over de feiten en verdachten aangebracht in het document van de burgerlijke partij zelf, betekent niet dat deze gegevens in het oordeel over verwijzing of buitenvervolgingstelling moeten worden betrokken. Aldus faalt het middel m.i. naar recht.
  2. In de discussie over de juiste grondslag van de strafvordering bij een klacht met burgerlijke partijstelling, namelijk het proces-verbaal van de onderzoeksrechter of de stukken van de burgerlijke partij die eraan zijn gehecht, zijn ook andere waarborgen van belang, die in het middel niet aan bod komen. Het middel blijft beperkt tot de stelling dat het bestreden arrest de artikelen 61bis, tweede lid, en 63 Sv. schendt, waarbij eisers aanvoeren: “bij de beoordeling van wie rechtstreeks en zeker in een klacht met burgerlijke partijstelling wordt genoemd, kan de rechter niet enkel rekening houden met de inhoud van het proces-verbaal van de burgerlijke partijstelling, maar ook rekening worden gehouden met de inhoud van de naar de aanleiding van de klacht met burgerlijke partijstelling overhandigde schriftelijke klacht”. De burgerlijke partij die na de ondertekening van de akte van klacht met burgerlijke partijstelling vaststelt dat die akte onvolledig zou zijn, omdat er geen melding is van een verdachte die in het aangehechte document wel is genoemd, beschikt over enkele waarborgen om die ‘vergeten’ persoon toch te laten verwijzen naar de correctionele rechtbank.
  3. Vooreerst kan de onderzoeksrechter op elk moment, zelfs zonder bijkomende klacht met burgerlijke partijstelling of vordering van het openbaar ministerie, zijn gerechtelijk onderzoek ‘in personam’ uitbreiden, door een verdachte (bijkomend) in verdenking te stellen (art. 61bis, eerste lid, Sv.)
(10). De persoon die tijdens het gerechtelijk onderzoek in verdenking wordt gesteld, moet in de eindvordering van het openbaar ministerie worden opgenomen, zodat het onderzoeksgerecht kan beslissen over de buitenvervolgingstelling of verwijzing naar het vonnisgerecht. De reden is dat de raadkamer niet zelf kan overgaan tot inverdenkingstelling van een persoon tegen wie het gerechtelijk onderzoek bezwaren zou hebben opgeleverd
(11). De burgerlijke partij kan de onderzoeksrechter niet dwingen een persoon in verdenking te stellen, maar kan wel een gemotiveerd verzoekschrift indienen om concrete onderzoeksdaden te stellen over de betrokkenheid van een persoon bij de feiten vermeld in de inleidende akte (art. 61quinquies en 127, §1 Sv.). Op basis van de gevraagde onderzoeksdaden, indien die nuttig zijn bevonden voor de waarheidsvinding, kan de onderzoeksrechter tot een bijkomende inverdenkingstelling overgaan. 10. Ten tweede kan de procureur des Konings in zijn eindvordering (art. 127 Sv.) een persoon als inverdenkinggestelde aanmerken die niet formeel in verdenking was gesteld door de onderzoeksrechter of niet bij naam was genoemd in de akte van de onderzoeksrechter die de klacht met burgerlijke partijstelling ontving
(12). Het moet dan wel gaan om een persoon die in enig stuk van het strafdossier is vernoemd, zoals de klacht opgesteld door de burgerlijke partij als bijlage bij de akte van de klacht met burgerlijke partijstelling. Het Hof oordeelde op 28 maart 2017: “Artikel 61bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, krachtens hetwelk de onderzoeksrechter overgaat tot de inverdenkingstelling van elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, houdt voor de raadkamer geen beletsel in om een door de onderzoeksrechter niet in verdenking gestelde verdachte tegen wie voldoende bezwaren bestaan, naar de vonnisrechter te verwijzen”
(13). In deze zaak oordeelde de raadkamer op 17 juni 2022 (blz. 17) dat er geen reden is om in te gaan op de vraag van de burgerlijke partijen om een aantal personen te verwijzen naar de correctionele rechtbank die niet in de eindvordering zijn genoemd. 11. Een derde waarborg is dat de burgerlijke partij zelf de vervolging kan uitbreiden in de loop van het gerechtelijk onderzoek. Zij kan door een bijkomende klacht met burgerlijke partijstelling personen als inverdenkinggestelde aanmerken die niet zijn vermeld in het proces-verbaal van de oorspronkelijke klacht met burgerlijke partijstelling
(14). Het Hof nam op 2 december 2008 aan dat: “De burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter stelt de strafvordering en de ermee gepaard gaande burgerlijke rechtsvordering in. De aldus ingestelde burgerlijke rechtsvordering is evenwel enkel gericht tegen de verdachte die in de akte van burgerlijke partijstelling is vermeld. De burgerlijke partij kan haar burgerlijke rechtsvordering nadien eveneens richten tot andere verdachten. Dit moet zij doen door haar vordering uit te breiden tot die andere verdachten, hetzij voor de onderzoeksrechter, hetzij voor het onderzoeksgerecht bij de regeling van de rechtspleging, hetzij voor de vonnisrechter naar dewelke de verdachten verwezen zijn”
(15).
  1. De facultatieve toepassing van artikel 235 Sv.
  2. De burgerlijke partij kan hoger beroep instellen tegen elke beschikking van de raadkamer over de regeling der rechtspleging (art. 135, § 2 Sv.). Deze waarborg is van belang omdat de kamer van inbeschuldigingstelling, als beroepsinstantie, over bijzondere bevoegdheden beschikt. Zij kan zich de stukken doen overleggen en ‘ambtshalve vervolging gelasten’ (art. 235 Sv.). Hierdoor kan de K.I., ambtshalve of op aangeven van het openbaar ministerie of de burgerlijke partij, een verdachte verwijzen naar het vonnisgerecht die niet was vermeld in de akte van klacht met burgerlijke partijstelling, opgesteld door de onderzoeksrechter, of in de eindvordering van de procureur des Konings. Vereist is dat het onderzoek tegen die verdachte voldoende bezwaar heeft opgeleverd, die verdachte wordt opgeroepen en de zaak op regelmatige wijze aan dit onderzoeksgerecht is voorgelegd
(16). De K.I. oordeelt vrij over de noodzaak tot verwijzing van een bijkomende verdachte naar het vonnisgerecht, ook als het openbaar ministerie of de burgerlijke partij daartoe een concrete vraag heeft geformuleerd. Het Hof nam aan dat: “Het hof van beroep maakt op discretionaire wijze gebruik van die bevoegdheid aangezien de partijen haar niet kunnen verplichten tot de uitoefening ervan. Daaruit volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet hoeft uit te spreken over een door een partij gevorderde toepassing van artikel 235 en evenmin de redenen van haar weigering hoeft te vermelden”
(17). Voor zover eisers I, II, III en IV uitgaan van het tegendeel, faalt hun eerste middel naar recht.
  1. Het bestreden arrest heeft over de vraag van eisers over de verwijzing van personen die niet in de eindvordering waren opgenomen (Captra Invest Europa SL, de Spaanse vennootschap Piejebra, L.L., C.D.B., A.V.E, BV De Bruin Holding en BVBA Adviesbureel MDB, (blz. 37-39 arrest)) geoordeeld dat die vraag ‘neerkomt op een verzoek tot toepassing van artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering’, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling op een discretionaire wijze gebruik maakt van haar bevoegdheid om krachtens deze bepaling ambtshalve vervolgingen te bevelen, ‘aangezien de partijen haar niet kunnen verplichten tot de uitoefening ervan’ (blz. 39). Vervolgens stelt het arrest, hoewel er geen verplichting is om te antwoorden op het verzoek van een burgerlijke partij tot toepassing van art. 235 Sv., dat er geen reden is om de personen vermeld door de burgerlijke partijen te verwijzen naar de correctionele rechtbank (blz. 39-40).
  2. De K.I. nam aan dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat C.D.B. en A.V.E. of bepaalde aan hen gelieerde Nederlandse rechtspersonen (vermogensbeheerders) op een strafbare wijze zouden hebben deelgenomen aan misdrijven waarbij de burgerlijke partijen schade hebben opgelopen, gelet op onder meer de resultaten van de verhoren en huiszoekingen verricht in Nederland (blz. 34 en 39). Verder stelt de K.I. dat 1° de strafvordering is vervallen tegen BVBA Adviesbureel MDB wegens de vereffening in 2017 (blz. 39), 2° er geen concrete aanwijzingen zijn dat de Spaanse firma CAPTRA INVEST EUROPA gebruikt door eerste verweerster T.B. betrokken is bij misdrijven ten nadele van burgerlijke partijen, wat eveneens geldt voor de Spaanse firma PIEJEBRA en 3° het overschrijven van rekeningen door eerste verweerster op de rekening van L.L. niet volstaat om L.L. in verdenking te stellen en te verwijzen naar het vonnisgerecht wegens heling of witwas, temeer daar uit zijn verhoor blijkt dat hij zelf aanzienlijke sommen heeft belegd bij T.B. en hij niet op de hoogte was van het feit dat de bedragen als winsten gestort op zijn rekening afkomstig waren van oplichting ten nadele van eisers (blz. 40). De motivering over de niet-vervolging van ‘bijkomende verdachten’, zoals gevraagd door eisers lijkt mij toereikend en naar recht verantwoord, zodat hun tweede middel, eerste onderdeel van eisers I, II, III en IV over o.a. art. 130 Sv. niet kan worden aangenomen.
  3. Het beoordelen van bezwaren.
  4. Het tweede middel van eisers I, II, III en IV en het middel van eisers V is gericht tegen het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling dat er tegen vijfde en zesde verweerder (CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER bv en ABERVELD ASSET MANAGEMENT bv) geen bezwaar bestaat wat betreft feit B van illegale uitoefening van een beleggingsonderneming, meer bepaald het uitoefenen van de beleggingsonderneming onder de namen CAPTRA INVEST en CAPTRA INVEST EUROPA zonder vergunning.
  5. In een eerste onderdeel stellen alle eisers dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet heeft geantwoord op hun verweer dat CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER bv en ABERVELD ASSET MANAGEMENT bv geen beroep konden doen op financiële tussenpersonen (zoals eerste verweerster) die niet zijn ingeschreven in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, gelet op artikelen 5 en 21, § 1 Wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten (BS 28 april 2006). Daarvoor verwezen (alleen) eisers I en II naar stuk 1008 van de FSMA waaruit zou blijken dat DE BRUIN VERMOGENSBEHEER zich schuldig maakte aan vermelde inbreuk (beroepsconclusies van eisers I en II, st. 17, nr. 11). Ook wisten de Nederlandse tussenpersonen C.D.B. en A.V.E volgens eisers (in hun beroepsconclusies) dat inverdenkinggestelden T.B. en J.D. geen opleiding of vergunning hadden om als financiële tussenpersonen te handelen. Op dit verweer is volgens eisers niet concreet geantwoord.
  6. Beoordeling. Het recht van een burgerlijke partij om een conclusie neer te leggen voor het onderzoeksgerecht houdt in dat het onderzoeksgerecht daarop antwoordt en, als het van mening is dat het haar vordering dient af te wijzen, de voornaamste redenen aangeeft die de burgerlijke partij in staat stellen de beslissing te begrijpen
(18). Niet vereist is dat het onderzoeksgerecht tot in het detail antwoordt op de conclusie van een burgerlijke partij over voldoende bezwaren
(19).
  1. Uit het bestreden arrest blijkt dat vijfde en zesde verweerder in cassatie niet werden vervolgd wegens het verrichten van bank- en beleggingsdiensten via een tussenpersoon die niet is ingeschreven in het register van tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, wat strafbaar is ingevolge de artikelen 5 en 21, § 1, eerste lid, Wet van 22 maart 2006, maar enkel voor de illegale uitoefening van een beleggingsonderneming, zoals omschreven in telastlegging B. Het gaat om een inbreuk op artikel 148, § 4, 1° Wet van 6 april 1995 inzake het statuut van het toezicht op de beleggingsondernemingen (BS 3 juni 1995), zoals van toepassing op de beweerde feiten tussen 31 juni 2006 tot 16 oktober 2014, thans artikel 107, § 1, 1° Wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies (BS 18 november 2016).
  2. De raadkamer heeft vijfde en zesde verweerder buiten vervolging gesteld voor feit B van inbreuk op het (oud) artikel 148, § 4, 1° Wet van 6 april
  3. Het bestreden arrest (blz. 18-20 en 23-26) verklaart het hoger beroep van eisers I, II, III en IV tegen dit onderdeel niet-ontvankelijk, bij gebrek aan hoedanigheid, omdat feit B niet is vermeld in hun klacht met burgerlijke partijstelling en eisers voor dat feit geen bijkomende klacht met burgerlijke partijstelling hebben ingediend, in de loop van het gerechtelijk onderzoek. Mij komt voor dat het bestreden arrest niet moest antwoorden op de argumenten van eisers I, II, III en IV dat er tegen verweerders V en VI wel voldoende bezwaar zou bestaan voor tenlastelegging B, eventueel aangevuld of heromschreven als inbreuk op de artikelen 5 en 21, § 1 Wet van 22 maart 2006, gelet op een stuk 1008 van het FSMA waarnaar alleen eisers I en II hebben naar verwezen (st. 17, nr. 11). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  4. Voor het overige is het onderzoeksgerecht niet verplicht om in detail te antwoorden op argumenten die alleen dienen ter ondersteuning van een verweer, zoals het stuk 1008 aangehaald door eisers I en II, maar die geen zelfstandig verweer uitmaken
(20). De overige eisers hebben in hun beroepsconclusie niet verwezen naar st. 1008 om hun standpunt te ondersteunen dat er tegen ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV wel voldoende bezwaar voor feit B zou bestaan
(21). In zoverre kan het eerste onderdeel van eisers I, II, III en IV niet worden aangenomen.
  1. Het bestreden arrest neemt aan dat het hoger beroep van eisers V tegen de buitenvervolgingstelling van ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV ontvankelijk doch ongegrond is (blz. 35-36), omdat 1° deze verweerders (5 en 6) als Nederlandse vermogensbeheerders hun beleggingsdiensten mochten aanbieden in België, gelet op de Europese regelgeving, 2° het de eerste, tweede en derde verweerders zijn die zonder vergunning een onderneming hebben opgericht en gevoerd voor het aanbieden van beleggingen, door gebruik te maken van ‘de Nederlanders’ en 3° het niet zo is dat vijfde en zesde verweerders het gebruik van een firma zonder vergunning in België toestonden, aangezien zij alleen contracten ter beschikking stelden aan verweerders 1, 2 en 3 en er mochten van uitgaan dat er geen probleem was.
  2. Het bestreden arrest oordeelt dat vijfde en zesde verweerders er niet voor moesten zorgen dat verweerders 1, 2 en 3 de nodige vergunningen hadden voor het aanbieden van beleggingsproducten. Verder stelde de K.I. dat eisers V in hun beroepsconclusie geen concrete gegevens hebben aangebracht die tot een ander oordeel zouden nopen dan de buitenvervolgingstelling van ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV voor feit B. Het arrest lijkt mij voldoende redenen te bevatten om te komen tot buitenvervolgingstelling van vijfde en zesde verweerder voor feit B, zonder dat het nodig was te antwoorden op elk argument van eisers V dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het eerste onderdeel van eisers V niet worden aangenomen.
  3. Uitoefenen van een beleggingsonderneming.
  4. In een tweede onderdeel voeren alle eisers aan dat het bestreden arrest niet wettig kon aannemen dat er geen bezwaar bestaat tegen CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER bv en ABERVELD ASSET MANAGEMENT bv voor feit B met als reden dat “de Nederlanders niet dienden te zorgen dat verweerders 1 tot 4 de nodige vergunningen hadden” en “ervan konden uitgaan dat wat hen betrof er -gelet op het Europees kader van de vrije dienstverlening- geen probleem was”, aangezien uit artikelen 5 en 21 Wet 22 maart 2006 voortvloeit dat gereglementeerde ondernemingen die in België werkzaam zijn geen beroep mogen doen op een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten die niet is ingeschreven in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten dat door de bevoegde autoriteit wordt bijgehouden.
  5. Beoordeling. Het bestreden arrest stelt vast dat eisers I, II, III en IV zich nooit burgerlijke partij hebben gesteld tegen ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV voor de feiten van telastlegging B en dat hun hoger beroep tegen de buitenvervolgingstelling voor dat feit niet-ontvankelijk is, bij gebrek aan hoedanigheid (blz. 18-20, 23-26 en 38). Dit oordeel houdt in dat de K.I. zich niet moest uitspreken over de gegrondheid van argumenten van deze eisers over bezwaren voor feit B, dat volgens hen een inbreuk zou vormen op de artikelen 5 en 21 Wet 22 maart
  6. In zoverre kan het tweede onderdeel van eisers I, II, III en IV niet worden aangenomen.
  7. Het bestreden arrest neemt aan dat de vraag van eisers I en II tot verwijzing naar de correctionele rechtbank van ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV moet worden begrepen als een vraag om deze verweerders “bijkomend in verdenking te stellen” voor de feiten van oplichting omschreven in de telastleggingen A10 en A 11 (blz. 38). In deze telastleggingen over oplichting (art. 496 Sw.) is alleen verweerder 4 D. aangeduid als inverdenkinggestelde (blz. 5). Vervolgens oordeelt de K.I. dat zij geen verplichting heeft om op de vraag tot bijkomende vervolging in te gaan, gelet op artikelen 235 Sv., en er geen aanwijzingen zijn dat ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV, dit zijn vennootschappen gelieerd aan de Nederlanders Cor DE BRUIN en Andreas VAN EERDEN, “op een door de strafwet bepaalde wijze zou hebben deelgenomen aan misdrijven waarbij de burgerlijke partijen schade hebben opgelopen” (blz. 39). Daarbij verwijst het arrest naar de motivering over de rol van ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV wat betreft de feiten A3-A6, meer bepaald: 1° het feit dat verweerders 1, 2 en 3 de Nederlandse vermogensbeheerders ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV “voor de kar hebben gespannen in de betrachting om een beeld op te hangen van professionalisme t.a.v. de burgerlijke partijen” (blz. 32 en 39), 2° de verklaringen van d.B. en V.E. dat eerste verweerster B. niet in dienst was bij BV CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER en alleen optrad als aanbrengster van beleggers (blz. 33, 34 en 39), 3° het feit dat de resultaten van de verhoren en huiszoekingen uitgevoerd in Nederland geen concrete aanwijzingen opleverden dat de vermogensbeheerders ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV en hun bestuurders (V.E. en d.B.) op de hoogte zouden geweest zijn van de frauduleuze intenties en de daaruit voortvloeiende werkwijze van verweerders B., D.B. en D. naar de burgerlijke partijen toe, laat staan dat zij daarvan op enige wijze wetens en willens hebben deelgenomen of die activiteiten met kennis van zaken zouden hebben gefaciliteerd of gedoogd (blz. 34 en 39) en 4° het ontbreken van aanwijzingen dat de vermogensbeheerders ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV via eerste verweerster B. een deel van de risicopremies zouden hebben opgestreken (blz. 35 en 39). Het geheel van redenen is m.i. toereikend als antwoord op de vraag van eisers I en II om ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV bijkomend in verdenking te stellen, op basis van art. 235 Sv., zodat hun tweede onderdeel niet kan worden aangenomen.
  8. Eisers V hebben tegen vijfde en zesde verweerder (CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER bv en ABERVELT ASSET MANAGEMENT bv) wel een klacht met burgerlijke partijstelling uitgebracht voor feit B. (memorie, blz. 2, arrest blz. 20 en 35-38). Het bestreden arrest neemt aan dat het hoger beroep tegen de buitenvervolgingstelling van deze verweerders (V en VI) voor feit B ontvankelijk maar ongegrond is (blz. 21-23 en 35-36), zoals hoger aangegeven. De motivering houdt in dat er alleen bezwaar is dat verweerders 1, 2 en 3 een bedrijf van een beleggingsonderneming hebben gevoerd en burgerlijke partijen hebben opgelicht door hen ‘vermogensbeheersverbintenissen’ aan te bieden en gelden als stortingen voor beleggingen te doen overhandigen onder het voorwendsel van beperkte risico’s en kosten en het optreden als beleggingsexpert, om zich vervolgens de risicopremies (de beweerde winsten) voor de helft toe te eigenen.
  9. Verder stelt het arrest dat eisers V in conclusie hebben gevraagd ABERFELD ASSET MANAGEMENT BV en CE DE BRUIN VERMOGENSBEHEER BV bijkomend in verdenking te stellen en te verwijzen naar de correctionele rechtbank voor bepaalde feiten (blz. 38) en er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat deze vermogensbeheerders betrokken zouden zijn bij misdrijven waarbij eisers V schade zouden hebben opgelopen (blz. 39). Het arrest lijkt mij voldoende redenen te bevatten om tot buitenvervolgingstelling van vijfde en zesde verweerder te komen voor feit B, zonder dat het nodig was bijkomend na te gaan of de feiten omschreven in telastlegging B ook een inbreuk zouden vormen op artikelen 5 en 21, § 1 Wet van 22 maart 2006, die door eisers V niet in hun klacht met burgerlijke partijstelling was vermeld
(22). In zoverre kan het middel van eisers V niet worden aangenomen. 28. Het onderzoeksgerecht oordeelt bij de regeling van de rechtspleging vrij of er tegen de inverdenkinggestelde al dan niet voldoende bezwaren bestaan. Het Hof kan op dit oordeel van het onderzoeksgerecht geen marginale toetsing uitoefenen
(23). Voor zover eisers aanvoeren dat het onderzoeksgerecht wel bezwaren had moeten vaststellen tegen vijfde en zesde verweerders wegens telastlegging B, heromschreven als inbreuk op de artikelen 5 en 21, § 1 Wet 22 maart 2006, omdat zij er wel voor moesten zorgen dat de Belgische inverdenkinggestelden over de nodige vergunningen inzake beleggingsdiensten moesten beschikken, komt het middel op tegen een onaantastbare beoordeling van feiten en is het niet-ontvankelijk. Mijn conclusie is verwerping van de cassatieberoepen. ________________________________________
(1)Zie alg. S. VAN OVERBEKE, “Strafrechtelijke gevolgen van een onontvankelijke burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter”, RW 2008-09, 1458-1465; F. DERUYCK, “De burgerlijke vordering voor de strafrechter: een status quaestionis aan de hand van de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie”, in CBR Jaarboek 2010-11, Intersentia 2011, 385-387; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 220-222; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 419-420; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1240-1241; S. VERHELST, De rol van het slachtoffer in het straf(proces)recht, Intersentia 2014, 195-229; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 63 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 291-295; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 334 en 722-729; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 921-925.
(2)Cass. 18 maart 2020, AR P.19.1287.F, AC 2020, nr. 201, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200318.2F.5. Zie ook R. VERSTRAETEN, De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek, Maklu 1990, 120, 167 en 227; P. WAETERINCKX, “Over lege dozen en de saisine van de onderzoeksrechter”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 985-986; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 63 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 292-293.
(3)Cass. 30 mei 2023, AR P.22.1719.N, AC 2023, nr. 386, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.4; R. DECLERCQ, Beginselen van strafvordering, Kluwer 2014, 1241; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 728.
(4)E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 63 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 291; J. D’HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Story-Scientia 1985, 159.
(5)Cass. 3 mei 2016, AR P.16.0072.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160503.3, AC 2016, nr. 297.
(6)E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 63 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 291.
(7)Cass. 5 oktober 2021, AR P.21.0769.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.5, AC 2021, nr. 614. In dezelfde zin Cass. 3 november 2015, AR P.14.1033.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151103.2, AC 2015, nr. 646; Cass. 4 februari 2015, AR P.14.1148.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150204.3, AC 2015, nr. 84; Cass. 12 november 2013, AR P.13.0976.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.6, AC 2013, nr. 599; Cass. 2 november 2011, P.11.0919.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111102.3, AC 2011, nr. 587; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 729 en 741.
(8)R. VERSTRAETEN, De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek, Maklu 1990, 134.
(9)E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 127 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 389; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 359.
(10)Cass. 9 september 2008, AR P.08.0008.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080909.1, AC 2008, nr. 457; Cass. 3 maart 1952, Pas. 1952, I, 397; Cass. 27 mei 1935, Pas. 1935, II, 261; Cass. 29 maart 1926, Pas. 1926, I, 325; G. SCHUIND, Traité pratique de droit criminel, II, Procédure pénale, Bruylant 1944, 183; C. VAN CAMP, De onderzoeksrechter, Antwerpen, Standaard Uitg. 1959, p.52; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 427-428; R. DECLERCQ, Beginselen van strafvordering, Kluwer 2014, 269-270; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 741; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 1008.
(11)E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 127 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 389; R. DECLERCQ, Beginselen van strafvordering, Kluwer 2014, 359.
(12)Cass. 23 maart 2011, AR P.10.1757.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110323.3, AC 2011, nr. 219; Cass. 17 oktober 2006, AR P.06.0829.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.5-P.06.0860.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.5, AC 2006, nr. 492; Cass. 23 oktober 2002, AR P.02.1088.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021023.10, AC 2002, nr. 562; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 127 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 389; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 675; R. DECLERCQ, Beginselen van strafvordering, Kluwer 2014, 359; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 1016.
(13)Cass. 28 maart 2017, AR P.15.0472.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.6, AC 2017, nr. 217.
(14)M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 729 en 746.
(15)Cass. 2 december 2008, AR P.08.1082.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.2, AC 2008, nr. 689.
(16)Cass. 23 december 2015, AR P.15.0615.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.3, AC 2015, nr. 775, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 21 oktober 2014, AR P.14.0367.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.2, AC 2014, nr. 626; R. DECLERCQ, Onderzoeksgerechten, APR 1993, nr. 470; S. VANDROMME, “Evocatie door de kamer van inbeschuldigingstelling”, in Comm. Strafr. 2006, 3; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 933.
(17)Cass. 11 februari 2015, AR P.14.1011.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.7, AC 2015, nr. 99. In dezelfde zin Cass. 22 december 2009, AR P.09.1121.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.7, AC 2009, nr. 782; GwH 14 december 2005, arrest 191/2005, www.const-court.be; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 750; R. DECLERCQ, Beginselen van strafvordering, Kluwer 2014, 431; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 932-933.
(18)I. COUWENBERG en F. VAN VOLSEM, Concluderen voor de strafrechter, Intersentia 2018, 3-5.
(19)Cass. 8 november 2022, AR P.22.0774.N, AC 2022, nr. 705, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.7; Cass. 5 november 2019, AR P.19.0530.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.4, AC 2019, nr. 571; Cass. 28 januari 2015, AR P.14.1463.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150128.1, AC 2015, nr. 64; Cass. 2 april 2014, AR P.13.1048.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140402.2, AC 2014, nr. 256, met concl. van advocaat-generaal D. VANVERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 16 mei 2012, AR P.12.0112.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120516.2, AC 2012, nr. 310; Cass. 8 juni 2011, AR P.11.0570.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.4, AC 2011, nr. 391 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 994-998 en 1002-1007; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 1021.
(20)Zie alg. J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken“, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 115-116.
(21)St. 18 (conclusie eisers III), nrs. 11 en 12, zoals aangeduid in de memorie p. 9, st. 19, 20 en 21 (conclusie eiseres IV), p. 6-11, zoals aangeduid in de memorie p. 9 en st. 23 (conclusie eisers V, p.2-4), zoals aangeduid in de memorie al. 3.
(22)Eisers V stellen in hun memorie (blz. 2) dat zij tegen de verweerders klacht met burgerlijke partijstelling hadden ingediend wegens ‘beleggingsfraude’ in de zin van inbreuk op de Wet van 6 april 1995, gewijzigd door de Wet van 25 oktober 2016.
(23)Cass. 8 november 2022, AR P.22.0774.N, AC 2022, nr. 705, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.7; Cass. 28 januari 2015, AR P.14.1463.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150128.1, AC 2015, nr. 64; Cass. 4 april 2006, AR P.05.1650.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.5, AC 2006, nr. 195; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1005. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021023.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080909.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110323.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111102.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120516.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140402.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150128.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150204.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151103.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160503.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200318.2F.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.